INHOUD WTT
HOME

Het Woordenboek van de Tilburgse Taal wordt mede mogelijk gemaakt door

A

B

BL

D

E

F

G

H

I

J

K

KIK

KRA

L

M

N

O

OOD

P

PLA

R

S

SIEB

SPR

T

U

V

VIE

W

Z

 

Wil Sterenborg

Van blaaje tot buute

Schilderij van Jan Miense Molenaer; 17de eeuw

Bleke


blaaje

werkwoord, zwak

WBD veevoer verzamelen (bijv. bietbladeren), ook 'plukke' genoemd

- blaaje - blaajde - geblaajd (geen vocaalkrimping)

 

blaasjeszeege

► blaaziejuszeege

 

blaaw

blauw

► blauw

 

blaaziejuszeege

zelfstandig naamwoord

Blasiuszegen; katholiek ritueel; eertijds uitgevoerd op 3 februari, de feestdag van de heilige Blasius, waarbij de priester twee gekruiste en gewijde kaarsen tegen de keel van de gelovige hield. Daarmee werd de gelovige gevrijwaard van keelaandoeningen. De kaarsen waren op 2 februari (Maria Lichtmis) gewijd. Elders in Brabant en Vlaanderen ook tegen huidaandoeningen (blazen). Ook als remedie tegen dergelijke ziekten van het vee.

Etymologie

1995 Weijnen - Ziektenamen in Nederlandse dialecten - Van de H. Blasius was hiervoren reeds even sprake. Hij werd in 316 gruwzaam gemarteld. Dat hij sedert onheuglijke tijden de patroon tegen keelziekten is, kan worden gezien als gevolg van een volksetymologisch verband leggen tussen zijn naam en het werkwoord blazen maar ook berusten op de legende dat hij een kind dat een visgraat had ingeslikt, op wonderbaarlijke wijze van de verstikkingsdood heeft gered.

1995 Weijnen - Ziektenamen in Nederlandse dialecten - Het verband tussen de ziekte en de betrokken heilige is zeer gevarieerd. (...) In een aantal gevallen is het de naam van de heilige die tot een bepaalde verering leidde. Zo worden de Westvlaamse Sint-Blasiuszeren (Latijns: rupia) aldus genoemd omdat de huidziekte met blazen of blaren begint. We zouden hier kunnen spreken van een volksetymologisch verband. Ook daarom b.v. wordt Valentijn tegen vallende ziekte aangeroepen.

1959 - W. Knippenberg - Brabants Heem, jrg. 11 - Beter bekend is de H. BLASIUS, bisschop te Sebaste in Armenie, in 316 gemarteld (feestdag 3 febr.). Hij behoort ook tot de uit het oosten ingevoerde heiligen, van wie de legendenvorming zich meester maakte. Omdat hij een jongen, die een visgraat had ingeslikt, van de verstikkingsdood had gered, werd hij aangeroepen tegen difterie en andere keelziekten. (W. KNIPPENBERG, OUDE KAPELLEN IN NOORD-BRABANT IV)

Het ritueel

1925 WvK - Het kosterboek - Feest van den H Blasius [3 Febr] 1. Vr de H, Mis worden twee kaarsen gewijd volgens het ritueel (...) Dit kan in de sacristie gebeuren ; de koster zorge voor wijwater en ritueel. 2. Na de H. Mis legt de priester de kazuifel en manipel af; zoo noodig doet hij de roode gekruiste stool om, en de kaarsen worden aangestoken. De koster verwijdere de kelk van het altaar. 3. Buiten de H. Mis draagt de priester voor deze zegening superplie en roode stool. 4. De kaarsen worden apart bewaard om ook gedurende het jaar den Blasiuszegen, bijv. aan zieken te kunnen geven. [Het is niet bekend wie de auteir 'WvK' is]

Tilburg

1981 Cees Robben - Robben en rooms - In februari had ie achter op zijn fiets onder zijn snelbinders een paar gewijde kaarsen. Dan leurde hij met de H. Blasius zegen in de afgelegen gehuchten. Hij hield bij de mensen die er van gediend waren de gekruiste kaarsen onder d'r kin en bad: Door de voorspraak van de heilige Blasius Bisschop en martelaar, bevrijde U God van keelziekte en van alle ander kwaad. In de naam des Vaders en des Zoons en des heiligen Geestes. Amen'.

1998 Henk van Rijen - Men Tilburgs woordeboek - Sint-Blaasiejus 3 februari, wordt aangeroepen bij keelpijn.

Gilze-Rijen

1996 Wim van GesteI - Woordenlijst van de streektaal van Gilze en Rijen - Blaosius (den Hligen) Blasius (3 februari). Dag, waarop de Blasiuszegen werd gegeven; met twee gekruiste kaarsen om de hals tegen keelziekten. De kaarsen werden op 2 febr., (Maria Lichtmis) gewijd.

Kaatsheuvel

2002 Andr van Riel - Oe Toch - Het dialect van Kaatsheuvel - D'n Blasiuszeegen hale. Op 3 februari een zegen tegen keelkwalen halen (met 2 gekruiste kaarsen).

Een Tilburgse herinnering - Blasius in de Korenbloemstraat

2007 H. van Boxtel De Ochtendridders van de Korenbloemstraat - De deur ging open, en ze kwamen binnen. Hij [de pastoor] bromde niets tegen ons, helemaal niks. Hij zag ons niet zitten. Hij was helemaal in de andere wereld. Hij ging midden voor de klas op een stoel zitten, en de misdienaars posteerden zich aan weerszijden van hem, met hun brandende kaarsen. De broeder was met de stille trom naar achter in de klas verdwenen, en stuurde ons zacht fluisterend n voor n naar voren.
De eerste, Jan Adriaans, liep naar voren, en wist niet wat de bedoeling was. Hij begreep dat hij de kant van de pastoor uit moest, maar toen hij daar in de buurt kwam, gaf die verder niet thuis. Doorlopen dan maar, moet hij gedacht hebben, met kleine pasjes, dan hoor ik het wel, maar hij hoorde niets. En terwijl hij daar zo op de pastoor aan het aanschuifelen was, wist hij het ook niet meer, en keek hij met een benauwd gezicht over zijn schouder om naar de broeder. Knielen begreep Adriaans heel snel, uit de woeste blik van de broeder, en de hand die hem de grond leek te willen indrukken. Toen hij echter zat, bleef alles stil, en er gebeurde niets. Ook Adriaans bleef zitten, totdat hij het gekuch van de broeder opmerkte, en hij met een half schuin oog naar achteren keek, waar de broeder hem met man en macht verder naar voren leek te willen vegen. Nog dichterbij, begreep Adriaans, en hij kroop op zijn knien dichter bij de pastoor. Toen hij eenmaal zat waar hij leek te moeten zitten, kruiste meneer pastoor twee kaarsen voor zijn keel, en, zoals ook later bij mij bleek, prevelde deze met gesloten ogen een gebed, en dan amen, en was de volgende aan de beurt. En zo trok hij de hele school door, alle klassen langs.
Toen de pastoor vertrokken was, begon de broeder uit te leggen dat het vandaag de dag van de Heilige Blasius was, dat wij zojuist de Blasiuszegen gekregen hadden, en dat Blasius een heilige was die ervoor zorgde dat wij niet zouden stikken in graten, wanneer we vis zaten te eten.

uit: Kroniek van de Kempen 1994

 

blad

zelfstandig naamwoord

1. blad van planten

- meervoud = blaojer

Dirk Boutkan: (blz. 36) meervoud: blaojer

- verkleinwoord = bljke, bljkes

Dialectenqute 1879: dooi bloajer - dorre bladeren

- Nen aawen bk lust k wl en gruun blaojke.

Cees Robben: De blaojkes wiegen af n aon

Frans Verbunt: boombladeren

WBD III.4.3:87 blaojer - loof; ook genoemd: lof, 'blaar'

2. blad, drager van informatie; zoals krant, tijdschrift

- meervoud = blaojer

- verkleinwoord = bljke, bljkes

GG blaadje, tijdschrift et bljke - het clubblad, het parochieblad

Kees & Bart (krantenrubriek 1922-193?): 'dagblaoden'

Frans Verbunt: tijdschriften

Wir heej den aawe Vadder Td/ en Blaoike vol geschreve... (Lechim; ps. v.  Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: En nuu begien)

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): BLAAIKE(N) zelfstandig naamwoord.o. - Verkleinwoord v. blad, Fr. feuille. Spr. Bij iemand op een goed/ slecht blaaiken staan.

3. andere betekenissen

Reelick, Bosch' woordenboek (1993 & 2002): blaaiere - bladeren; ergens minder van worden

Ook: slagvenster, vensterluik, vensterblind, Fr. volet, contrevent.

 

bladaojer

zelfstandig naamwoord

nerf, 'nrf'

 

blak

bijvoeglijk naamwoord, bijwoord

uitdrukking -  ten blakke koome - te voorschijn komen, in het openbaar komen

WBD III.4.4:136 'blak' = vlakte

Haor Blakke - voor de dag

Hans Heestermans, Witte nog? (1988-1994): blak; vor d'n blekke komen (I:33)

A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - blak - vlak, effen, kaal

J. H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836): BLAK voor 'open, openbaar' = vlak (verwisseling van V en B). Z.a.

A.P. de Bont, Dialect v. Kempenland (1958): blak bnw (alleen in de verbinding 'ten blakke komme/ brenge - te voorschijn komen / brengen. Z.a.

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): BLAK - vlak, effen, open, bloot: de blakke hei, op 't blakke veld; ten blakke brengen / komen - uitbrengen, uitkomen, aan den dag komen

Kiliaen: Black / vlack - aequus, planus: Aequor, planities

WNT BLAK - Gewoonlijk als een bijvorm van 'vlak'. Thans vooral in de zuidelijke gewesten: effen, bloot, kaal; inzonderheid van eene landstreek waar het oog ver reikt. Ten blakke (komen, brengen), te voorschijn, in het openbaar.

 

blaog

zelfstandig naamwoord

denigrerend voor: kind

WBD III.5.1:23 'blaag' = jongere

M'n moeder vertelde, dat ze hum nog as ennen blaog van 'n jaor of tien, toen ie meej kaaischeuten aon 't speulen was, naor z'n vadder zunnen kop mikte meej nen proem, omdat die meej nen kaai op naor de Heilige Fermelie wou gaon. (A.J.A.C. van Delft, uit: Toen Tilburg nog dorps was: Een heel typisch dialect; Nieuwe Tilburgsche Courant, 17 juli 1956)

 

blaoje(r)

zelfstandig naamwoord, meervoud van blad

bladeren

ik heur geluk in 't ritsele van de blaoier (Piet Heerkens; uit: De Kinkenduut, Geluk, 1941)

Cees Robben de blaoier vallen vruug van ielek bmke... (19570704)

Cees Robben Blaoier vallen... bruin en rd.. (19591031)

en lster nor-'t geflster/ van de wend in de leste blaoier (Lauran Toorians; Njaorsaovend; CuBra; 200?)

n et grasvld leej gelk bezaajd/ meej blaojer, van de bom gewaajd... (Henritte Vunderink, Hrfst, uit: Tis de moejte wrd; 2011)

►blad

 

blaojere

werkwoord, zwak

bladeren

Ge moet et mar es durblaojere.

blaojere - blaojerde - geblaojerd (geen vocaalkrimping)

 

blaojke, bljke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

blaadje

De blaoikes in et bos ... (Piet Heerkens; uit: De Kinkenduut, In et bos, 1941)

Cees Robben De blaoikes wiegen af en aon... (19571102)

Cees Robben De blaoikes van den lendenbm... die hebben veul geheurd... (19540522)

►blad

 

blaok

zelfstandig naamwoord

walm, door verbranding ontstaan zichtbaar gasmengsel

WBD (III.2.1:218) 'blaak', 'rook' = damp

WBD (III.4.4:212 'blaak' = damp, stoom' ook 'waas, 'rook', 'smook'

C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978): BLAOK (ook bij v. Dale) dikke rook, walm; meestal gezegd van damp, die van warm eten af slaat: den blaok slot er aaf; den blaok hangt on de zulder.

WNT BLAAK - gloed van vuur (ook fig.) thans niet meer in gebruik.

 

Blaok, de
toponiem
Stadsdeel De Blaak
Cees Robben En dan langs de Blaok zmar hers en geens (19551119)
 

blaoker

zelfstandig naamwoord

blaker, lage kandelaar met brede, platte voet en een handvat

WBD (III.2.1:265) blaoker = blaker

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): BLAKER - ijzeren schutsel voor een open vuur; keerspanneken

 

blaos, blske

zelfstandig naamwoord

blaas

Miep Mandos-v.d. Pol - Aantekeningen Brabantse spreekwoorden: Wie de blaos wil hbbe, moet irst et vrke zen gat kusse.

Cees Robben Gij zult oew blaos nie scheure.. (19830819) [Jij zult van werken niet doodgaan.]Henk van Rijen: blaar (geen bln:) gevuld met vocht, b.v. pok

WBD III.4.2:75 'blaas - zwemblaas v.e. vis; ook 'luchtblaas' genoemd of 'zwemblaas' of 'luchtzak'

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): BLAAS zelfstandig naamwoord.v. - blaar, bladder, opzwelling v.d. huid of de bovenkorst v. iets, door de hitte, door verbranden enz. Zie blein.

 

blaosslaon

werkwoord, sterk

spel

LDM: Wij herinneren ons nog, dat bij gelegenheid van het huwelijk van een fabrikantszoon op de achter het huis gelegen weide aan het personeel een feest was aangeboden en dat daar allerlei volksspelen werden gehouden als kikvorskruien, sprietlopen, mastklimmen, zaklopen en blaasslaan. Het laatste bestond hierin, dat twee personen beiden gewapend met een strak opgeblazen varkensblaas trachtten elkaar van een smalle plank te slaan, die een eindje boven de grond was aangebracht. (Lowie van Dorrus Misters; rubriek Uit onze Tilburgse folklore, afl. 13 Oude koffiehuizen in Tilburg 1; NTC 16-2-1952)

WTT 2012 - Het spel waarop Lowie van Dorrus Misters (LDW) doelt staat in Tilburg beter bekend als 'blaasvechten'. 'Blaasslaan' heeft eerder betrekking op de carnavaleske traditie om met een opgeblazen blaas aan een koord aan een stok omstanders te slaan. Het slaan met blazen beperkte zich echter niet tot vastenavond:

- Uit 'De Witte' van Ernest Claes: 'Van aan de statie zag hij opeens een vijftal bengels aangedraafd komen, woedend nagezet door Dora, de hond van Jef Weynants, en ze liepen dwars door de weiden recht naar het zwemkot toe. Ze staakten hun vaart halverwege, om niet te erg in 't zweet te zijn, wist de Witte, en hij herkende ze meteen alle vijf: Fompe, Turke Leunes, Krol, Dabbe en Tjeef van Voskes. Alleen Tjeef had een klak op, al de anderen waren blootskop. Daar was er een bij die een dikke varkensblaas in de lucht zwaaide, en daarmede telkens op de anderen sloeg, zodat het dof door de weiden klonk. Dat was Turke Leunes, die zonder blaas niet zwemmen durfde en het daardoor ook nooit leren zou.'

M. D. Teenstra De kinderwereld; 1853) - Zij [de kinderen] vullen de blaas met wind, en met eenigen boonen , enkel en alleen om daarmede geraas te maken, en om met dezen kalen windzak andere jongens, alsmede honden en katten, die voor veel vertooning makende dingen, gelijk eene blaas met boonen, bang zijn, op den loop te jagen.


Detail uit een carnavalsprent van Casper Luyken (1698) - voor de gehele prent en andere prenten met blaasslaan

zie Dossier Blaasslaan & Blaasvechten.

 

blaosvchte

werkwoord, sterk

blaasvechten

een sportief spel voor de jeugd

LDM: Wij herinneren ons nog, dat bij gelegenheid van het huwelijk van een fabrikantszoon op de achter het huis gelegen weide aan het personeel een feest was aangeboden en dat daar allerlei volksspelen werden gehouden als kikvorskruien, sprietlopen, mastklimmen, zaklopen en blaasslaan. Het laatste bestond hierin, dat twee personen beiden gewapend met een strak opgeblazen varkensblaas trachtten elkaar van een smalle plank te slaan, die een eindje boven de grond was aangebracht. (Lowie van Dorrus Misters; rubriek Uit onze Tilburgse folklore, afl. 13 Oude koffiehuizen in Tilburg 1; NTC 16-2-1952)

WTT 2012 -- Deze vorm van amusement was vrijwel exclusief populair in Tilburg tussen 1910-1940. Het blaasvechten was in die tijd een vast onderdeel van de 'volksspelen' die op koninginnedag georganiseerd werden door feestcommitees en winkeliersverenigingen.

Aankondiging in de Nieuwe Tilburgsche Courant - 1 september 1909

 

Voor meer krantenberichten over blaasvechten, zie Dossier Blaasslaan & Blaasvechten

 

blaoszwmme

werkwoord, sterk

zwemmen met een varkensblaas - niet of nauwelijks kunnen zwemmen, maar daarbij geholpen door een opgeblazen dierblaas om makkelijker te blijven drijven

Pieter Breughel - detail uit De Kinderspelen

► Zie beelddossier CuBra

 

blaoze

werkwoord, zwak

blazen

B blaoze - blaosde - geblaoze (geen vocaalkrimping);

Dirk Boutkan: blies

1. blazen, adem uitstoten

R.J. 'die blaosden oe wrem'

- Het zal wel koelen zonder blazen. - Die overdreven ijver mindert vanzelf. (A.J.A.C. van Delft; 1961; in: Nieuwe Tilburgse Courant, Bekoring van dialect; Typische zegswijzen uit onze streek; uit de volksmond opgetekend)

Cees Robben: naa blaos ik alwir en virke ...

Cees Robben: ze blaost der partij goed; meej de krsemes ist ppaase geblaoze;

Henk van Rijen: Ge kunt nie blaoze(n) n tegelk de rok in oewe mond haawe - (geen n maar pauze) - Je kunt geen twee tegengestelde dingen tegelijk doen.

Henk van Rijen: blaost em mar op - loop naar de maan; ge kunt em opblaoze - je kunt naar de maan lopen

Cees Robben: 'blaost giens die krs dan uit'

2. een wind laten, winderig zijn

Cees Robben Ik blaos van onderen en boven (19731231)

Piet van Beers Ik lus t geleijk: En w gedocht, .. van boonesoep/ En lekkere malse snert./ Ge blaost er, en ge stinkt er van/Mar d is 't men wel werd. (With Love; 1982-1987)

Piet van Beers Jonges, lster is: En drrom eete wij naa snert/ n flink w schrseneere./ Dan kunnen wij 'm ok enne keer/ op 'n blaoskonzert trakteere. (Spoeje doemmeniemer; 2009)

WBD III.1.1. lemma Een wind laten Tilburg en Reusel [als enige twee plaatsen van opgave]

3. Overige betekenissen

WBD (v.e. paard) met neus en lippen proesten: (Hasselt) 'briese', elders ook 'snottere' genoemd

WBD blaoze (II:1026) - blazen: droogwaaien; ook: drge

WBD blaoze (II:1028) - blazen: vetten; ook: spte

WBD (III.2.1:502) blaoze = blazen v.d. kat, ook: 'grijnzen'

WBD (III.1.4:156) 'blazerig' = loom door de hitte

WBD (III.3.1:304) 'blazen' = opscheppen

 

blauw

blauw

in de uitspraak ook het scherpere, kortere blaaw; ook geschreven als blaauw

Dialectenqute 1879: blouw (au = ou in: blouw, grouw, klouw ..)

A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937): blow naast blouw (krt. 20)

1 bijvoeglijk naamwoord

Van Rijen (1998): 'blauw'

Cees Robben: blauw van de kaaw; onze vadder ha en blauw neus

Henk van Rijen: en blauw koej - hiervan is sprake als de melk opvallend is aangelengd

Jan Naaijkens - D's Biks - 1992: blaaw bn

Hans Heestermans, Witte nog? (1988-1994): blaauw (VI:21)

2 bijwoord

A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952): ze hbben em bnt en blaauw geslaon;

Dirk Boutkan: (99) ...blaw geslaon

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - der zen vingers nie blauw n hbbe (Pierre van Beek: Tilburgse Taalplastiek 1972) - een erfenis in het vooruitzicht hebben waar niet veel van verwacht wordt ( dus geen blauwe vingers van het tellen)

3 zelfstandig naamwoord, blauwe'

3.1  iemand met rood haar: den blauwe

Van Beek - "Ge moet gin spek in 'n hondsnest zuuken" zeiden we vorige maal. "D zeej onzen blaauwen ook dikkels" was 't antwoord en daarmee bleek, dat 'k in de roos geschoten had. Want "onzen blaauwen" is een vaststaand begrip voor iemand, die rood haar heeft zowel te Goirle als in Tilburg.  (Nwe. Tilb. Courant; Tilburgse Typen afl. XIII; 28 maart 1958)

Frans Verbunt: den blauwe - iemand met rood haar

- Sjaan zcht en aorig truike t/ hel sjiek, meej krte mouwe/ vuurrood, want Jaonus heure man/ is zogezeej enen blauwe. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: D kos nie)

Jan Naaijkens - D's Biks - 1992: d'n blaauwe - iemand met rood haar

Van Rijen (1998): 'blaawe'  - scheldwoord voor roodharige

K. de Beer - Tilburgs Bijnamenboek (2000) - den blauwe = Janus v.d.Biggelaar (blz. 25)

Stadsnieuws: Ge wit wl, diejen blauwe van hiernffe - die roodharige buurjongen (l10410)

3.2 paard

WBD 'blauwe' - (Hasselts voor) bep. gekleurde schimmel

WBD 'blauwschimmel' - bep. gekleurde schimmel, ook genoemd (Hasselt) 'blauwe

3.3 blauw als dag(licht)

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - tusse de blauwe n de grauwe - tussen licht en donker

3.4 teleurstelling in de liefde

WBD III.2.2:81 'een blauwtje lopen' = idem; ook 'een blauwe lopen'

4 blauw als aanduiding voor dronkenschap of kenmerken daarvan

Van Delft - "Hij was een beetje blauw" wordt gezegd voor: Hij was een beetje dronken. (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 117; 5 juni 1929) [zie 3.1]

Frans Verbunt: zo blauw as en laaj [wsch. bedoeld om dronkenschap aan te duiden]

Buuk - blauw - dronken - hij is zo blauw as de laaj - stomdronken

5 werkwoord: blauwe, blaawe

WBD III.2.1:532 'blauwen', 'blauwselen' = blauwen van de was

 

blauwkpke

zelfstandig naamwoord

blauwkopje; mees

Van Delft - - Als wij des zomers vogeltjes gaan zoeken dan "gaon we veugeltjes zuuken" en we vinden "veugeltjes op aijkens en mee naokte jong van bremkwetjes, piedieven, kweiken, schrijvers, kakeluutjes, blaauwkupkes, merkoven, koolmees, enz." (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 110; 20-04-1929)

 

blauwslot

zelfstandig naamwoord

blauwsloot; open riool, speciaal in de periferie van Tilburg, veelal gevuld met door textielfabrieken geloosd afvalwater van ververijen, waardoor het water een blauwe kleur kreeg.

- A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952): de blauwslot (i.p.v. den blauwslot)

- Weekblad voor Tilburg 14-4-1866: Bij een vechtpartij belandt een dronken schutter "in een vollen sloot met blauw fabriekwater gevuld ... waaruit hij nu geheel blauwgeverwd te voorschijn kwam". (wsch. oudste vindplaats)

- We hebben hier ok eenen blauwen sloot/ en as ge'm ruukt dan valde dood! (Piet Heerkens; uit: Brabant, Tilburg zingt, 1941)

- binnen kort zullen die bisjes nog zeldzoamer zen as in [een] wolhaand krab in innen blauwsloot. (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

- Toense in [een] end geloope han kwamen ze vur innen blauwsloot en daor kosse ze nie over. (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

Cees Robben Den blaauwslt was n zuut ril/ heel open en plezaant (19701016)

Cees Robben Blauwslt.. Buunder.. Baors en Broek.. (19570316)

Audioregistratie 1978 -- Ik weet goed, vroeger h, we zitten hier dicht in Bls, n dan gebeurde ng wlles dgge smkkelaars had, war, n asse dan verdacht waare, dan hadde en diepe sloot want vroeger hadde die riejole nie n zoo.dan kroope ze in dieje, in dieje sloot, hil diep h! ()  nt gewas dtter binnenin was, d zchte ze dan n d trokke ze oover der hoofd heene dsse et nie zien (interview met dhr. Hermans, transcriptie door Hans Hessels)

- Ge heurt in de vrije natuur/ en veugeltje d zingt/ vlak nffe enen blauwsloot aaf/ die as enen brput stinkt. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: J, j, gullie fietst mar')

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - stinken as nen blauwslot ('71)

Van Rijen (1998): 'blaawslot'

Frans Verbunt: 'We hbben hier ok enen blauwe slot, / n as ge em ruukt dan valde dod (fragm. gedicht P. Heerkens)

K. de Beer - Tilburgs Bijnamenboek (2000) - blauwslot - soort open riool (blz. 111)

Piet van Beers Lkker fietse: En [ge] wir opnuu wit, hoe ennen blauwsloot ruukt. (Spoeje doemmeniemer; 2009)

WBD III.5.1:405 'blauwsloot' = straatgoot

blauwslot - dossier

 

blauwscheut

zelfstandig naamwoord

spataderen (of de bezitter ervan?)

Van Rijen (1998): 'blaawscheut'

 

blauwvrver

zelfstandig naamwoord

blauwverver

K. de Beer - Tilburgs Bijnamenboek (2000) - den blaawvrver = Thom. Thijs (blz. 78.)

 

blauwvlieg

blauwvlieg

zelfstandig naamwoord

WBD III.4.2:127 'blauwvlieg' - blauwe vleesvlieg of bromvlieg (Calliphora vicina), ook genoemd: 'blauwe vlieg', 'spekvlieg' of 'bromvlieg'

 

bldschap

zelfstandig naamwoord

blijdschap

WBD III.1.4:190 'blijdschap' = pret

 

blef

persoonsvorm = verleden tijd van blve

 

Schilderij van Klaes Molenaer

blek

zelfstandig naamwoord

droogweide, bleekveld, bleek

De waas laag al betds op den blek

De Wijs  --  Ge mot menne waas 'ns zien assie van de blk komt. (10-02-1963)

Alles moes toen meej de roeffel [het wasbord]/ de laokes n de bddetk/ Zis keer spuule, dan durt blauwsel/ n laoter dreuge op de blk. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: N DE WAAS)

Foto uit 1916 van Henri Berssenbrugge. Witgoed op de bleek. De naam van de vrouw is bekend gebleven: Cornelia Brosens. Deze foto had Remco Campert voor ogen toen hij in Tot Zoens schreef: "Er is nog wat mist over van de nacht. Ik loop door het park in dun gouden oktoberlicht. Een dame met een piepklein wit keffertje aan de lijn komt me tegemoet. Ik licht mijn hoed. Op de Keizersgracht slaan de vonken van de hoeven van een brouwerspaard. Henri Berssenbrugge fotografeert in Tilburg Anna Cornelia Brosens die voelt of het wasgoed dat op het bleekveld ligt al droog is."
WBD (III.2.1:401) blek = grasveld

A.P. de Bont, Dialect v. Kempenland (1958): zelfstandig naamwoord. vr. 'bleik', bleek, bleekveld; verkleinwoord 'blkske(n)'

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): BLEIK zelfstandig naamwoord mannelijk - niet v. - bleek, bleekplaats: De wasch v.d. bleik halen.

 

blek

zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk naamwoord

bleek

K. de Beer - Tilburgs Bijnamenboek (2000) - de bleke Bts = mevr. Schoenmakers (blz. 70)

K. de Beer - Tilburgs Bijnamenboek (2000) - den bleke - Zoontjes (blz. 85)

Etymologie:
Got. blaika, D. bleich, N. bleek, T. blek

 

bleke

werkwoord, zwak

bleken, in het bijzonder het bleken van gewassen linnengoed in de buitenlucht

Foto Henri Bersenbrugge ca. 1905

Cees Robben Verder gaot ie [de wol] op dn taas/ om te drge.. en dan blke/ in de zon gelek de waas......  (19560630) [De gedroogde wol wordt in de zon gebleekt. Dit gebeurde vroeger ook met de witte was.]

Cees Robben: 10 (blz. 45) "t ongeblekte gao terzijje'

WBD geblikten blm - bloem (meel) met een bleke kleur

WBD (III.2.1:333) bleke - blauwen; (331) 'bleken' = de was bleken

B blke - blkte - geblkt

- ook in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij blkt

A.P. de Bont, Dialect v. Kempenland (1958): zw.ww.tr en intr. 'bleiken' - bleken

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): BLEIKEN - bleeken, Fr. blanchir: De was(ch) bleiken.

Reelick, Bosch' woordenboek (1993 & 2002): bleike - bleken

Schilderij van Jan Miense Molenaer; 17de eeuw

uit: Kroniek van de Kempen 1994

 

blke

werkwoord, sterk

blijken

B blke - blek - gebleeke

- in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij blkt

 

bln, blntje, mv. bln(e)

zelfstandig naamwoord

I blaar

Daamen, Handschrift Tilburgs (1916): "blaine - hij hee blaine onder z'n voeten geloopen (blaren)"

Cees Robben Mn haande vol blne van t kreugeltje douwe... (19570309)

Cees Robben ... bloed en blnen.. (19591017)

Daor zitten wij nie op te wochte, wie zen gat verbraandt moet op de blne zitte, is toch et gezegde. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

Die han un end gelope, nie normaal, volgens de zuster. De blne op der voeten, mar de zuster zeej blaren. D verstonden wij netuurluk nie, mar onze vadder wies toevallig d blaren, blne waren, die ha ze wel ens gehad en die deeje zeer, d kos ie wel vertellen. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

Miep Mandos-v.d. Pol - Aantekeningen Brabantse spreekwoorden: Hij prt oe de blnen p oewe kp.

Miep Mandos-v.d. Pol - Aantekeningen Brabantse spreekwoorden: Den dieje die zal k gin blnen p zen tng krge.

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - gin blnen p zen tng krge (Pierre van Beek:-Tilburgse Taalplastiek 1971) - weinig of niet praten

Naa fiets ik hil dees joar niemir/ al zosse d ok wille/ ik hb ng van verleeje zaoterdag/ de blne op men bille. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Op de fiets)

Jozeeke ha de vleeje week/ enen Biekenie gekreege/ Ze ha netuurluk meet goei weer/ veul in de zon geleege./ Mar ze hatter ginnen rreg in/ d die zo fl zo schne/ ze kreeg op deren onderkaant/ en haffel forse blne. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Zonnebraand)

...twee voete vol meej prse blne... (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Daor gin blne)

Henk van Rijen - ge krgt er de blne van in oew haande

GD 94 - de bln stonde op zen haande

De blne op der voeten, mar de zuster zeej blaren. D verstonden wij netuurluk nie, mar onze vadder wies toevallig d blaren, blne waren, die ha ze wel ens gehad en die deeje zeer, d kos ie wel vertellen. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

Enqute over Je favoriete Tilburgse woord op Facebookpagina Je bent een echte Tilburger als... maart 2013 -

WBD III.1.2:348 'blein' = blaar; ook: 'bleintje'

WBD III.1.2:349 'brandblein', 'blein' = brandblaar

WBD III.1.2:358 'blein', 'hondsblein' = nagelbedontsteking

Hans Heestermans, Witte nog? (1988-1994): bleinen (I:19) (IV:58)

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): BLEIN zelfstandig naamwoord vrouwelijk - soort v. harde bobbel in het vel, voortkomende van eene te groote drukking. Ik heb mijne' voet vol bleinen.

C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978): BLEIN (bln) v. blaar, opzwelling (balein wordt ook zo uitgesproken).

A.P. de Bont, Dialect v. Kempenland (1958): zelfstandig naamwoord vr. 'blein' - blaar.

Goemans, Leuvens taaleigen (1936): BLEIN -zelfstandig naamwoord vr. verkleinwoord: die zijn gat verbrandt, moet op de bleinen zitten.

Jan Naaijkens - D's Biks - 1992 -- (1992): bln - blaar, blaren

WNT BLEIN - Thans vooral in Zuid-Ned.: gezwel, blaar, met eenig plaatselijk verschil van opvatting.

II. balein

De Wijs -- (moeder tegen haar dochter: )t motte teugeswoordig ammaol steppinnen zn, mar wij waren vruuger blij mee n kesjet mee blnen (17-08-1964)

Cees Robben n Kesjet meej blne.. (19640911)

A.P. de Bont, Dialect v. Kempenland (1958): zelfstandig naamwoord vr. 'bleen', 'blijn' -'balijn', d.i. balein.

WBD III.1.3:167 'balein' = balein uit het korset

 

blre

werkwoord, zwak

blren, blaten; huilen, lawaai maken

blre - blrde - geblrd

geen vocaalkrimping

Cees Robben: geblr n gejaank

Hilversum III blrt dag n naacht/ meej rock n biet n pop/ n al wgger van ooverhaawt/ ds pnt in oewe kop. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Barend, bedankt war)

Zaoterdag gaon ze vurt Karneval/ nt leutere n nt blre... (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: n mar leutere)

...de knder hannet in der kl/ n blrde halve naachte. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Waoter drinke ds gevaorlek')

De klnste hong n oewe slip/ te jaanke n te blre (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Vruuger...veul muuger)

n n w pilskes flink gn zitte blre. (Henritte Vunderink, Jong zn, uit: Tis de moejte wrd; 2011)

WBD loeien, ook 'brulle', 'blijte', 'kweeke' of 'kwke' genoemd (m.b.t. koe)

WBD (Hasselt) geluid voortbrengen, gezegd van een schaap

WBD III.1.4:251 'blren = huilen; 255 'blren' = luid schreien

 

blrkonkoer

zelfstandig naamwoord

liedjeswedstrijd om het beste carnavalslied aan te wijzen

f meejkwke op et blrkonkoer. (Ed Schilders; W zeetie?; Website Brabants Dagblad Tilburg Plus; 2009)

Frans Verbunt: zingen op het blrconcours

 

blrkp

zelfstandig naamwoord

WBD koe met witte kop, ook 'witkp' genoemd

WNT blaarkoe - koe met eene blaar.

blaarkop -  eene zeer breede bles, die zich zijdelings over de wangen uitbreidt en de oogen omvat.

 

blte  

werkwoord, zwak

loeien, blaten

blte - bltte'- geblt, met vocaalkrimping in tegenwoordige tijd: blt

Cees Robben de waai... waor t schaop heej staon te blten (19560630)

WBD loeien

WBD 'blijte' = loeien, ook 'brulle', 'blre', kwke' of 'kweeke' genoemd.

WBD III.1.4:254 'blaten' = luid schreien

WNT BLATEN - in zuidel. gewesten meestal BLETEN, mnl. blaten en bleten; wsch. een klanknabootsend woord: verg. lat. 'blatero'; Corn-Vervl.: de koei blt.

A.P. de Bont, Dialect v. Kempenland (1958): zw.ww.intr. 'bleiten' - blaten (v. geiten en schapen)

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): BLTEN - hetz. als Holl. blaten, Fr. bler. - schreien, janken, krijten, weenen; luidruchtig luidkeels zingen of schreeuwen; razen, tieren, kijven, schelden

 

blve

werkwoord, sterk

blijven

Cees Robben: Agge daor blft zitte,...; ast nie veraandert, dan blvet zo;

Cees Robben: waor is de td gebleeve; w blfde daor naa wir staon doen.

Cees Robben: blf tch ts; in heuren stal daor blvet wrms

Dialectenqute 1879: blve (als fr. tte)

blve - blef - gebleeve geen vocaalkrimping

Henk van Rijen: den dikke mot zis weeke plat te bd blve

Dirk Boutkan: 'blft' 2e+ 3e pers.sing. (passim), o.a. blz. 67, maar sing. neutr. ook blf-et.

Dirk Boutkan: Met postcliticum: 'blft-et' of 'blv-et'   

Dirk Boutkan: (blz. 37) doublet; ' blft' + 'blft' = blijft

A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937): blfde (= blijf je) (krt. 23)

Kaart uit: A.A. Weijnen, Onderzoek naar de dialectgrenzen in Noord-Brabant; 1937 

bleeze

werkwoord, zwak

Van Rijen (1998): ontstrengen

Van Rijen (1998): 'Mot te g al die bontjes ng bleeze? - Moet je al die boontjes nog schoonmaken?

WBD (III.2.1:371) bleeze - erwten of bonen afhalen

Hans Heestermans, Witte nog? (1988-1994): boontjes blze (VII:22)

WNT BLIEZEN afl. van BLIES, vezel op den naad van de schelpen van peulvruchten

 

blk

zelfstandig en bijvoeglijk naamwoord

1. zelfstandig naamwoord; blik, een houder van glanzend metaal; voorwerpen die van blik gemaakt zijn

blk n veeger - stoffer en blik

Frans Verbunt: stil: f ik veeg oe op et blk

A.P. de Bont, Dialect v. Kempenland (1958): blk zelfstandig naamwoord onzijdig - blik (om het stof op te vegen)

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): BLEK zelfstandig naamwoord onzijdig - blik, Fr. fer-blanc

1.1. schors van bomen

WBD III.4.3:63 blk - schors;

WBD III.4.3:104 'blek' = schors van naaldbomen

2. bijvoeglijk (stoffelijk) naamwoord

Pierre van Beek: ►blkke mieneke -blikken plaatje (rond), geponst uit een garenpijp (zie: mieke); ook 'schierf' genoemd.

Kees & Bart (krantenrubriek 1922-193?): 'vleesch in blekken bussen'

WS: blkke krk - drinkkruikje v.d. arbeider

Cees Robben n blekke kan... (19600722)

Cees Robben ...blekken bluffer (19760102) [over de wekker]

Van Rijen (1998): blkke krkske - drinkeskrk

Elie van Schilt - Ut zen allemal vierkaante blekken koektrommels... (uit: Un paor momentjes vur wet ouw monumentjes; CuBra, ca. 2000)

Den blekke Jozef, z noemde wij de perochiehermonie brcht, zo as d hiete un muzikale hulde. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

 

blkke

zelfstandig naamwoord

Van Rijen (1998): hoog voorhoofd, kaal blinkend voorhoofd [niet elders aangetroffen]

 

blkkemieneke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

Frans Verbunt: dubbeltje; stukje metaal ter grootte van een dubbeltje, gebruikt in de textielindustrie en in het kinderspel (genoemd naar de beeldenaar v.e. dubbeltje: Wilhelmina)

Pierre van Beek --  blkke mieke - blikken plaatje ter grootte van een dubbeltje; waren geponst uit garenpijpen; werden door kinderen gebruikt als fiches bij het kaartspel in het patronaat.

 

blk-out
zelfstandig naamwoord
Tilburgse weergave van het Engelse black out; tijdelijk verlies van bewustzijn
Cees Robben Ons oma viel van dr stkske en dn opa van zunne graot...in unne blek-out (19860620) [flauwvallen]
 

blkske

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

M blikje(?), kleine droogweide(?)

 

blnd

bijvoeglijk naamwoord

blind

Kees & Bart (krantenrubriek 1922-193?): 'dieje blende meensch '; ''n blend perd'

- De Wenter, oud en kleurenblend,/ gaaf witte dekens mee kaawe wend. (Piet Heerkens; uit: De Mus, De jaorgetij, 1939)

Cees Robben n Pond zaod vur mn vink... Wit of zwart, menneke... D-nukt-nie.. Zis blend... (19721222)

Cees Robben n blende vrouw en unne dve meens (19811016)

K. de Beer - Tilburgs Bijnamenboek (2000) - de blnde Peer = Joh. Rokven (blz. 69)

K. de Beer - Tilburgs Bijnamenboek (2000) - den blnde Thirus =blinde man, omgeving Julianapark (blz. 86)

Dirk Boutkan: (blz. 27) in de superlatief wordt de d niet uitgesproken: blnst

A.P. de Bont, Dialect v. Kempenland (1958): blnd - bnw. - blind

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): BLEND, BLIJND - blind, Fr. aveugle.

Reelick, Bosch' woordenboek (1993 & 2002): bleind

 

blndaos

zelfstandig naamwoord

paardevlieg, blind(d)aas

Miep Mandos-v.d. Pol - Aantekeningen Brabantse spreekwoorden: Ik slao niks aaf as vliegen n blndaoze = Ik sla niets af

Cees Robben: Ik slao niks aaf as blauw vliegen n blndaoze;

Pierre van Beek: Et maogerste prd steeke de blndaozen et hardst. - De armsten hebben het 't hardst te verduren

Daamen, Handschrift Tilburgs (1916): "blendoas" - daas, paardenvlieg

Van Delft - "Dat is van de vliegen naar de blindazen" wil zeggen: Dat is van den regen in den drop. Ook hoorde ik hiervoor: "Het is van pissebed op kakkebed." (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 111; 27 april 1929)

WBD III.4.2:128 'blinddaas' - daas (Tabanidae), ook genoemd: 'horzel' of 'daas'

WBD III.4.2:131 'blinddaas' runderhorzel (Hypoderma bovis), ook genoemd 'runderhorzel' en zelden 'bisworm'

WBD III.2:134 'blinddaas'- paardenhorzel (Gastrophilus intestinalis ook 'paardenwesp' genoemd)

Hans Heestermans, Witte nog? (1988-1994): blindaas (II:76)

A.P. de Bont, Dialect v. Kempenland (1958): blndaos zelfstandig naamwoord vr. blinddaas, paardevlieg

Antw DAAS zelfstandig naamwoord mannelijk+v. tweevleugelig insect, aschgrauw van kleur, ook 'blinddaas' en 'dazerik' genaamd.

Jan Naaijkens - D's Biks - 1992: blndaos - daasvlieg

Str. blendaos (I:59)

WNT BLINDDAAS "Blinde dazen of Blindazen, welke benaming, deze dieren (t.w. de paardenvliegen) verschuldigd zijn aan de onbesuisdheid, waarmede zij somwijlen tegen helderwitte muren aan komen vliegen".

 

blnde

zelfstandig naamwoord, meervoud (het enkelvoud komt niet voor)

vensterluiken, blinden

Cees Robben [Ze] doen vruug de blenden dicht... (19601125)

WBD III.2.1:44 blinde' luik (binnen)

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): BLINDEKE(N) zelfstandig naamwoord onzijdig -ieder v.d. twee kleine schermen, die men langs binnen voor de onderste ruiten v.e. venster zet, en die beletten v. buiten naar binnen, maar niet van binnen naar buiten te zien.

blindelings

Cees Robben Peer van Dun was unne dwaoler (...) die de haai in den blende kos belpe (19570119)

 

blnde koej

zelfstandig naamwoord

spelletje; blindemannetje

Van Delft - Hetgeen elders blindemannetje heet, noemde men hier "blinde koei, waar heenen?!" Geeft de benaming niet iets onbeschaafds, iets ruws in uitdrukking aan? Men speelde het met een groot aantal kinderen op een weiland. Men vormde een kring en een ervan moest zich omkeeren en zeggen een getal, bijv. 15 of 20. Dan begon de voorman te tellen, gaande in de richting van den zonneloop. Wie het genoemde nummer ten deel viel, was "de blinde koe". Op het blindemannetje terugkomend, "de koe" werd een doek voor de oogen gebonden en hij werd alleen gezet. Ieder mocht hem een tikje met de hand geven op schouder of rug. De blinde moest trachten er een te pakken te krijgen. Had hij hem (of haar), dan moest hij nog zeggen, wie het was. Gelukte dit, dan ging de doek van de oogen en had hij goed geraden, dan trad de gevangene in zijn plaats om het koeschap te aanvaarden, anders bleef de vorige vanger. (Nwe Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 106; 23 maart 1929)

 

blnde vinke
zelfstandig naamwoord, meervoud
blinde vinken (gerecht)
Cees Robben (19611221)
 

blntje

zelfstandig naamwoordverkleinwoord

Van Rijen (1998): baleintje; blaartje

WBD III.1.2:348 'bleintje' = blaartje

WBD III.4.4:232 'bleintje' = bobbel, ook 'bult'

WBD III.4.4:232 'baleintje' = dubbe reep voor de stevigheid

 

bls

zelfstandig naamwoord

WBD bosje haar (v.e. paard) dat tussen zijn oren naar voren hangt, ook 'maontp' genoemd

WBD langwerpige streep van voorhoofd tot neus (op een paard)

WBD lok-/roepnaam van het paard, resp. de merrie

A.P. de Bont, Dialect v. Kempenland (1958): bls zelfstandig naamwoord mannelijk - 1) lange witte streep over de kop bij paarden; 2) dat gedeelte der manen v.e. paard dat tussen de oren door over het voorhoofd hangt; 3) weelderige haarkuif bij mensen.

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): BLES - haarlok op het hoofd v.e. paard; witte streep v. voorhoofd tot neus bij paard of koe; zo'n paard

 

blsog

zelfstandig naamwoord

oogaandoening bij een paard, zgn. maanblindheid, ook genoemd (Hasselt) maonog

 

bliek

zelfstandig naamwoord

WBD III.4.2:89 bliek - kolblei, ook 'blei' genoemd

 

blieke

werkwoord, zwak [het is onduidelijk of de ie in het Tilburgs altijd kort is]

bepaalde manier van kijken (= blikken?)

WBD III.1.1:239 'blieken' = scherp kijken

WBD III.1.1:203 'blieken' = grijnzen

blieke - bliekte - gebliekt

Reelick, Bosch' woordenboek (1993 & 2002): blieke - manier v. kijken, meestal ongunstig, hinderlijk gluren

C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978): BLIEKEN onov.ww, een manier van kijken. Het had een wat agressievere klank en leek meer op 'gluren' en 'loeren'; op een nieuwsgierige manier een tafereel gadeslaan dat niet als een schouwspel bedoeld is, van een afstand visueel binnendringen in de intimiteit van anderen. Zie blz. 104.

A.P. de Bont, Dialect v. Kempenland (1958): blieke(n) zw.ww.intr. - in het voorbijgaan glurend, loerend naar binnen kijken.

 

blies

zelfstandig naamwoord

Van Rijen (1998): vruchtvlees

- verkleinwoord bliske

 

bliksem zelfstandig naamwoord

bliksem

Henk van Rijen: bliksem in ne kaolen bom gift hil et jaor strom - onweer vroeg in het jaar belooft veel regen

 

blinke

werkwoord, sterk

blinken

B blinke - blonk - geblonke

CH Et blinkt as Almkrk d verroest mviel.

Miep Mandos-v.d. Pol - Aantekeningen Brabantse spreekwoorden: Et blinkt as en haonekulleke.

Boutkan -  blinke - et blingt (blz. 27)

A.P. de Bont, Dialect v. Kempenland (1958): st.ww. intr. - blinken.

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): BLINKEN - doen blinken, doen glanzen met er over te wrijven.

 

blinkmrt

zelfstandig naamwoord

Daamen, Handschrift Tilburgs (1916): "blinkmert - zoo noemde men de vroegere kermismarkt"

 

blinksmr

zelfstandig naamwoord

schoensmeer, 'schiemsmr'

Henk van Rijen: hdde nie en duske blinksmr?

WBD (III.2.1:550) blink (in Goirle: blinksmr) = schoenpoets

A.P. de Bont, Dialect v. Kempenland (1958): blink zelfstandig naamwoord mannelijk - schoensmeer; meer gebr. synoniem: blinkendesmeer.

A.P. de Bont, Dialect v. Kempenland (1958): blinkendesmeer zelfstandig naamwoord mannelijk - schoenpoets

Noord en Zuid, jrg. 2, 1879, p. 95 s c h o e n e n blinken = schoenen poetsen. Een enkele maal komt blinksmeer voor schoensmeer  voor. (over woordgebruik in de roman Karel Klepperman van Mevr. Courtmans-Berchmans)

Goemans, Leuvens taaleigen (1936): BLINK - blink - glans op hout, metaal, leder BLINKBORSTEL -kleine gesteelde borstel om schoenen met blink in te wrijven.

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): BLINK - schoensmeer, waarmede men de schoenen zwart maakt en blinkt.

 

bliske, blieske

zelfstandig naamwoord

vliesje tussen vruchtvlees en pit bij een appel, ook genoemd: vlies, blees, vlim

WBD III.2.3:165 'bleesje' = vliesje in vrucht; ook 'vliesje' of 'vlim'

bliske: contaminatie v. vlies en bliske?

C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978): BLEES v. hard, vliezig bestanddeel van een korrel of van het klokhuis v.e. vrucht: 'n bliske tussen m'n taand.

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): BLIES - vezel op den naad v.d. schelpen v. peulvruchten, zooals erwten en boonen.

 

bloed

zelfstandig naamwoord

bloed; hier: degene die moet bloeden; den bloed

Cees Robben Hij daanste gewillig/ Den dd tegemoet.../ In n raozende vaort.../ En Sjef was den bloed.../ En nt zou den stumper meer rije... (19541211) De prent steunt een actie om het aantal verkeersslachtoffers in Tilburg terug te dringen.

Cees Robben Ik was den bloed (19590523)

Van Beek - "Hij was den bloed". Hij moest er voor bloeden. - Hij had 't verloren. De sch of de schande kwam over hem. (Nwe. Tilb. Courant; Typisch Tilburgse uitdrukkingen afl. ?; 29 augustus 1959)

 

bloedbln

zelfstandig naamwoord

Frans Verbunt: bloedblaar

Enqute over Je favoriete Tilburgse woord op Facebookpagina Je bent een echte Tilburger als... maart 2013 -

Kaart uit: A.A. Weijnen, Onderzoek naar de dialectgrenzen in Noord-Brabant; 1937 

 

bloedzger

zelfstandig naamwoord

WBD III.4.2:221 'bloedzuiger' - oorworm (Forficula auricularia)

 

bloej
meervoud van zelfstandig naamwoord bloed in de betekenis kind,
kinderen; het verkleinwoord bloedjes is bluukes of bluujkes
Cees Robben Gao-de meej oe bloei te veld... (19560804)
 

bloeje  

werkwoord, zwak

bloeden; bloeien

Kees & Bart (krantenrubriek 1922-193?): 'net of w'uit ons neus bloejen'

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - as ge n nen aawe strk waoter giet, gaotie ng wl es bloeje (Pierre van Beek: TT '69) - gezegd als een vrijgezel op latere leeftijd trouwt

Dirk Boutkan: (blz. 24) 'bluje' - bloeje (geen umlaut wegens volgende j)

B blosje - bloejde - gebloejd; ik bloej, gij/hij bloejt korte oe

A.P. de Bont, Dialect v. Kempenland (1958): bloeje(n) zw.ww.intr. - bloeden: 'mene vinger bloejt.

Goemans, Leuvens taaleigen (1936): BLOEDEN - bluje (blude, geblut); doodbloeden

BLOEIEN - bluje; zelden, en alleen in de inf. (De homonymie met bloeden staat blijkbaar het gebruik ervan in de weg.)

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): BLOEDEN (uitspr. bloeien, in de Kemp. ook blun): Doeksken veur't bl.

 

bloes

zelfstandig naamwoord

blouse

uitdrukk.: De Wijs -- Mn ln maag er zn, ik z alln n bietje zwaor in de bloes (23-09-1970); enigszins grote borsten hebben.

 

blk

zelfstandig naamwoord

blok

WBD 'ver dem blk trkke' (II:1389) - over de blok trekken (de pet over de vorm trekken; blok = ijzeren vorm)

WBD blok, mv. blkke (II:1389) - blok (houten vorm voor petten)

 

blkske

zelfstandig naamwoord verkleinwoord van blk
blokje, ommetje
Cees Robben zn blkske wir lpt.. (19590516)
 

blom

zelfstandig naamwoord

● bloem; het fijnste maalsel van een graansoort

Cees Robben - Cees Robben Zeg kende gij d brooike nog/ Van klaoren blom.. van enkelt rog/ t hartjesbrood... (19600624)

uitdrukking -  Ginne klaoren blm - geen zuivere koffie

Kees & Bart (krantenrubriek 1922-193?): d's naa klaoren blom!

WBD beschtenblm - bloem van zeer harde droge tarwekorrels

WBD bloem, blm, trvenblm - bloem (van meel)

WBD geblikten blm - bloem met een bleke kleur

WBD gemalen en gezuiverd graan

● bloem of meervoud bloemen; door Cees Robben meestal als meervoud gebruikt naast 'blomme'

Cees Robben n plekske/ waor blom hn gestaon (19590822)

Cees Robben In de waaij/ Heb ik gespuld.. en blom geplukt (19590815)

Cees Robben [hij] teult er wilde blommen... (19550129)

Cees Robben Hier aon de oevers van de Laaij/ Ben ik geboren... In de waaij/ Heb ik gespuld.. en blom geplukt.../ En hier... z zong ie as verrukt.. / (Swels dettie Dientje kuste)/ Moet laoter men gebinte rusten... (19590815)

Cees Robben n schuchtere blom steeket kpke omhoog (19570309)

Cees Robben Dn ekker-gods die leej z schn vol blommen... (19571102)

Cees Robben Welke blomme wilde op oew begraofenis? Snoffels...dalidas.. paosblomme.. of stinkerkes... (19850118)

Cees Robben Meej duuzend blommen aon de kaant (19600520)

Cees Robben Dees buske blommen/ Is vur jou... (19600506)

Kees & Bart (krantenrubriek 1922-193?): blommen; blommen plukken

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): BLOEM en in 't N. BLOM zelfstandig naamwoord vrouwelijk - bloem, Fr. fleur

 

blombaol

zelfstandig naamwoord

Van Rijen (1998): meelzak

 

blomgeraaj

zelfstandig naamwoord; bloem + gerei

een bloemetje

Ik zeej em: Kk, ik kop ieder week/ vur ons Sjaan w blomgeraai... (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Dan wrret iets aanders)

 

blommerij

zelfstandig naamwoord

rij van bloemen

Mar ik h hil die blommerij - waor haolen ze ze op dezen tijd van 't jaor vandaon - nog al 'ns mee opzij gezet. Van hil die flauwe kul mot ik niks hebben... (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit t klokhuis van Brabant 9; 22-02-30)

 

blommist

zelfstandig naamwoord

bloemist

Kees & Bart (krantenrubriek 1922-193?): blommist

 

blomrker

zelfstandig naamwoord

ruiker

Juffrouw Jaanse ha aon moeten zien d Harrie van den apotheker aon ons Jetje 'nen blomruiker ha aongebojen. (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; De nuuwe kapelaon van Baozel, afl. 12; NTC 17-12-1938)

 

blomzak

zelfstandig naamwoord

bloemzak, zak voor een bepaald soort meel

WBD deegkleedje (doek waarmee deeg tijdens het rijzen wordt afgedekt)

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): BLOEMZAK, BLOMZAK zelfstandig naamwoord mannelijk - zak waar bloem in vervoerd wordt; duw, dof, slag met den vuist op de rug v.d. gebukten jongen, gegeven door hem die over 't lijfken springt.

 

blomzuut

bijwoord

enigszins scheel; loenzen; bloemzoet, zo zoet, dat wil zeggen lieflijk, als een bloem

Pierre van Beek: blmzuut kke

Daamen, Handschrift Tilburgs (1916): "blmzuut - ze keke 'n bietje blomzuut (bietje scheel)"

- In alle Tilburgse bronnen vanaf 1916 (Handschrift Daamen) gedefinieerd als een afwijking aan de ogen; een variant naast scheel en loenzen. Ook als zodanig bij Robben:
Cees Robben [Vrouw tegen man met bril:] Ik kan naa nie zegge degge loenst... mar ge kekt wel blomzuut... op t schle aaf... (19840706)

Cees Robben Schl Merieke.. Blomzuut kieke... (19611124)

- Van oorsprong is blomzuut echter geen oogafwijking, maar een aanduiding van een manier van kijken. Bloem is dan, volgens het WNT (lemma BLOEM 12) het fijnste van het meel, dat door het ziften van het grovere meel en de zemelen wordt afgescheiden... WNT lemma BLOEMZOET verwijst naar deze 12de betekenis: Uit Bloem in de bet. 12) en Zoet. Eigenlijk: zoo zoet als bloem; gewoonlijk in min of meer ongunstigen zin van iemands gelaatstrekken, manier van spreken enz. De ongunstigheid lijkt derhalve samen te hangen met schijnheilig kijken of zoete broodjes bakken, goedpraten.

WBD III.1.1:244 'blomzoet kijken' = scheelzien

Wieste, d iemes die w loenst,/ in Tilbrg blomzuut kkt? (Henritte Vunderink; Wieste..?; k Zal van oe blve haawe, 2007)

Stadsnieuws: blomzuut kke: Ze kkt wl en bietje blomzuut - ze loenst... (150707)

C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978): BLOMZUUT bijvoeglijk naamwoord een beetje scheel

WNT BLOEMZOET - zoo zoet als een bloem; gewoonlijk in min of meer ongunstigen zin van iemands gelaatstrekken, manier van spreken enz.

 

blot, bloter, blotst

bijvoeglijk naamwoord

bloot

Cees Robben: Dieje krabde nie blot; d was k enen blote

Cees Robben: Blot slao dod; blote hartes (kaartspel);

A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952): et mnneke lpt p zen blote voete

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - ik koom nie p blote voete (S'7l) - kaartterm: gezegd door iemand die meent goede kaarten te hebben

Frans Verbunt: de vrouw blot n en klntje (kaartspel)

K. de Beer - Tilburgs Bijnamenboek (2000) - den blote (= Vincent Mutsaerts) (blz. 57)

K. de Beer - Tilburgs Bijnamenboek (2000) - den blote = dr. Blte (blz. 100 )

WBD III.1.3:19 'bloot', 'naakt' = bloot

Jan Naaijkens - D's Biks - 1992 --
(1992): blt bn - bloot, kaartterm: 'n blte kaort hbbe

 

blote
zelfstandig naamwoord, mannelijk
blote; hier: blote kaart in het spel rikken; de enige kaart van n kleur
Cees Robben [Verliezer:] D was k unne blte... (19710102)
 

blotevoetepaoter

zelfstandig naamwoord

bijnaam van de paters kapucijnen, die met blote voeten in sandalen liepen

Misschien vendt zet wel un goeie daod, dk ene priester, ene paoter terwille ben gewist en wel ene blote voetenpaoter, ene paoter die in Tilburg zenne kost bij mekaare moes schooie. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

►kappesien

 

blotkrabbe

werkwoord, zwak

blootkrabben, in de zin van: deren; vrijwel altijd in een ontkennende zegswijze; door iets of iemand niet gedeerd worden

Piet van Beers tverkop: Want... as ik enen dag gao visse/ krabbe ze mn zomar nie bloot. (Spoeje doemmeniemer; 2009)

 

bloow

zelfstandig naamwoord

blo, blode

WBD III.1.4:70 'blo', 'blode' = schuchter

 

blske

zelfstandig naamwoord, dim

blaasje

M-I blskes: voorkomend bij waterpokken

 

blster

zelfstandig naamwoord

WBD III.1.2:269 'bluisters' = huidschilfers

WBD III.4.4:268 'bloester' = schilfer

Cees Robben Dr is nog gin blsterke aaf... [van het glazuur van een vaas] (19650528)

WNT II:2929 BLUISTER zelfstandig naamwoord  Van of naast bluisteren. Bij Kiliaen:vertaald met pustula en hecta... pustula in panis crusto assurgens. In 16e eeuw als bijvorm van 'blister ... z.a.

 

bltsel

zelfstandig naamwoord

slecht gras, dat de koeien niet vreten

 

blotskp

bijvoeglijk naamwoord

blootshoofds, zonder hoofdbedekking

A.P. de Bont, Dialect v. Kempenland (1958): blootshoofds

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): BLOOTSKOP bijwoord - blootshoofds

 

Afbeelding uit: Kroniek van de Kempen

bltte

werkwoord, zwak

letterlijk: bloten

WBD bltte - haren, verwijderen van de opperhuid met haar, in de leerindustrie (II 605)

WBD bltvlleke - blootvelletje, de gehaarde en gevleesde huid; II 609

bltte - bltte geblt

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): BLOTTEN - blooten, het haar of de wol v.d. huiden doen.

 

blouputje

zelfstandig naamwoord

blauwputje, bep. soort aardappels

WBD I:1446 'blouputjes'

 

Blcher of de nacht

uitdrukking

ES 2012: Brabantse Spreekwoorden (Mandos) heeft de uitdrukking  'Blcher f de nacht' opgenomen als een 'kaartterm', en wel op gezag van de Tilburgse zegsman Knegtel in 1950; de uitroep van de kaartspeler betekent zoveel als 'nu of nooit'. Het betreft dus geen echte kaartterm maar eerder een uitroep om aan te geven dat de speler de wanhoop nabij is en dat dit moment, deze kaart, allesbepalend is voor de uitslag. Vergelijk ►toepertoe. Mandos geeft als toelichting bij deze uitdrukking: 'eigennaam (van Duitse generaal die in de nacht van 1813 op 1814 stiekem de Rijn overstak).' Dit is echter als verklaring van de 'kaartterm' onjuist. Ze heeft betrekking op de slag bij Waterloo, waar de Engelse veldmaarschalk Arthur Wellesley, beter bekend als de Hertog van Wellington, op 18 juni 1815 de veldslag tegen de troepen van Napoleon Bonaparte dreigde te verliezen. Wellington verwoordde zijn laatste hoop op de overwinning met de uitroep: Give me Blcher, or give me night. [Geef me Blcher of geef me de nacht]. Blcher is de Duitse veldmaarschalk Gebhard Leberecht von Blcher, die met zijn leger in aantocht was. Hij kwam op tijd, en eerder dan de nacht. Napoleon verloor de slag. De ontmoeting van Wellington en Blcher is de geschiedenis ingegaan als 'la belle alliance'. Wellingtons woorden zijn in het Engels taalgebied gevleugeld geworden. In het Nederlands zijn ze niet vastgelegd in spreekwoorden- of citatenboeken. Daarom is het des te opmerkelijker dat de uitdrukking voorkomt in het Tilburgs, maar zij moet waarschijnlijk beschouwd worden als een uitroep uit de persoonlijke sfeer van de zegsman.

Ets van Gottfried Arnold Lehmann: Wellington omhelst Bluecher op het slagveld van Waterloo

 

blumke, bluumke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

Tijs Dorenbosch - vignet uit De Mus en D'n rgel van Piet Heerkens (1939 & 1938)

bloemetje, bosje bloemen

verkleinwoord van 'blm', met umlaut

R.J. 'och blumke, 'k heb oe zo dikkels bekken'

Cees Robben W lief is mn blumke...... (19540424)

Dialectenqute 1879: de jungskes hebbe blumpkes geplokke

Van Rijen (1998): ook: bluumke

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): BLOEMEKE(N), BLOMMEKE(N) zelfstandig naamwoord onzijdig Verkleinwoord van bloem, blom

 

blut

bijvoeglijk naamwoord

zonder geld, alles verspeeld hebbend

K. Heeroma - Brabants uit de 18e eeuw (woordenlijsten Verster,1968) - Bluts zijn - niets meer hebben. Deze betekenis van ledigheid vindt men in het woord 'blutten' bij Kiliaen: en Plant., homo stolidus, inanis

gg ook: kps

WBD (III.3.2:36) blut of kps = alles kwijt (bij een spel)

 

blutse

werkwoord, zwak

butsen; kneuzen; 'butse' van vallend fruit

WBD III.2.3:159 'blutsen' = idem, ook 'kneuzen'

- blutse - blutste - geblutst

WNT BLUTSEN - stooten of slaan, inz. met de bijgedachte dat er eene of meer blutsen ontstaan. ... c) van vruchten

 

bluuke, bluujke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

bloedje, hulpeloos kind

bloejke

Anoniem 1959
Nillus ha zis klne bluukes,
daor ware twee platte kender bij,
Jaans moes nog w zuutjes aon doen,
was pas efkus in de rij.
(Nieuwe Tilburgse Courant - donderdag 19 november 1959; Uit Tilburgs folklore - 'n Kaoi rikkemedaosie)
► voor de volledige tekst zie http://www.cubra.nl/wtt/documentlemmas/rikkemendaosie.htm

Cees Robben Kek-is wen lillukkers d bluuike trekt... (19680223)

Dialectenqute 1879: bluke

Frans Verbunt: bloejke: bloejkes van knder

A.P. de Bont, Dialect v. Kempenland (1958): bluujke zelfstandig naamwoord onzijdig 'bloeike' - bleedje

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): BLOEIKE(N) in de Kemp. ook bloiken, blujken; arm, beklagensweerdig kindje. Verkleinwoord v. bloed, bloedje, arm en beklagenswaardig kind.

Jan Naaijkens - D's Biks - 1992 -- (1992): bluujke - hulpeloos kindje

 

bobbertje

zelfstandig naamwoord

Daamen, Handschrift Tilburgs (1916): "bobbertje bloedworst - klein dik mannetje"

 

bocht
uitdrukking in de bocht springe
tussenbeide komen, ingrijpen in een conflict
Cees Robben Ik moet er geregeld in de bocht springe (19641106)
 

bodschap

zelfstandig naamwoord

boodschap

Cees Robben: Dan moet nze vadder de bdschnappe mar doen.

Cees Robben: 'vlieges-vlug vur 'n bodschap'

WBD III.2.1:208 'boodschappenkorf' = boodschappenmand

Dirk Boutkan: (blz. 34) bodschap (met vocaalreductie)

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): BOODSCHAP (uitspr.: boed-, bod-) zelfstandig naamwoord vrouwelijk Fr. message

 

boeg

zelfstandig naamwoord

WBD borst v.e. paard

WNT BOEG Het gewricht dat gevormd wordt door het schouderblad en een der opperarmbeenderen van een paard, doch ook in ruimeren zin, met inbegrip van de omliggende zachte deelen (spieren, pezen, huid);

 

boek, buukske

zelfstandig naamwoord

boek; zeer vaak mannelijk in plaats van onzijdig: den boek

R Gij kmt k aaltij ast boek mgedraogen is - d.w.z. te laat

R.J. die heej zenen boek dichtgedaon

Dialectenqute 1879: - nen aauwen boek

op klompen ter Mis, meej/ den beejboek in haand... (H.A. Sterneberg s.j., Een Busselke Braobaansch, uit: Oh! Klotterende klompen; 1932)

...taante Hanna mee d'ren kerkboek en d'ren paoternoster bij den heerd... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Oome Teun in den trein; NTC 16-9-1939)

...allebaai mee den kerkboek in de haand... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; n Staandbild in Baozel; feuilleton in 4 afl. in de NTC 20-5-1939 17-6-1939)

...de appetekersvrouw, die erg zemelechtig is, liet d'ren boek vallen en gong er bij zitte... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; De nuuwe kapelaon van Baozel, afl. 2; NTC 8-10-1938)

Leest zelf zonnen boek.. (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

... en t aander [prentje] hek in mne kerkboek. (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

oewen dikke kerkboek geeft oe heel veul werk... (Piet Heerkens; uit De knaorrie, Oo, hellige ziel, 1949)

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - liever in jouwen boek as op et daogelijks gebd (Pierre van Beek: Tilburgse Taalplastiek 1972) - Liever schuld hebben dan dood zijn.

Jan Naaijkens - D's Biks - 1992 --
(1992): boek, m.: gif diejen boek es aon

J. H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836): Onzijdig woord mannelijk gemaakt, z.a.

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): BOEK zelfstandig naamwoord mannelijk en niet o. - boek, Fr. livre; spel kaarten; den boek is omgedragen - het eten is op.

 

boekeneml

zelfstandig naamwoord

boekweitmeel

WBD III.2.3:140 'boekendepap' = boekweitpap; ook 'boekettepap'

Waar is de d gebleven van 'boekent'?

A.P. de Bont, Dialect v. Kempenland (1958): boegendemeel zelfstandig naamwoord onzijdig resp. 'bongendemeel' - boekweitmeel

 

boekent

zelfstandig naamwoord

boekweit

WBD III.4.3:268 wilden boekent - zwaluwtong (Polygonum convolvulus; beter: fallopia convulvulus)

Fallopia convulvulus - boekent

Daor stond daor nog w boekent in n potje in d gaaf ik ze [de kippen]. (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

LDM: Als de varkens nog klein waren, kocht men bijvoorbeeld karnemelk van de boer. Werden ze groter - en vooral tegen de tijd dat zij vetgemest werden - kwam er graanmeel. Als het kon boekweitmeel en toen ook de mas in de handel kwam masmeel, maar hierin bestond een groot onderscheid. Als er een slager kwam om een vet varken te kopen, was gewoonlijk zijn eerste vraag: waarmee is het gemest, met boekweit of met mas. In het eerste geval was de geboden prijs per kilo altijd een paar centen hoger dan bij masvoer. (Lowie van Dorrus Misters; rubriek Onze Tilburgse folklore, afl. 6 Paaseieren, namen en verdwenen gebruiken; NTC 29-3-1951)

WBD I:1412 'boeket' (sic)

A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - boegend, bogent, boekend, bongend - boekweit

J. H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836): BOKKENT, bij verbastering voor 'boekweit'

A.P. de Bont, Dialect v. Kempenland (1958): boegent, resp. bogent, bongent - zelfstandig naamwoordw-m. - boekweit.

Antw BOEKERD en BOEKED (toonl. e) zelfstandig naamwoord m+v - boekweit, Fr. sarrazin

WNT BOEKWEIT ... Vandaar dat de naam in den mond des volks op allerlei wijzen vervormd werd ... z.a.

 

boekendekoek

WBD III.2.3:225 'boekendekoek' = boekweitkoek

 

boekhaawer

zelfstandig naamwoord

boekhouder

Kees & Bart (krantenrubriek 1922-193?): boekhaawer

 

boeklee, boekleej

zelfstandig naamwoord

textiel, stofnaam

Henk van Rijswijk - Boucl: wollen mantelstof met strijkgaren of kamgaren ketting en boucl-inslag d.w.z. een effecttwijn met lussen bestaande uit een gronddraad, een effectdraad en een fixeerdraad. Licht gevold en geweven in gelijkzijdige keperbinding.

(Herinneringen aan zijn opleiding aan de Hogere Textielschool - 1 september 1950 tot en met juli 1954), http://www.cubra.nl/auteurs/henkvanrijswijk/textielschool.htm
J.T. Bonthond, Woordenboek voor de manufacturier (1947) Boucl ( = krul). Damescostuum- en mantelstof met nopjes, lussen of krulletjes aan de oppervlakte. Men maakt gebruik van boucl-garens en deze moeten in het weefsel meest aan
de bovenkant liggen.
 

boenter

zelfstandig naamwoord

WBD tweejarig paard, ook 'tweejaorege' genoemd

 

boer, boerke

zelfstandig naamwoord

boer

Hij zit ginnen boer in zen vnster = Hij zit niemand in de weg

Den bnten boer thange -losbandig leven

Pierre van Beek: & R Den bnten boer rije - er lustig op los leven

Miep Mandos-v.d. Pol - Aantekeningen Brabantse spreekwoorden: nen boer n en zg hbbe not geng

Miep Mandos-v.d. Pol - Aantekeningen Brabantse spreekwoorden: We nen boer nie knt, d kpt ie nie. (... d frt ie nie.)

Miep Mandos-v.d. Pol - Aantekeningen Brabantse spreekwoorden: Koud, d ist pas as den boer s scht.

lange oe, in 'boerke' kort

Miep Mandos-v.d. Pol - Aantekeningen Brabantse spreekwoorden: Den knapsten boer piest ng wl es p zen klmpe.

Miep Mandos-v.d. Pol - Aantekeningen Brabantse spreekwoorden: 'Ieder zene meug', zi den boer, 'n hij fraat vge '.

Kees & Bart (krantenrubriek 1922-193?): 'kiepenboer'

Van Beek - "De schotels wassen" en "als ge drie boeren hebt, krijg je van de vierde slaag" hoort men vaak, evenals wanneer op een boer een vrouw "de boer heeft een vrouw nodig" valt.  (Nwe. Tilb. Courant; Typische zegswijzen afl. 5; 25 augustus 1959)

Cees Robben: de miste boere hier slaope ng bij der ge vrouw; zi den boer;

Cees Robben: w enen boer laojt, brngt ie ts; boerekoletppestamp;

Pierre van Beek: As de boeren oud wrre, stn ze nder de prikstoel (= worden ze 'fijn') (Tilburgse Taaklplastiek 136)

V De stmste boere hbbe de dikste peeje - Wie zonder veel overleg te werk gaat, heeft vaak het beste resultaat

Dialectenqute 1879: diejen boer heed'n luien kncht - die boer heeft een luien knecht

BrSP nen boer stao aaltij vuls te ng (Pierre van Beek: Tilburgse Taalplastiek 1973) - het is buitengewoon moeilijk om met een boer zaken te doen (uit vrees bedrogen te worden is hij te eng van opvatting voor redelijk overleg).

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - Boeren hbben k maniere, mar aandere ('84)

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - de knapsten boer pist ng wl is p zen klmpe ('86) - dat kan de beste overkomen

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - nen boer heej twee roeje (Pierre van Beek: Tilburgse Taalplastiek 1973) - een boer meet met twee maten

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - vur nen sloomen boer meej geld valt iedere vrouw, vur ne sloomen boer nog gin mlkmd ('87) - Zonder geld ben je niet geteld

Frans Verbunt: den lmpsten boer tilt de grtste rpel

Frans Verbunt: der ligge zat boeren opt krkhf die nt zo lui zn as ikke

Frans Verbunt: as ene pestoor mlk drinkt en enen boer wn, dan zn er twee ziek

Frans Verbunt: boeren hbben ok maniere, maar aander

WBD III.1.2:250 'boerke' = oprisping

WBD III.1.4:237 'de bonte boer rijden' = razen en tieren

Dirk Boutkan: (blz. 4) bu:r, bu:re, burke

 

boere

werkwoord, zwak

boere - boerde - geboerd (geen vocaalkrimping) steeds lange oe

een boerenbedrijf voeren, boeren

R Over een klein boertje: 'die boert meej en gt n nen kster'

Daamen, Handschrift Tilburgs (1916): "boeren - we hebben nog gin taid om 's middags is op onze stoai te kunnen boeren"

...overdag w boeren in d'ren hof... (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit t klokhuis van Brabant 2; 16-10-1929)

A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937): Volgens krt. 61 ligt T juist op het gebied waar de vocaal kort klinkt; niettemin is op T's gebied de lange klinker niet uitgesloten. Z.o. blz. 11

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): BOEREN fig. een helsch leven maken, razen en tieren, drinken en klinke: Er deur boeren - arm worden

 

boeregedoe
zelfstandig naamwoord
het boerderijbedrijf
Cees Robben Waor blft dan den boer mee zn boerengedoe..? (19551119)
 

boereguld

zelfstandig naamwoord

boerengilde

K. de Beer - Tilburgs Bijnamenboek (2000) - boerenguld = gilde Sint Joris (blz. 86)

 

boerekooletppestaamp

zelfstandig naamwoord

stamppot van boerenkool

-- het woord is een samentrekking van boerenkool en boerentoppen

Cees Robben Goei weer vur boerekletoppestaamp (19850111)

Peejstaamp, hasjee, tis amml hel lkker, mar et lkkerste vonnik boerekoletppestaamp meej vrse wrst. (Ed Schilders; W zeetie?; Website Brabants Dagblad Tilburg Plus; 2009)

Ed Schilders over een prent van Cees Robben vol boerenkoolstamp

 

boeremik

zelfstandig naamwoord

bep. brood

R.J. 'boeremik meej krnte'

WBD III.2.5:192 'boerenmik' = rond wittebrood

A.P. de Bont, Dialect v. Kempenland (1958): boeremik zelfstandig naamwoord mannelijk - eigen gebakken wittebrood van de boeren.

 

boerenrbr

zelfstandig naamwoord

boerenknecht, boerenarbeider

lange oe

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): ARBEI(D)ER - boerenwerkman, dagloner die boerenwerk verricht

 

boeresnffel

zelfstandig naamwoord

duizendschoon (dianthus barbatus)

Daamen, Handschrift Tilburgs (1916): "boerensnoffel" - duizendschoon

Dianthus barbatus

►snffel

 

boeretene

zelfstandig naamwoord, alleen meervoudig gebruikt

tuinbonen, 'labbone', 'knaawbone, 'moffelbone'

►zie dossier tuinboon

Daamen, Handschrift Tilburgs (1916): "boerenteenen - tuinboonen, groote boonen"

Piet van Beers Wie tuinbonen wil eten moet Februari niet vergeten : Ik h ze al in de Wyk gezet/ en merrege gaon ze er in/ M'n Boeretenen wel te verstaon/ en d is naor munne zin. (With Love; 1982-1987)

Piet van Beers Ik hb gezien dtter m'n vrieskaast/ Aorig vol begient te raoke./ Sprtjes, peekus n asperges/ kol spinzie, pastinaoke.// Pultjes, rtjes, kappesners, boeretene, genhmers./ Krotjes, bontjes van de staok./ lke week is t wir raok. (Uit: 'Ogste' - CuBra 19 juli 2004)

WBD III.2.5:84 'boerenteen' = tuinboon

Stadsnieuws: Vruuger noemde ze knaawbonen ok wl boeretene (200208)

Hans Heestermans, Witte nog? (1988-1994): boere-teene, platte teene (II:51)

C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978): BOERETEE:NE mv. grote bonen, moffelbonen

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): BOERETEENEN zelfstandig naamwoord mannelijk, mrv. - platteboonen, groote tuinboonen; in de Kemp. labboonen geheeten

Jan Naaijkens - D's Biks - 1992 --
(1992): boeretene - tuinbonen

Reelick, Bosch' woordenboek (1993 & 2002): boereteene - tuinbonen

 

boeretij

zelfstandig naamwoord

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - et is en chte boeretij (Pierre van Beek: Tilburgse Taalplastiek 1970) - Het is een echte boerenbeweging; het gaat er landelijk aan toe.

 

boeretppe

zelfstandig naamwoord, alleen meervoudig gebruikt

boerenkool

lange oe

Cees Robben (19611221)

Piet van Beers Ik lus t geleijk: We ete eens per virtien daog/ Dan stamp van boeretoppe./ Daor motte wel, volgens "Ons Kee"/ Gerukte worst instoppe. (With Love; 1982-1987)

Piet van Beers De mrt: Soms worret stamp van boeretoppe (daor moete verse worst in stoppe)/ soms worret peejstamp meej hasjee, of ik neem w sudderlappe mee. (Het zeventiende boekje, 2010)

WBD III.2.5:94 'boerentoppen' = boerenkool, ook 'toppen'

Jan Naaijkens - D's Biks - 1992 -- (1992): boeretoppe - boerenkool

 

boestere

werkwoord, zwak

grondig schoonmaken, schoonschrobben, (zichzelf) een wasbeurt geven

- boestere - boesterde - geboesterd

(ze) gonge meej enen emmer waoter, un stuk sunlicht zp, un washandje en ene handdoek der ge boven schon boestere. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978): BOESTEREN ov.ww, meestal samengesteld met 'af': grondig en niet al te zachtzinnig schoonmaken, bij voorkeur met sop en een harde borstel. Mogelijk afgeleid van 'boest' (zie WNT), 'bast' of van 'bolsteren' en oorspr. = de bast eraf schrappen.

 

boert
persoonsvorm van boeren
hij boert; in de zin van voortdoen met het werk
Cees Robben Den kapelaon, hij boert mar vort... (19550129)
 

boete

werkwoord, zwak

boeten

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - laot geboet, zlde goed

- boete - boette - geboet

 

boetsenblle

werkwoord, zwak

stoten van een kinderhoofdje

Van Rijen (1998): 'boetseblle'

WBD III.1.2:176 'boetsen', 'boetsebol doen' = stoten met het hoofd

WBD III.1.2:178 'boetsen' = het hoofd stoten

WBD III.1.1:37 'boetsebol' - hoofd

boetsenblle - - geboetsenbld

C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978): BOETSENBOL, ook wel 'boets', schertsende aanduiding van een kinderhoofdje, naar het frequent boetsen (= botsen, stoten)

A.P. de Bont, Dialect v. Kempenland (1958): zelfstandig naamwoord mannelijk ( kindertaal ) 'boetsenbol', hoofd, kop; dem. boetsenblleke(n).

 

boezeroen

zelfstandig naamwoord

►bazzeloen

Een bijzondere Tilburgse variant is ► toekiel

WNT (1897) -- Korte kiel met lange mouwen, meestal van blauw gestreept katoen of linnen; door zeelieden, sjouwers en ambachtslieden, vooral als onderkleed, gedragen. In Zuid-Nederland zijn nevens boezeroen allerlei andere vormen in zwang als boezeron, buzeron, bazeron (West-Vlaanderen), barzeloen, bazeloen (Leuven), bazeroentje (Limburg), boe(r)zelaan (Lier en Mechelen); zie SCHUERM. 33 [1865-1870], SCHUERM. 65 [1865-1870] en DE BO [1873]. Al deze vormen kunnen onstaan zijn uit het gelijkbeteekenende fr. bourgeron, over welks onzekere afleiding men LITTR vergelijke.

 

Boezeroen uit Elspeet - bron: Geheugen van Nederland

WTT 2012 -- In  Tilburg (na 1950?) valt bazzeloen / boezeroen samen met 'kiel', met name de blauwe kiel van boeren (en het hemd, gedragen tijdens de lokale carnavalsviering). In oorsprong betreft het echter twee duidelijk onderscheiden kledingstukken voor mannen, waarbij de boezeroen een onderkleed is waaroverheen nog een vest en een jas gedragen werden, terwijl de kiel juist vest en jas vervangt en het bovenkleed is van de boer of arbeidsman. In het algemeen kan gezegd worden dat het moderne woord voor bazzeloen / boezeroen 'overhemd' is, een hemd gedragen over het onderhemd en/ of de borstrok.

Etymologie

- Van Wijk & Franck - 1912 -- Boezeroen - Wsch. uit fr. bourgeron boezeroen", dat of als herdersjas" van berger herder" wordt afgeleid of van een stofnaam borge.
- Dr. P.A.F van Veen Sprekende getuigen (1987) --
Boezeroen - werd ontleend aan Noordfrans bougeron (Frans bourgeron) van de stofnaam bourre, uit Latijn burra dat 'armoedige kleding' betekent. [Noordfrans = Picardisch; ES]
- De Vries -- NEW 1987 -- boezeroen - bourgeron 'linnen arbeidersbuis' eerst in de 19de eeuw, afgeleid van het sedert de 14de eeuw overgeleverde waalse bourge 'soort van linnen', vgl. ook middelfrans borge 'grove wollen stof'.

Tilburgse bronnen

Piet Maes -- in de Kandelaar van 3 October 1926 over Het arme Weverke, doelend op de gelukzalige pater Donders:

't Was maar een arm weverke in een klein huisje aan de uiterste punt van het grote dorp Tilburg. Hij zat daar aan vaders getouw in z'n gestreepte boezeroen en klabbakkerde z'n rammelende spoeltjes door het garen (Uit: A.J.A.C van Delft, Spin- en weversliedjes oud en nieuw; Utrecht 1952.)

Hij zaat er in z'n boezeroen, mee de zwarte zije pet op... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Boere-Profeet; feuilleton in 5 afl. in de NTC 1-7-1939 29-7-1939)

Cees Robben En denkt aon oe boezeroen... (19570622)

W rmt er op gebraaide sokke/ n w rmt op boezeroen ?/ Ik vn d Sintreklaos die rmkes/ vortaon zlf mar es moes doen. (Lechim; ps. v.  Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Et rmt alleml)

Cees Robben (detail Prent van de week 12 juni 1976)

Cees Robben Mee dees [mooi] weer laot ik munne borstrok en boezeroen mar is uit (19760612)

Vergelijk:

Piet van Beers - 'Vurjaor 1989' --

Mar...ens dan ist kaoj weer gedaon
D is, waor we op hope.
Dan kunde gerust den helen dag
in oe Boezeroentje lope.

Wim van Boxtel - In Brabants Bont, Dn rgel (1979): In ons sweeks boezeroentje [in ons doordeweekse hemd].

- Lechim (Tilburgse Koerier, ongedateerd knipsel; ca. 1970) in een van zijn verzen ter gelegenheid van Sinterklaas:

W rmt 'r naa op pkske sjk?
En w op boezeroen?
'n Rmke maoke heurt 'r bij
Mar hoe mte d doen?

-- We droege gin boezeroen mir, mar missiezonnekes. n palletoo n kooverkookes. D waar amml vur ooverdaags. (Ed Schilders; W zeetie?; Website Brabants Dagblad Tilburg Plus; 2009)

Jan Boezeroen = de eenvoudige werkman

Tekening van Kis-ke (ca. 1970) knipsel uit een onbekende publicatie, mogelijk Rooms Leven/Bisdomblad). Prent en tekst behelzen het nieuwe, modern ingerichte verzorgingstehuis aan de Hoefstraat (tegenwoordig Zorgcentrum Padua):

Mar naaw kan ok Jan Boezeroen
Ne lvesaovond krge
Himml apart, meej veul gerief
En n pleej vur zn ge

WBD

WBD III.1.3:47 'boezeroen' = overhemd

WBD III.1.3:76 'boezeroentje' = boezeroen

WBD III.1.3:97 'boezeroen' = borstrok

 

bofkont

zelfstandig naamwoord

WBD III.1.4:194 'bofkont' = geluksvogel' ook 'boffer'

 

boj - booj

zelfstandig naamwoord

bode

psboj - postbode

...daor kwaamp den booi en braocht 'nen brief. (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Oome Teun en de dames; NTC 20-1-1940)

"Nou appeteker," zee den postbooi... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; De nuuwe kapelaon van Baozel, afl. 1; NTC 1-10-1938)

WBD III.3.1:438 'booi' = postbode

Goemans, Leuvens taaleigen (1936): BODE - boi, zelfstandig naamwoord mannelijk, mv. bois, verkleinwoord boike

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): BOO, BOOI (scherpe o), BOI, zelfstandig naamwoord mannelijk - bode, Fr. messager

Jan Naaijkens - D's Biks - 1992 --
(1992): 'bj' zelfstandig naamwoord postbode

 

boj

verleden tijd van 'bieje'

bood - ook de lange vorm 'boj' komt voor

Henk van Rijen: der boj gin man hogger (boj/ boj)

 

bojem

zelfstandig naamwoord

1. bodem

R Ruure, vrouw Paones, de sker is nr den bjem gezakt... (tegen iemand die in zijn koffie/thee blijft roeren)

...mar die boks, daor wilde-n-ie niks van wete, den bojem hing ongeveer toe op z'n kuite! (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Oome Teun als opvoeder; feuilleton in 6 afl. in NTC 2-3-1940 6-4-1940)

Cees Robben Is dn bjem daor z bist...? (19550806)

Cees Robben Vlugge vogel (...) die (...) pieren uit den bjem trekt... (19601007)

Cees Robben Dn bojjem scheurt open (19570309)

Audioregistratie 1978 -- ge had nie veul snte, ge kost nie veul nlgge want ge dcht akker tweej, drie hb, dan zit ik op den bojem n mnne kastelein, assie oe knde dan pofte ie wl (interview met dhr. Hermans, transcriptie door Hans Hessels)

Henk van Rijen: hlleg vat znder bjem - gezegd van iemand die overdreven veel bidt, vaak zonder het zelf te beseffen

Die pannen van tegesworrig hebben ammel van die dunne bjems, daor zn gin goeie pannen te kop, zizze dan. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

WBD 'voeringbjem' (II:l385) - voeringbodem (v.e. pet)

WBD (II:2832,2863) 'bjem, bojem) - bodem v.d. kruiwagen, resp. v.e. 'vat'

Goemans, Leuvens taaleigen (1936): BODEM - bojem, zelfstandig naamwoord mannelijk

2. perceel bosgrond

Henk van Rijen: en hs meej en bojemke - een huis met grond

GAT R526:176V(1736): Iten een heijbodemke groot een lopensaet ter plaetse in de Schooten, oost de vroente, west de Leij

WBD III.4.4:162 'bodem' = oerbank (grondsoort)

 

bjkes
zelfstandig naamwoord meervoud, verkleinwoord van bui
buitjes, regenbuitjes
Cees Robben Bjkes [sic] van de lente zidde...? (19580315)
 

bok

zelfstandig naamwoord

 

Illustratie: Rolf Janssen

bok

► zie hrmenie voor de bok als mascotte van harmonie-orkesten

Bart zit z vol grappen as 'nen bok vol keutels (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit t klokhuis van Brabant 2; 16-10-1929)

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - daor zal den bk wl es schef zke (JM'50) - Bij een royale levenswijze zal er nog wel eens een tekort komen.

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - ds goed gestote vur nen jongen bk (Pierre van Beek: Tilburgse Taalplastiek 1975) - Loftuiting voor de prestatie van een beginneling

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - et erp hbben as den bk p mieje (Kn'50) -er zo belust op zijn als de bok op geiten.

Frans Verbunt: op den bok meegaon (kaartterm) voor niks meegaan

D waren meense die waren nie katteliek, d waren protestantse bokken, volgens w ze tegen ons vertelden. Die protestanten schene ons k t veur kattelieke gte. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

WBD (II:2779) 'bk' - karsteun (T-vormig)

 

bkbaand

zelfstandig naamwoord

buikband

WBD bkbaand - buikriem (v.h. paard, die dient als verbinding tussen de beide strengen) (Hasselts woord)

 

bokgoje

werkwoord, zwak

bokgooien; kinderspel

Van Delft - Het "bokgooien" geschiedde met minstens drie paren jongens. De eene moest voorover gebogen gaan staan, terwijl de ander hem schrijlings op den rug zat. Zoodoende werden dus drie of meer ruiters gevormd, die elkaar al zittend een bal toewierpen. Miste de eene ruiter den bal tijdens het opvangen, dan sprongen alle ruiters van den bok af en "de bok" trachtte den bal te grijpen en er den ruiter mede te raken. Gelukte dit, dan wisselden de kinderen om en mochten dus diegenen, die eerst "bok stonden" ruiter zijn. Een uitstekend jongensspel met gezonde bewegingen. (Nwe Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 104; 16 maart 1929)

 

bokkebaaj

zelfstandig naamwoord - stofnaam (textiel)

van baaj en de veraling van het Engelse 'buck', 'bok' in 'buckskin'; 'skin' = 'huid'

Van Rijen (1998): 'bokkebaaj' - bukskin, wollen keper

Henk van Rijswijk - 2013 - Bokkebaaj is geen Buckskin. Het zijn bindingstechnisch gezien allebei baajen. Maar Buckskin is van een betere kwaliteit wol gemaakt. (Schriftelijke mededeling)

WBD II.4. p. 858 Van Dale zegt bij bokkebaai": Grove wollen stof. De respondent van K 183 (= Tilburg) stelt bokkebaai " gelijk met bukskin". bukskin: bukskin, K 183 (= Tilburg) ; bukskinstof: bukskinstf, K 183 (= Tilburg) ; bokkebaai : bokkeboaj, K 183 (= Tilburg).

►  bukskin

Gerard van Leijborgh - En wat was zoo wat je eerste werk? Eerst moest ik de wever helpen om het te leeren, zooveel als bij-wever; doch spoedig deed ik het zelf en weefde toen Bokkebaai*, later ben ik op de buks gegaan" (De laatste Tilburgsche huiswever, Nieuwe Tilburgsche Courant, 26-10-1940 - Aan het woord is Frans van Geloven, de laatste huiswever.)
* Bokkebaai: Bokkingbaai (#), een zeer grof weefsel.
# WTT bokkingbaai is onjuist; bok is in deze samenstelling een vertaling van het Engelse buck, zoals in buckskin, de wol van de huid van een bok.
 

bokkeg

bijvoeglijk naamwoord

WBD tochtig, gezegd van een geit

A.P. de Bont, Dialect v. Kempenland (1958): bkkig bnw 1) tochtig, ritsig, van geiten gezegd; 2) v. personen: zich gedragende als een bok, nl. norsig, koppig.

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): BOKKIG - tochtig, sprekende van geiten; pruilend, die moeft, kopt, het hoofd omdraait om u niet te moeten groeten, enz.

 

bkpnt

zelfstandig naamwoord

buikpijn

Dirk Boutkan: (blz. 33) bkpnt

Ik krg bkpnt van oew gezever. - Ik krijg buikpijn van je geklets

Cees Robben Buikpent menneke..?! (19670804)
Cees Robben Ik heb bkpent moeder.. Dan bidde mar tot Sinte Piet det vur oew gat schiet... (19841102)

Zo w iedern rolde bekaant van zenne stoel, van et laage. Bkpnt han wer van gekreegen. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007

A.P. de Bont, Dialect v. Kempenland (1958): zelfstandig naamwoord vr. 'buikpijnt' - l) buikpijn; een synoniem is 'pnspent 2) hartzeer, chagrijn, spijt: 'Hij zal er wel bkpent af hebbe'

Jan Naaijkens - D's Biks - 1992 --
(1992): bkpnt - buikpijn

 

boks

zelfstandig naamwoord

broek

Van Delft - Een broek wordt ook hier evenals in meerdere streken wel een "boks" genoemd. (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 111; 27 april 1929)

 

bkske

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord van 'bk', met vocaalkrimping

buikje

R.J. 'om de bolle bkskes', 'de spin viel op d'r bkske'

Cees Robben Doede gij oew bkske deugd (19601007)

WBD III.1.1:123 bkske = buikje

Dirk Boutkan: (blz. 24) 'boekske' = bkske

 

bokstaopele

werkwoord, zwak

opstoken (?), in kennis stellen, boekstaven

bokstaopele - - gebokstaopeld

De Wijs -- (ik heb veel mensen in de arm genomen) 'k heb zat meense gebokstaopeld mar t is nie gelukt (11-02-1965)

We zun dun dieje us efkus bokstaopeIe... (Hein Quinten, Tilburgse spreuken; ca. 1990)

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - iemand bkstaopele - (Pierre van Beek: Tilburgse Taalplastiek 1965) - in kennis stellen, op de hoogte brengen

Frans Verbunt: op de hoogte brengen

Stadsnieuws: As ge d zo nie begrpt, zakket oe wl es aanders bokstaopele (120809) ... op andere wijze aan het verstand brengen. Etymologie:
verwant met 'boekstaven'

A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - boekstapelen, inbokstapelen, bokstapelen - inprenten

Hans Heestermans, Witte nog? (1988-1994): bokstapele (IV:37)

 

bkzuur

zelfstandig naamwoord

maagzuur

GG - daor krg ik et bkzuur van

 

bkzuut

bijvoeglijk naamwoord

buikziek, beurs, overrijp; mleg; gebutst of gestooten fruit of fruit dat te lang gelegen heeft: bkzuute pre. De u is kort.

Cees Robben: rt ? hgstes bkzuut

Door Robben ook als zelfstandig naamwoord gebruikt:
Cees Robben Hed-dk prkes zonder bkzuut... Frie? (19560915)

Daamen, Handschrift Tilburgs (1916): "buikzuut - gebutst of gestooten fruit of fruit dat te lang gelegen heeft"

WBD III.2.3:157 'buikzoet', 'buikziek' = overrijp; 158 'buikzoet' = melig

WBD III.2.3:160 'buikzoet' = blutsen

C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978): BUIKZOET (Bkzuut) bijvoeglijk naamwoord (van fruit gezegd) overrijp, beurs

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): BUIKZIEK - beursch: buikzieke pren.

Str. bkzuut (2:41)

 

bl, blleke

zelfstandig naamwoord

bal, hoofd

De mister kreg den bl teege zenen bl. - De meester kreeg de bal tegen zijn hoofd.

WBD blle - testes v.d. hengst, in Hasselt 'kloote' genoemd

Cees Robben: de blle zn nie rnd! den zelfden bl van precies?

Cees Robben: zene gladden kaolen bl;

WBD blle maoke (II:996) - op een bol draaien (v.d. geschoren ketting)

WBD (III.2.1:379) bl = kluwen, opgewonden garen, ook 'knoet' genoemd

WBD (III.1.1:36) 'bol' = hoofd; verkleinwoord 'bolleke' = hoofd

A.P. de Bont, Dialect v. Kempenland (1958): bl zelfstandig naamwoord mannelijk - bol en bal: enen bl garre; in de bet. 'bal' alleen in gebruik als schoenmakersterm.

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): BOL zelfstandig naamwoord mannelijk ... Schertsend gezeid voor 'hoofd'; het in zijnen bol hebben of krijgen - hooveerdig zijn of worden

 

blaaj

zelfstandig naamwoord

kinderspeelgoed

Daamen, Handschrift Tilburgs (1916): "bollaai - steenenbal, kinder speelgoed"

 

bldere

werkwoord, zwak

WBD III.3.1:389 'bolderen' = hotsen (zachtjes schokken op een hobbelige weg)

 

bolderwaoge

zelfstandig naamwoord

bolderwagen, bolderkar

LDM: Zoals deze [voerlieden] hadden ook meestal de anderen voor hun speciale vrachten geschikte vervoermiddelen. Een der meest bekende was o.a. de bolderwagen met laagliggende bodem, zodat de gewoonlijk zware vrachtstukken niet hoog behoefden te worden getild. (Lowie van Dorrus Misters; rubriek Uit onze Tilburgse folklore, afl. 21 Tilburg had een respectabele lijst; NTC 4-2-1954)

 

blle

werkwoord, zwak

met een bal spelen

voetblle, handblle

WBD (III.3.2:124) blle, katsele = ballen, met de bal spelen

blle - blde - gebld

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): BOLLEN - met eenen bol spelen, Fr. jouer la boule; kegelen, dobbelen

 

blleke

werkwoord, zwak

bulken, een boer laten, kokhalzen

blleke - bllekte - gebllekt

De Wijs --  (zoontje zegt tegen zn aangeschoten Vader) -- H, toe Pa, blk nog 'ns, dan hebbe we wir rozntjes   (11-02-1965)

Cees Robben [Hij] doe niks als blleken en boerkes laote... (19570928)

Cees Robben Ons Nlleke zit te blleke en aon de mik te plleke. (19730914)

►opblk

Henk van Rijen: blleken n boere laote - kokhalzen en boeren

Opeten zoddet, al zaate nog z te blken en lilluk te doen. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

Piet van Beers Laote heure dt lkker is: Ze zeej dan: Schaai t Piet, ge lkt wl ' n koei./ Ne....d blke is nie toegelaote. (t lfde buukske, 2010)

WBD III.1.2:249 'bulken' = oprispen

C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978): BULKEN (Blke) onov.ww., een stevige boer laten, overlopen van.

J. H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836): BULKEN voor oprispen, niet onbeschaafd; z.a.

 

blleke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

balletje, bolletje, hoofdje

- verkleinwoord van 'bl', met umlaut

R.J. 'wereldblleke'

Cees Robben - Kekkis Merie... Twidderaande srt ks... Bllekes ks... en kemne ks... (19540313)

Henk van Rijen: ge mot nie n d blleke plleke - je moet niet aan dat balletje peuteren

K. de Beer - Tilburgs Bijnamenboek (2000) - blleke Tevoore (pastoor Tervooren) (blz. 77)

- J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): BOLLEKE(N) zelfstandig naamwoord onzijdig - vrklw. van 'bol'

- Reelick, Bosch' woordenboek (1993 & 2002): blleke - hoofdje v.e. kind; bolletje garen

 

bllekesdoot

zelfstandig naamwoord

Boldoot, eau de cologne

Onjeklonje van Bllekesdoot is de beste, zegge ze! (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Oome Teun in den trein; NTC 16-9-1939)

...en dan nog twee fleschkes onjeklonje van Bllekesdoot. (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Oome Teun in den trein; NTC 16-9-1939)

 

bllie

bijwoord

bij jullie

 

bllieje

werkwoord, zwak

zich moeizaam voortbewegen, b.v. door hoge sneeuw

WBD III.1.2:122 'bollien' = rondslenteren, ronddolen; ook 'rakken'

WBD bllieje - zwijmelen (v.e. paard: lopen zonder vaste gang, her en der over de weg, van links naar rechts), ook genoemd 'ht naor hr'

Cees Robben: den hillen dag speulen en rndbllie

Daamen, Handschrift Tilburgs (1916): "bolli - slenteren"

WBD III.1.2:139 'balin (bollin) = woest,onachtzaam lopen

WBD III.1.2:148 'balien (bollien) = moeilijk vooruitkomen

bllieje - blliede - gebllied

 

Bls, Baols

bijvoeglijk naamwoord

van Baarle-Nassau, Baarles

De Blse bus kmt dur Allefe. - De bus naar B-N komt door Alphen

 

blscheut

zelfstandig naamwoord

bepaalde afstand, nl. zover als men een bal kan schieten

Die woone enen blscheut hiervendaon, - Die wonen niet ver van hier. Enen blscheut wd

Daamen, Handschrift Tilburgs (1916): bolscheut - afstand die men met een bal werpen kan

Cees Robben t Is toch mar unne bolscheut wjd... (19550716)
- een redelijk korte afstand
Cees Robben Van t Krvent naor t Kedent is mar unne bolscheut... zisse... Mar t stikt zn gat aanders wd aachteruit, en t lekt wel op n Bossche rs... (19850504) [het viel tegen]

Reelick, Bosch' woordenboek (1993 & 2002): balscheut - kleine afstand

Jan Naaijkens - D's Biks - 1992: 'bolscheut' - vrij korte afstand

J. H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836): BOLSCHEUT - eene verwijdering zoo verre als men eenen bal of bol kan werpen. Z.a.

Verhoeven -  BOLSCHEUT m. kleine afstand, zover men een bal kan gooien, of schieten, 'n'n bolscheut of anderhalf; in WNT ook bolsgooi of bolworp. Z.a.

Bernard van Dijk: de etymologie is misschien niet 'zo ver men een bal kan schieten', maar boogschot, dat tot bolschot/scheut verbasterd werd om uitspraakredenen. Dit heb ik ooit gelezen, maar ik kan me niet herinneren waar.

 

bltje

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

baaltje

WBD bltje - rugnet (vliegennet dat over de rug v.h. paard gehangen wordt), ook genoemd 'vliegedk'

- verkleinwoord van 'baol', met vocaalkrimping

 

bltje

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

builtje, zakje

- verkleinwoord van 'bl', met vocaalkrimping

Uitdr. Int bltje praote. - smoezen, achterbaks praten

Hoe genoegeluk dch ge bij Sjef Woestenberg in builtje tebak haolde... (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

Etiket van een shagbuil van Frans Woestenbergh

WBD III.3.1:291 'builtje praten' = roezemoezen

Jan Naaijkens - D's Biks - 1992 --
(1992): in 't bltje praote - zitten smiespelen

 

bombakkes

zelfstandig naamwoord

masker, mombakkes

WBD (III.3.2:284,) bombakkes, mondbakkes = masker

- afstandsassimilatie van plaats: m>b

A.P. de Bont, Dialect v. Kempenland (1958): zelfstandig naamwoord o. en vr. - mombakkes, een andere variant is mondbakkes.

 

bomberaaj

zelfstandig naamwoord

Van Rijen (1998): bombazijn, sterke katoenen of linnen stof

Van Rijen (1998): 'H heej zun bomberaaje broek wir aon! - Hij heeft zijn bombazijne zondagse broek weer aan.

 

bombezaaje

bijvoeglijk naamwoord

bep. stof (bombazijn?)

Henk van Rijen: bmbezaaje broek - zondagse broek

 

bombezn

zelfstandig naamwoord

stofnaam - bombazijn

J.T. Bonthond, Woordenboek voor de manufacturier (1947) - Bombazijn. Aan de achterzijde geruwd weefsel van sterke katoenen garens, geweven in 5-bindige inslagsatijn of 8-bindige dubbelsatijn. Toepassing: werkmanskleeding. Ook: Moleskin (mollevel), Pilow of Engelsch leer en Kalerug geheeten.
Els de Baan - In het verleden werd met bombazijn een mengweefsel bedoeld (verschillende combinaties van garens). De ketting was dikwijls van linnen garens en de inslag van katoen (weven). In de 16de eeuw werd in het oosten van Nederland begonnen met de verwerking van katoen. Tot en met de 18de eeuw slaagde men er niet in om de katoenen garens zodanig te spinnen dat ze sterk genoeg waren om als kettinggarens te gebruiken. Ze waren daarom alleen geschikt als inslaggarens. (Goed garen, 1994)
WNT lemma Bombazijn 1893 BOMOZIJN, BOMMEZIJN, daarnevens BOMMEZIJDE enz. , znw. onz., mv. (in de bet. 2) -en. Uit fr. bombasin (eng. bombasine), mlat. bombasinum, een bijvorm van bombycinum, gelijk bombax van bombyx. Het laatste woord beteekende oorspronkelijk: zijdeworm, zijde, maar de bijvorm bombax en de afleidingen werden later ook toegepast op zoogenaamde boomzijde of boomwol, d. i. katoen, zoodat het woord dan ook niet zelden in etymologisch verband werd gebracht met boom. (...) Zekere geweven stof, oorspronkelijk bestaande uit zijde, of uit zijde, kemelshaar en katoen; later ook uit ketting van zijde en inslag van kamgaren, of geheel uit kamgaren vervaardigd; zie KUYPER, Technol. 2, 492 493 en 533. Tegenwoordig hier te lande (althans te Leiden): Een plat weefsel, bestaande uit ketting en inslag van katoen, dat veel gebruikt wordt voor voering, werkmansondergoed enz. In de algemeene taal wordt echter niet zelden de naam bombazijn ten onrechte gegeven aan de stof waarvan werkmansbroeken gemaakt worden (pillow).

 

bombezjoere

werkwoord, zwak

= bezjoere (ook: ►bambesjoerder)

uitgaan en flink wat verteren = op rep gaon (TT)

Naar het fr. van 'bon' en 'jour' en samenstelling 'bonjour' - letterlijk: een goede dag hebben

- rmoei hamme bij ons ts nie/ al wasset dan gin bonbesjoer/ n reutele heese not gehoeve/ al wast k dikkels ene toer... (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Moederdag)

 

bonk

zelfstandig naamwoord

'bls'

WBD zwaar paard (ook Hasselt), ook genoemd 'zwaore' of (Hasselt)

WBD III.4.4:221 'bonk' = iets groots in zijn soort

WBD III.3.2:101 'bonken' = knikkers laten stuiteren

 

bonnefooj
bijwoord
op goed geluk; uit Frans la bonne foi
Cees Robben [Onderwijzer:] Wes t verschil tussen ruiteketuit en bonnefooi... [leerlinge:] Volgens men is d n tiet-mem, mister... [onderwijzer: Heel mooi, Filleke.. (19840120)
 

bons

samentrekking

bij ons

 

bontje

zelfstandig naamwoord, verkleindwoord van 'bon', met vocaalkrimping

boontje; 'booterbntje', slaojbon

WBD III.1.4:87 'heilig boontje' = huichelaar

Cees Robben: mar en bntje geplukt: de bntjes zn nie gaor;

Cees Robben: 10 'n bontje' (blz. 9)

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - ieder bntje hee zen tntje, ieder rtje zen cnsrtje (Daamen, Handschrift Tilburgs (1916)- bonen en erwten veroorzaken winden

Daamen, Handschrift Tilburgs (1916): aanstellerig: "ze verkopt beuntjes"

WBD I:1417 'bontjes' (boontjes): Lupine; ook: 'lupine' en 'lepiene'

WBD III.2.3:83 'boterboontje' = prinsessenboon; ook 'boontje'

WBD III.2.3:85 'boterboon' = kievitsboon

 

bntje

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

baantje

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): BAANTJE zelfstandig naamwoord onzijdig - betrekking, bediening

 

bonus pastor domini
Latijn
de goede herder van de heer
Cees Robben (19580913) [Prent waarop de kerk van parochie De Goede Herder wordt aangekondigd. De kerktoren daarvan werd bijgenaamd Magere Josje.]
 

bonzjoerder
zelfstandig naamwoord
iemand die het ervan neemt; uit Franse bonjour
Cees Robben Des aaltij al unne bonzjoerder gewist die zn ge nt erges iets aon gelege heej laote ligge... (19850419)
 

boog

zelfstandig naamwoord

boog, bocht (?)

Van Dale - boog; mannelijk

Dirk Boutkan: (blz. 98) enen boog (draai); en boog (schiettuig)

 

bog

verleden tijd van bge

boog

Dirk Boutkan: (blz. 40) bogde/ boogde (met of zonder vocaalkrimping)

 

boogerd

zelfstandig naamwoord

boomgaard

...mee waoter en boogerden... (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

Wij gingen meej den boogerd in, gevallen ogstappels raope. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

Stadsnieuws: De knder spulde bij den boer in den boogerd bumkeverwissele. (050409)

WBD (III.2.1:461) boogerd = boomgaard

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): BOGAARD, BOGERD zelfstandig naamwoord mannelijk - boomgaard, boogaard, Fr. verger

WNT BOOMGAARD - Reeds in het Mnl. bijvormen als boongaert en bogaert, die ten deele met verzwakten klemtoon voortleven in 'bongerd' en boogaard, boogerd (in verschillende, vooral Zuidelijke gewesten).

 

boj

verleden tijd van 'bieje', 'bieden'

bood

Der boj gin man hgger

A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952): ik boj , ik hb geboje

- verleden tijdsing. van 'bieje'. hiernaast ook de verkorte vorm 'boj'

- J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): BOI - 2e hoofdvorm van 'bieden'; ook: boo, booi, biedde en beedde.

 

boolus

zelfstandig naamwoord

WBD III.2.3:197 'bolus' = wittebroodje

 

bom

zelfstandig naamwoord

boom, boompje, bomen

het verkleinwoord is bumke

het meervoud is meestal bome maar ook bom en nog vroeger bm

Dirk Boutkan: plur.: bome, (arch.) bm

Dirk Boutkan: 'bm' is archaisch pluralis (3b), naast bome (54)

1. zelfstandig naamwoord - de boom

- ene kaolen bom - een boom zonder bladeren

Cees Robben: hij bond zenen dojen hond n enen bom vaast;

Cees Robben: Den appel valt nie ver van den bom;

Dialectenqute 1879: boomen en struike (meestal: boum(?))

A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952): den bomkweeker zal den bom nte

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - ik zit liever nder de bome dan nder de meense ( '76)

1.1. zelfstandig naamwoord als meervoudsvorm

Onze vadder groef aaltij, meej zenne maot, de wortels van afgezaogde bom t de grond. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

Et verschil in et landschap hier, vergeleeke bij ons, zaat em in de rije hoge boom (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

n et grasvld leej gelk bezaajd/ meej blaojer, van de bom gewaajd... (Henritte Vunderink, Hrfst, uit: Tis de moejte wrd; 2011)

A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937): Vlg. krt. 63 ligt T in smalle strook 'zonder e (sjwa), zonder umlaut in pluralis

A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937): De meervoudsvorm met umlaut komt voor in het Midden-N-Brabants. (blz. 97)

A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937): Uitgangsloos meervoud in Tilburg: boom (blz. 118)

1.1.1. beum als meervoudsvorm

Dirk Boutkan: 'bm' archaische pluralis van 'bom'

De beum ston in de rij -/ ontblaoierd dur de wend en wochtend op de wenter. (Lauran Toorians; De beum ston in de rij; CuBra; 200?)

1.2. onderdeel van werktuigen

WBD (Hasselt) balk van een eg-raam (Men kent b.v, 'vierbomers')

WBD 'dwarsboome' (II:951) - scheien v.h. handweefgetouw

WBD schrbom - schelfhout (stuk rondhout als onderdeel van een hooizoldervloer)

WBD gaorenbm, borstbm (II:957, 961) v.e. weefgetouw; ook: 'vrbm'

WBD III.3.1:411 'boom' = slagboom, ook 'brier' genoemd

2. bijnaam

K. de Beer - Tilburgs Bijnamenboek (2000) - Tontje Bom = Ant. v.d. Boom (blz. 27)

 

bome

ww.

Van Rijen (1998): breedvoerig praten, bomen

bome - bmde - gebmd

met vocaalkrimping in tegenwoordige tijd: hij bmt

 

bon, bontje

zelfstandig naamwoord

boon

Dialectenqute 1879: erten en boone

Van Beek - "In de bonen zijn" - betekent: verstrooid, verward zijn. "Z'n positieven niet bij mekaar hebben." (Nwe. Tilb. Courant; Onze folklore afl. 4; 19 maart 1959)

Piet van Beers Vrmde kst: Gif mn mar wk hier gewnd z,/ ene goeje vtte pt./ Zuurkolstamp f brne bone.../ n 'n nutje toe...  tt slt. (Spoeje doemmeniemer; 2009)

 

bonstaok

zelfstandig naamwoord

boonstaak, bonenstaak

Van Delft - "'n Goed kastelein moet boonstaken op z'n kop kunnen laten scherpen." Dit is: Een herbergier moet veel "over z'n kant kunnen laten gaan". Hij moet zich veel kunnen laten zeggen zonder kwaad te worden. (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 109; 13 april 1929)

 

boor

zelfstandig naamwoord
boor
Vaak gebruikt in kaoj boor: niet al te makkelijk persoon, meestal voor vrouwen; de herkomst van boor is nog niet opgehelderd
Cees Robben [vrouw spreekt:] Ik wil bist weten dek n kaoi boor z... Mar gij bent k nie prut... (19761008)

WBD (II:2714) 'slangeboor' slangboor - 'rwimboor' - irwinboor

(II:2716) 'sefrmboor' - soevereinboor

 

boorband

zelfstandig naamwoord

boordband, lint om te boorden

WBD boorband (II:1086) - boordband

 

bordeknupke

zelfstandig naamwoord

boordenknoopje

uitdrukking: De Wijs -- As ik echt op mn gemak ben, gao ik in mn boordeknupke zitten (11-02-1965); de boord los doen en er zijn gemak van nemen.

Cees Robben As ik echt op mn gemak ben zit ik tliefst [sic] in mn boorde-knupke... (19650319)

 

boore

werkwoord, zwak

boren, boorden

Dialectenqute 1879: bore boren

WBD 'br?' (II:l238) - boorden, omboorden

B boore - brde gebrd

- in tegenwoordige tijd vocaalkrimping bij 'gij'+ brt, daarentegen: hij boort

Goemans, Leuvens taaleigen (1936): BOORDEN -van kleedingstukken: een rok b.

 

bot, btje

zelfstandig naamwoord

boot

R.J. 'die stapten in den bot

Kees & Bart (krantenrubriek 1922-193?): btje

A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952): ngelaand lt veul aaw bote afbreeke

WBD III.3.1:425 'boot = boot

 

booter

zelfstandig naamwoord

boter

Witte w ze bij ons schaand noemen? Zelf goei boter eten en oe kender margerine geve! (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit t klokhuis van Brabant 5; 7 en 14-11-1929)

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - et irst n de booter, et irst n de man ('48) - Verwacht wordt dat de boerendochter die het eerst kan karnen, ook het eerst zal trouwen

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - meej zen sevoj in de boter valle (Si'66) - het goed treffen

Frans Verbunt: margarine, in tegenstelling tot 'goej booter' (roomboter)

Jan Naaijkens - D's Biks - 1992 --
(1992): booter zelfstandig naamwoord boter, goej booter - roomboter

Hans Heestermans, Witte nog? (1988-1994): goeie botter (TV:60)

 

booterbrkske

zelfstandig naamwoord, dim

Van Rijen (1998): botercaramel ; koosnaam

WBD III.2.5:248 'boterbrok(je)' = boterkussentje, ook: 'boterpik '

 

bootere

werkwoord, zwak

Boerin tijdens het 'bootere' aan de karnton

WBD karnen

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - ene stver mulk n nie gebooterd ('66) - iets zonder moeite bereikt

WBD III.l.4:338 'boteren' = gelukken

- bootere - booterde - gebooterd

 

booterkaomer

zelfstandig naamwoord

WBD melkhuis (deel v.h. boerenhuis waar men de melk verwerkt en bewaart)

 

booterkwikke

zelfstandig naamwoord

oud kinderspelletje (elkaar optillen, ruggelings)

Jan Naaijkens - D's Biks - 1992 --
(1992): booterkwikke of bootere - spelletje, z.a.

 

Bootermans

zelfstandig naamwoord

Botermans (eigennaam)

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - Bootermans waogde zen dchter wl, n d was zn ksselek paand ('77) - Botermans...en dat was zo'n rijk bezit (aanmoediging tot iemand die aarzelt bij een beslissing)

De heer Botermans dreef destijds het voornaamste hotel van Tilburg, nl. "De gouden Zwaan", dat aan den Heuvel stond, daar waar zich nu de "Hema" bevindt. Zijn dochter trouwde met een kelner uit de zaak, een verbintenis, die de openbare mening nogal als een waagstuk beschouwde en dit - klein en dorps als de samenleving hier was - niet onder stoelen of banken stak. Pierre van Beek - TTP - Nr. 5, Za 30-05-1964

booterschf

zelfstandig naamwoord

WBD deksel van de karnton

 

Afbeelding uit: Kroniek van de Kempen

booterstaand

zelfstandig naamwoord

WBD karnton, ook genoemd: 'booterstand', 'staand', 'booterton'

Dialectenqute 1879: boterstaand - karnton

WNT BOTERSTANDE - Hoog, smal vat waarin de boterstooter op en neer bewogen wordt; hetzelfde als boterkarn.

Afbeelding uit: Kroniek van de Kempen

booterstaf, -stfke

zelfstandig naamwoord

WBD karnstaf (stok met cirkelvormige, van openingen voorziene plank, die in de karnton op en neer bewogen wordt), ook genoemd: 'booter- stfke', 'staf', 'stfke'

 

booterton

zelfstandig naamwoord

WBD karnton, ook genoemd: 'staand', 'booterstaand', 'booterstand'

WBD karnmolen

 

boove

I - zelfstandig naamwoord - bovenhuis, verdieping

Ak nr den boove gao

Cees Robben As de mieter naor boven... want gij brengt er het brekspul in... (19640619)

Van Rijen (1998): 'Z de den boove n ut doen?'

Henk van Rijen: den boove doen - de bovenetage schoonmaken

WBD III.2.1:76 'den boven' = bovenverdieping

Goemans, Leuvens taaleigen (1936): BOVEN - bo:ve, zelfstandig naamwoord mannelijk - het bovenhuis

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): BOVEN zelfstandig naamwoord mannelijk - bovenverdieping, bovenhuis, bovenkamer; de meid is bezig met den boven te schuren. Op 'nen boven wonen.

II - bijwoord

boven, nl. op het politiebureau

Van Delft - - Vroeger "mossen de zatlappen boven kommen bij den commesaar" en als zij dan boven (op het stadhuis) waren geweest "wieren ze d'r onder gezet" (in de gevangenis).(Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 110; 20-04-1929)

Cees Robben Den Sjarel moes boven-komen.. En tnemekaare dr onder... (19620406) [De cellen waren blijkbaar onder het politiebureau gelegen.]

III - voorzetsel - boven

Van Rijen (1998): 'Z de naa pas boove zonk?' - Ben je nu pas boven water (uit bed)?

Van Rijen (1998): 'D-s boove mun heup! - Dat ligt boven mijn vermogen.'

IV - samenstellingen met diverse betekenissen

WBD boovenrm, (Hasselt) boowvenrem - bovenbeen v.e. paard

WBD boowvedksel, boowvelat (II:1002) - deksel v.d. effenaar

WBD boovesprng (II:1019) - bovensprong (bij weefgetouw)

WBD (de ketting/de inslag) wrkt boove, leej boove (II:1047) - bovenwerken

 

boovekaant

zelfstandig naamwoord

bovenkant

WBD boowvekaant (II:91l) bovenkant (v.h. weefsel)

 

boovelicht

zelfstandig naamwoord

bovenlicht, venster boven de huisdeur

WBD III.2.1:67 waaier, bovenlicht

 

boovemoerdkse

zelfstandig naamwoord

Van Rijen (1998): iemand van boven de rivieren, noorderling

 

boovenrms

bijwoord

met omhooggestrekte armen; fig. bovenmatig

WBD boovenrm, (Hasselt) boowvenerem - bovenbeen v.e. paard

C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978):BOVENARMS (bovenrms) bijwoord, met de armen hoog geheven om uit te halen, met veel inspanning of enthousiasme; ook: in hoge mate: hij sttte bovenrms - hij was zeer uitbundig in zijn lof.

 

boovetg

zelfstandig naamwoord

WBD overleer, het betere, fijnere leer voor de bovenzijde van schoenen, of het deel v.d. schoen daarvan gemaakt (II:671)

WBD het bovenste gedeelte v.d. schoen (II:712)

 

brdekes
zelfstandig naamwoord meervoud, verkleinwoord van brd
bordjes
Cees Robben Ze roemen de bordekes snert meej dn hiel... (19570921)
 

bordje

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

boordje

verkleinwoord van 'boord', met vocaalkrimping

 

brdje

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

baardje, bordje, schoteltje

WBD (III.2.1:188) 'bordje' = schoteltje

verkleinwoord van 'baord', met vocaalkrimping

 

brdje

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

bordje (?)

 

brduure

werkwoord, zwak

borduren

n oew knt gebrduurd ('60) - je kunt de pot op! Dat kun je net denken

 

brg

zelfstandig naamwoord

borg

Dialectenqute 1879: burg (met 'doffe u', vgl. mulder, putje = potje)

Dialectenqute 1879: Tilburg (ook met 'doffe u')

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): BRG (uitspr.brr?ch), zelfstandig naamwoord mannelijk - Fr. garantie: Brg veur iemand of veur iet spreken - er borg voor staan, er voor instaan.

 

brge

werkwoord, zwak

borgen

brge - brgde - gebrgd

 

brgemister

zelfstandig naamwoord

burgemeester

Dialectenqute 1879: den burgemister vaan 't durp (gecorr.: burregemister)

Hij mkten er verschaajene brgemister - Hij maakte er nogal wat soldaat.

Cees Robben: en stanbild vur den brgemister

Piet van Beers Zoveul agger nodeg ht: Der zulle nog mar wneg meense zn/ die "Den Harrie" hbbe gekend./ Hij liep as enen Brgemister rond./ Ene groote strse vnt. (Het zeventiende boekje, 2010)

Henk van Rijen: dan zak oe es brgemister maoke - dan zal ik je eens bij je kruis pakken

K. de Beer - Tilburgs Bijnamenboek (2000) - den brgemister van den Haajkaant (Drik van Dyk) (blz. 33)

K. de Beer - Tilburgs Bijnamenboek (2000) - den brgemister van den Bsterd (Leo Geerts) (blz. 40)

K. de Beer - Tilburgs Bijnamenboek (2000) - den brgemister = Huub v.d. Eerden (blz. 36)

WBD III.3.1: 'burgemeester', 'burger, burgervader' = burgemeester

 

brger, burger

zelfstandig naamwoord

burger, burgemeester (en dan altijd met 'den')

En den burger is hier onze overigheid, dus hij moet iets doen... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; De nuuwe dokter; feuilleton in 4 afl. in NTC 27-1-1940 17-2-1940)

Van Rijen (1998): den brger - de burgemeester

Ieder jaor, rond de verjrdag/ van onze Konegin,/ wrren er dur den Brger/ hil w lintjes opgespld. ... (Henritte Vunderink; Lintjesrge; k Zal van oe blve haawe, 2007)

Karneval. We hbbener jaore op moete wchte, mar toen mogget van den brger. (Ed Schilders; W zeetie?; Website Brabants Dagblad Tilburg Plus; 2009)

WBD III.1:323 'burger', 'burgervader' = burgemeester

C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978): BURGER (brger) m. l) iemand die geen boer is, 2) burgemeester.

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): BORGER (uitspr. brreger) zelfstandig naamwoord mannelijk - burger, Fr. bourgeois, citoyen.

Jan Naaijkens - D's Biks - 1992 --
(1992): brger burgemeester

 

brgervaojer

zelfstandig naamwoord

burgervader, burgemeester

Kees & Bart (krantenrubriek 1922-193?): 'burgervaojer'

WBD III.3.1:323 'burgervader, burgervaaier' = burgemeester

 

brrel zelfstandig naamwoord

borrel

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - nen borrel waor ge meej twee oogen in kst kke (Pierre van Beek: Tilburgse Taalplastiek 1970) - een grote borrel

Stadsnieuws: den dieje tapt en borreltje zonder vergunning - hij snuit zijn neus zonder zakdoek, door een neusgat dicht te houden (250106)

 

brsel

zelfstandig naamwoord

borstel

WBD (II:701) borsel - borstel (niet vermeld)

WBD (III.2.1:290) brsel - borstel, afwasborstel, ook 'boender'

WBD (III.2.1:305) brsel - kleerborstel

WBD (III.1.3:270) 'borstel' = haarborstel; ook: 'weerborstel

A.P. de Bont, Dialect v. Kempenland (1958): brsel zelfstandig naamwoord mannelijk - borstel

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): BRSTEL (uitspr. bstel) zelfstandig naamwoordm.m. Fr. brosse

 

brsele

werkwoord, zwak

borstelen

Cees Robben: Goed gebrseld is half gevoejerd.

WBD brsele (II:1056) - borstelen (nabewerking weefsel)

brsele - brselde - gebrseld

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): B(R)STELEN - vechten: ze begosten te b(r)stelen.

 

brske

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

Van Rijen (1998): baarsje

 

brstrk

zelfstandig naamwoord
borstrok; figuurlijk: de borst; bij borstaandoeningen
Cees Robben Ik heb t op munne borstrok, moeder... Hedde nie w sjep om te rutselen... (19641113)

Van Rijen (1998): borstrok, gebreid hemd

Van Rijen (1998): 'Juffer, ge h-g-ut ok lillek op oewen brstrk - Juffrouw, je bent flink verkouden.'

WBD III.1.3:98 'borstrok' = onderhemd; ook 'kamizool'

WBD III.1.3:96 'borsok' = borstrok

 

bos, buske

zelfstandig naamwoord

bos (b.v. bloemen)

groep bomen

plant met van de grond af houtige takken (struik)

bundel samengebonden groenten, 'bussel', 'buske'

WBD schtbsse - schitbossen (bossen welig opschietend gras)

Cees Robben: We kke nie op ene bos peeje.

WBD III:1475 'bos' - aardappelstruik; (Hasselt,) 'strk'

WBD III.4.3: bos, c.q. strk - struik

209 'boske' = boeket

doornbos - doornstruik

WBD III.4.4:258 'bos' = bundel; 'boske' = bundel

 

bosbeezie

zelfstandig naamwoord

bosbes, vossebes

A.P. de Bont, Dialect v. Kempenland (1958): bosbezie - bosbes

 

bosdf

zelfstandig naamwoord

Van Rijen (1998): houtduif (Columba palumbus)

 

bske

zelfstandig naamwoordverkleinwoord

baasje; kereltje

verkleinwoord van 'baos', met vocaalkrimping

-- en frm bske - een flink ventje

-- z druk as en kln bske - (schertsend) druk

gd94 Ws d toch en fret bske!

WBD III.2.2:40 'baasje' = jongen

J. H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836): Hoeufft: 'Baaske' is hier een titel met welken men eenen onbekende van minderen stand aanspreekt

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): BOSKE(N), BASKE(N)

Jan Naaijkens - D's Biks, 1992: 'n geznd boske - een gezond jongetje

 

bske

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

buisje

verkleinwoord van 'bs, met vocaalkrimping

 

Bosse rs

zelfstandig naamwoord
voetreis naar Den Bosch, zoals bij het dauwtrappen; een flink eind lopen
Cees Robben Van t Krvent naor t Kedent is mar unne bolscheut... zisse... Mar (...) t lekt wel op n Bossche rs... (19850504) [De te lopen afstand valt zwaar tegen]
 

bosse

werkwoord, zwak

bosse - boste - gebost

schudden, uit de boom schudden (eventueel afslaan)

V klappen uitdelen

prme bosse = pruimen uit de boom schudden

der flink nder bsse - rigoreus de orde herstellen (?)

Cees Robben: Ge ht er de vurrege week nogal onder gebost;

WBD III.1.2:30 'bossen' = slaan; ook: 'naaien, ertegenaan peren, een labbezoet geven'

WBD III.1.2:62 'eronder bossen' idem

WBD III.2.3:l60 'bossen' = appels v.d. boom schudden

WBD III.2.3:185 'bossen' = noten afslaan; ook 'aframmelen', 'afranselen'

J. H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836): BOSSCHEN: het hakken van kort hout; z.a.

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): BOSSEN - In 't kegelspel: al de kegels in eens nederwerpen.

 

bsselt

zelfstandig naamwoord

afval van gerst bestemd voor veevoer

 

bssem

zelfstandig naamwoord

bunzing

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - stinken as nen bssem (Pierre van Beek: Tilburgse Taalplastiek 197l)

Daamen, Handschrift Tilburgs (1916): bssem - bunsing

Daamen, Handschrift Tilburgs (1916): bssem "'t is z'ne lieven bssum"

WBD III.4.2:51 'buisem', 'bunzing', 'fis' (Mustela putorius)

WBD III.4.2:52 'buisem' (Korvel) - fret (Mustela furo)

WBD III.4.2:54 'buisem' - marter (Martes foina), ook genoemd: 'steenmarter', 'fluwijn', 'fretje', 'fret', 'eierwezel'

A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937): geeft 'bssem' met de vocaal van dod (blz. 156)

Jan Naaijkens - D's Biks - 1992 --
(1992): bssem - bunzing

WNT BUNZING - de vormen op -ing staan tegenover die op -em als bokking tegenover bokkem.

 

bsseme werkwoord, zwak

stinken

WBD III.1.1:255 'buisemen' = stinken

 

bstel

zelfstandig naamwoord

afvalproduct bij het brouwen van bier

LDM: Het voornaamste hiervan was de bostel, meestal genoemd "buistel". Dit was het overschot van de gemalen of geplette mout, nadat de wort (d.i. de benaming voor het aftreksel van de mout) er af was. Deze buistel werd afgehaald door boeren - vooral voor melkvee. De boeren kregen bericht welke dag er gebrouwen werd en wanneer ze dan aan de brouwerij moesten zijn. Van de mouterij werden als veevoeder verkocht de gedroogde en afgemalen moutkiemen. (Lowie van Dorrus Misters; rubriek Onze Tilburgse folklore, afl. 9 De brouwerij van vroeger; NTC 1-8-1951)

 

bot

zelfstandig naamwoord

WBD III.1.5:228 'bot' - laars

 

botje

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

bootje

WBD III.3.1:425 'bootje' = boot

 

bottelr

zelfstandig naamwoord

Frans Verbunt: wijnhandelaar die op fust importeerde en zelf bottelde

 

Jan de Bray - Weeskinderen in een weeshuis in Haarlem- 17de eeuw

botteram, botteramme, botram, botramme, botterham, botterhamme

zelfstandig naamwoord

boterham

WNT lemma BOTERHAM uitgesproken en voorheen ook veelal geschreven bot(te)ram, bott(e)ram , znw. vr. (voorheen, en alom in Zuid-Nederland nog heden m.), mv. -men. De oorsprong van dit woord is nog niet met zekerheid bekend.

R.J. 'nen botteram smeren'

Moederke, wilde 'nen botterham smeere?

Heur is: m'n maog klept den engel des heeren! (Piet Heerkens; uit: Dn rgel, Scheeresliep, 1938)

En w'n gezicht! Is oewen boterham in et zaand gevalle?! (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Kareltje Vinken; feuilleton in 10 afl. in NTC 13-4-1940 24-8-1940)

Toen ie 'n botterham of drie-vier op ha... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Den jongen dokter; feuilleton in 3 afl. in de NTC 22-4-1939 8-5-1939)

Den Sik ha z'n botterhemke deurgeslikt... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Den Sik van Baozel; feuilleton in 8 afl. in de NTC 25-2-1939 18-4-1939)

De Wijs -- As ge vftig geworre zt, hedde oewen grtste botterham op (09-04-1973)

De Wijs -- d hek echtig nie gedaon, krske sterven en honderd duuzend zere botterhammen eten (17-08-1964)

Van Beek - "Hoofd aaf-Kop aaf-duzend ijzere botterhamme eten". Dit was de dure eedsformule als kinderen, speciaal meisjes, iets ernstig beloofden. Een soortgelijke luidde: "Kop aaf-Tien zwrende vingers - 't Duveltje zal me vannaacht uit bed haolen". Nou, nou, dat was raak, hoor! (Nwe. Tilb. Courant; Typisch Tilburgse uitdrukkingen afl. ?; 29 augustus 1959)

Cees Robben Mar t is taovend wir niks toe den botteram... [vanavond op droog brood naar bed] (19651022)

Cees Robben Hij heej munne botteram in t waoter gegooid... Z-z.. En meej opzet.. N meneer, meej zult... (19710319)

Saoves bij den botteram/ kreede ene schar meej tweeje./ Gin meens hat rk in dieje td/ mar we waare wl tevreeje. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: 'Te voet nr St. Job')

Tis tch w meej onze Piet/ die it not niks als jam/ n onze Kees moet haagelslag/ bij iedren botterham (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: D vls wl...)

...gaaw ths enne bottram aachter oew kiezen... (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

Elke dag as we hardlopend s middags t school kwamen, krge we un tas thee en unne bottram meej zuut. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

Gift d menneke toch enne bottram veur dettie naor de mis gao, docht ik dikkels... (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

Un schf gebakken bottrammeworst kwaam ok volkoomen onverwachts. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

gd07 waor ze deren ge botram meej kunne verdienen

V hnderdduuzend zere btramme eete = krske strve

Dialectenqute 1879: 'nen botteraam

A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952): enem btteram psmre

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - iets doen vur nen btteram meej sker (Pierre van Beek:.Tilburgse Taalplastiek 1965) - ergens de hand niet voor omdraaien

WBD III.2.3:41 'boterham uit de hand' = namidag maaltijd

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - et klpt as twaalf aajer meej nen mikken btteram (Pierre van Beek: Tilburgse Taalplastiek 19?0)

WBD III.2.3:205 'boterham' = snede brood

A.P. de Bont, Dialect v. Kempenland (1958): bo'tram zelfstandig naamwoordm. - boterham

Goemans, Leuvens taaleigen (1936): BOTERHAM - be:teram of be:tram

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): BOTERHAM (uitspr. boteram), zelfstandig naamwoord mannelijk en niet v. Fr. tartine BOTTERHAM (uitspr. botteram), zelfstandig naamwoord mannelijk - boterham

 

bout

zelfstandig naamwoord

fiasco, flop

Buuk: bout - waardeloos gedoe, mislukking

Tis enen bout - Het is een flop.

Frans Verbunt: et tenelstuk was enen groten bout

WBD III.4.2:156 'ijzeren bout' - libel, waterjuffer (Odonata), ook genoemd: 'glazenmaker' 'snijer' of snip-snap-snijer

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): BOUT zelfstandig naamwoord mannelijk Beer, menschendrek. (zie: But)

Hoeufft: zie 'boud'

Ferry van de Zaande-sticker -2013

 

bouw

zelfstandig naamwoord

gebouw, bouwwerk

Et nuuw psketoor is nen groten bouw.

Zen bruurs wrken in den bouw. - Zijn broers werken op 'n bouwwerk.

C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978): BOUW 1. bouwwerk, gebouw, 2. het verzorgen en melken van het vee en tijdstip waarop dit moet gebeuren; d'n bouw doen - vooral op zondag, als d'n bouw het enige werk is.

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): BOUW zelfstandig naamwoord mannelijk - gebouw, Fr. difice, btiment: 'ne sterken bouw

 

braaj
zelfstandig naamwoord
brij
Cees Robben Enkel kender in de Laai/ Dokkelen w in dn braai (19570704)
 

braaje

werkwoord, zwak, vroeger ook sterk

breien

- braaje - braajde/breej - gebraajd/begreeje?

Dialectenqute 1879: braaie

Cees Robben: nie praote mar braaje; ik w dk ze indertd gebraajd ha;

Henk van Rijen: ak oe gebraaid h, dan hak oe aachtermekaare tgetrokke

Ik herinner me nog borstrokke, vruuger droege we swenters borstrokken over ons hemd tegen de kou. Die dinge wiere gebraaid. Hadder toevallig enen n gekreege, die t de losse pols gebraaid waar, dan zaat d wel lekker soepel over oew hemd en konde oe ge zonder moeite beweege. Mar soms, soms waar der intje nt braaie gewist, die alles zo vaast ha aongetrokke, dgge d kuras, d borstharnas, amper over oewe kop kregt getrokken. Aojemhaole gong dan nao efkes oefene wel wir mar soepel bge waar der nie bij. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

Vergit ok de mskesonderbroeke nie. Die mskes, zlang ze nog meske waren, droege gebraaide broeken. As die t de waas kwaame, waaren et net planken, zo stf, zeker asse te wrm gewaase waaren. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

De broek, diese aonha zal wel un gebraaide zn gewist, zon ketoene, waor et petron op oew kont viel af te leezen, agge efkes gezeete hadt. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

Buuk Nie praote mar braaje - niet kletsen (je laten afleiden) maar doorwerken

J. H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836): BRAIJEN voor breijen, breiden; z.a.

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): GEBREEN (zachte e): 3e hoofdvorm van 'breien'

WBD III.1.4:364 'braaje' = prutsen ►braoje

WBD kousenbraajer - paard dat onder het stappen de benen kruiselings plaatst

 

braajer

zelfstandig naamwoord

breier

K. de Beer - Tilburgs Bijnamenboek (2000) - den braajer = Henri Blomjous (26)

 

braajnld

zelfstandig naamwoord

Frans Verbunt: breipen

WBD (III.2.1:384; braajnld, braajpn, pn, braajzer = breinaald)

 

braajwrk

zelfstandig naamwoord

breiwerk; broddelwerk

De Wijs  -- gin srt van braaiwerk, bij ons noemen we d, broddelen! (feb. 1962) ►braoje

 

braak

persoonsvorm

brak

Dirk Boutkan: (blz. 40) Er treedt geen vocaalkrimping op: braakte (brak je)

- verleden tijd van breeke

 

braand, brandje

zelfstandig naamwoord

brand

Henk van Rijen: Den grtsten braand is eraaf - de felheid is geluwd

De Wijs -- Ge zt ' n zeeverkiep en ge lpt op n kiepedrefke; den grtste braand is er wel aaf. (04-07-1969)

Cees Robben Mar den grtsten braand is er wel aaf... d-wel-d... (19690815) [Op onze leeftijd doen we het seksueel wat rustiger aan]

WBD brandplk - brandplek (een rotte plek in de huid, meestal ontstaan bij het drogen ter conservering; II 589)

Dialectenqute 1879: braand

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - z hlder as braand (Daamen, Handschrift Tilburgs (1916) - spreekwoordelijke vergelijking

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - as en aaw schuur in braand vliegt, dan is ze niemir te blusse ('50) - Als een oud iemand verliefd wordt, loopt die hard van stapel.

Frans Verbunt: ge heurt ng van den braand - ik hou je op de hoogte (ook Stadsnieuws: 170506)

WBD III.l.2:265 'brand' = ontsteking

In et veurjaor maaide onze vadder enne kwak braandnetels en die wiere der bij gedaon saomen meej die schellen waar d prima vreten veur de vrkes. D waar tegen de braand zittie, die netels. D waar zeker n of aander ziekte. En ding weet ik nog wel, d koken van die braandnetels, waar in hil de buurt te ruuken. De vrkes wiere der in ieder geval goed vet van. Netuurluk nie alln daorvan. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

 

braande

werkwoord, zwak

branden

Cees Robben: As en aaw schuur begient te braande, dan hlpt er gin blusse mir aon.

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - as en aaw schuur begient te braande, dan isser gin blusse mir aon ('77)

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - as en aaw schuur in braand vliegt, dan is ze niemir te blusse ('50) - Als een oud iemand verliefd wordt, loopt die hard van stapel.

braande - braandde - gebraand

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - et dunste tkske braandt et irst (Pierre van Beek: TT72)

WBD braande (II:1056) - branden (nabewerking weefsel)

Henk van Rijen: krm hout braandt ok - het goedkopere is vaak even goed.

WBD III.2.2:108 'gebrand' = geil, wellustig? 109 = manziek; 110= vrouwziek

 

braandeboers

zelfstandig naamwoord

Frans Verbunt: versiering bij het knoopsgat van een pyjama

 

braandkl

zelfstandig naamwoord

Van Rijen (1998): brandkuil, kuil met bluswater

 

braak

ww., pv.

brak

R.J. 'want ie braak oe rm en been'

verleden tijd van 'breeke'

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): BRAAK - 2e hoofdvorm van 'breken'

 

braawe

werkwoord, zwak

brouwen

WBD (III.2.l:359) 'brouwen' - aardappelen stampen, 'britse'

B braawe - braawde - gebraawe

 

braawele

werkwoord, zwak

wauwelen, wawelen, bazelen

Henk van Rijen: hurt em es braawele - hoor hem eens wartaal uitslaan

 

braawer

zelfstandig naamwoord

bierbrouwer

 

LDM: In onze schooljaren hebben wij ooit gehoord of gelezen, dat er een tijd was, waarin Tilburg 63 brouwerijen telde. Wanneer dit geweest is, hebben wij niet kunnen achterhalen; ook het Gemeente-archief verstrekte ons hieromtrent geen gegevens. Wel kregen we van de heer Schurink enige lijsten ter inzage van bestaande brouwerijen in de jaren 1690-1696. In 1694 bijv. waren hier 28 brouwerijen, waarvan enige waren aangegeven als "huisbrouwerij", de overige als cop. brouwerij. De eerste brouwden dus voor eigen huishouden met dienend personeel, de andere natuurlijk ook voor eigen gebruik en tevens voor de verkoop. () Met deze 28 zijn we echter nog lang niet aan de 63. Bij de toename der bevolking is echter waarschijnlijk ook het getal brouwerijen wel gestegen. Een oud-Tilburger, die er ook iets van weten kon en bij wie wij daarom eens informeerden, vond dit getal 63 absoluut niet onaannemelijk, zelfs zeer goed verklaarbaar, want men moet hierbij niet vergeten, dat koffie en thee toen hier nog totaal onbekend waren. Deze dranken zijn hier pas ingeburgerd na de oprichting der Oost-Indische Compagnie en er kan nog een hele tijd verlopen zijn vooraleer het de volksdranken zijn geworden. (Lowie van Dorrus Misters; rubriek Onze Tilburgse folklore, afl. 8 Oude brouwerijen in Tilburg; NTC 23-6-1951)

()

Nu we toch hierover bezig zijn, willen we nog even de brouwerijen die we in Tilburg gekend hebben de revue laten passeren.

1. Aan de Heikant bij de ingang der Heikantse Baan de firma Witlox.

2. Aan het Goirke hoek Kasteeldreef Jan de Kanter, tevens koster.

3. Aan de Veldhoven C. van Roessel, brouwerij "De halve Maan" tevens handelsmouterij.

4. Aan de Bosscheweg rechts over de Kanaalbrug brouwerij "De Kroon" met mouterij. De eerste hiervan staat er nog, maar zal wel van bestemming zijn veranderd. Tijdens de oorlog 1914-1918 deed ze nog dienst als groente-drogerij.

5. Aan de Lovensestraat heeft de heer v. Tulder nog een brouwerijtje gebouwd, maar of er ooit bier gemaakt is betwijfelen wij sterk. Het gebouw bestaat nog en is te vinden op het terrein van de steenkolenhandel der firma Van Ierland.

6. Aan de Bosscheweg ter hoogte waar nu fraterhuis en -school staan, firma v. Roessel, brouwerij "Het Anker". Deze heer woonde echter op de Heuvel naast de kerk en had ook caf, het tegenwoordige "l'Industrie".

7. Aan de Bredaseweg, waar nu is gevestigd melkhandel firma v. Thiel, voordien de graanhandel firma Gebr. Majoie, was de brouwerij van de heer van den Boer.

8. Eveneens aan de Bredaseweg, tegenover het missiehuis, heeft Henri de Kanter, zoon van Jan (zie nr. 2), ook een brouwerij gebouwd. Hiervan zouden we hetzelfde kunnen zeggen als van nr. 5. Heden is er in gevestigd de garage van de heer Strijbosch.

9. Aan het Korvelplein brouwerij "De Posthoorn", erven A.H. v. Roessel. Deze A.H. van Roessel was een broer van brouwer C. v. Roessel aan de Veldhoven (zie nr. 3). Op Korvel was ook een mouterij voor eigen gebruik.

10. Brouwerij "De Schaapskooi", ook met eigen mouterij.

Dan waren er nog een paar andere, die echter geen Coopbrouwerijen waren, dus uitsluitend dienden voor eigen gebruik. Wellicht bestaan ze nog, namelijk bij de Eerw. Paters Capucijnen Korvelseweg en de Eerw. Paters Missionarissen aan de Bredaseweg.

Buiten deze Tilburgse brouwerijen leverden nog verschillende andere brouwers hier hun product, o.a. die van Hilvarenbeek, Baarschot (onder Diessen), Middelbeers, Vessem en misschien nog andere. (Lowie van Dorrus Misters; rubriek Onze Tilburgse folklore, afl. 9 De brouwerij van vroeger; NTC 1-8-1951)

Van Rijen (1998): brouwer

Van Rijen (1998): 'Wr den braawer zit, kan den bkker nie zn. - Als je veel gedronken hebt, hoef je niet meer te eten.'

Buuk - bierbrouwer, maar ook wel leverancier van dranken (in 't algemeen)

 

brak

zelfstandig naamwoord

jongetje

Gij waart ng mar nen brak van en jaor f zeuve

Kees & Bart (krantenrubriek 1922-193?): 'nen kleinen brak'; 'nen brak van amper zes jaor'

De kleen brakke zen in dun hof ont mitje steke ! (Hein Quinten, Tilburgse spreuken; ca. 1990)

Cees Robben Dn brak... (19561222)

Cees Robben Toen t nog unne klne brak was.. (19631129)

D Sintreklaos zo iets kan doen/ snappe ze nie die brakke/ Wrom krgt wie et miste al heej/ aaltij de grtste pakke? (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Sintreklaos ok)

...n langs de kaant stao zonnen aawen Tilbrgse meens meej en kln klutje te kke, n ik heur diejen brak zgge... (Ed Schilders; W zeetie?; Website Brabants Dagblad Tilburg Plus; 2009)

D was toen ik ng mar enen brak waar. (Ed Schilders; W zeetie?; Website Brabants Dagblad Tilburg Plus; 2009)

Hoe groter de strp hoe beeter. Ge had toen ok ng veul mer sorte kender dan teegesworreg. Ge had irst platte knder. D waare de kiendjes die ng nie kosse lope. Die wrre dikkels ok haawknder genoemd, omdt moeders ze n de mm moes haawe. Asse dan groter wiere van et zg, dan waare-n-et irst klutjes, dan ploddekes, en dan brakke. Ge had ok ng broekpoeperkes, jungskes, mdjes f durskes. (Ed Schilders; W zeetie?; website Brabants Dagblad Tilburg Plus 2009)

Diejen brak zit de gdsgaanseleken dag aachter zene kompjoeter. (G. Steijns; Grot Dikteej van de Tilburgse Taol 2002)

WBD III.1.4:85 'brak' = schelm

Hans Heestermans, Witte nog? (1988-1994): brak - straatjongen, deugniet (11:18)

C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978): BRAK - kleine jongen

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): BRAK zelfstandig naamwoord mannelijk - rakker, wilde jongen, straatlooper

Jan Naaijkens - D's Biks - 1992 --
(1992): brak - klein kind

WNT BRAK (II) ... Thans nog hier en daar bekend voor: straatjongen, bengel, guit, rekel, deugniet. z.a.

 

bram

zelfstandig naamwoord

irritante, fatterige jongeman

Spraai oewen start 'ns, pronkenden bram,

(...) doe naaw 'ns mooi as 'n freete madam (Piet Heerkens; uit: De Mus, Pauw, 1939)

 

brandappel

zelfstandig naamwoord

WBD III.4.3:109 brandappel - sparappel

 

branbaor

bijvoeglijk naamwoord

brandbaar

Dirk Boutkan: (blz. 27) uit cluster ntb wordt de t verzwegen: branbaor

 

braoj

zelfstandig naamwoord

1. dikke kont, bips

Ze gong er meej der braoj boovenp zitte.

Cees Robben Ze stond er z breed bij mee dr braoi dewwer bekaant mee gedrieje aachter kosse... (19861003)
Cees Robben Wesse mee dr hande rcht zet stt ze mee dr dikke braoi wir om... (19870605)
Cees Robben Zdee gij oew braoi daor k in wille draaie... (19741025)

K. de Beer - Tilburgs Bijnamenboek (2000) - den braoj = Jos Adriaansen (21)

Piet van Beers De stinpst: Waait de wnd onder mn rkke/ dan is d tch wel genaoj./ Van den aandere kaant ist angstig/ dk 'n kaaw vat n m'n braoj. (Spoeje doemmeniemer; 2009)

WBD III.1.1. lemma  achterwerk - brade (braai, praai), centraal Tilburg

C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978): BRAOJ - nogal dik achterste.

Jan Naaijkens - D's Biks - 1992 --
(1992): w h d mins toch 'n dikke braoj!

Reelick, Bosch' woordenboek (1993 & 2002): braoi - achterwerk, billen

Ed Schilders op CuBra over braoj en andere namen voor het achterwerk

2. prak, restje eten

N. Daamen - handschrift 1916 - "broai - opstovertje, overschotje middageten"

► braojke

 

braojappel

zelfstandig naamwoord

gebraden appel

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - tenvallen as enen braojappel (D'l6)-over iets onbenulligs kwaad worden (zo'n appel valt gemakkelijk uit elkaar)

N. Daamen - handschrift 1916 - "broai-appel - hij valt net uit as 'ne broaiappel - over het een of ander onbenullig uitvallen"

 

braoje

werkwoord, zwak

braoje - braojde - gebraoje

1. Iets verkeerd(s) doen

Uitdr. dernffe braoje - iets verkeerd doen

...al heet ie er soms al 'ns leelijk neffen gebraoie; (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Oome Teun in den trein; NTC 16-9-1939)

...want hij braoit er dikkels lillek neffe... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; De nuuwe kapelaon van Baozel, afl. 1; NTC 1-10-1938)

Pierre van Beek: ze brn braoje - ze erg bruin bakken, het (te) bar maken [datum]

Ik ha d ding nie afgespld,/ kwaar zoo mar w gn naoje./ Et bleek toen ik et ophing,/ dekker niks van ha gebraoje. (Henritte Vunderink; Et naojmesjien; k Zal van oe blve haawe, 2007)

Toen Marco vier jaor trug et oranje-team ging treene,/ toen heurde nkelt lf n optiemisme om oe heene./ Want Advocaat die hatter zogezeej nik van gebraoje./ Die kon as koots gin goed mir doen, jao twas enen hele kaoje. (Henritte Vunderink, "Fans van Oranje", uit: Tis de moejte wrd; 2011)

1.1. In bijzonderheid bij het kaartspel

Af en toe wiert er ne kaod, omd zenne maot der neffen braoide of omdettie meej de liste slag der nog in misrde. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

2. Praten (babbelen)

n mekaar braoje - verbinden (in kletspraat)

Toen vroeg ik zo men ge aaf/ waor zon die oover braoje? (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Et waoter wir duurder...)

3. Het slachtoffer zijn

 ...nee dan bende al verloofd en gebraojen veur heel oew verder leven. (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Den Sik van Baozel; feuilleton in 8 afl. in de NTC 25-2-1939 18-4-1939)

...ze moete respect veur oe hebbe! Hoofd van het huisgezin! En wie d nie klaor krijgt, die is veur eens en veurgoed gebraoie! (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Oome Teun en de dames; NTC 20-1-1940)

4. Presteren

lk jaor gaok waogeslouwe [naar de wagens van de carnavalsoptocht kijken] omdk zo nuuwschiereg z wsse der dees jaor wir van braoje. (Ed Schilders; W zeetie?; Website Brabants Dagblad Tilburg Plus; 2009)

5. Braden

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - daor waor den hrring braojt ('35) -daar waar het iemand bevalt

Cees Robben   Ik pruts en ik braoi zelf... (19810306)

n et vlees stond hil zachjes te braoje... (Henritte Vunderink; Ons Moeder; k Zal van oe blve haawe, 2007)

WBD (III.2.1:352) braoje- braden, fruiten

J. H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836): BRAAIJEN voor braden Sommigen meenen eene welluidendheid waar te nemen in de uitwerping der D. Z.a.

 

braojer

zelfstandig naamwoord

stoethaspel, hannes, kletsmeier

K. de Beer - Tilburgs Bijnamenboek (2000) - enen braojer = smid die niet goed kon lassen (blz. 8?)

Jan Naaijkens - D's Biks - 1992 --
(1992): braojer - knoeier, prutser

Reelick, Bosch' woordenboek (1993 & 2002): braoierd - kletsmajoor, prutser, stoethaspel, lulhannes

WNT BRADER - In Noord-Holland in den gewestelijken vorm 'breder', gebezigd voor: kleumer, hufter, krimper, iemand die traag en loom is, veel over de koude klaagt en zich gedurig bij het vuur warmt.

Anekdote: Fabrikant Blomjous in de Veemarktstraat had de bijnaam 'den braojer'; het fabriekspersoneel vond het dan ook heel gewoon te zeggen 'Ik wrk bij den braojer'.

Op zekere dag meldde zich bij de directeur een sollicitant die aldus begon: Meneer den braajer

 

braojke, brjke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

klein stuk braadvlees of gebraden vlees; ook: het opgewarmde restje van het vlees, prakje

Cees Robben Hij hield van (...) braoikes... en van overschot... van kaoikes... en gerukte sprot.. (19590919)

Piet van Beers Allen n tffel: As ik m'n braoike op hb gao'k de tffel afrme... (Spoeje doemmeniemer; 2009)

WBD III.2.3: 123 'braadje' = kliekje

WBD III.4.4:265 'braadke' = klein overschot

C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978): BRAOJ bij v. Dale Zuidned. voor 'schijfje spek om te braden. Behalve 'hoeveelheid om te braden' betekent het woord ook wel: nogal dik achterste

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): BRA(D)E, BRAAI (uitspr. brao, broa) zelfstandig naamwoord mannelijk - eene snede spek of hesp, gelijk men ze pleegt te snijden om ze in de pan te braden.

Jan Naaijkens - D's Biks - 1992 -- (1992): braojke - prakje

 

braojpan

zelfstandig naamwoord

braadpan; pan met dikke wand, geschikt om er vlees in te braden.

WBD (III.2.1:195) 'braaipan', ook 'bakpan

 

braok

bijvoeglijk naamwoord

braak

M broak

Van Rijen (1998): 'Zo wt ge kke kost, laag alles ng braok.

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): BRAAKGROND: bij landb.: grond dien men bewerkt, maar een seizoen onbezaaid laat.

BRAAKLAND: bij landb.: bouwland dat men bewerkt, maar een seizoen onbezaaid laat, nadat er de zomervruchten af zijn.

 

braoke

werkwoord, zwak

braken, overgeven

B braoke - brkte - gebrkt

- ook in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/ hij brkt

 

Braokel
toponiem
Brakel (Riel of omgeving)
Cees Robben Van Braokel toe Ln-end (19810515)
 

braom, brmke

zelfstandig naamwoord

M braam

WBD III.4.3:l50 'braambezie, 'braambezem' = braambes

 

braosem

zelfstandig naamwoord

WBD III.4.2:90 'brasem' - brasem (Abramis brama)

 

brasse

werkwoord, zwak

knoeien, morsen

brasse - braste - gebrast

C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978): BRASSEN onov.ww - morsen, knoeien, vooral aan tafel (zie blz. 79-82)

 

brbbel

zelfstandig naamwoord

Van Rijen (1998): iemand die praat zonder ophouden, kletswijf

 

brbbele

werkwoord, zwak

Henk van Rijen: bep. wijze van praten: druk, storend, verward (?)

Henk van Rijen: 'ze brbbelt alles t' - ze vertelt alles verder

brbbele - brbbelde - gebrbbeld

 

bree

zelfstandig naamwoord

breedte

echter onzijdig gebruikt, en mogelijk alleen in de volgende uitdrukking met ''t lang':

Al w'k van d'r weet over Baokels verlee,

d zal ik van boven toe onder

aon llie vertellen in 't lang en in t bree (Piet Heerkens; uit Vertesselkes, De boeren van Baokel, 1944)

 

bred, breejer, bridst

bijvoeglijk naamwoord

breed

Dirk Boutkan: bred breeje (36)

Miep Mandos-v.d. Pol - Aantekeningen Brabantse spreekwoorden: Die et bred heej, lot et bred hange.

Dirk Boutkan: (blz. 50) naast 'bredst'

WBD breej taande - brede tanden van een koe

WBD bred staon (v.e. paard) - met de benen te ver uit elkaar staan, ook genoemd 'rm', (Hasselt): rm of wd staon

Cees Robben: Bred hkket vruuger not gehad.

A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952): gimme tweej breej stene - breejer - bridste

WBD brd getaaw/bri-j ketaaw (II:945) - breedweefgetouw

WBD te bred gebumd (II:1007) - te breed geboomd

Frans Verbunt: et veur zo bred hbbe dt aachter spits toelopt

Dirk Boutkan: - en bred c.q. bree hs - een breed huis; sup.: bredst/bridst ( 48)

WBD III.2.2:2 'breed zijn' = zwanger zijn

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): BREED - Fr. large: Het breed hebben - welhebbende zijn

Etymologie:
Got. braida, D. breit, N. breed, T. bred

 

bredhouer

zelfstandig naamwoord

breedhouder

WBD bredhower- breedhouder , benaming voor 'tempel', een onderdeel van een weefgetouw

 

breej

1. werkwoordsvorm

breide: verleden tijd van 'braaje', naast 'braajde'

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): BREE (zachte e) 2e hoofdvorm van 'breien'

2. zelfstandig naamwoord

breedte

En daorin stond alles in den breje beschreven... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; feuilleton Bad Baozel, 8 afl. in NTC 31-12-1938 18-2-1939)

En oome Teun vertelde z'n gesprek mee Kareltjes in et lang en breej... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Kareltje Vinken; feuilleton in 10 afl. in NTC 13-4-1940 24-8-1940)

 

brjke

werkwoord, sterk

WBD (Hasselt:) 'mis brjke' - mest verspreiden (op het bouwland)

 

breeke

werkwoord, sterk.

breken

B breeke - braak - gebrooke

- vocaalkrimping in tegenwoordige tijd: gij/hij brikt

- verleden tijd 'brok'

Twee ferme [water]straolen schoten onder et volk en 't leek wel of op deez' moment den oorlog pas uitbrook... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; De nuuwe dokter; feuilleton in 4 afl. in NTC 27-1-1940 17-2-1940)

Daags n drie koninge, zo ast cht heurt, brikt ze ieder jaor den kerststal aaf en rmt ze den bom op.  (Jos Naaijkens; De krsbom in de dos;  CuBra, ca 2005)

WBD gebrooken hngst, den hngst is gebrooke - gezegd van een hengst waarbij door het castreren een darmuitstulping optreedt

WBD breeke - braken (kneden van het zeer stijve taaitaai- of peperkoekdeeg, door twee man d.m.v. een braak, een soort scharnierend hout)

Reelick, Bosch' woordenboek (1993 & 2002): breke - breken (verleden tijd brook)

 

breekwaor, breekwrk

zelfstandig naamwoord

aardewerk, inz. serviesgoed

C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978): BREEKWERK - vage benaming voor serviesgoed.

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): BREEKWAAR zelfstandig naamwoord vrouwelijk, geen mv. - al wat licht breekt, zooals glaswerk

 

Brees
toponiem
Brehees
Cees Robben (19751121)
 

brkspl, et brkspul inbrnge

uitdrukking

Pierre van Beek: spelbreker zijn

R ook: Alles in brakspul brenge - alles in de war sturen

Cees Robben [Moeder straft kind] As de mieter naor boven... want gij brengt er het brekspul in... (19640619)

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - rges en 'breekspul' inbrenge - spelbreker zijn ('87)

Haor. BREKSPUL - 'breekspul'; Toen hadde 't brkspul on de gang.

A.P. de Bont, Dialect v. Kempenland (1958): brkspeul, zelfstandig naamwoord  o. breekspeul, brekespel. Hij maoket brekspuil - Hij is de spelbreker; voor de vorm vgl. WNT s.v. 'brekespel'.

WNT BREKESPEL, voorheen, en in Zuid-Ned.nog thans BREEKSPEL - iemand die het spel, de vreugde, het genoegen van een gezelschap door twist, misplaatsten ernst enz. stoort. Z.a.

Goemans, Leuvens taaleigen (1936): BREKESPEL - blksplder, zelfstandig naamwoord mannelijk - iem. die het spel in de war helpt; en dan: iem. waarop geen staat te maken is.

WNT BREKESPEL - voorheen, en in Zuid-Ned. nog thans BREEKSPEL - Eigenlijk iemand die het spel, de vreugde, het genoegen van een gezelschap door twist, misplaatsten ernst enz, stoort, bederft. Breekspel spelen.

Mv. brekespellen (gewoonlijk: spelbrekers)

 

brlle

werkwoord, zwak

huilen, schreien

brlle - brlde - gebrld

Et bske brlde mdt gevalle was.

Cees Robben Dan begiende te brellen (19650514)

Frans Verbunt: vermeldt ook: rondbazuinen

 

brm

zelfstandig naamwoord

Van Rijen (1998): iemand die je niet serieus kunt nemen

Frans Verbunt: druktemaker

bijwoordelijke uitdrukking: brm doen
de precieze betekenis is onduidelijk maar laat zich uit Robbens tekst raden:
Cees Robben Dn haon die doe brem (19600325)
 

brmbeezie, -zem

zelfstandig naamwoord

braambes

Van Delft - - Wij plukken "brembezemen" en "knoesels" en spreken van "eenen houteren haomer", die in eenen "euregel" klopt, daarmede bedoelend braambessen, kruisdorens, een houten hamer en een orgel.(Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 110; 20-04-1929)

Ok wilde framboze en brembeezeme. (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

Onze vadder viet in de augustusmaond wel ens enne dag vrij. Hij ging dan meej ons brembezems plukken. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952): brmbeezeme plukke

Cees Robben opschrift in de pent van 19641120:

Van Rijen (1998): meervoud: brmbisseme, brmbeezie

WBD III.4.3 brmstrk - braamstruik (Rubus fruticosus) ook genoemd: brmbeezem of brmbeezeme of doorns

Rubus fruticosus

WBD III.4.3:150 brmbeezem of brm - braambes

WBD III.2.3:222 'braambezinvlaai' = bramenvlaai

A.P. de Bont, Dialect v. Kempenland (1958): brembeizem, zelfstandig naamwoord vr. 'brembezem' - braambes (geh. in Diessen en Esbeek); brembe'zem, zelfstandig naamwoord vr. 'brembezing' - braambes (geh. in Moergestel, Oirschot, Best en Nijnsel).

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): BRMBEES, BREMBEES zelfstandig naamwoord mannelijk - braambezie; ook: brmbeejzem

Jan Naaijkens - D's Biks - 1992 --
(1992): brmbeezie, brmbeejzie - braambes

Spr. brembeezie (2:23)

 

Sylvia curruca - William Wright

brmkwk

zelfstandig naamwoord

Van Rijen (1998): braamsluiper (Sylvia curruca)

 

Sylvia borin - William Wright

brmkwtje

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

Daamen, Handschrift Tilburgs (1916): "bremkwetje - bastaardnachtegaal?" (Sylvia borin)

Van Delft - - Als wij des zomers vogeltjes gaan zoeken dan "gaon we veugeltjes zuuken" en we vinden "veugeltjes op aijkens en mee naokte jong van bremkwetjes, piedieven, kweiken, schrijvers, kakeluutjes, blaauwkupkes, merkoven, koolmees, enz."(Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 110; 20-04-1929)

 

brnge

werkwoord, sterk

brengen

Cees Robben: Die wrre gebrcht dur den ojevaor. Ik z fn grotgebrcht;

B brnge - brcht - gebrcht

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): GEBROCHT, in 't W. ook GEBROECHT: 3e hoofdvorm van 'brengen'

 

bretl

zelfstandig naamwoord

bretels

De Wijs -- Ge mt naa nie z overdrve: gij maokt van ieder elastiekske unne bretel... (17-10-1972)

 

brd

zelfstandig naamwoord

bruid

Van Delft - - Als de beerput vol is, "komt de boer ruimen" en "nimt dan de bruid mee". (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 110; 20-04-1929)

 

brd, brdje

zelfstandig naamwoord

bruid

Dialectenqute 1879: W vur 'n kld haad de bruid oan? (ui als in fr. Meuse)

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - 'tis ng vr van laage, zi de brd, n ze schruwde (Daamen, Handschrift Tilburgs (1916) zeispreuk

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - ksal oe k is diene, zo gaa ge de brd zt (Daamen, Handschrift Tilburgs (1916) - Ik zal jou ook eens (be)dienen ... (Doe het opgedragen werk zelf maar!)

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - ds en aander brd (Daamen, Handschrift Tilburgs (1916) - Dat is andere koek: dat is een veel beter plan dan het vorige.

Daamen, Handschrift Tilburgs (1916): ds en aander brd - (over iets of iemand sprekend dat/die veel beter blijkt te zijn)

 

brn, brnder, brnst

bijvoeglijk naamwoord

bruin

uitdrukking -  enen brnen rm haole - in het gevlij komen, strooplikken

WBD brne (Hasselt) - bep. schimmel

Cees Robben: De krst is n den brne kaant

Pierre van Beek: ze brn braoje - het (te) bar maken, ze bruin bakken

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - zakken as brn bier (Pierre van Beek: Tilburgse Taalplastiek 1966) - snel minder worden

K. de Beer - Tilburgs Bijnamenboek (2000) - brne bre = trappisten (blz. 87)

WBD III.3.1:259 'een bruine arm halen' = vleien

WBD III.2.3:190 'bruin brood' = zemelenbrood

A.P. de Bont, Dialect v. Kempenland (1958): bn, bruin; zegsw. ''t al te brn maoke' - het al te bont maken

 

bridst

bijvoeglijk naamwoord, overtreffende trap van 'bred', breed - bred, breejer, bridst

breedst

A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952): bridste

 

bridte, britte

zelfstandig naamwoord

breedte

Dirk Boutkan: (blz. 34) 'brite' (met vocaalkrimping)

 

brief

zelfstandig naamwoord

brief

Ons kermis is dees jaor vur den irsten keer "dreug gelee", d wil zeggen, d ge in de caf's vur oe goeie centen eigenlijk gin drupke snevel z't kunnen koopen. De kster was in den raod den eenigste die z'ne mond er tegen durfde open te trekken. Van den eene kaant valt d te begrijpe, want hij hee-t-'m verduveld gre; en dan ten twidde: die thuis niks as leege briefkes meuge lezen, hebben op 'n aander de miste prots. (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit t klokhuis van Brabant 4; 2-11-1929)

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - niks te leezen hbben as leege briefkes (Pierre van Beek: Tilburgse Taalplastiek 1970) - niets in de melk te brokkelen hebben: niets in te brengen hebben.

Frans Verbunt: niks in te brngen hbben as leege briefkes

We han over et algemeen niks in te brengen. Lege briefkes zeej de volksmond mar daor schote ok niks meej op. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

WBD III.3.1:168 'briefke' = bankbiljet

WBD III.3.1:174 'grote brief' = bankbiljet van f 1000; Ook 'rode rug'

 

briejantiene

zelfstandig naamwoor

Frans: brillantine; haarwater; om het haar glans te geven; van 'briller', glanzen

In mn haor hak allemol slaoge geleej. Nao un tedje blve die ok vort zitten, ak der mar genoeg briejantiene opsmrde. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

 

briense

werkwoord, zwak

WBD hinneken (v.e. paard), ook genoemd 'hunkere,' 'hinneke' of 'kwkke'

briense - brienste - gebrienst

 

brier

zelfstandig naamwoord

uit Frans barrire

WBD III.3.1:411 'barrier (brier)' = slagboom, ook 'boom, tolboom'

LDM: De meesten van ons hebben nog wel gekend de barrires of barrier, nog korter "brier", gelegen aan de wegen die zijn aangelegd tijdens de Franse overheersing en daarom meestal genoemd Napoleonswegen, zoals Turnhout-Tilburg, Tilburg-Breda, Tilburg-Den Bosch. Zo ook van de grens Achel-Eindhoven, Boxtel-Den Bosch. Over deze wegen lagen de barrires, slagbomen, met de huizen waarvan men de nu nog bestaande "brier" noemt. Maar het huis, meestal ook herberg, was niet de barrier, maar de boom, die over de weg lag, zoals nu nog aan de grenskantoren. Hier moest door voerlui met paarden of honden en ook voor voetgangers tol worden betaald. Het recht om tol te innen werd tegelijk met het woonhuis verpacht.() Voor zover ons bekend waren er in Tilburg 3 barrieren, waarvan 2 aan de Bredaseweg. De eerste lag tegenover caf "Het dorstig Hert" en de tweede, voor de Hultense brug, tegenover caf Dongenwijk en de derde op de Bosscheweg, juist voor het tegenwoordige spoorwegviaduct. Deze zaak is echter ook verbouwd en niet meer als barrier te herkennen. Van de Poppelse grens naar Tilburg waren er 2, maar beiden onder de gemeente Goirle. Vanaf Tilburg lag de eerste juist over de gemeentegrens, rechts. Zij draagt nog steeds de naam van "De Golse brier". De tweede lag op de Poppelseweg even voor de brug over de stroom. Tot voor enige tijd waren beide uitwendig nog in de oorspronkelijke toestand. Deze bierhuizen waren allen in dezelfde trant gebouwd en op een afstand van elkaar van ca. een uur gaans. (Lowie van Dorrus Misters; rubriek Uit onze Tilburgse folklore, afl. 12 Van postwagen en diligence; NTC 11-12-1951)

 

briese

werkwoord, zwak

briesen

WBD (v.e. paard) met neus en lippen proesten (Hasselts), elders genoemd: 'blaoze' of 'snottere'

briese - brieste - gebriest

 

brieske
zelfstandig naamwoord, verkleinwoord van bries
briesje
Cees Robben - ...Ds un zoft Gls brieske... (19570631)
 

brievekaort

zelfstandig naamwoord

briefkaart

Mar t viel nogal mee, want nao drie daoge zwaor verdriet kwaamp er innen brievekaort van Keese... (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

Cees Robben Ge kunt beter n brievekaort nemen... (19780902)

WBD III.3.1:439 brievenkaart' = briefkaart

A.P. de Bont, Dialect v. Kempenland (1958): (onder 'kaort) brievekaort - briefkaart

 

brievekpke
zelfstandig naamwoord

postzegel; letterlijk brievenkopje

Gerard van Leyborgh (=ps. van Lambert de Wijs) - Mar Harrie hedde gin brievekpke in oewe zak, want dan mot ik toch nog effe weg schrve. (Nieuwe Tilburgsche Courant - 24 oktober 1925; Tilburgsche Schetsen: Ceciliafeest)
 

brievezkske

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

brievenzakje = enveloppe

LDM: Postagentschappen bestonden nog niet. Wel verkocht men in sommige winkels postzegels, maar met verhoging van een halve of hele cent en daar werd 70 jaar geleden ook rekening mee gehouden. Men verkocht bijv. postzegels en schrijfbehoeften, velletjes brievenpapier, "brievenzekskes" of "avelotten" (enveloppen), pennen en inkt in 't Herringsend (Haringseind, Korvelseweg) bij F. v.d. Hout-Becx, op Korvel bij Trui Bos (recht tegenover de brievenbus), in den Berrendijk (Berkdijk) bij Piet van Heijst. Zo zal het in andere buurten ook wel geweest zijn. (Lowie van Dorrus Misters; rubriek Uit onze Tilburgse folklore, afl. 12 Van postwagen en diligence; NTC 11-12-1951)

 

brikt

persoonsvorm van 'Breeke'

breekt

Cees Robben: Mkt dgge gin rm f ben brikt

Cees Robben: 'rem, meneer, d brikt gin eer'

2e + 3e pers. enk. tegenwoordige tijd van 'breeke' (met vocaalkrimping)

 

bril

zelfstandig naamwoord

bril

Pierre van Beek - Van een man met opvallend kromme benen kon men horen zeggen: "Hij loopt mee 'nen bril; het is een goeie om een verken te vangen". De bril waarmee we hier te maken hebben, was een rond gat in de planken wand van een varkenskot. Het varken moest hier
de kop door steken om uit de aan de buitenkant staande trog te kunnen eten. Dit was bruikbaar voor een varken van drie maanden maar ook voor een groter. Het werd afgesloten met een houten schuif, welke door een pinnetje in een gaatje op bepaalde hoogte kon worden vastgezet. Men meldt ons ook, dat van iemand met kromme benen gezegd werd: Hij staat "vene teens". Met dat "vene" weten we helemaal geen raad. (Tilburgse Taalplastiek, aflevering 108, 1970)

 

britse

werkwoord, zwak

- britse - britste - gebritst

prakken, eten met een vork fijnmaken en dooreenmengen

N. Daamen - handschrift 1916 - "britsen - moeder maa'k britsen? (aardappelen op het bord tot brei maken)"

Pierre van Beek: (onder schoolmakkers) een medescholier bij armen en benen vastpakken en hem dan in ritmische herhaling met het achterwerk op de grond laten botsen. (Tilburgse Taaklplastiek 154)

Dan mkte we in et midde vant brd in de boerekol en kltje om de sjuu in te doen. n dan mar britse, meneer. Lkker! n dabbe, n prakke. Gin gepielie. Spaoje! (Ed Schilders; W zeetie?; Website Brabants Dagblad Tilburg Plus; 2009)

Enqute over Je favoriete Tilburgse woord op Facebookpagina Je bent een echte Tilburger als... maart 2013 -

WBD (III.2.1:359) britse - aardappelen stampen, ook 'brouwen genoemd

C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978): BRITSEN zie BRATSEN - het eten fijn prakken met de vork, teneinde het vet daarin te doen trekken.

 

brbbelscht

zelfstandig naamwoord

diarree

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - kw dttie et brbbelscht kreg (Daamen, Handschrift Tilburgs (1916) ik wou dat hij diarree kreeg (verwensing; brbbel = luchtbel)

WBD III.4.4:214 'brobbelen' = borrelen, ook 'bobbelen', 'bubbelen'

 

brcht

ww

bracht

A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952): ik w dtte pst enen brief brcht

verleden tijd van 'brnge'

A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937): brcht (vocaalrekking alleen ten O. v.d.lijn Den Bosch-Tilburg) blz. 108

Antw BROCHT, BROECHT - 2e hoofdvorm van 'brengen'

 

brddele

werkwoord, zwak

broddelen, slecht werk afleveren

De Wijs  -- gin srt van braaiwerk, bij ons noemen we d, broddelen! (feb. 1962)

 

brddelwrk

zelfstandig naamwoord

slecht uitgevoerd werk

De Wijs -- (gehoord bij brei-bezigheden: ) Ds broddelwerk, die braainolde zn te laank. -t is zunt want ge zt al aon den buknaovel (23-09-1970)

 

brdje

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

bruidje

WBD (III.3.3:265) brdje, persssiebrdje = bruidje in de processie

 

brdspaor

zelfstandig naamwoord

bruidspaar

WBD III.2.2:86 'bruidspaar'= idem

 

brodkaant, brodkaant

zelfstandig naamwoord

Henk van Rijen: zitte wir n den brodkaant? - zit je weer aan het brood?

 

broebele

werkwoord, zwak

borrelen, opborrelen

Soms, ineens, begient de knaorrie,

rilt 'n trillerig melodieke;

puur en klaor gerol, gebroebel, (Piet Heerkens; uit: Dn rgel, Stilleeve, 1938)

Melodie moete vloeie,

moeten as fonteine sproeie,

moeten broebelen as 'n bron,

lekker leuteren in de zon. (Piet Heerkens; uit: Dn rgel, Moedertaol, 1938)

...te kijken of ze et waoter ergeraand zaage broebele... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; feuilleton Bad Baozel, 8 afl. in NTC 31-12-1938 18-2-1939)

...en toen ik vlakbij kwaam, begos er daor ineens iets te broebele en ik heurde iets spolderen in 't waoter. (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; t Spook; NTC 3-1-1940)

Heur 'm toontjes brabbele, broebele... (Piet Heerkens; uit: De Kinkenduut, Naachtegaol, 1941)

 

broebels

zelfstandig naamwoord, plur

en ik blaos er de broebels in t waoter... (Piet Heerkens; uit: De Kinkenduut, De paoter en de kinkenduut, 1941)

Van Rijen (1998): luchtbellen

WBD III.4.4:213 'broebel' = luchtbel, ook 'brobbel', 'bobbel', 'bel'

WBD III.4.4t:231 'brobbel' = bobbel, ook: 'bult'

 

broeder

zelfstandig naamwoord

pannekoek

Frans Verbunt: ook: ene flinke stront

 

broeje

werkwoord, zwak

broeden

Dirk Boutkan: (blz. 24) 'bruje' = broeje (geen umlaut wegens volgende j)

- broeje - broejde gebroejd

- korte oe

Cees Robben: de gaans zaat te broeje; et bisje ha gebroejd; de nd ging nt broeje;

WBD III.4.4:12 'broeilucht', 13 'broeierige lucht' = lucht die onweer en regen voorspelt

WBD III.4.4:31 'broeierig, broeiend weer' = benauwd weer

WBD III.1.4:18 'broeden' = in het geheim uitdenken

Goemans, Leuvens taaleigen (1936): BROEDEN - bruje wkw. (brude, gebrut)

 

broek, bruukske

zelfstandig naamwoord

1. broek (het kledingstuk)

Van Delft - "Beter de broek aan een wieg gescheurd, dan een oud wijf op bed gebeurd." Gezegd tegen een man op leeftijd, die een nog jonge vrouw kiest. (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 108; 6 april 1929)

In [een] bruukske van vruuger ha veul weg van innen envelop in vurfrontje mee in lfke er aon, d net zaat as in visje, en van aachteren de klep mee twee knupkes. (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

Van Beek - "Bij broeken betalen geen doeken." - Waar heren in 't gezelschap zijn, behoeven de dames niet te betalen. (Nwe. Tilb. Courant; Onze folklore afl. 4; 19 maart 1959)

Miep Mandos-v.d. Pol - Aantekeningen Brabantse spreekwoorden: Waor broeke zn, betaole gin doeke.

Miep Mandos-v.d. Pol - Aantekeningen Brabantse spreekwoorden: Zwtsen n in de broek schte d kunde zittende.

Pierre van Beek: mar percies nder n boove de broek tkoome - Klein zijn; (fig) nog niet mogen meepraten (Tilburgse Taaklplastiek 153)

V - aachter de gebraajde broek krpe - naar bed gaan (achter de, vroeger vaak gebreide, broek van de vrouw gaan liggen; naar bed gaan)

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - in iemes zen hart begraove liggen as en boereknt in en turkslre broek (Daamen, Handschrift Tilburgs (1916) - in iemands hart gesloten zijn

A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937): broek (blz. 17 en 155)

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - ds en strk stuk in en kaoj broek ('41)- dat is kras, ongelooflik

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - hier zn de stukke van Ruubns (Si'71)- kaartterm: gezegd bij het bijleggen van mooie kaarten

Henk van Rijen: sebiet zak oe de broek es opdoen - ik zal je dadelijk eens onder handen nemen

Frans Verbunt: van den broek in daander - heel laat naar bed en vroeg op

Tekening: Cees Robben uit 3 jaar voetbal concentratie van A.P.M. v.d. Ven jr., 1946

Frans Verbunt: en pond broek n en ons kont - een veel te grote broek

2. andere betekenissen

WBD laaggelegen vochtige grond

WBD broek - achterste deel v.h. paard, ook genoemd 'aachterkaant', 'krs'

WBD broek - bil v.h. paard, ook 'bil' genoemd

WBD broek - achterhaam (deel v.h. tuig dat het paard op het achterdeel draagt)

 

Broek, het
toponiem
Het Broek
vaak gebruikte naam voor een ven. Robben doelt waarschijnlijk op Het Broek dat zijn naam aan de wijk Broekhoven gegeven heeft.
Cees Robben Blauwslt.. Buunder.. Baors en Broek.. (19570316)
 

broekkster

zelfstandig naamwoord

Van Rijen (1998): gaai (Garrulus glandarius)

WBD III.4.1:149 broekkster - gaai z.a.

 

Broekhoove

zelfstandig naamwoord

Broekhoven (Tilburg-zuid)

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - ge zt zeeker meej den Broekhoovese tram meegekoome (Pierre van Beek: Tilburgse Taalplastiek 1964) - Gezegd tegen iemand die erg vlug was.

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - nr de spleet van Broekhoove moete (JM'50) - moeten betalen (naar de broekzak moeten, waar immers de beurs zit)

 

broekjanneke

zelfstandig naamwoord

Van Rijen (1998): ekster (Pica pica)

WBD broekjanneke - ekster

Luister naar het geluid van het broekjanneke (ekster - pica pica)

 

broeknaachtegaol

zelfstandig naamwoord

kikker

Daamen, Handschrift Tilburgs (1916): "broeknaachtegoal - kikker"

WBD III.4.2:111 'broeknachtegaal' - kikker, ook genoemd: kinkenduut, of 'kikkebil', 'kinkvors', 'puit', 'kikker'.

 

broekpoeperke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

broekpoepertje; kind dat nog niet zindelijk is

Cees Robben Is ie al dreug, Drieka..? Bekaant, Miena.. Af en toe verliest ons broekpoeperke nog wel is w... (19850412)

Hoe groter de strp hoe beeter. Ge had toen ok ng veul mer sorte kender dan teegesworreg. Ge had irst platte knder. D waare de kiendjes die ng nie kosse lope. Die wrre dikkels ok haawknder genoemd, omdt moeders ze n de mm moes haawe. Asse dan groter wiere van et zg, dan waare-n-et irst klutjes, dan ploddekes, en dan brakke. Ge had ok ng broekpoeperkes, jungskes, mdjes f durskes. (Ed Schilders; W zeetie?; website Brabants Dagblad Tilburg Plus 2009)

 

broekrije

werkwoord, sterk

Frans Verbunt: iemand dwingen door te lopen (aachter zen broek rije)

Van Rijen (1998): iemand bij zijn kraag en de kont van zijn broek pakken, iets optillen en vooruit duwen

Jan Naaijkens - D's Biks - 1992 --
(1992): broekrije - iem. achter bij z'n broek en z'n kraag grijpen, wat optillen en hem zo dwingen om te lopen.

 

broekspp

zelfstandig naamwoord

broekspp

WBD III.1.3:122 'broekspijp' = idem

 

broeksriem

zelfstandig naamwoord

broekriem

Kees & Bart (krantenrubriek 1922-193?): oewen broeksriem nhaole

WBD III.1.3:123 'broeksriem' = broekriem; ook: 'broeks(en)band'

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): BROEKS(CH) bvw. Van of behoorende tot eene broek. Broeksche buil (broekzak), broeksche pijpen - broekpijpen.

 

broelie

zelfstandig naamwoord

rommel, gewoel, wanorde

Pierre van Beek: hele hoop

Van Rijen (1998): kinderen (broedsel)

Pierre van Beek: en broelie knder (heeft iets denigrerends)

Henk van Rijen: en vrammes meej hil heur broelie - een vrouw met haar hele kinderschare

Frans Verbunt: wanorde

Mart [maar het] risseltaot van al den broelie... (Lechim; ps. v.  Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit:  Hukkele mar wir...)

Stadsnieuws: Toen ze fkes der kont gekeerd ha, han de knder enen hop broelie gemkt. (070210) - Toen ze eventjes niet opgelet had, hadden de kinderen een hoop rommel gemaakt.

C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978): BROELIE (Fr. brouille) m., wanorde, onoverzichtelijke toestand die iemand de neiging bezorgt zich terug te trekken en 'hil den broelie' achter zich te laten.

WNT BROEL, daarnaast BROELIE - in den zin van rommel, gewoel, wanorde.

 

broelieje

werkwoord, zwak

WBD III.1.2:22 'broelin' = krioelen; ook: 'wemelen, wriemelen, friemelen, kriemelen, krieuwelen, draaien'

 

broer

zelfstandig naamwoord, eigenn.

In een gezin dat reeds meisjes telde, kreeg de eerste jongen vaak de voornaam 'Broer'

Jan Naaijkens - D's Biks - 1992 --
(1992): BROER - Als na het eerste kind (een meisje) een jongetje werd geboren, werd dat dikwijls broertje of Broer genoemd.

 

broerdeghd / broerdighei

zelfstandig naamwoord

...en de grotst meugelijke broerdighei uitgehaold. (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

Znen naom was den Dadder. Dr kos gin kilometers in den omtrek broerdighei uitgehaold worren of hij wies er van. (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

Van Rijen (1998): beroerdigheid, narigheid

 

broes

zelfstandig naamwoord

schuim (b.v. op de mond van een paard)

WBD III.4.2:223 broes - schuimbeestje (Philaenus spumarius), ook 'schuim' genoemd , of 'snot'

C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978): BROES m., schuim, vooral op de mond v.e. paard; ook wel gezegd van mensen die zich opwinden bij het praten: den broes stond op z'ne mond.

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): BROES zelfstandig naamwoord mannelijk -bruis, dik schuim: Den broes stond op zijn lippen.

BROESEM zelfstandig naamwoord mannelijk - dik, vuil schuim, broes.

 

broeze

werkwoord, zwak

schuimen

'n boerinneke [...] mee twee eemers versche roome, die ze pas gemolken had, et schuim stond er nog op te broezen. (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Oome Teun in den trein; NTC 16-9-1939)

 

brk, brkske

zelfstandig naamwoord

Van Rijen (1998): toffee

WBD III.2.3:245 1/2brok', 'brokje = babbelaar

 

brkke

werkwoord, zwak

brokkelen

Mar ons moeder had ok ng w in de pap te brkke. (Ed Schilders; W zeetie?; Website Brabants Dagblad Tilburg Plus; 2009)

 

brksel

zelfstandig naamwoord

WBD III.2.3:143 - 'broksel' = beschuitenpap ; ook 'luiwijvenpap'

WTT 2012 - Het is vooralsnog onduidelijk of dit woord terug gaat op 'brk' (brok, namelijk de brokjes van de beschuit), dan wel op een verkorte vorm van 'braaksel'; vergelijk het snoepgoed dat 'kattespouw' werd genoemd, het braaksel van een kat. Of op brok als dialectische variant van breuk, breuksel, namelijk de gebroken beschuit als ingredint van de pap.

 

brkse

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

brokje, stukje, snoepje

Cees Robben: bloozend brkske onverstaand

- verkleinwoord van 'brk', met umlaut

 

Brkwaaj

zelfstandig naamwoord

Van Rijen (1998): Brockway (naam v.d. eerste Tilburgse stadsbusdienst)

Nieuwe Tilburgsche Courant - ca. 1930

 

brollie = broelie

zelfstandig naamwoord

Frans Verbunt: kinderschaar

 

brlft

zelfstandig naamwoord

bruiloft

Cees Robben: De biste plts bij en begrffenis n en brlft ds den twidde waoge.

Cees Robben: dan vier ik de bange brlft (firteg jaor getrouwd)

Henk van Rijen: Daor hbbe ze brlft - werd gezegd van lieden waar een gierkar voor het huis stond om faecalin op te halen.

Dialectenqute 1879: bruloft (met van Gtter)

Henk van Rijen: dr hbbe ze brleft (gezegd bij het legen van de beerput dwars door het huis)

Frans Verbunt: bij en mis drinkt er ene n zinge ze alleml bij en brlft zingt er ene n drinke ze alleml

WBD (III.3.3:301) brlft = bruiloft

 

brmke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

Van Rijen (1998): braampje

 

bromme
werkwoord, zwak
brommen; hier in de betekenis op een bromfiets rijden
Cees Robben Den kapelaon moet brommen... (19550129)
 

brommer
zelfstandig naamwoord
zanger in een koor die niet (altijd) zuiver kan zingen
Cees Robben As wij vruuger moesse zingen/ sjonges d was z plezaant.../ Want dan zette onze frater/ Alle brommers aon de kaant... (19571214)
 

brnder, brnst

bijvoeglijk naamwoord

bruiner, bruinst

resp. comparat. en superlat. van 'brn gesyncopeerde d.

 

brneg

bijvoeglijk naamwoord

Van Rijen (1998): bruinachtig

 

bronollie

zelfstandig naamwoord

petroleum (uit: bromolie)

...d was bronolie op t vuur... (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

...jullie bronolie-krantje, den Bode van Baozel... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Den Sik van Baozel; feuilleton in 8 afl. in de NTC 25-2-1939 18-4-1939)

K. de Beer - Tilburgs Bijnamenboek (2000) - bromollie = Johan Mutsaers (blz. 56)

t Brnliemenneke kwaam ok aachterom, ons moeder had in den rlog en petrliumstel om te kunne kooke as er wir es gin gas was. As d mnneke binne was gewist dan bleef et nog lang stinke, mar ge waart al blij dttie kwaam. (Nel Timmermans; Wtter amml n de deur komt; CuBra; 200?)

WBD III.4.4:175 'bronolie', 'bromolie' = petroleum, ook 'peterolie'

Stadsnieuws: Hlt es gaa w bronollie: de lamp gaat uit (040606)

C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978): BRONOLIE m., petroleum

Jan Naaijkens - D's Biks - 1992 --
(1992): 'brnllie' petroleum

Hans Heestermans, Witte nog? (1988-1994): 'bromolie', pietrolie (VI:59)

Reelick, Bosch' woordenboek (1993 & 2002): bromollie - petroleum (ook: bromsaus)

 

bronollielaamp

zelfstandig naamwoord

petroleumlamp

WBD (III.2.1:274) bronollielaamp - petroleumlamp

 

bronolliemesjientje

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

petroleumstelletje

WBD (III)2.1.236 'bronoliemachine' , 'bronoliemachientje', 'machientje' of 'bronoliestelletje'

 

Advertentie circa 1935

Bronsgist

zelfstandig naamwoord, eigennaam

Frans Verbunt: Bronsgeest, kruidenierszaak op 't Heike

Frans Verbunt: ge mt ze w toegeeve, zeej Brnsgist - geef ze maar gelijk

Frans Verbunt: hij is zout haole bij Bronsgist - gezegd als men niet wist waar iemand heen was

Frans Verbunt: hij leest den bl van Bronsgist - hij kan het weten (maar die builen waren onbedrukt)

9 citaten over Bronsgist

 

broo, brooke

zelfstandig naamwoord, verkleind

bureau

- Ak zoo vur mn brooke zit te staore (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

broow

 

Auteur onbekend - Collectie Museum der Brotkultur, Ulm

brod

zelfstandig naamwoord

brood, tarwebrood van (volkoren)tarwemeel, al dan niet gemengd met gebroken tarwe en tarwevlokken, en waarin zemelen met het blote oog waarneembaar zijn. (Koninklijk besluit 4 juni 1998)

Dirk Boutkan: meervoud: brojer/ broje

-- in het Tilburgs was brod meestal bruinbrood en roggebrood in het bijzonder; witbrood (melkbrood, waterbrood) werd meestal aangeduid met 'mik'

► mik

► voor melkbrood zie mlkmik

► rggebrod

Verschil brood en mik

Piet Heerkens - Den aawe Teurlings wiste de taoffel aaf mee 'nen
slip van z'ne kiel, sloeg de kat naor den aanderen hoek van de kaomer en smeet et brood en de mik in de kaast. (Uit: Oome Teun en de Iemkers - door A. Wibbelt, hertaald door Heerkens)

...zis man moes worre tgezakt/ drie sneekes mik, vier dikke rogge/ meej en flitterke gehakt (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Moederdag)

Miep Mandos-v.d. Pol - Aantekeningen Brabantse spreekwoorden: Van brod wrde grot, van mik wrde dik. [bruinbrood werd als gezondere voeding beschouwd]

Frans Verbunt: asge hier brod ht, moette daor ginne mik gaon zuuke

Algemeen

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - brod in de zak hbbe (Daamen, Handschrift Tilburgs (1916) - een wind gelaten hebben

A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952): p d schip krege ze beschimmeld brod

Miep Mandos-v.d. Pol - Aantekeningen Brabantse spreekwoorden: Die kan niks as van brod strnt maoke.

Miep Mandos-v.d. Pol - Aantekeningen Brabantse spreekwoorden: Van goej brod kaoj maoke. [?]

Miep Mandos-v.d. Pol - Aantekeningen Brabantse spreekwoorden: Ge zult er beeter van piese as van en krsje brod. [Gezegd om sterke drank te prijzen]

De Wijs -- Wanneer zeik aon de brt? Waant ik zie wel d ge hier brd en koffie mee mot brenge [Lang moeten wachten voordat men geholpen wordt]

Cees Robben: Ge stink as ene schoojer nr zen brod

Cees Robben: oew brod swirskaanten int spk sppe;

Cees Robben: den hnd ztter ng gin brod van lusse;

We aate vort brod van un bordje, d han die gezinsverzrgsters ingevoerd. Die vonden et mar niks, d wij ons brod z op toffel han liggen, as wij s mrges of s aovens brod aten. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - gin brod, gin booter, ch Gd, ch Gd, ch Gd (Daamen, Handschrift Tilburgs; 1916) ['ch Gd' is een klanknabootsing van het geluid dat het weefgetouw maakt.]

Jan Naaijkens - D's Biks - 1992 -- (1992): brd - brood; z.a.

Henk van Rijen: brod hj bm, goejbotter hj bm, toe teej toe hj bm

Frans Verbunt: brod op de plank

Frans Verbunt: brod meej brod n meej brod ertusse

Frans Verbunt: waor ze schten is brod, n waor ze bidden is nod

WBD III.2.3:42 'brood eten', 'sneetje brood' = avondmaal

Bruinbrood

WBD III.2.3:190 geeft bij 'zemelenbrood' voor Tilburg 'bruin brood' als 'zeldzaam'; 'donker brood' voor Kaatsheuvel en Tilburg; 'zoet brood' voor Goirle en Someren - ► zuut; 'kropbrood' voor Hoogerheide en Tilburg.

NTC - 28-10-1927

Roggebrood

J. H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836): Men verstaat door BROOD hier, bij uitnemendheid, het roggenbrood. Z.a.

WBD III.2.3:142 'broodpap' = pap met stukjes roggebrood

WBD III.2.3:191 'brood' = roggebrood

WBD III.4.4:295 'brood' = idem (25 kg)

► rggebrod

Oud brood

Zegsman Frits de Koning -- Zoer brod trkt de kr [oud brood trekt de kar - oud brood was nog goed om paarden mee te voederen]

Hartjesbrood

Cees Robben: Kende gij d brojke nog van klaoren blom?

► hartjebrod

Wrstebrod

Ons moeder zette thee en we aten un paor worstebrooikes... (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

► wrstebrod

 

brodkaant, brodkaant

zelfstandig naamwoord

Pierre van Beek: broodkant (?) (wsch. de rafelende zijkant v. aaneengebakken broden)

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - et grtste stuk van zenen brodkaant phbbe ('16) - het grootste deel van zijn leven achter de rug hebben.

Van Rijen (1998): 'brotkaant'- brood, eten, zijkant v.h. vloerbrood

Van Rijen (1998): 'Zit te wir n den brotkaant? - Heb je weer honger?'

Frans Verbunt: den brodkaant nie in zene zak hbbe

A.P. de Bont, Dialect v. Kempenland (1958): bro'kant, zelfstandig naamwoord mannelijk, brokant - broodkant, grote kant (stuk) brood

WBD niet vermeld

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): BROODKANT zelfstandig naamwoord mannelijk - Hetgeene er van een brood overblijft, nadat er al veel afgesneden is. 'Nen broodkant is minder als 'en half brood en meer als 'en krst.

 

brodkaast

zelfstandig naamwoord

WBD spinde (voorraadkast of bewaarruimte voor levensmiddelen), ook genoemd: eeteskaast, vliegekaast of kaast

 

brodkrmel

zelfstandig naamwoord

broodkruimel

Van Beek - De broodkruimels steken hem. - Hij doet zeer dartel, wordt overmoedig en let niet voldoende op de kleintjes. (Nwe. Tilb. Courant; Onze folklore afl. 4; 19 maart 1959)

 

brodmis

zelfstandig naamwoord

broodmes

 

brodpp

zelfstandig naamwoord

(fantasiewoord) [?]

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - w p de brodpp speule (Daamen, Handschrift Tilburgs (1916) - mensen honger laten lijden

 

brodzak

zelfstandig naamwoord

Frans Verbunt: broodzak: de bakker die langs de deur ging, had die over zijn schouder hangen, met daarin voor en achter de brojer.

 

broj, brojer

zelfstandig naamwoord, plur.

broden, meervoud van brod

Dirk Boutkan: (blz. 34) plur. broje naast brojer

 

broje

bijvoeglijk naanwoord

van brooddeeg gemaakt

A.J.A.C. van Delft -- broje prd -- En dan die groote brooje prden! Nou iest allemaol taai-taai, liefst nog nie te groote stukken, want 't ies toch al duur genog. () Brooje prden waren een gebak van brooddeeg in den vorm van Sinterklaas te paard. De grondstof was, gelijk boven geschetst, al naargelang men er aan te kosten wenschte te leggen. Ook werden wel vrijers en vrijsters van speculaas of taai-taai cadeau gegeven. Later zijn de zg. boterletters, elders marsepeinletters geheeten, in de mode en den smaak gekomen.(Nwe. Tilb. Courant, 5 dec. 1929)

 

broje

werkwoord, zwak

Van Rijen (1998): slagen, succes hebben

Van Rijen (1998): 'H hee-g-ut gebrojd' - hij heeft het gehaald

WNT BROODEN zw.ww. - Eig. van brood voorzien, met brood voeden, onderhouden; fig. zooveel als: verzadigen, tevredenstellen.

 

brojke, brjke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

V broodje, kadetje

Dialectenqute 1879: brooikes mi ks

Cees Robben Zeg kende gij d brooike nog/ Van klaoren blom.. van enkelt rog/ t hartjesbrood... (19600624)

Lechim -- Aacht brooikes dik meej zult n ks... (Lechim; ps. v.  Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Gin zin mir...)

Frans Verbunt: brojkes meej ks (oorspr. maaltijd na een begrafenis) (ook Stadsnieuws: 070506)

WBD III.2.3:l97 'broodje' = wittebroodje, ook 'klontebrooike' of 'suikerbroodje'

Dirk Boutkan: (blz. 53) brojke

 

brok

werkwoord, persoonsvorm

brak

R.J. 'mar 't perd deh brook z'n aachterste poot'

Henk van Rijen: ek brok bekaant mene nk - ik brak bijna mijn nek

verleden tijd van 'breeke'; naast 'braak'

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): BROOK (zachte o) 2e hoofdvorm van 'breken'

Reelick, Bosch' woordenboek (1993 & 2002): brook - brak (ovt. van breken)

 

broow, beroow

zelfstandig naamwoord

bureau

et broow - het politiebureau

 

brsseg

bn

WBD III.4.4:206 'brossig' = bros, broos

206 'broos', 'bros' = bros

 

brssem

Zelfstandig naamwoord

brasem; riviervis; abramis brama

...hij zwom as enen brssem... (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Aanders...)

 

brst

zelfstandig naamwoord

bazig of koppig iemand

WSD teeldriftig varke

K. de Beer - Tilburgs Bijnamenboek (2000) - de brste = Jaan & Kees Pap-van Pelt (blz. 59)

Jan Naaijkens - D's Biks - 1992 --
(1992): brst - lomp manspersoon

WNT BRUISTIG - onstuimig. Waarschijnlijk, zij 't ook niet rechtstreeks, afgeleid van 'bruisen'

 

brsteg

bn

bronstig, heftig, ongenaakbaar

WBD geslachtsdrift vertonend (van een koe), ook 'stiereg' of 'rits' genoemd

WBD tochtig, gezegd v.e. vrouwelijk varken

Daamen, Handschrift Tilburgs (1916): "brstig - ons vairke is brstig (bronstig, tuchtig)"

Stadsnieuws: De stier waar wl brsteg, mar de koej nog nie stiereg (910706)

As ge naa zegt tussen de soep en de rpel en op de keukentoffel, dan kos ik oe nog wel geleuve Dr, mar veftien keer, dan zde nog brstiger dan un knn, zeej Driekske. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

Hans Heestermans, Witte nog? (1988-1994): buistig, bustig, burstig, (aam)borstig. (VI:72)

A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - bruistig, pruistig, briestig, britsig - tochtig

C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978): BRUISTIG (brstig) bn (van varkens gezegd) loops; ook wel: ruw en opvliegend van karakter.

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): BRUISTIG (uitspr. brsteg) - bronstig, tochtig, sprekende v. zwijnen

WNT BRUISTIG - onstuimig. Waarschijnlijk, zij 't ook niet rechtstreeks afgeleid van 'bruisen'

 

bruggeske

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

brugje

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): BRUG zelfstandig naamwoord vrouwelijk, vklw.'bruggeske(n)'

J. H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836): 'Bruggesken' voor brugsken of brugken.

 

brul

zelfstandig naamwoord

WBD kween (koe die door een afwijking v.d. geslachtsorganen onvruchtbaar is), ook 'kwee' of 'kweej' genoemd

WBD et brul hbbe - lijden aan de brulziekte (bij koeien)

WBD en brul - koe die aan brulziekte lijdt

C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978): BRUL bijvoeglijk naamwoord, gezegd van een koe die voortdurend stierig is, brulziek; ook van mensen die gauw opgewonden zijn.

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): BRUL zelfstandig naamwoordn.v. - eene koe, waar men geen kalf in krijgen kan, onvruchtbare koe.

 

brulle

werkwoord, zwak

WBD van een koe: bronstig op een andere koe springen, ook 'rije' genoemd

WBD loeien, ook 'blijte', 'blre', 'kweeke' of 'kwke' genoemd

brulle - brulde - gebruld

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): BRULLEN - Wordt niet enkel gezeid van 't geluid van wilde dieren, maar ook van 't geloei van 't hoornvee. Ook: luidkeels schreien.

 

bruuje

werkwoord, zwak

broeden

WBD bruuje (Hasselt) - broeden, op eieren zitten

B bruuje - bruujde - gebruujd; ik bruuj, gij/hij bruujt

Cees Robben t bruujt rontelom... (19570309)

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): BRU(D)EN - broeden, Fr. couver. Daar bruudt iet.

 

bruukske

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

verkleinwoord van 'broek', met umlaut

broekje

R.J. en bruukske meej en gtje

Cees Robben En ik strk mn bruukske wir vors in de plooi. (19700116)

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - W zalt dun dur zen bruukske drntele ('86)-Hij zal van angst diarree krijgen.

Dirk Boutkan: (blz. 30) bruukske

 

bruur

zelfstandig naamwoord

broer, jongen; maatje, vriend

lange uu; wordt wsch. kort in verkleinwoord

Dirk Boutkan: (blz. 59) onze / jullie/ hullie bruur

Zg bruur, witte gij van wie hij en bruur is? - Zeg jongen, weet jij van wie hij een broer is?

broer als bloedverwant

Dialectenqute 1879: Waannir komd u bruur jaaw bezuuke?

A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952): men bruur war muug

J. H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836): BRUER voor brueder, als broeder voor broer; z.a.

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): BRUUR zelfstandig naamwoord mannelijk - broeder, Fr. frre; 'broeder' wordt gebezigd voor kloosterbroeder e.d.

broer als koosnaam

Cees Robben Zdde-me-nie-is-wille-stuupere-bruur...? (19560818)
Cees Robben Hoe is ter meej bruur... [?] (19600212)
Cees Robben Witte gij waor Gl leej, bruur.. (19710212)
Cees Robben Ge het wirris abuus bruur.. (19870410)
 

bruurke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord van bruur

Vos (Nijm.) in CR: in 'bruurke' is sprake van een oudere umlaut.

klein kind

Cees Robben haauwt d bruurke in de gaote... (19591003)

jongen; zelfs als het een zoon is

Cees Robben Kek toch is wen diepe gatte vadder../ D zen gin gatte bruurke.../ D zen gaoter... (19671208)

 

bruurke-bruur
koosnaam
Cees Robben Mn bruurke-bruur (19751212)
 

bruutaol

bijvoeglijk naamwoord

brutaal

Kees & Bart (krantenrubriek 1922-193?): 'brutaol'; ' nie te brutaol optreejen'

WBD III.3.1:221 'brutaal', 'strant, astrant' = vrijpostig

WBD III.1.4:130 'brutaal' = moedig

 

bruuds

bijvoeglijk naamwoord

uu is kort

WBD broeds (Hasselts)

 

bruuw

bijvoeglijk naamwoord

ruw

De Wijs -- Noemde gij d baord? Dan is schre dr nog nie bij, ge kunt beter n bruwe kaort neeme en aanders gao-de mar ns in unne flinke wnd staon (27-12-1968)

 

bui

zelfstandig naamwoord

regenbui

gez.: Zde getrouwd dan wordt d netuurlijk 'n moeilijker geval mar d'r is toch k wel 'n mouw on te paassen. Ge brengt [van de kermis] vur oe vernomste helft van oe trouwbuukske bij zo'n gelegenheid 'nen buil stroopmoppen of 'n paor kwatta's mee; d is 'n veul beter remedie tegen onweer as 'nen bliksemafleijer: de bui drijft over zonder d-ge't rommelen heurt! (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit t klokhuis van Brabant 4; 2-11-1929)

 

buike
zelfstandig naamwoord, verkleinwoord van bui
regenbuitje
Cees Robben Ik heb mar twee buikes gehad (19650820)
Cees Robben Al veul buijkes aachter de rug... (19740830)

 

buk

zelfstandig naamwoord, mannelijk

handel, verdienste, werk

Audio-opname 1978 Dhr. Bertens Toen ging den buk zon bietje meer aachtert n toen isser de man tgescheeje, witte wl (Collectie Heemkundekring Tilborch; transcriptie: Hans Hessels ► Klik hier voor audiofragment)
 

bukkem

zelfstandig naamwoord

bokking, gerookte haring

Kees & Bart (krantenrubriek 1922-193?): 'vorsche bukkem'

Hil de week deur enen bukkum n sondags en aai... (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Tilburg op zn bst)

Cees Robben (19611221)
Cees Robben aacht vorse bukkeme, liefst meej mlluk/ En gin zaaiers... (19680405)


Cees Robben Bukkum (19860425) [opschrift in de tekening]
Cees Robben Vurrukkelukke bukkeme.. Aacht vur n kwartje... Vur-de-voet-gevat... (19621130)

Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek - De kat slpt meej den bukkem

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - Ieder iets van den bukkem, al is ie nog z plat (Pierre van Beek: Tilburgse Taalplastiek 1972) - er moet eerlijk gedeeld worden.

Anoniem 1959
Toen ging ie mee bukkum leure,
mee de kreugel van de buur,
Jaans pluisde wol, deej stukke,
't was genog vur brood en huur.
(Nieuwe Tilburgse Courant - donderdag 19 november 1959; Uit Tilburgs folklore - 'n Kaoi rikkemedaosie)
► voor de volledige tekst zie http://www.cubra.nl/wtt/documentlemmas/rikkemendaosie.htm

Frans Verbunt: hij vuulde zenge de listen bukkem t et kiesje - ... eenzaam

Frans Verbunt: spkbukkem - vette bokking

Frans Verbunt: hij is ok ginnen bukkem - hij wil ook weleens een pleziertje

Un btenkansje waar et, as den bukkum goeiekoop waar. Jao n
of twee keer per jaor waar die schijnbaar nie duur. De visboer moes em
dan kwt, aanders wier ie duf. D denk ik mar, want aanders wies ik
ook nie wrom wij, op enne vrijdagaovend, ineens verraast wiere meej
bukkum. Veur meense die nog not ginne dorst hebben gehad, enne aonraojer. Zout, zout, nog zouter dan vls d zes weken in de pekel ha gelegen! Ge zotter van aon den drank kunnen raoke. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

K. de Beer - Tilburgs Bijnamenboek (2000) - den bukkem = Piet Leijten (blz. 51)

WBD III.2.3:70 'bokking' = gerookte haring - bukkeme meej mlk - met kuit; bukkeme meej zaajers - met hom

Hans Heestermans, Witte nog? (1988-1994): bukkem (II:23; V:22, 27)

► Dossier Hrring & Bukkem

 

buks

zelfstandig naamwoord, stofnaam (textiel)

verkorting van ►bukskin - bukskinstf - buckskin

Gerard van Leijborgh - En wat was zoo wat je eerste werk? Eerst moest ik de wever helpen om het te leeren, zooveel als bij-wever; doch spoedig deed ik het zelf en weefde toen Bokkebaai*, later ben ik op de buks gegaan" (De laatste Tilburgsche huiswever, Nieuwe Tilburgsche Courant, 26-10-1940 - Aan het woord is Frans van Geloven, de laatste huiswever.)
* Bokkebaai: Bokkingbaai (#), een zeer grof weefsel.
# WTT bokkingbaai is onjuist; bok is in deze samenstelling een vertaling van het Engelse buck, zoals in buckskin, de wol van de huid van een bok.
 

bukskin

zelfstandig naamwoord, stofnaam (textiel)

bukskin - bukskinstf - buckskin

- WBD II.4. p. 858 J.T. Bonthond, Woordenboek voor de manufacturier (1947) zegt bij buckskin": Algemeene benaming voor verschillende soorten costuum- en mantelstoffen. Oorspronkelijk: donkere , gevolde, soms licht geruwde heerencostuumstoffen.
(buckskin (Eng. ) = bokkevel)." Van Dale zegt bij bukskin (buckskin)" : Sterke gekeperde stof van heel of half wol, aan n kant geschoren". De respondent van K 183 (= Tilburg) zegt dat bukskin behoort tot de herenstoffen. Grothe spreekt op p . 346 en 379 van bukskin".
- Henk van Rijswijk - Buckskin: zware wollen strijkgaren of kamgaren stof in keper of fantasie keperbinding geweven in diverse kleuren, ruiten en strepen. Aan de bovenzijde geschoren, soms met lichte meltonappretuur. Toepassing herenkleding. In de volksmond ook wel broekstreep genoemd. Heel veel verschillende stoffen werden onder deze naam samengevat.


(Herinneringen aan zijn opleiding aan de Hogere Textielschool - 1 september 1950 tot en met juli 1954), http://www.cubra.nl/auteurs/henkvanrijswijk/textielschool.htm
WNT lemma Bukskin (2001) - V. DALE [1914]. Buckskin (Engels: bokkevel) of bukskin is een algemene benaming voor gevolde, bovendien een weinig geruwde strijkgaren herenstoffen, welke dikwijls geheel of ten dele uit kunstwol zijn samengesteld, W.P. Encyclop. [1949]. Van de kettingkepers bij kaard-garenweefsels behooren vermeld te worden de onder verschillende benamingen voorkomende bukskins en kasimiren, Boek d. Uitv. 2, 1, 233 [1865].

Nieuwe Tilburgsche Courant - 31-12-1915

 

bukske

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

kleine bok

WBD mannelijk jong van een geit (Hasselts)

verkleinwoord van 'bok', met umlaut

 

bukswver

zelfstandig naamwoord

bukskinwever

WBD bukswver/ bukskinwver (II:942) - bukskinwever

WBD buksketaaw/ buksgetaaw / bukskinketaaw (II:947) - bukskingetouw

 

bulkmans
scheldnaam
iemand die te veel eet en daardoor bulkt
Cees Robben Waren oew gen wir grter as oewen buik, bulkmans..? (19840224)
 

bult

zelfstandig naamwoord

buil, gezwel, bult

WBD uitdrukking -  De bulten p oewe kop (waaraan vaak toegevoegd "ast mar vur niks is"). Gezegd wanneer iemand gretig gebruik maakt van gastvrijheid.

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - meej en bultje van devoosie lope ('54) - met een scheef hoofd lopen.

Byn. den gouwen bult = Bern. Pessers (blz. 61)

K. de Beer - Tilburgs Bijnamenboek (2000) - bultje Van Dijk = 'n kapper v. Hogendorpstr. (blz. 33)

K. de Beer - Tilburgs Bijnamenboek (2000) - bultje Eras = Hans Eras (blz. 38)

K. de Beer - Tilburgs Bijnamenboek (2000) - bultje Franken = ... Franken, Goirkestr. (blz. 39)

WBD III.1.2:263 'bult' = gezwel

WBD III.4.4:231 'bult' = bobbel, ook 'puistje'

(Hasselt) hoogte in het land; ook 'horst* genoemd

C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978): BULT m., bochel, oneffenheid. Als lichaamsgebrek voorwerp van veel scherts. Uitdr.: 'belofte mokt schuld, en gget nie volbrengt, kredde 'nen bult, en, als antwoord op 'hoe laat is 't: kwart over den bult, 't hee krk gespuld.

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): BULT zelfstandig naamwoord mannelijk - bochel; hoogte, heuveltje; buil, knobbel.

 

bumke

verkleind zelfstandig naamwoord

boompje

Swirskaante de kaajbaand ston bumkes. - Aan beide zijden van de stoeprand staan boompjes.

Dirk Boutkan: (blz. 32) bumke

verkleinwoord van 'bom', met umlaut

A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937): bumke, met umlaut (krt. 48)

Zde getrouwd dan wordt d netuurlijk 'n moeilijker geval mar d'r is toch k wel 'n mouw on te paassen. Ge brengt [van de kermis] vur oe vernomste helft van oe trouwbuukske bij zo'n gelegenheid 'nen buil stroopmoppen of 'n paor kwatta's mee; d is 'n veul beter remedie tegen onweer as 'nen bliksemafleijer: de bui drijft over zonder d-ge't rommelen heurt! (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit t klokhuis van Brabant 4; 2-11-1929)

Er stond 'n sparrebumke, / verborgen in 'n huukske (Piet Heerkens; uit: Dn rgel, De spin en de bie en de mus, 1938)

Vijftig peeren aon n bumke,/ aanderhalve meter hoog! (Piet Heerkens; uit De knaorrie, t Peerebumke, 1949)

Miep Mandos-v.d. Pol - Aantekeningen Brabantse spreekwoorden: Bumke grot, planterke dod.

A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952): d bumke zal daor moejlek kunne groeje

CiT (48) 'Zwirskaante de kaaibaande ztinte bumkes'

 

bumt

werkwoordsvorm van beume, bomen, opbomen

Van Rijen (1998): boemt, (textiel) boomt (zie 'beume')

 

burd

zelfstandig naamwoord

bord

Van Rijen (1998): zijschot v.e. kruiwagen

WBD (II:2802) 'aachterburt' - sluitplank aan achterzijde v.e. karbak

 

burderk

zelfstandig naamwoord

WBD bordenrek (houten rek aan de muur, waarin men de afgewassen etens- of sierborden bergt)

- Hasselts woord!

 

burger

zelfstandig naamwoord

burgemeester

zie brger

 

burrie

zelfstandig naamwoord

burrie, berrie

Jan Groen, de metselaar, ha 'n boerenker opgesteld en mee enkelde vlaggen behangen: d waar 't podium veur den burger, mee de burries naor aachteren. (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; De nuuwe dokter; feuilleton in 4 afl. in NTC 27-1-1940 17-2-1940)

Pierre van Beek: Hij is t de burries gevalle - hij is ziek (Tilburgse Taaklplastiek 148)

A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952): de burries van de kreugel bge deur nder et gewicht

Frans Verbunt: hij leej t de burries - gezegd v.e. boer die geen paard meer bezat

Ik ha zelfs un krke gefabriceerd, meej twee kenderwaogewieltjes eronder, die ik ergens gevonden ha. Twee burries eraon en hij [de bok] kos worre ingespannen. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

WBD (II:2758 en 2828) 'burie'

WBD (II:2782) 'teeg?buries' - bijberries van een hoogkar

WBD (II:2790) 'buriespil' - verbindingsspil v.e. kar

Frans Verbunt: hij leej t de burries -(gezegd v.e. boer die geen paard meer bezat)

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): BEURIE of BRRIE - berrie, Fr. brancard - boom, ieder der twee armen van het lamoen of den dissel v.e. voertuig, Fr. limonire, brancard.

WNT BURRIE - zeer gebruikelijke bijvorm van 'berrie'

 

burt

zelfstandig naamwoord

beurt

Cees Robben: 'Toen was't de beurt aon...

 

buske, boske

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord van 'bos', met umlaut

bosje (zowel bloemen als bomen), busje; bundel samengebonden groenten, 'bos', 'bussel'

...aachter die buskes... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; De nuuwe dokter; feuilleton in 4 afl. in NTC 27-1-1940 17-2-1940)

Cees Robben: en nog en buske schar vur ts; de Glse buskes

...en buske scharre n ene stk... (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Te voet nr St. Job)

Cees Robben En og n buske schar vur thuis (19600520) [schar is de traditionele lekkernij bij de bedevaart van Sint Job in Enschot]
Cees Robben Dees buske blommen/ Is vur jou... (19600506)

WBD III.2.3:79 'bosje' = bundel (groenten)

 

buskrt

zelfstandig naamwoord

buskruit

Frans Verbunt: den dieje, as die et buskrt t ha moete vne, schoteme na ng meej pl n boog.

 

bussel

zelfstandig naamwoord

bundel, b.v. samengebonden groenten, 'bos', 'buske'

bussels - dennebossen

Stadsnieuws: En vrouw meej ene flinken bussel hout vur de deur (140609) - een vrouw met een weelderige boezem.

WBD III.4.3:84 bussel takke - takken (collectief), ook genoemd: kron, kp, bundel of gewaaj

WBD III.4.3:96 bussel, bussels - dennenbos (bos bestaande uit naaldbomen) ook genoemd: mastbossen, mastenbos of maast

WBD III.2.3:79 'busseltje' = bundel groenten

WBD III.4.4:258 'bussel' = bundel

K. Heeroma - Brabants uit de 18e eeuw (woordenlijsten Verster,1968) - BUSSEL: een bundel, bosch. Kiliaen en Plant.

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): BUSSEL zelfstandig naamwoord vrouwelijk en niet m. -bunsel, bondel; luren, luiers, zwachtels: E kind in de bussel doen.

J. H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836): BUSSEL voor bundel koorns, of voor een bos hout, hooi of stroo. Z.a.

WNT BUSSEL - bos (van takken, stroo, pijlen enz.)

 

bussele

werkwoord, zwak

samenbinden; bundelen

WBD III.1.4:47 'busselen = schipperen

WBD III.2.3:13 'busselen' = druk eten met kleine hapjes

 

busselke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

bundeltje, busseltje

WBD III.4.4:258 'busseltje' = bundel

WBD III.2.3:79 'busseltje' = bundel groenten

1. Dodenteken

Jan Naaijkens - D's Biks (1992): busselke - busseltje. Werd voor de woning geplaatst waar iemand gestorven was. z.a.

Reelick, Bosch' woordenboek (1993 & 2002): busselke - bundeltje, bosje

► wpke

Kalender 30 nov. 2007: 'Busseltje of 'wpke. Twee namen voor een uiting van volkscultuur waarmee elke Tilburger ooit te maken kreeg. D.m.v. een busselke of een wpke werd het overlijden van iemand publiek gemaakt. Dit gebruik is in Tilburg kort voor het uitbreken van de 2e W.O. verdwenen. In de regio Tilburg kwam het tot in de jaren '50 voor. Op het Regionaal Archief Tilburg worden nog een paar originele Tilburgse wpkes bewaard. Met een busseltje stro voor de deur van een sterfhuis werd de passanten verteld dat hier iemand overleden was. De herkomst is mogelijk te verklaren uit het afleggen van een dode op stro. Aan een busseltje was te zien of de overledene een man, een vrouw of een kind was. Het busseltje werd op zijn plaats gehouden door een paar stenen. Bij een volwassene waren dat er vijf, bij een vrouw vier en bij een kind drie ook de kleur van de versiering met lintjes was verschillend. In Tilburg werden het bundeltje stro en de stenen op den duur vervangen door een nabootsing in hout.

LDM: Direct na het sterven liet men aan de voorzijde van de woning de valgordijnen omlaag en werden de vensterluiken gesloten. Voor de deur plaatste men een stro-"busseltje". Dit busseltje was circa meter lang en had een doorsnede van ongeveer 20 cm. Aan de voor- en achterzijde hiervan werden 5 en aan iedere zijkant n baksteen schuin liggend opgezet; in het midden, bovenop een houten bord, in de vorm van en met het bekende dodensymbool, doodshoofd met daaronder de gekruiste beenderen, er op geschilderd. Was de overledene niet gehuwd, maar had hij of zij de eerste H. Communie gedaan - waren zij dus boven de leeftijd van elf, twaalf jaar - dan stak men aan weerszijden van het doodshoofd over de gehele lengte palmtakjes, die dan nog werden versierd met witte papieren strikjes en strookjes. Binnenshuis werden de spiegels omgedraaid. Dus met glas naar de muur gehangen. Het stro-"busseltje" buiten zowel als de omgekeerde spiegel binnen hadden hun symbolische betekenis. Het dorre rijpe afgemaaide stro duidde op het afgesneden leven en de omgekeerde spiegel? Toen wij voor de eerste maal zo'n omgedraaide spiegel zagen, vroegen we aan vader wat dat betekende. Waarom men die spiegel andersom had gehangen en wij kregen ten antwoord: "Ja, jongen, dat heeft men gedaan, omdat er nu een andere spiegel in huis is, waarin de mensen zich kunnen bekijken!"... Of de stenen ook een symboliek hadden, hebben wij nooit kunnen achterhalen. Waarschijnlijk dienden deze dus alleen om het omrollen of wegwaaien van het stro te voorkomen. Later werd het stro vervangen door een rond hout van dezelfde vorm en omvang als stro geschilderd. De stenen werden door plankjes vervangen in gelijke grootte, in steenkleur geverfd met in het midden een zwart kruisje en omlijst met een zwart randje. (Lowie van Dorrus Misters; rubriek Onze Tilburgse folklore, afl. 2 Doden-cultus van eertijds; NTC 16-11-1950)

Dikkels ging et ok oover de dooj in de buurt. D waare we dan gewaor gewrre omd de gerdne daor dicht waare f omdtter zon busseltje vur de deur ston. As daor witte strikskes n zaate dan waarder en kiendje dod. (G. Steijns; Grot Dikteej van de Tilburgse Taol 2002)

2 bundel, met name dichtbundel

Piet Heerkens - M'n twee vurrige busselkes "rgel" en "Mus" wieren over et algemeen heel goed onthaold en hier hedde dan busselke drie "de kinkenduut", oftewel de kikvorsch. (Voorwoord in De Kinkenduut, 1940)

 

but

zelfstandig naamwoord

gier, poep

Kees & Bart (krantenrubriek 1922-193?): but; 'n stukske but van 'nen hond

Dirk Boutkan: but - troep (pej.)

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): BOUT zelfstandig naamwoord mannelijk - Beer, menschendrek, Fr. gadoue

L.L. de Bo, Westvlaamsch idioticon (1892): BOLD of BOLT m. en o. baskamer, ber, fr. gadoue. Het bold uithalen, uitscheppen, uitpompen. Den bold op den akker voeren. Ook: bouwd, bouwt, baud, baut, doch geenszins boud noch bout.

Reelick, Bosch' woordenboek (1993 & 2002): but - poep, stront

 

but

zelfstandig naamwoord

WBD (Hasselt) wroeter (ijzeren werktuig in de vorm van een pin of ganzevoet, bevestigd aan de achterkant van het rister, tegen de ploegzool aan)

 

buts

zelfstandig naamwoord

deuk

Er zitte veul butse in de mor. - Er zitten veel deuken in de waterketel.

Cees Robben: 'Ze hebbe hier toch zonne lekkere zachte borrel, meneer, ge kunt er de butse innpe'

WBD III.1.2:69 'buts' = bluts; ook: 'deuk, duts, zonk'

WNT BUTS - buil, bult, gezwel; deuk

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): BUTS - indeuking, holligheid door drukking veroorzaakt.

J. H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836): BUTS voor 'weerzin'; z.a.

BUTSEN: buts voor kneuzing

 

butse

werkwoord, zwak

= blutse

butse - butste - gebutst

deuken, kneuzen, b.v. van vallend fruit ('blutse')

Ge waart in et kiepenhok gekropen en ge had er aaikes uit de nist gehaold en 'n stuk of tien hadde 'r op de deur van de schuur kapot gebutst en uitgesmeerd en toen kwaamde mee oew haanden en oew kleere vol aaiketiet binneloope en ge riept d ge de deur toch zoo schoon geverfd had! (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Oome Teun op collecte; feuilleton in 3 afl. in de NTC 12-8-1939 26-8-1939)

Stadsnieuws: As ge teegen ene lantrepaol lopt, kunde oewen tiest aoreg butse(10080)

Jan Naaijkens - D's Biks - 1992 --
(1992): butse - kneuzen, stoten

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): BUTSEN - blutsen, indeuken

J. H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836): BUTSEN voor kneuzen; z.a.

C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978): BUTSEN ov. en onov.ww, door vallen of stoten een deuk of beurse plek oplopen of bezorgen: 'ne gebutsten appel.

WBD III.1.2:68 'butsen' = blutsen

 

butsmuts

zelfstandig naamwoord

Frans Verbunt: valhelm

 

buuk

zelfstandig naamwoord

korte uu

beuk, beukenheg

Gaode w meer links op dan vnde oerwoude van eikelen en buuke stamme... (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

...in [een] heg van doren mee hier en daor w buuk er tussen. (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

Dialectenqute 1879: 'nen buuk

Cees Robben Waor den buuk zn voetstuk had.. (19610225)

WBD III.4.3:114 buuk, buukenbom - beuk (Fagus sylvatica)

WBD III.4.3:191 buuk - haagbeuk; ook genoemd: haagbuuk, buukenhaag, buukenheg, rauwe buuk, grffebuuk

 

buukenbom

zelfstandig naamwoord

korte uu

't Was 't goud van dikke bukenboomen, die as kerkzuilen geplaant stonden in 't sappige mos. (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit t klokhuis van Brabant 3; 23-10-1929)

Van Rijen (1998): 'buukebom' - beukeboom

WBD III.4.3:114 buukenbom, buuk - beuk (Fagus sylvatica)

 

buukedreeve
zelfstandig naamwoord, meervoud van buukedreef
beukendreven, beukenlanen
Cees Robben Gif men mar buuke-dreven (19651224)
 

buukenotje, buukenutje

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

beukenootje

V Variant: bukkenutje(V?)

A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952): buukenootjes (sic)

WBD (III.3.2:95) 'beukennootje', proen, kaajscheut, blbaaj = knikker

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): BUKENOOT zelfstandig naamwoord vrouwelijk beukenoot

Str. buukenotjes(2:43)

 

buukske
zelfstandig naamwoord, verkleinwoord van boek
boekje
Cees Robben In n huukske.. meej n buukske (19601118) [Naar Thomas a Kempis]
 

buunder

zelfstandig naamwoord

korte uu

WNT BUNDER - in versch. streken met helderen klinker: buunder

J. H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836): Bnder of 'beunder, 'buinder' uitgesproken wordende; Z.a.

1. oppervlaktemaat

bunder, hectare

WBD bunder (oppervl. maat)

WBD (III.4.4:291) 'kwart bunder' = idem, ook 'zil'

A.P. de Bont, Dialect v. Kempenland (1958): bnder II, zelfstandig naamwoord mannelijk bunder, landmaat ter grootte v. 1 ha

2. toponiem

Den Buunder; ven, ook Grollegat genoemd

A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952): buunder (met korte uu)? den Buunder (bepaald ven)

Cees Robben Blauwslt.. Buunder.. Baors en Broek.. (19570316)

K. de Beer - Tilburgs Bijnamenboek (2000) - den Buunder = Grollegat (toponiem) (blz. 113)

Flaneur (pseudoniem van Antoon Arts) - Maar aan dien plas, aan dien Buunder zou zelfs Gezelle meer dan droefheid hebben gehoord uit het weeklagend rietgezang... Wanneer 's nachts de maan haar stralen schiet over de stille golfjes van dien plas, wie zegt dan, dat er niet witte gedaanten zweven over het watervlak; of als het ontstuimig is in de lucht en de donkere wolken gitzwarte schaduw over de ruw-klotsende waterdeining vlekken, wie zou er willen gaan afwachten of er niet donkere schimmen langs de rietvelden jagen, en of het droevig lied" er niet zingt van menschen, die in dien duisteren poel hun dood gingen zoeken of er jammerlijk omkwamen zonder hun schuld?.... Ik weet het niet, ik weet het niet, maar in mijn jeugd waarschuwden de oudere menschen ons reeds voor dien Buunder, als voor een verraderlijk, op menschen afgunstig water, dat onder zijn lachenden waterspiegel de valschheid verborg van de schoone sirenen, die met heerlijk gezang en lonkend oog den mensch roepen in zijn verderf. En als kind waren wij altijd blijde als wij den Buunder achter ons hadden. (Uit: Zonder opschrift; Nieuwe Tilburgsche Courant zaterdag 16 april 1904)

Lowie van Dorrus Misters -- Aan de IJsclubweg voorbij "de Buunder" aan de weg naar het Baks Ven was het jagerscaf "de Baars"... (Uit: Nieuwe Tilburgse Courant - zaterdag 16 februari 1952 Uit onze Tilburgse folklore 13. Oude koffiehuizen in Tilburg 1)

Pierre van Beek -- Het zal wel de nostalgie zijn geweest, welke ons - met zomerprikkels in het bloed - plotseling naar die sinds lang niet meer bezochte contreien dreef! De Buunder, de Baars, Baksven,
Galgeven, de Helleputten, Mie Pieters... Allemaal namen als evenzoveel vergulde herinneringen aan een tijd, waarin de zomers zomers en de dagen trager waren... De Tilburgers trokken graag die kanten uit voor hun zondagse wandeling... (Uit: Het Nieuwsblad van het Zuiden - zaterdag 25 juli 1970; Van de Buunder en Baksven tot Galgeven)

Pierre van Beek -- Merkwaardig, dat men op huidige stafkaarten
deze naam [De Buunder] niet ontmoet. De plas wordt daar steeds als "Grollegat" aangeduid. (Uit: Het Nieuwsblad van het Zuiden - donderdag 15 maart 1979; Kritiek op Tilburg 150 jaar geleden)

Den Buunder op een oude kaart van Tilburg, onder de naam Grollegat - collectie RAT

Pierre van Beek - "Grollegat" lezen we op een zestig jaar oude stafkaart bij een blauwe vlek. Wie heeft er nu in Tilburg ooit van het Grollegat gehoord? We hebben hier onmiskenbaar met de Buunder te
maken al ligt hij thans afgesloten achter een ligusterhaag. Wellicht heeft naar de naam Grollegat ooit geluisterd het restant van een waterpoel aan de overzijde van de weg. De Buunder heeft op zijn eigen wijze mee geschreven aan de historie van de verpozing zoekende Tilburgse mens. Des zomers werd er gevist, gezwommen en... verdronken. 's Winters werd er geschaatst, evenals op de niet zo ver hier vandaan gelegen ondergelopen broeklanden van de Tilburgse IJsclub, die hier haar domicilie had en waar vanaf de Koningshoeven de later door het kanaal afgesneden IJsclubweg toegang verleende.
Aan de Buunder werd het visserslatijn en nog ander Latijn gesproken, namelijk dat van de peilloze diepte, waarin de Heuvelse kerktoren zou ondergaan. Zulke verhalen en die van vroegere verdrinkingsgevallen hielden het mysterie in stand. Het komt misschien daar wel vandaan, dat wij als jongen met zoveel huiverig respect naar dat donkere watervlak hebben gekeken en daar een duik in het onbekende steeds als een roekeloos avontuur beschouwden, dat niet uit plezier maar alleen uit prestige-overweging minstens n keer gewaagd diende te worden. Baksven was altijd nog beter! Later zijn we gaan denken, dat
diepten van soortgelijke "putten" gemeenlijk nogal overdreven worden en dat dit zeker ook voor de Buunder moet gelden. Het verhaal van de grote snoek, die in 1914 gevangen werd met het kepie op van een verdronken militair, zag zich al vanaf zijn geboorte tot het rijk der
fabelen verwezen... Volgens een mededeling van Edmond Meelis was de oppervlakte van de Buunder in vroegere jaren vier maal zo groot als onze generaties die gekend hebben. Door het graven van sloten werden de verdwenen gedeelten en ook broekvelden tussen De Hoeve en De
Baars drooggelegd en in weilanden herschapen. Veel natuurschoon ging daarbij voor altijd verloren. (...) De Buunder ging door voor "een gevaarlijk gat". Twee verdrinkingsgevallen vonden wij geboekstaafd. Het eerste betreft een in 1831 in Tilburg in garnizoen liggende officier De Roo. De studenten-vrijwilliger Pieter Jacob Costerus uit Utrecht besteedt daaraan in zijn Dagboek (...) uitvoerig aandacht. Hij vertelt dat vele jongelieden zich naar de Buunder plachten te begeven om zich daar op warme dagen te verfrissen. Hoewel hij de naam Buunder niet noemt en deze op een uur afstand van Tilburg legt in de richting Moergestel, is toch kennelijk dit water bedoeld. Hij omschrijft het als volgt: "Het water heeft een fris voorkomen, de plaats is eenzaam, de wandeling aangenaam door het groen geboomte. Op kleine afstand heeft men aan de ene kant van de kom een molen, aan de andere kant staat een herberg De Baars genoemd, waar men op zijn gemak kan uitrusten." Costerus zegt dat niemand van hen, die zich te water begeven, kon zwemmen. De zoon van professor Van Goudoever en De Roo zonken plotseling in de diepte. De Roosendaalse soldaat Lagerwey, die trachtte te helpen, verdween eveneens onder water. Een vierde bader, zekere Ledeboer, slaagde er in Van Goudoever en Lagerwey aan de wal te brengen. De Roo daarentegen verdronk. Het drama blijkt veel indruk op de ooggetuigen te hebben gemaakt. Radeloos stonden zij aan de oever van de Buunder. Costerus besluit zijn notitie: "De herinnering aan deze gebeurtenis zal niet licht uit mijn geheugen gewist worden en een heilzame invloed op mij achter laten.
Diep in de nacht kwam ik thuis." 20 juni 1831 werd dit neergeschreven. Uit de dagboeknotitie van 24 juni 1831 blijkt dat het slachtoffer die dag begraven is "met eer, die men een officier bewijst". Twintig beste vrienden droegen om beurten de kist. Er was muziek bij en veel militair vertoon. (Uit: Het Nieuwsblad van het Zuiden - zaterdag 25 juli 1970; Van de Buunder en Baksven tot Galgeven)

 

Nieuwe Tilburgsche Courant - 1935

 

3. Uitdrukking - Naar den Buunder

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - in den Buunder tsheure (JM'50) - overspannen en radeloos zijn (B. is een vennetje waarin reeds verschillende mensen de dood vonden)

Pierre van Beek -- Tilburg is altijd vertrouwd geweest met zijn
Buunder, zodanig zelfs, dat er een tijd bestaan heeft, dat - wanneer men iemand het ergste toewenste - deze te horen krijgt: "Ga-de gij maar naar Den Buunder!". Latere generaties vervingen "Den Buunder" door "het kanaal". Degene die - volgens de overlevering - vrijwillig
"naar de Buunder" ging, zou de bezemmaker M. geweest zijn. Een visser-ooggetuige heeft het naverteld. Hij hoorde de ongelukkige man zeggen: "Een-twee-drie, daar gaat-ie". Een plons en... gebeurd was het... (Uit: Het Nieuwsblad van het Zuiden - vrijdag 25 oktober 1974 - De Ley heeft haar kleine geheimen)

3. bezem, borstel

WBD (III.2.1:305) buunder - berkenbezem, ook 'rijsbezem'

WBD (III.2.1:291)'boender'= afwasborstel

WTT 2012 -- het grondwoord is hier niet 'bunder' in de zin van oppervlaktemaat, maar 'buunen' in de betekenis boenen. Er dient ook verschil gemaakt te worden tussen bezems van 'buunderhaaj' (zie volgende) en 'berkenbezem'; de laatste is vervaardigd van berkentakken en was voor het zwaardere bezemwerk (straatvegers).

 

buunderhaaj

struikhei (Calluna vulgaris)

WBD III.4.3: buunderhaaj - struikhei (Calluna vulgaris), ook genoemd: haaj, bissemhaaj

'bissemhaaj' genoemd omdat de takken gebruikt werden om bezems te vervaardigen

Calluna vulgaris - Ill: Thom

► bissem

 

buune

werkwoord, zwak

boenen, poetsen

Henk van Rijen: gimme is en tddeke om ddaf te buune

buune - buunde - gebuund

korte uu, hoewel B 'bune' noteert

J. H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836): zie: schuren

 

buurman

zelfstandig naamwoord

buurman

korte uu

Cees Robben: Gij moest en vurbild neemen n onzen nuuwen buurman.

Cees Robben: zak oe rle vur den buurman? D wl, buurvrouw;

Dialectenqute 1879: - den stier van onzen buurman

WBD III.3.1:319 'buurman' = buurman; ook genoemd: buur, gebuur, naaste buur, nabuur

 

buurt

zelfstandig naamwoord

korte uu

1. buurt, omgeving

Omd de aovenden z lang zn h 'k besloten w te gon buurten bij Bartje Bollekes... (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit t klokhuis van Brabant 8; 31-12-29)

Cees Robben Munne rooie kl groeit de buurt in.. (19640918) [de uitdrukking wordt door Robben duidelijk bedoeld als een slecht bericht voor de tuinder, maar wat er met de rode kool dan qua groei mis is, is nog niet opgehelderd]

WBD III.3.1:318 'buurt' = buurt; ook genoemd: 'geburen'

WBD III.3.1:321 'buurt' = gebuurte; ook genoemd: buurlui, geburen, gebuur, geburen, buren, gebuurt

WBD III.4.4:135 'buurt' = streek

2. het buurten, gezellig gesprek

De kannen ston daor altij gereed in 't gruunhok, neffen de verkenskooi. Ik vat ze daor en rij dan wir deur zonder 'n sterveling te zien, mar vandemrge h'k buurt gekrege. (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit t klokhuis van Brabant 5; 7 en 14-11-1929)

K. de Beer - Tilburgs Bijnamenboek (2000) - den buurt = Drik van Iersel (blz. 45)

A.P. de Bont, Dialect v. Kempenland (1958): brt, zelfstandig naamwoord mannelijk 'buurt' 1) de daad v.h. buurten 'Ze heet eren brt al t; de gezamenlijke mensen die ergens buurten.

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): BUURT zelfstandig naamwoord vrouwelijk -'De buurt houden' - buurten

 

buurte

werkwoord, zwak

gezellig babbelen (oorspr. met buren)

buurte - buurtte - gebuurt

korte uu

Et wf zit wir rgerhaand te buurte.

Omd de aovenden z lang zn h 'k besloten w te gon buurten bij Bartje Bollekes... (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit t klokhuis van Brabant 8; 31-12-29)

Cees Robben Ge speult w kaort en buurt en praot (19601125)

Ons Drieka schnt op tilleviesie/ omd ik iederen aoved kk/ zij wil liever aaltij buurte/ mar deeze week kreg ik gelk. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Zo gao d dan, zeej Peer)

Ik wier prompt teruggestuurd dur onze vadder, die daor op de plaots stond te buurten meej enne maot van et wrk. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

Buurte, thee drinke meej un kuukske. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

WBD III.3.1:42 '(gaan) buurten, 'smoren en ouwehoeren' = kortavonden

Jan Naaijkens - D's Biks - 1992 --
(1992): buurte - gezellig kletsen

C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978): BUURTEN onov.ww, praten als met buren, zonder gewichtigheid en in der zelfde taal; een tot niets verplichtende conversatie voeren. Z.a.

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): BUURTEN - den avond al koutende bij den eenen of anderen gebuur gaan doorbrengen.

J. H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836): BUURTEN, ook wel kortavonden; z.a.

A.P. de Bont, Dialect v. Kempenland (1958): brte(n) zw.ww.intr. - ergens een bezoek brengen en er blijven praten (wat helemaal niet in de buurt hoeft te zijn) Z.a.

WNT BUURTEN - in de buurt een bezoek brengen, met een buur gaan praten

 

buurter

zelfstandig naamwoord

iemand die (geregeld) ergens komt 'buurten'

korte uu

A.P. de Bont, Dialect v. Kempenland (1958): brter zelfstandig naamwoord mannelijk 'buurter', hij die 'buurt'

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): BUURTER zelfstandig naamwoord mannelijk - iemand die den avond bij eenen gebuur al pratende doorbrengt.

 

buurvrouw
zelfstandig naamwoord

korte uu

buurvrouw

Jan Jaansen - Mar ik zal 'ns naor de buurvrouw gaon en vraogen of d wel in orde is as d'r kiepe heel den pastoorstuin komen vernielen!" (uit: Boere-profeet; Nieuwe Tilburgsche Courant 1939)

Piet Heerkens - Mar de buurvrouw, kaole madam/ mee twee kender... (De Kinkenduut; 1940)

Willem van Mook - De buurvrouw keek Mie mee grote ogen van verwondering aon... (Nieuwe Brabantse novellen; 1970)

Lodewijk van den Bredevoort - Un strse buurvrouw, Tonia Voskens, pakte onze kenderwaoge, draaide enne verse handdoek om menne kop en zette mn in de kenderwaoge. (Kosset den brne eigeluk wel trekken I; 2006)

Lechim - Mar de buurvrouw roept dur de heg/ Of dsse koffie lust... (uit: Ochrm, die moeders...; Tilburgsche Koerier; ca. 1970)

Lechim - De buurvrouw stao mee 't zwempak aon/ Op d'r plaotske te strke [strijken]... (uit: t Irste goej weer; Tilburgse Koerier; ca. 1970)

Piet van Beers - Mar... buurvrouw tch, 't is tch nie zo/ dk wr bespieoneerd? (Uit: Nie roke in hs; CuBra ca. 2005)
 

buut

zelfstandig naamwoord

buit

Van Rijen (1998): afmeldplaats bij verstoppertje (Fr. but)

Kees & Bart (krantenrubriek 1922-193?): meej den buut gn strke - er met de buit vandoor gaan

Cees Robben: mene buut verdiend meej nkelt wve

Frans Verbunt: verzamelplaats, 'aftikplaats' bij het verstoppertje spelen.

In de carnavalssfeer is buut een tonpraot

Dirk Boutkan: (blz. 7) 'bt' (bij verstoppertje)

Buuk - presentatie v.e. deelnemer aan het leuterconcours

A.P. de Bont, Dialect v. Kempenland (1958): zelfstandig naamwoord vr. 'buut' - buit, winst: 'de buujt saomen daele '.

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): BUUT zelfstandig naamwoord mannelijk - buit, Fr. butin; merkelijke hoeveelheid; onverwacht profijt, winst.

J. H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836):. BUET hoort men hier meer dan buit.

 

buute

werkwoord, zwak

aanleggen (gezegd v.e. vuur), graven

korte uu

Dialectenqute 1879: vuur bute - vuur boeten

WBD III.4.2:68 'buten' - graven v.e. konijnenhol, ook 'dabben' of 'wroeten' genoemd

Buuk buute - aftikken, verstoppertje spelen

Van Fr. 'but' = mikpunt, doel

 

buute

werkwoord, zwak

Van Rijen (1998): boeten

gelden (bij spel), voornamelijk (of alleen) in de uitdr: D buut nie

PM D buut nie - dat is niet volgens de regels

Cees Robben Onrechtverdighed komt te buute... (19850830)

Henk van Rijen: onrchvrdeghei komt te buute - onrechtvaardigheid straft zich zelf

CiT (98) ''Onrechvrighei komt te bute'

korte uu

Hans Heestermans, Witte nog? (1988-1994): afbuute - afkloppen bij een spel (IV;19)

Naar het begin van de pagina

Inhoud Woordenboek Tilburgse Taal
CuBra Home

Bronsgist

Advertentie circa 1935

blauwslot

blaawslot - dossier

 

9 citaten over Bronsgist

 

boer - volksliedjes over de boer op CuBra, verzameld door Ben Hartman

 

burgemister & brger - volksliedjes over de burgemeester op CuBra, verzameld door Ben Hartman

 

blinksmr - volksliedjes over de schoenpoetser op CuBra, verzameld door Ben Hartman

blaoker

Ill. uit Kroniek van de Kempen; een zogenaamde panblaker

 

bleke

Foto Henri Bersenbrugge

 

bkpnt