INHOUD WTT
HOME

Het Woordenboek van de Tilburgse Taal wordt mede mogelijk gemaakt door

Het Tilburgs Alfabet (Van aajkes tt zaandkl) werd geschreven door Jace van de Ven.

Klik hier voor de letters die niet tot de officile spelling behoren:

C

Q

X

Y

A

B

D

E

F

G

H

I

J

K

L

M

N

O

P

R

S

T

U

V

W

Z

WTT

 

Redactie: Ed Schilders, Hans Hessels

Gebaseerd op de verzameling Tiburgse dialectwoorden van

Wil Sterenborg

 

Van daalieda tot dwipte

daalieda, daaliea

zelfstandig naamwoord

dahlia

plantengeslacht uit de composietenfamilie (asteraceae); de naam is ontleend aan de Zweedse botanicus Andreas Dahl

- Theo de Wijs; schriftelijke mededeling aan Cees Robben, 1967-10-03 - w staode toch te snuffelen... kruuk liever kruinaogels (seringen) dan snoffels (anjers), mun dalidassen staon schon maar ruuken nie

- Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1985-01-18 - Welke blomme wilde op oew begraofenis? Snoffels... dalidas... paosblomme... of stinkerkes...

Aanvullende bronnen:

- WBD III.2.1:455 - dahlia, dahlida (Korvel); meervoud dahlidassen

Vier dahlia's gefotografeerd in een cultureel project met aandacht voor zowel de natuurlijke als de woonomgeving van Huize Assisi in Biezenmortel (2006)

 

daander

bijvoeglijk naamwoord

de andere, en dan met name de volgende

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven); Ws wn tch fn, ongedateerd knipsel; De Tilburgse Koerier, 1960-1980 - In daander week opt Heuvelplein/ valt er iets te belve.

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven); Behaa-haandel..., ongedateerd knipsel; De Tilburgse Koerier, 1960-1980 - Marylin Monroes behaatje/ is in daander week te koop./ Daor zulle kopers zat vur koome/ God maag weete hoenen hop.

 

Voor hoeveel Marilyn Monroe's bh uit de jaren '50 in Lechims tijd geveild werd, is niet bekend. In 2009 kwam hetzelfde kledingstuk (zie foto) opnieuw onder de hamer bij Sotheby's en werd toen verkocht voor 5.200 dollar.

 

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven); Vergeet et mar, ongedateerd knipsel; De Tilburgse Koerier, 1960-1980 - Ast daander week wir woensdag is/ ist in hel Tilburg fist...

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven); Vuls te het, ongedateerd knipsel; De Tilburgse Koerier, 1960-1980 - Goddaank, naa ng en kln kepltje/ n men vrsje is gered,/ Daander week doek et wl beeter/ mar naa ist me vuls te het.
- WTT; aanvulling 2021 - uitdrukking om daander week: tweewekelijks, om de twee weken

 

daamp

zelfstandig naamwoord

damp

- WBD III.2.1:218 damp rook, blaak

- WBD III.4.4:59 dampig - mistig

- WBD III.4.4:212 damp - damp, stoom

- WBD III.2.1:217 dampen - idem (werkwoord)

 

daampe
werkwoord, zwak
dampen
- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - uit het cluster mpt wordt [in de verleden tijd] de p verzwegen; et daamte
 

daank

zelfstandig naamwoord

dank

- Willems; Dialectenqute, 1887 - daank - dank

Aanvullende bron

- Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch, 1899 dank - wil, zin, welbehagen; tegen mijnen dank

 

daanke

werkwoord, zwak

danken

- Kees en Bart; dialoog in Tilburgsche Post, 1922-193? - Dat dankt me de stoep!

- Kees en Bart; dialoog in Tilburgsche Post, 1922-193? - D-d-hangt me de koekoek!

- Hans Hessels; opgetekend uit zijn familiekringen Hessels en Marinus, 2019 d dankt me de stoep! dat is nogal wiedes, dat is maar heel normaal

- Willems; Dialectenqute, 1887 - daanke - daankte - gedaankt

 

daans

zelfstandig naamwoord

dans

- Korvelse Revue; Vruuger en naa; advertentie, 1926 - Toneelspul, zang, meziek en daans

- A.J.A.C. van Delft; Bekoring van dialect; Typische zegswijzen uit onze streek, uit de volksmond opgetekend; Nieuwe Tilburgse Courant, 1961 - Hij heeft de fieteldans gehad. Dit is de St. Veitsdans (dansziekte, zenuwaandoening).

 

Promotiekaartje van website Tilburg.com.

 

daanse

werkwoord, zwak

dansen

- Willems; Dialectenqute, 1887 - daanse - daanste - gedaanst/gedaanse

- Kees en Bart; dialoog in Tilburgsche Post, 1922-193? - gedaansen

- A.J.A.C. van Delft; Bekoring van dialect; Typische zegswijzen uit onze streek, uit de volksmond opgetekend; Nieuwe Tilburgse Courant, 1961 - De horlepiep dansen. - Doet ons denken aan een merkwaardige ziekte, die in 1954 in een Engelse zeepfabriek geconstateerd werd bij zeepinpaksters, de zg. zeepinpaksters-horlepiep. Meisjes, die maandenlang niets anders doen dan elke minuut drie pakken zeep inpakken, gaan, buiten controle van de wil, rythmisch handen en voeten bewegen, terwijl het gehele lichaam heftig schokt. Het schijnt ongevaarlijk te zijn. Sommigen vinden de ziekte prettig. Het is net de Jitterbug (n wilde moderne dans), zeggen zij. Anderen menen, dat zij op deze wijze veel vlugger werken. Je kunt niet ophouden, als het je eenmaal te pakken heeft.

- Cees Robben; Prent van de Week, Rooms Leven, 1954-12-11 - Hij daanste gewillig/ Den dd tegemoet... [De prent steunt een actie om het aantal verkeersslachtoffers in Tilburg terug te dringen.]

- Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brne eigeluk wel trekken? Deel 1, 2006 - Daor wier gedaanse op straot.

- Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek, aflevering 73, Nieuwsblad van het Zuiden 1969-01-30 - "Als de vos oud wordt, dansen de kiepen (kippen) op z'nen rug". Het betekent, dat een oude mens energie verliest en zodanig wordt uitgerangeerd, dat zelfs degenen, die aanvankelijk als de dood voor hem waren, hun angst verloren hebben en met hem doen wat ze willen.

- Interview De Kok, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2014 - Dinsdag dan hbbe we hier karneval. Daor geef ik niks om. Daor geef ik niks om. Ik kan niemer daanse!

KLIK HIER om de audiobestanden van dit interview te beluisteren

 

daanser

zelfstandig naamwoord

danser (weeftechniek)

- WBD II:1069 - daanser danser; grote trede van de jacquardmachine

 

daanszaol

zelfstandig naamwoord

danszaal

- Interview Van den Aker, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2014 - Toen was er bij Knibbelaor in de Koejstraot ok en daanszaol aachteraon n as ik de kaans kreg dan liep ik ts wg n dan was ik daor netuurlek. Kos ons moeder mn daor vne netuurlek, d kunde wl begrpe

Klik hier voor audiofragment

 

daaps

bijvoeglijk naamwoord/bijwoord

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek, 1998 daaps - zot, niet goed wijs, futloos, suf; Daor wr de daaps van - Daar word je zot van.

 

daas

zelfstandig naamwoord

das (kledingstuk), insect

- Voorbeeld systeemkaart Wil Sterenborg - oewen daas - je sjaal

Aanvullende bronnen:

- A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - daas - das: 1. halsdoek; 2. (stroperstaal) schertsende benaming voor strik; 3. proces-verbaal

- WBD III.1.3:144 stropdas - stropdas

- WBD III.1.3:147 - winterdas - dikke wollen das

- WBD III.1.3:147 das - idem

- WBD III.4.2:28 - daas - das (ook blinddaas)

 

daasspang

zelfstandig naamwoord

- WBD III.1.3:146 - dasspang - dasspeld

 

daaw

zelfstandig naamwoord

1. duw

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek, 1998 - Ze riepe durlope n-k kreg unnen daaw.

2. dauw

- A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - daauw - dauw

3. steenvruchtensap

- WBD III.2.3:154 dauw - stijf steenvruchtensap, ook most, snot

 

daawe

werkwoord, zwak

1. duwen

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek, 1998 daawe duwen;  Daaw ut mar du de deur deur!

- Dirk Boutkan & Maarten Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - daawe

2. dauwen

- Frans Verbunt; Tilbrgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - as et goed daawt, hoeft et niemir te rgene

 

daawtrappe

werkwoord, zwak

dauwtrappen. Op [bij voorkeur de eerste] zondag in de meimaand in alle vroegte ter voetbedevaart gaan naar het Mariabeeld in de Sint Jan in Den Bosch of naar bedevaartoorden in de omgeving. Daarbij ging de harmonie vaak voorop.

- Frans Verbunt; Tilbrgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 dauwtrappen - mei-uitstapje in de vroege morgen

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven); ongedateerd knipsel; Tilburgse Koerier, 1960-1980 - Want daawtrappe is vur onze Paa/ et schonste fist vant jaor.

- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1954-05-08 - Den irste zondag van de maai/ dan trokken wij dur stad en haai/ mee de meziek naor Meuleschot/ naor Ln of Beek.... Mar t is kepot...../ dauwtrappen is vort van de baon....../ d hee jandoome afgedaon! [Deze prent werd gemaakt naar aanleiding van een hernieuwing (handhaving) van het oeroude verbod op katholiek getinte manifestaties op de openbare weg, meestal het processieverbod genoemd.]

 

- Jodocus, pseudoniem van J. Stroucken, uit de bundel Toemet-hooi, Daauw-trappe, 1995


Den daauw lag as purpere prels
Te fonkele over de waai;
In 't hout sloege vinke en mrels
En de leeuwerik schoot ut de haai.

De koeie die kwame gelope
Njschierig as koeje zn;
Mar ut vreke docht: laon we hope
Desse gaauw opgetrommeld zn!

In Osterwk ginge ze kerke:
Ds punt een van de dauwtrapperij.
Daornao waar den dorst gaauw te merke
En wier ut un gaauw-tapperij.

Want ut bier smakt zo goed in de mrge
Nao un brojke meej zoute worst;
En ge kunt van oew ge nie verge
Degge thuis komt meej honger en dorst.

Opgewekt, mar w slap in de kuite
Kwame ze 's middegs wir trug:
De meziek ging zun buukske te buite
En de daauw liep dun langs durre rug.

 

- Interview Van den Aker, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2014 - Mar j, dan stonne de meense aatij hil vruug op n dan ginge ze... Den ene ging meej de fiets n, j... Asser toen fietse waare mar zoveul waaren er toen die td ng nie n dan ginge ze... Den ene ging meej de fiets mar ge had er enen hop die te voet nr Den Bosch ginge n te voet trug...

Klik hier voor audiofragment

- Jan Naaijkens; Het dorp van onze jeugd, 1995 - In de nacht van 30 april en 1 mei spien t (spande het) in het dorp. Meiskes sliepen op n oor, vol verwachting of er s anderendaags hen hulde werd gebracht met een mastetak (dat is: goed en schoon) een kersentak (hier wordt aan geplukt), of een doorntak (pas op: ze is stekelig) of misschien wel een rotte koolstronk, dat was grote schand, want zon meisje deugde van geen kanten. De jongemannen sleepten in het holst van de nacht alles wat binnen hoorde te zijn maar buiten was blijven staan door de straten van het dorp en stapelden het op tot een gigantische piramide op het Mrtveld. Daar kwamen sloten bier bij te pas. Er werd een hels kabaal gemaakt en ongepermitteerde deugnieterijen leverden de veldwachters, geassisteerd door de rijks Tegelaars en de massesees (marchaussees) veel nachtelijke uren overwerk op. De eerste zondag van mei werd de lentelucht vol muziek geblazen. Harmonien en fanfares uit de omliggende dorpen veroverden met trommels en trompetten het dorp en bezetten de cafs waar ze zich bezatten, want dauwtrappen is vanouds een dorstverwekkende onderneming geweest.

daawtrappe op CuBra - alles over naar Den Bosch lopen op zondagen in mei

 

 

dabbe

werkwoord, zwak

dabbe - dabde - gedabd

1. knoeien, morsen

- Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs dialect, 1916  - dabbe - morsen

- A.J.A.C. van Delft; Toen Tilburg nog dorps was: Een heel typisch dialect; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1956-07-17 - Nog nu kan k me niet voorstellen, dat die man, toen hij nog zonnen dabber waar, ooit Adriaantje of Josje genoemd zou zijn. Dat bestt nie! En dabben kon ie. Dat geknoei in en om zn duivenkooi zie k nog aan.

- Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek, aflevering 33, Nieuwsblad van het Zuiden 1965-04-03 - Bv. de kleren met modder bevuilen. Wat gebeurt als kinderen met slijk of in het slijk zitten te "dabben" (knoeien). [...] Men kan eigenlijk met alles "dabben", met eten en zelfs met geld. Met dit laatste gebeurt het nog al eens bij parvenu's als ze het "onverdoens opmaken", dat is: nutteloos opmaken of over de balk gooien.

- Hein Quinten; Tilburgse spreuken, circa 1985 - Ziezo. Naa kunde op oe slabbeke dabbe, zeevereer !!!

- Ed Schilders; W zeetie?; Website Brabants Dagblad Tilburg Plus, 2009 - Dan mkte we in et midde vant brd in de boerekol en kltje om de sjuu in te doen. n dan mar britse, meneer. Lkker! n dabbe, n prakke. Gin gepielie. Spaoje!

- C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal [Udenhouts], 1978 dabben knoeien, morsen, bv. met pap

Aanvullende bronnen:

- Jan Naaijkens; Ds Biks, 1992 - dabbe - knoeien

- WBD III.2.3:9 - dabbe - morsen

- WBD III.4.4:217 dabben - nat maken, ook pletsen

- WBD III.3.1:209 verdabben - verkwisten, opmaken, vergooien, verbrassen

- WBD III.1.2:96 dabben - morsen; ook zeveren, kliederen, muikelen

- WBD III.1.2:97 - dabben - plassen met water; ook poelin

2. graven; het met de voorpoten graven van een paard

- Pierre van Beek;  Tilburgse Taalplastiek, aflevering 33, Nieuwsblad van het Zuiden 1965-04-03 - Tenslotte kan ook een kat haar kuiltje "dabben" en een paard staat "te dabben" als het met de poten een kuiltje in de grond stampt.

- Pierre van Beek; Oude schat van Postel te Mierde opgegraven, Nieuwsblad van het Zuiden 1970-11-05 - Het ging hier maar even om 862 gouden munten van 1616 tot 1786, een gouden borstkruis en een prelaatsring van de Postelse abt Staessens. Het leed dus geen twijfel of men had uiteindelijk de historische "schat van Postel" gevonden zonder dat er enige fantasie aan te pas kwam. Of is dit misschien dan toch nog het verhaaltje van de Hollandse officier, die pastoor Dockx tijdens de Tiendaagse veldtocht in kwartier had? Diens paard zou toevallig hebben staan "dabben" boven de plaats, waar de pot met goud in de grond zat. Pastoor Dockx heeft het toen even warm gekregen, zodat hij de eerste gelegenheid aangreep om de pot met zijn kostbaarheden elders te verbergen. Nadien zou hij geen voldoende inlichtingen achtergelaten hebben. Zo zou de schat onvindbaar geworden zijn.

- Jan Naaijkens; D's Biks, 1992 - dabbe graven

- C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal [Udenhouts], 1978 dabben met de voeten aanstampen

Aanvullende bronnen:

- A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - dabbe(n) - 1. met de voorpoten al harkende graven; 2. wroeten, krabben

- Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch, 1899 - dabben - al stampende met de voorpooten de aarde uitgraven, sprekend van paarden; gaan met eenen bijzin van moeite of onbehendigheid.

- J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen, 1836 dappen zeggen de bouwlieden om Breda niet alleen voor het maken van eenen kuil door de paarden, maar ook voor het maken van denzelven met mensehenhanden.

- WBD III.4.2:68 - dabben - graven van een pijp (konijnenhol), ook buten genoemd

- WBD III.1.2:73 dabben - een kuil graven

- WBD III.1.2:74 dabben - wroeten

dabbere

 

dabberd

zelfstandig naamwoord

iemand die dabt, knoeit

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek, 1998 dabbert - knoeier

- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - dabber, dabbert, dabklot - knoeier

- Enqute over Je favoriete Tilburgse woord; Facebookpagina Je bent een echte Tilburger als..., maart 2013 -

 

dabbere

werkwoord, zwak

door water of slijk lopen

- WBD III.1.2:162 - dabberen - met schoeisel door water lopen

- Leo Goemans; Leuvens taaleigen, 1936 - dabberen - dabere, (daberde, gedabert) - met de handen of de voeten in water of slijk morsen; door water of slijk gaan zonder acht te slaan op schoenen of kleederen

- C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal [Udenhouts], 1978 dabben zich moeizaam voortbewegen over een slechte, modderige weg; ook wel: opzettelijk door het slijk lopen

 

Sticker van een carnavalsvereniging. Tilburg maart 2019. Foto CuBra.

 

dabklot

zelfstandig naamwoord

knoeierd

►dabbe

- Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1987-05-29 - Naa kunde op oe slabbeke dabbe, vergimmese dabklt...

- Cees Robben; Prent van de Week, Nieuwsblad van het Zuiden, 1984-11-30 - Zit toch nie z te knelle, dabklt...

- Stadsnieuws; dialectrubriek, 2008-01 - w zde tch enen dabklot; ge kunt ok not es niks zver haawe

 

dabklutje

zelfstandig naamwoord

uit dabbe (morsen) en klutje (klootje - klein kind)

- Cees Robben; Prent van de Week, Nieuwsblad van het Zuiden, 1979-05-04 - Hedde wir in de Laai te ligge te meutele, dab-klutje...

dabklot

 

dag

zelfstandig naamwoord

dag

meervoud daog(e)

- Voorbeeld systeemkaart Sterenborg - virtien daog, alle daog, dag en naacht

- Cees Robben; Prent van de Week; Rooms Leven, 1967-11-10 - We zen er vort van unne dag en unne vurmiddag...

- Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek, aflevering 105, Nieuwsblad van het Zuiden 1970-07-16 - "We eten alle daogen spek", zei de boer, "en 's vrijdags spek mee spijlen!" Met dit laatste gerecht voor de vroegere onthoudingsdag bedoelde hij vis. Spontaan komt hij in dit zinnetje tot alliteratie. Het volkse taalinstinct schijnt voor stafrijm zeer gevoelig te zijn.

Aanvullende bronnen

- A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 dag - meervoud daog

- Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch, 1899 dag; spreekwijze den ou(d)en dag - de ouderdom met zijn kwalen.

 

dagvaardiging

zelfstandig naamwoord

dagvaarding

- WBD III.3.1:357 - dagvaardiging - dagvaarding

 

dak

zelfstandig naamwoord

dak

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - meervoud daoke

 

dakhaos
zelfstandig naamwoord
dakhaas; schertsbenaming voor een kat
- WTT; aanvulling 2013 - In Tilburg werd dakhaas ook - meestal schertsend - gebruikt om aan te geven dat het verschil tussen een gevild konijn en een gevilde kat nauwelijks waar te nemen is. Ook de smaak - zegt men - is dezelfde. Vooral rond de feestdagen in december moest er gewaakt worden tegen malafide handelaren / stropers / kattenmeppers die dakhazen verkochten als zijnde konijnen. Men zegt dat dat de reden is waarom poeliers de sokken van het konijn niet verwijderen; alleen daarmee is het verschil met een kat aantoonbaar.
- Cees Robben; Prent van de Week, Roomsch Leven, 1956-01-07 - Schoon hij [de kater Kaerel] slechts vulgair gemept wier../ In het West-End... zijn domein.../ Lag hij later... kloek en nobel/ op de feestdis... as kenijn...
Aanvullende bronnen

- De Bont; Dialect van Kempenland IV; Bestiarium, 2005 - Onder kat hebben we aangegeven dat met balkhaas een kat bedoeld wordt. Men kan dit woord vergelijken met beunhaas, dat oorspronkelijk zolderhaas dan wel kat betekent.
- Cor Hoppenbrouwers; Taal van Kempenland, 1996 - ballekhaos - Liejp daor gnnen haos? J, mr t was nn ballekhaos. De kat, die elders wel eens dakhaas wordt genoemd, heet hier nn ballekhaos.

- WBD III,2,1 - kat dakhaas

 

dakschter

zelfstandig naamwoord

dakschijter; duif

- Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brne eigeluk wel trekken? Deel 1, 2006 - Dieje gruunteboer waar enne hille dikke vent. Hij waar veural bekend om zen dve. Hij is hl dikkels kampioen gewist op de lange afstand meej die dakschters.

 

dallaas

zelfstandig naamwoord

ongemak, rompslomp

- Frans Verbunt; Tilbrgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - ongemak

- Voorbeeld systeemkaart Sterenborg - hij is ermeej gedallaast - hij zit met de rompslomp  

Aanvullende bronnen

- Lex Reelick; Bosch woordenboek, 1993 - dalles - moeilijkheden, armoede

- WNT dalles; uit jiddish dalles - armoede (hebreeuws dalloet - armoede

 

dam

zelfstandig naamwoord

erf bij het huis

- C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal [Udenhouts], 1978 - dam - erf bij het huis, in bet. ongeveer gelijk met missem en werf maar iets eigendommelijker en meer afwerend gebruikt; iemand van den dam af schuppe.

 

dan derbij

bijwoord

- Informant Toine Raaijmakers - bovendien, daarenboven; n dan derbij issie ng gin virtien - en bovendien is hij nog geen 14

- Kees en Bart; dialoog in Tilburgsche Post, 1922-193? - n dan derbij...

 

dancher

samentrekking van dan je er

spellingsvariant alleen aangetroffen in:

- Karel en Sjarel; dialoog in Groot Tilburg, 1945-03-23 - Sjuust, ik zie wel dechche nie zo lomp bent dancher uit ziet.

 

danneetel  

zelfstandig naamwoord

brandnetel

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek, 1998 danneetel - hennepnetel (galeopsis tetrahit)

- Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek aflevering 163, Nieuwsblad van het Zuiden 1972-11-22 - "Een verstandige kip legt wel eens een aai (ei) in de dannetels". We slaan hier twee vliegen in n klap: een volkswijsheid en een typisch woord uit onze streek. Een "dannetel" is wat men in het ABN een brandnetel noemt. Men kan het woord in onze contreien vooral op het platteland nog herhaaldelijk horen gebruiken. Het is een oud woord, dat we uit het Middelnederlands gehandhaafd hebben. Een kip geldt niet als een voorbeeld van intelligentie. Vandaar bv. ook al de uitdrukking: "Praten als een kip zonder kop", wat het uitslaan van onzin aanduidt. Het leggen van eieren behoort bij kippen tot het voortplantingsproces. Dit pluimgedierte verkeert echter in de ongelukkige omstandigheid, dat de mens er op uit is de gelegde eieren weg te nemen, waardoor onze kip telkens weer braaf nieuwe legt in plaats van te denken: als dat z moet, schei ik er mee uit! Van de instandhouding der soort komt er zo niets terecht zolang de mens dat niet wenste. Wanneer we nu met een verstandige kip te maken hebben, dan zal ze haar ei in de brandnetels leggen om te voorkomen, dat de mens het weg neemt. Uiteindelijk betekent onze uitdrukking dan ook, dat iemand die doorlopend onverstandige dingen doet, toch wel eens een helder ogenblik kan hebben en dan een verstandige daad stelt.

Aanvullende bronnen

- WBD III.4.3:329 - danneetel - brandnetel, ook prikkel of neetel genoemd

- WBD III.4.3:327 - dannetel - hennepnetel (galeopsis tetrahit)

- A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 dannetel - hennepnetel; meervoud danneitele(n)

- Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch, 1899 dannetel - soort van onkruid (galeopsis tetrahit)

 

dannie

samentrekking

dan niet

- Cees Robben; Prent van de Week, Rooms Leven, 1964-07-10 - Dus naa-nie of dannie - of nt nie...

 

daod

zelfstandig naamwoord

daad

- WBD III.1.4 daad - handeling

 

daog                             

zelstandig naamwoord, meervoud van dag

dagen

- WTT; toevoeging 2012 daogis verouderd; tegenwoordig is daoge meer gebruikelijk

dag, daoge

- Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1973-03-16 - Over twee daog is t prd kepot...

- Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1978-06-09 - Dertig daog

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - alle daog(e) - elke dag; virtien daog - veertien dagen

Aanvullende bron:

- Jan Naaijkens; D's Biks, 1992 - daog - dagen

 

daoge

werkwoord, zwak; zelfstandig naamwoord, meervoud van dag

dagen

1. werkwoord, zwak

(op-)dagen

2. zelfstandig naamwoord, meervoud dagen; vroeger ook daog

dag, daog

- Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek aflevering 105, Nieuwsblad van het Zuiden, 1970-07-16 - "We eten alle daogen spek", zei de boer, "en 's vrijdags spek mee spijlen!" Met dit laatste gerecht voor de vroegere onthoudingsdag bedoelde hij vis. Spontaan komt hij in dit zinnetje tot alliteratie. Het volkse taalinstinct schijnt voor stafrijm zeer gevoelig te zijn.

- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1954-03-06 - Nao al t zuut der vurrige daogen/ t zilte naa op oewen dis...

- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1954-08-14 - Zeuve daoge toepertoe... [namelijk op de kermis zich te buiten gaan aan drank of voedsel]

- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1965-05-07 - Meej vrije daogen en kaoj weer dan rket bij ons thuis...

- Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1971-10-15 - [Een landbouwer spreekt...] Drie daoge luiplocht...

- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1967-04-28 - t Was alle daoge vruug koesjee

- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1954-08-14 - Zeuve daoge banjerheer....!/ Mee de vrouw en kender/ Kermis haauwe...

- Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1986-11-24 - Virtien daoge op sjanternel... Ons Tonia maokt daor himmel ginne gatslag van... [maakt daar geen probleem van...]

Aanvullende bronnen:

- Kernkamp; Dialectenqute, 1876 - in zeuve doage

- Mandos; Brabantse spreekwoorden, 2003, Tilburgse zegsman C. Verschuuren  - Een Tilburgs protje duurt maar drie dagen. Een Tilburgs praatje duurt maar drie dagen. Roddelpraat duurt niet lang.

 

daogeleks

bijwoord, bijvoeglijk naamwoord

dagelijks

- Kees en Bart; dialoog in Tilburgsche Post, 1922-193? - daogeliks

 

daogs

bijwoord, bijvoeglijk naamwoord

daags

- Mandos; Brabantse spreekwoorden, 2003, opgetekend Tilburg 1970 - Daags nao de mert komen, net as]an mee z'n kieviten. Daags na de markt komen, zoals Jan met zijn kieviten. Spreekwoordelijke vergelijking. [ kievit = draagmars van marktkooplui en marskramers]

dgs

 

daole

1. werkwoord, zwak

dalen

daole - dlde - gedld

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - daole - daolde gedaold; in tegenwoordige tijd ook vocaalkrimping gij/hij dlt

2. zelfstandig naamwoord, meervoud van dal

dalen

- Kernkamp; Dialectenqute, 1876 - heuvels en doale

 

daor, dr

bijwoord

daar

1. als bepaling van plaats: daar, daarginds

- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1954-02-13 - En w vond ie daor..? / Alles vur m kaant en klaor.

- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1959-09-12 - Wrrom zum daor hn neergezet

- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1960-08-26 - Die worren daor bewaord.

- Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1987-01-23 - Hier lotte w, en daor vnde w...

- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1966-04-01 - krek passeerde daor n medje...

- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1958-07-26 - Hier n douwke... Daor n klepke

- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1959-08-22 - Daor zaate twee dfkes/ hil dicht bij mekaar...

- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1954-05-15 - Daor zwemmen gin vissen en paolingen  

- Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1980-02-29 - Daor gao Sooike mee zn vrouw...

- Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1984-03-02 - Dieje aauwe Sjassee daor...

- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1960-01-02 - Daor is Jantje Kapoen en Mie Tuureluut...

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek, 1998 - van hierte toe daorte - van hier tot daar

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 daorlangs (zonder vocaalkrimping)

2. bepaling van tijd: toen

- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1955-11-19 - Daor wieren zn ptjes z muug as van ld. 

3. in een uitdrukking die gelatenheid uitdrukt

- Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1973-05-19 - Daor staon we dan...

4. in plaats van waar

- Willem van Mook; voorwoord in programmaboekje van de Korvelse revue Vruuger en naa, 1926 - op d gebied komt er iets te zien daor niemand rg in hee

- F. van der Meer; Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010 - Mar wl stukskes over sjieke restaurants daor ge veur hil veul geld kunt gn frte.

 

daortunne

bijwoord

daar, daartoe, tot daar

- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1964-08-14 - Van hiertunne toe daortunne...

 

daotum  

zelfstandig naamwoord

datum

- Kees en Bart; dialoog in Tilburgsche Post, 1922-193? - daotum, daotums

- Frans Verbunt; Tilbrgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - td is gld, zi den oober, n hij tlde den daotum bij de reekening

- Frans Verbunt; Tilbrgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - de mlk is nie zuur, mar wl oover den daotum

 

daoverjaanus

zelfstandig naamwoord

bevende man

- Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs dialect, 1916 - doaverjanus - een bevende man

 

daoze

werkwoord, zwak

dazen, kletsen, zwammen

- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1954-11-27 - Hij haauwt nie van klaozen/ Die raozen en daozen.../ D paast nie in deez dure tijen!

 

darteg

telwoord

dertig

- Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); De nuuwe kapelaon van Baozel, aflevering 1; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1938-10-01 - ..d ze vruger mee dr dartig jaor pas begosse te vrije!

- Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); De nuuwe kapelaon van Baozel, aflevering 2; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1938-10-08 - ..hij is nog mar n goeie dartig jaor oud, schat ik

- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1959-10-17 - Vier en dartig jonge snuiters...
- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1960-09-23 - Dartig weken
- Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1972-03-10 - vf en dartig jaor bij de Reiniging

Aanvullende bronnen

- Willems; Dialectenqute, 1887 - dartig

- A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - dartig, dertig

- WNT dertig - dartig

 

dartien

telwoord

dertien

- Kees en Bart; dialoog in Tilburgsche Post, 1922-193? - den dartiende

- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1965-07-09 - Ik geef dartien stuiver...

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek, 1998 - twaolef aajer n dartien kkes - een buitenkansje of meevaller

- Voorbeeld op systeemkaart Sterenborg - den dartiende flt - gezegde bij het kaarten, als er slechts twaalf troefkaarten uitgehaald worden

Aanvullende bronnen

- Willems; Dialectenqute 1887 - dartien

- A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 dartien, telwoord dertien

- WNT dertien - dartien

 

daunloode

werkwoord,zwak

downloaden; van digitale bestanden

- F. van der Meer; Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010 - n naa heej ze dus k vort ene kompjoeter. Kan ze mar surrefe. n daunloode al dsse geleerd heej.

- F. van der Meer; Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010 - n netuurlek op zene td 'n netuurfilm kke n ielegaale ceedees daunloode.

 

de

lidwoord

de

- WTT; aanvulling 2012 - komt voor in combinatie met aanwijzend voornaamwoord de dees, de die; ziede de dees liever as de die?

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - t te diepte; hij graoft te kl

Het lidwoord wijkt af van de normale assimilatieregels. In het mannelijk en vrouwelijk enkelvoud kunnen de demonstrativa vergezeld worden van het lidwoord als ze zelfstandig gebruikt worden: den deeze, de dees; den dieje, de die.

Aanvullende bronnen

- M.H. van de Ven; in: Nieuwe Taalgids XI:51,100,188 (1917) de(n) vor eigennamen: den Harrie e.d.

- Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch, 1899 De wordt vr eigennamen van mannelijke personen geplaatst. Ook voor namen van dagen als ze enkel voorkomen: hij gaat de maandag.

- J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen, 1836 - Dit lidwoord wordt hier veel in het spraakgebruik vr die, deze en diergelijke woorden gezet. De ouden zeiden zelfs de eenigen, de sommigen enzovoorts.

- C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal [Udenhouts], 1978 de; ook gebruikt om de aanwijzende voornaamwoorden  deze en die (niet dat) te substantiveren: de dees - deze hier; den dieje - die daar

- Jan Naaijkens; Ds Biks, 1992 - de; soms voorafgaand aan een aanwijzend voornaamwoord: de dees

 

d

1 betrekkelijk voornaamwoord, aanwijzend voornaamwoord

dat

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - d

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek, 1998 K-wies nie d d d betekende. - Ik wist niet dat dat dat betekende.

- Kees en Bart; dialoog in Tilburgsche Post, 1922-193? - ... wrm d wij ...

- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1966-10-21 - ... zeure, dan om dees of d...

- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1954-04-17 - ...d witte war....

- Voorbeeld op systeemkaart van Sterenborg - aanwijzend voornaamwoord d weet ik nie.

2 in uitroepen

d nie d

helemaal niet, in tegendeel

- Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); De nuuwe kapelaon van Baozel, aflevering 5; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1938-10-29 - Ik zeg nie detter in Wagner niks in zit, d nie d...

d nukt nie

dat maakt niks uit

derde persoon enkelvoud van neuken [Van de tegenwoordig algemeen bekende seksuele betekenis van neuken heeft deze oudere zegswijze niets van doen. Het betreft (zie WNT lemma neuken) de oudere, in Noord-Nederland vrijwel onbekende betekenis van hinderen.

- Ed Schilders; WTT 2021 d nukt de baoker nie - dat neukt de baker niet; dat is niet ernstig

- Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1972-12-22 - n Pond zaod vur mn vink... Wit of zwart, menneke... D-nukt-nie.. Zis blend...

d wl d

inderdaad, zeker wel

- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1960-01-22 - llieje Sjennie is n nch hundje... D-wel.. Hij is vernoemt flnich..

- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1969-08-15 - Mar den grtsten braand is er wel aaf... d-wel-d... [Op onze leeftijd doen we het seksueel wat rustiger aan]

- Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1970-02-20 - Naase dd.. t is sunt d-wel-d

- Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1980-02-22 - Jllie moeder is wir oppenuut getrouwd, war... d-wel...

- Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1982-09-17 - Pierre Claessens die groet u/ D-wel-d... d doet ie [Prent ter gelegenheid van het afscheid van Pierre Claessens als chef van de redactie van het Nieuwsblad van het Zuiden.]

- Theo de Wijs; schriftelijke mededeling aan Cees Robben, 1967-03-10 - d kan na daorom toch wel zn, k wel, d wel, d

dt ok scht ok

dat het ook schijt ook; zich ergens niet meer druk over maken

- Cees Robben; Prent van de week, Nieuwsblad van het Zuiden, 1987-04-03 - En hier kan ik mn ge toch z over opsteuke war... Mar och.. det-k-schet-k..

3 als eerste lid in samentrekkingen met derde persoon tegenwoordige tijd van 'zijn': ds, dat is

- Cees Robben; Prent van de week, Roomsch Leven, 1966-04-29 - Des naa veertien jaor geleeje...

- Cees Robben; Prent van de week, Roomsch Leven, 1968-08-09 - Des nog n aauwverwetse fn trip...

- Cees Robben; Prent van de week, Nieuwsblad van het Zuiden, 1985-04-19 - Des aaltij al unne bonzjoerder gewist...

- Cees Robben; Prent van de week, Nieuwsblad van het Zuiden, 1981-01-16 - Des lang geleeje dekkoe gezien heb...

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek, 1998 D-s zo waor as de Lonse tram tuut - dat is zo waar als de Loonse tram toetert

4 samentrekkingen met persoonlijke voornaamwoorden

- WTT; toevoeging 2021 dk (dat ik), dgge (dat je), dttie (dat hij), dsse (dat ze), dt (dat het), dmme (dat we), dgge (dat jullie, meestal echter d gullie), dsse (dat zij; meervoud).

dk - dat ik

- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1959-11-07 - Hij zeej ddgemoedereerd dek unne interessaante meens z... [interessaant = hebzuchtig, gierig]

- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1965-04-02 - Ge denkt zeker dek den hemel vur unne doedelzak aon zie

- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1959-11-07 - En dek nie gemak afschiet... [afschiete = geld geven]

- Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1970-03-13 - En toen viel ik op mn batterij, meneer dokter, en../ En naa denk dek munne/ startschroef heb begerbeleurd.

dgge - dat je

- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1964-03-13 - Wegge ruurt/ Degge meevuurt [Wat je aanraakt, dat moet je nemen]

- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1964-04-24 - ...Wittte gij waor degge kattespauwbrokke kunt kpe..?

- Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1972-09-11 - Ik docht degge hier nie waart...

dt - dat het

- Voorbeeld systeemkaart Sterenborg - et rgent dt zkt

dttie - dat hij

- Naarus (pseudoniem van Bernard de Pont); column in Groot Tilburg, 1940 - t Is kollesaol, nor wie dettie den aord hee d snap ik nie.

- Naarus; (pseudoniem van Bernard de Pont); column in Groot Tilburg, 1940 - Mar t viel nogal mee, want nao drie daoge zwaor verdriet kwaamp er innen [een] brievekaort van Keese, as dettie t goed mokte en dettie al goeien aord begos te krge...

- Piet Heerkens; De Zaaier, bijlage van de Nieuwe Tilburgsche Courant, 1941- Hoe slim is dien beest/ dettie 't middeltje vond!

- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1957-12-14 - Weffur moeite dettie deej...

- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1959-08-01 - Dn dikke die zeej dettie louw h gevangen [bij het vissen]

- Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1978-12-22 - Hoe meer dettie uit doe hoe lillukker dettie wordt...

- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1959-08-15 - Swels dettie Dientje kuste...

- Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1971-07-30 - Mn hundje is weggelpe (...) Ik denk dettie op kerwaai is (...) t is n menneke...

- Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1974-03-08 - [Moeder over baby...] Ik denk dettie iets onder de lee-hee..
- Piet van Beers; t Kan saome gaon; CuBra, 2004 - Den irste keer dettie t prebeerde...

- Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brne eigeluk wel trekke; Deel 1, 2006 - Wij kke naor boven en zien ons Jaoneke t et dakraom hangen en spouwen dettie doe.
- Tony Ansems; Ons Oma Is Aangereden Deur Ene Schimmel; cd Tilburgse Liedjes, American Style, circa 1990 - Ook al doede gij nie in Sinterklaas geleuven/ Onze Opa, heeft bewijs, dettie bestaot...

dsse - dat zij

- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1960-02-19 - Den lotweet desse is...

- Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1979-11-16 - t Wordt td desse dr opkuile...

- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1969-10-24 - Ze heeter gin rig in desse slaoi-beene heej...

- Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1987-09-18 - Ik keek wel effenaaf toen ik zaag desse mn fiets gejat han...

dtter - dat er

- Cees Robben; Prent van de week, Nieuwsblad van het Zuiden, 1972- 08-18 - Detter vuls te veul vrouwen op de wreld zen...

- Cees Robben; Prent van de week, Roomsch Leven, 1966-08-26 - Mn kumke wiegelt z detter de koffie uit-kwaanselt...

5 samentrekking met een persoonlijk voornaamwoord en een derde lid

dkker - dat ik er

- Karel en Sjarel; dialoog in Groot Tilburg, 1945-05-04 - Diejen admiraol kan zegge wettie wil, mar 't za lang dure eer dekker iets van gleuf.

- Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1972-09-11 - Ge ziet toch dekker z...

dkkoe - dat ik je

- Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1981-01-16 - Des lang geleeje dekkoe gezien heb...

- WTT; aanvulling Hans Hessels - variant op voorgaande citaat: lang gezien dkkoe geleejen hb

dgget - dat je het

- Paul Spapens e.a.; Goedgetld, diksjenr van de Tilburgse taol, Tilburg 2004 - ge dnkt dgget kunt, mar ge mkt niks klaor...

- Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1970-01-16 - ge ziet mar degget stelt...

- Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1988-01-29 - t Is goed degget zegt.

dgger - dat je er

- Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1972-05-19 - Het mar ginne bange degger tussen uit nept, Jaon...

dtjoe - dat hij je

- Cees Robben; Prent van de week, Nieuwsblad van het Zuiden, 1978-08-11 - Pooit m naa mar vur detjoe bij oew lrve vat...

dtter - dat het er

- Cees Robben; Prent van de week, Roomsch Leven, 1956-10-06 - Ze zeggen.. (...) as detter nie deugt... De meensen nie praoten... Mar knaauwen...  [Prent ter gelegenheid van Robbens verhuizing van Tilburg naar Goirle]

dggem - dat je hem

- Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1984-04-20 - As ge meej oewen remoei ginne raod wit... Dan zde nie werd deggem het...

dssem - dat ze hem

- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1964-11-06 - en ze wit dessem heej... [namelijk een vrijer]

dwwet - dat we het

- Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1970-03-20 - Dwet overmrege alwir gehad hebben...

dwwer - dat we er

- Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1986-10-03 - Ze stond er z breed bij mee dr braoi dewwer bekaant mee gdrieje aachter kosse...

6 als tweede lid in samentrekkingen

met een voorzetsel: vurd, nd, durd, zod, umd

met een voegwoord: asd, ird

met een bijwoord: toed, meed, swlsd

Aanvullende bronnen

- Willems; Dialectenqute, 1887 - dk, dgge, d-ie, dttie, dsse, dt (dat het)

- Kernkamp; Dialectenqute, 1876 - g daacht dk d nie wiest

- C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal [Udenhouts], 1978 - dat; altijd uitgesproken als d, soms als dtte

- Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch, 1899 - da (korte a); uitspraak van dat aan einde van een zin of vr een woord dat niet met h of een klinker begint

- J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen, 1836 Dat neemt in deze streken dikwerf op het einde de letter aan, waarmede het volgende woord begint, zoodat het daarmede n woord schijnt uit te maken. Bijvoorbeeld dagge, damme (dat men). Zie wijders dagge.

 

dddele, dddere

werkwoord, zwak

knoeien, sudderen

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek, 1998 - dddere sudderen; vur mn meuge ze nt zo lang dddere tt ur rome van komt - wat mij betreft mogen ze wachten tot ze een ons wegen [voor mij mogenz e net zo lang sudderen tot er melk van komt]

Aanvullende bronnen

- WBD III.4.4:09 - dedder - dril, ook druddel

- Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch, 1899  dedder, zelfstandig naamwoord - dun slijk, modder

- Lex Reelick; Bosch woordenboek, 1993 - dddel - geknoei; dddele - knoeien in slijk en modder trappelen

 

dee, deej, di

werkwoord, persoonsvorm

deed; verleden tijd van doen

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - ik/hij dee/di, gij deed/dit, wij/zij deeje/din, gullie deed/dit

doen

 

deg

zelfstandig naamwoord

deeg (om te bakken

- WBD deel II.1 Huisslachter en bakker geeft voor Tilburg nog onderstaande begrippen. In dit deel gebruikt het WBD een fonetische spelling; die spelling is door Wil Sterenborg aangepast - degtrg - baktrog (kuip voor eerste bewerking van deeg) - degkrst - krabsel (deeg dat zich aan de zijkanten en op de bodem van de trog heeft vastgezet) - zuurdeg, zoerdeg - zuurdeeg (door gisting verzuurd deeg) - verrkten deg - te lang gerezen deeg - keptten deg - ongeschikt deeg (dat niet wil rijzen) - schraolen deg - uitgedroogd deeg (gezegd van slecht deeg) - beschtdeg beschuitdeeg.

 

degmesjien

zelfstandig naamwoord

- WBD - mengmachine voor deeg

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek, 1998 degmesjien - kneedtrog

 

dk, dkske

zelfstandig naamwoord

dijk, dijkje

- Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek, aflevering 150, Nieuwsblad van het Zuiden 1972-03-17 - Volkse wijsheid wordt vaak in plastische vorm gegoten, waarbij de verbondenheid aan eigen milieu sterk spreekt. "Als ge het met werken moet verdienen, zult ge geen land over den dijk kopen!" noteerden we. Met "land over den dijk" wordt land over de Maas in de polder bedoeld. Dat is kleigrond en dus heel wat beter dan de weinig vruchtbare Brabantse zandgrond van weleer.

- Mandos; Brabantse spreekwoorden, 2003, opgetekend in Tilburg 1976 - Tussen duin en dk. Tussen duin en dijk

 Aanvullende bron

- Jan Naaijkens; D's Biks, 1992 - dk - dijk; niet alleen voor waterkeringen, ook voor enigszins verhoogde wegen

- WBD III.3.1:396 dijk heerbaan, grote, brede weg; ook baan genoemd

 

deekatieseere

werkwoord, zwak

decatiseren (textielterm); het laken zo bewerken dat er een glans op blijft

- WBD II:1056 - deekatieseere - decatiseren; ook deekazeere

 

deeke

zelfstandig naamwoord

deken

meervoud: deekes

- Interview Hermans, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2014 - Mar wanneer d gij, war, de Hllanse schaope ht, die groove... Daor wier eigelek gin tkstiel goed van gemkt as heerestf n daamesstf... Mar daor wier ok deekes van gemkt, die waare grf!

 

del
zelfstandig naamwoord
deel, part, erfdeel, dorsvloer
- Theo de Wijs, schriftelijke mededeling aan Cees Robben, 1964-08-17 - Ze wil dr dl hebbe mar ik z nie mesjokke waant ze hee al unne slodder gekregen [slodder - veel geld]
Aanvullende bronnen
- Jan Naaijkens; Ds Biks, 1992 - dl - deel, dorsvloer
- Lex Reelick; Bosch woordenboek, 1993 - een heel deel - een heleboel
 

 

Theodoor Rombouts - Kaartspelers - 17de eeuw

 

dele

werkwoord, zwak

delen, schikken

vocaalkrimping in tegenwoordige tijd; gij/hij dilt, en in verleden tijd dilde(n)

- WBD III.3.1:187 - delen - schikken (bij een erfenis)

- WBD III.3.2:172 delen - kaarten ronddelen, ook geven, afgeven

- Willems; Dialectenqute, 1887 - dele - dilde - gedild

 

den of daander

zelfstandige uitdrukking

het een of het andere; een of ander

- Interview Van den Aker, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2014 - Nt as toen die lui, nt as die van, van Kessels. Ge had aaltij hier of daor meense die mkten en monieka f den f daander instruumnt n zo. En d zn ok wl pltse dsse zon kln konsrtje b mekaare kosse krge, zak zegge, meej en paor man. Klik hier om dit bestand te beluisteren

 

drf

bijvoeglijk naamwoord

vDale derf = ongaar of klef (van brood)

- WBD III.2.3:203 'derf' - bederf in het brood, ook 'bederf', 'schimmel', 'rek'

- WBD III.2.3:204 'derf' = niet doorbakken brood, ook 'klef', 'klei'

 

drm

zelfstandig naamwoord

darm

- MP gez. Liever in den drm dan p den rm. (Liever voedsel dan opschik.)

- Dialectenqute 1876 - drm (lange )

- Dirk Boutkan & Maarten Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg: klank- en vormleer, Tilburg 1996 - : het verkleinwoord = dremke (blz. 16, 51) meervoud: dreme

- WBD III.1.1:200 'darmen' = ingewanden

 - Leo Goemans; Leuvens taaleigen, Brussel 1936 - DARM - zelfstandig naamwoord.Van menschen of dieren; 't woord is zeer plat.

pijp, tuinslang

- WBD III.3.1:335 'darm' = brandslang, ook genoemd: 'brandspuit of ader'

- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch - 1899 - DARM, DERM (uitspr. darrem) - lange dunne pijp of buis van leder of lood: de dermen van 'en brandspuit.

- WNT DARM, derm - 4) Bij vergelijking, in Z-Ndl.: lange, dunne, buigzame buis of slang.

 

drme

zelfstandig naamwoord, meervoud van drm

darmen, ingewanden

- WBD III.1.1. lemma ingewanden - frequent noordelijk Tilburg

 

dees, deeze

aanwijzend voornaamwoord

deze; dit

deze: dees knder; dees tffel, dees straot, deeze waoge, deezen dag

dit: dees knd, dees strtje

- Karel en Sjarel; dialoog in Groot Tilburg, 27 april 1945 - Den eene zom dees en den aander zom d, mar 't za naa niemir noodig zn.

- Cees Robben; Prent van de week, Roomsch Leven 1966-10-21  - ...zeure, dan om dees of d...

- Cees Robben; Prent van de week, Nieuwsblad van het Zuiden, 1981-01-30 - Ik z dees jaor feftig jaor stikkedoor...

- Cees Robben; Prent van de week, Nieuwsblad van het Zuiden, 1974-04-19 - Zn dees aaier vors, baos..?

- Cees Robben; Prent van de week, Nieuwsblad van het Zuiden, 1979-06-?? - Bij dees heerlijk jubileum heurt gatsamme n Te Deum

- Cees Robben; Prent van de week, Nieuwsblad van het Zuiden, 1978-02-10  - En naa mee dees schuupke spaoide n spit diep n enkelt gat...

- Cees Robben; Prent van de week, Roomsch Leven, 1960-05-06 - Dees buske blommen/ Is vur jou...

- Cees Robben; Prent van de week, Nieuwsblad van het Zuiden, 1976-06-12 - Mee dees [mooi] weer laot ik munne borstrok en boezeroen mar is uit...

 

T-shirt met reclame voor de Kringloopwinkel Tilburg (2018). Foto: CuBra.

 

- Paul Spapens e.a.; Goedgetld, diksjenr van de Tilburgse taol, 2004 - deeze kaant - bezuiden de spoorlijn [in tegenstelling tot het Tilburg benoorden de spoorlijn: geene kaant]

zelfstandig naamwoord

een bepaald iemand die eerder genoemd is; alleen met betrekking tot mannen; als het een vrouw betreft is de constructie eenvoudigweg heur.

- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1964-11-06 - Om meej dn dieje te kunne akkerderen (...) moette schaopebloed hebbe...

- WTT, aanvulling Hans Hessels, 2021 den deeze werd ook gebruikt ter vervanging van ik of mij als iemand over zichzelf spreekt.

- WTT, aanvulling Ed Schilders, 2021- een combinatie van de aanwijzende betekenis deze en die werd in de jaren 60 nog gebruikt in een ritueel onder schooljongens die dreigden met elkaar ruzie kregen, en tegelijk om een dergelijk gevecht te vermijden. Een van de jongens stak dan een vuist op en zei: Ziede dn deeze? Zonder het antwoord af te wachten volgde dan de andere vuist met de mededeling Ds n bruur van dn dieje.

Aanvullende bronnen

- Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch, 1899 - dedeze, dendeze(n) (mannelijk); dedees (vrouwelijk); (he)tdees (onzijdig) deze; dendezen is mijn bruur

- Lex Reelick; Bosch woordenboek, 1993 - dees - deze; de die of de dees?

- WNT deze - dees

 

deestij

bijwoord

samentrekking van deze + tijd

- In Van de Schelde tot de Weichsel; deel 1, 1882; Een roestpraatje; Weekblad van Tilburg, 1867-10-05 - De s deestij s jaors toch geenen stiel van doen [geannoteerd als op dit getijde van t jaar]

 

deeting

zelfstandig naamwoord

dating; afspraken maken (op het internet)

- F. van der Meer; Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010 - Ik doe veul kke nr deeting. Wittenie? Dgge dus kunt aafspreeke meej n vrouwke.

 

deezjeneeke

zelfstandig naamwoord

ontbijtstel; uit Frans un djeuner; deezjenee met verkleining

- Ed Schilders; WTT 2012 - niet als zodanig opgetekend maar zie:

desineetje

 

dk

zelfstandig naamwoord, onzijdig

- WBD   paardedeken (tegen de regen of als het paard zweet); Hasselt

 

dkke

werkwoord, zwak

dekken

- Mandos; Brabantse spreekwoorden, 2003, opgetekend Tilburg 1950 - Veel moeten dekken en schijten. In stilte veel hulp verlenen.

Aanvullende bron

- WBD III.4.2:25 dekken; ook bespringen, rijden

 

dkker  

zelfstandig naamwoord

(dak)dekker

- Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs Dialect, 1916 - " t is zo als t valt", zei den dekker. "Het is zoals het valt", zei de dekker. Zeispreuk. Dit is een uiting van berusting of fatalisme.

 

dkske

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

dekje, dakje

- WBD onderzadel; vilten of kussenachtig geheel dat onder het paardezadel ligt (in Hasselt)

 

dl

zelfstandig naamwoord

del

vrijwel altijd van toepassing op vrouwen, bij Daamen echter verrassend opgetekend voor de man:

- Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs dialect, 1916  - del - ge bent ne viezen del; vuile man, jongen

Aanvullende bronnen:

- WBD III.2.2:113 del - zedelijk slecht meisje

- WBD III.4.4:145 del - dal

- WNT - del - slonzige vrouw, slons, sloerie, slet

- MNW delle, dille - babbelaarster, klappei; ook meisje in het algemeen

- C. Kiliaan; Etymologicvm Tevtonicae Linguae; editie F. Claes, 1972 dille, dilleken - klappeye

 

dlk

aanwijzend voornaamwoord

alleen in gebruik als reactie of dooddoener op de vraag wlk?

- Aantekening op systeemkaart Sterenborg; Informant Toine Raaimakers; datum onbekend - Als correctie op het niet met-twee-woorden-spreken luidt soms [op] het vraagwoord welk? (wat?) het antwoord dlk! (dat!)

 

deluuvie

zelfstandig naamwoord

verbastering van de verouderde geologische naam voor het pleistoceen: diluvium. Tijdens het diluvium zou de zondvloed hebben plaatsgevonden, waardoor deluuvie ook in gebruik lijkt te zijn geweest als beeld voor wateroverlast.

van een oudere generatie, iets dat, of iemand die ouderwets of verouderd is

Zie aawluuvie

- Mandos; Brabantse spreekwoorden, 2003, opgetekend in Tilburg 1969  - Dat is er nog een van d'aaw deluvie. Dat is er nog een van de oude deluvie. Dat is iemand van de oude stempel.

- Paul Spapens e.a.; Goedgetld, diksjenr van de Tilburgse taol, Tilburg 2004 - aawluuvie - van de oude stempel; van vr het diluvium (de zondvloed).

wateroverlast

- Frans Verbunt zondvloed; uit Frans dluge [zondvloed]

- Paul Spapens e.a.; Goedgetld, diksjenr van de Tilburgse taol, Tilburg 2004 - deluuvie - zn - zondvloed (Fr: le dluge). Ze ha meej et dwle de kraon oope laote staon n d wier me toen toch en deluuvie: ze had bij het dweilen de waterkraan open laten staan en dat werd toen toch een natte boel!

- Ed Schilders; WTT 2021 Een bewijsplaats voor de natte boel wordt niet gegeven. Mandos tekende deze situatie op voor Breda in 1892: 'n Ware deluvie. Een ware deluvie. Een echte zondvloed; als er grote lekkages waren of met veel water geknoeid werd.

► aawluuvie

 

demastmesjien

zelfstandig naamwoord

damastmachine, weefgetouw om damast te weven

- WBD II:1038 demastmesien - damastmachine

 

dmpeg

zelfstandig naamwoord

kortademig, aamborstig

- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1959-03-07 - k Waar n weltje trug z dempig/ kort van ossum...

- Stadsnieuws; dialectrubriek, 2007-10-10 - As ge veul in de stobber moet wreke, dan wrde op den duur dmpeg. - Als je vaak in een stoffige omgeving moet werken, dan word je op de duur kortademig.

Aanvullende bronnen:

- Jan Naaijkens; D's Biks, 1992 - dmpig - kortademig

- Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch, 1899 - dempig (in de Kempen ook dampeg), kortademig, kortborstig

 - Leo Goemans; Leuvens taaleigen, 1936 dempig, dmpeg - Dampig in den zin van aamhechtig; opgezwollen van het veel eten. Gezegd van paarden en menschen.

- J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen, 1836 dempig voor dampig, doch alleen wanneer van een aamborstig paard gesproken wordt.

- C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal [Udenhouts], 1978 dampig, dmpig -  (van paarden en mensen gezegd) aamborstig, kortademig

- A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - dempig, kortademig, aamborstig (van paarden en mensen)

- WBD - dmpeg - kortademig (bij paarden)

- WNT - dempig - aamborstig, kortademig

 

den

lidwoord

de

de n wordt ingevoegd om de woorden te verbinden; den wordt dus uitgesproken als dn.

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek, 1998 - As d lukt, dan kalleft den os. - Als dat lukt, is het een wonder.

 

Den Bos

zelfstandig naamwoord; toponiem

Den Bosch, s-Hertogenbosch

- Mandos; Brabantse spreekwoorden, 2003, opgetekend in Tilburg 1950 - In Den Bosch op de wal schifjen mag ook niet en dat doen ze ook wel. Reactie van iemand die bezig is met iets dat niet mag en daarop geattendeerd wordt.

 

den onze(n)

zelfstandig naamwoord

echtgenoot; dus gezegd door een vrouw [een man zou over zijn echtgenote zeggen: die van ons]

- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1964-11-06 - Ik en dn onzen

- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1965-04-16 - Wek van den onzen krg...

 

denaop, deneezel, denl, dens

samentrekking

de aap

de n wordt ingevoegd om het lidwoord te verbinden met het zelfstandig naamwoord

- Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1986-11-21 - [Onderwijzer tegen leerlinge...] Maaike... noemt na is ennigte naome van diere die meejen N begiene... Denaop, denos, denezel, en denuil, mister...

 

dngbaor

zelfstandig naamwoord

denkbaar

verandering van k in g; vergelijk bngske in plaats van bnkske

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - dengbaor

 

 

Houten beeld van Dionysius uit de zeventiende eeuw; uit bezit van Kolveniersgilde Sint-Dionysius

 

Denies, Sint

eigennaam

de heilige Dionysius (van Parijs)

- Ed Schilders; WTT 2012 - De naam Denies (de s wordt al dan niet uitgesproken) is de Nederlandse variant van het Franse Saint Denis (de s wordt in het Frans niet uitgesproken). In Vlaanderen en Nederland werd de naam van de heilige ook wel geschreven als Denijs, met als gevolg dat de naam ook met  een ij-klank werd uitgesproken. Sint Dionysius is de stadspatroon van Goirle en Tilburg, maar ook patroonheilige van de parochies Heike, Goirke en Korvel. De R.K. Werkliedenvereniging (1896-1921) werd naar hem vernoemd, evenals het Kolveniersgilde dat in 1665 werd opgericht. Uiteraard heeft hij ook een straatnaam.

 

Dionysius in het portaal van de kerk van het Heike (links) en in het 'Norbertijnenpoortje' bij de kerk van het Goirke. Foto's WTT.

 

- Ed Schilders; WTT 2012 - De naam Denijs was redelijk gangbaar als voornaam van jongens. Een Tilburgs gezegde luidde: Sint Denijs/ Patroon van Tilburg en Parijs. Denijs wordt dus niet dialectisch uitgesproken, wat wel het geval is met Diejenies, Denies.

 

Aankondiging van de opening van Leesbibliotheek St. Dionysius, 1909. Rechts: scne uit de Tilburgse revue Nostalgie in Tivoli (2007) met Dionysius en 'Jan kopaaf' de volksnaam voor de onthoofde Johannes de Doper in Goirle.

 

- Ed Schilders; WTT 2012 - Volgens de legende stierf Dionysius in de derde eeuw de martelaarsdood als bisschop van Parijs. Hij werd onthoofd op Montmartre (Berg van de martelaar), maar nam niettemin zijn hoofd op en liep door tot de plek waar nu de kathedraal van Saint-Denis staat. Dionysius wordt daarom vaak afgebeeld zonder hoofd op de schouders maar terwijl hij het in de handen houdt. Modernere afbeeldingen zijn minder macaber en laten hem zien met twee hoofden, het afgeslagen hoofd wordt dan vaak afgebeeld op een schild. Zijn feestdag is 9 oktober.

 

Kees Mandos

 

dnk

samentrekking

denk ik

- Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1970-03-13 - En naa denk dek munne startschroef heb begerbeleurd.

 

dnke

werkwoord, zwak

denken

dnke - dcht - gedcht

- Mandos; Brabantse spreekwoorden, 2003, opgetekend in Tilburg 1966 - Denken en gissen kan wijd missen. Denken en gissen kan ver missen. Reactie op: "Ik denk.... ik denk..."

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996

in 2e pers. en 3e pers. enk. presens wordt in het cluster nkt de k verzwegen - dngt

Aanvullende bronnen

- A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant; Antwerpen 1952 -
 hij heej gezeej dttie n me zal dnke

- A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - zw.ww. - docht - gedocht: denken

- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch - 1899 - GEDOCHT, in 't W. ook GEDOECHT: 3e hoofdvorm van 'denken'

 

der

bijwoord, voornaamwoord

daar, er

- Voorbeeld op systeemkaart Sterenborg - der was is - er was eens

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 als objectsencliticum: -er / -der

 

der

bezittelijk voornaamwoord

haar, hun

haar

- Wil Sterenborg; aantekening op systeemkaart, ongedateerde citaten ui prenten van Cees Robben; - dan haawt ze meej der knder saome! ze haawt deren pot stf ...

- Kernkamp; Dialectenqute, 1876 - durren vrier is rg ziek; als in gte (geiten)

hun

- Cees Robben; Prent van  de week, Nieuwsblad van het Zuiden 1983-10-07 - de miste kasteleins dope dere sneevel...

 

dr

bijwoord, tussenwerpsel

daar

- Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); Kareltje Vinken, feuilleton in 10 afleveringen;  Nieuwe Tilburgsche Courant, 1940-04-13 - 1940-08-24 - En gij ne klont boter, dr dan!

- Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); Kareltje Vinken, feuilleton in 10 afleveringen;  Nieuwe Tilburgsche Courant, 1940-04-13 - 1940-08-24 - Staank veur daank, dr, ds alles!

Aanvullende bronnen:

- A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - der (al of niet met veel klem gezegd) daar; Kreeg ik dien appel? Dr heddem., respectievelijk Der hddem!

- WNT der - bijvorm van daar; met klemtoon: daarheen, daar, alleen in de verbinding her en der; hierheen en daarheen, hier en daar

 

derbij, durbij

bijwoord

daarbij

- Karel en Sjarel; dialoog in Groot Tilburg, 1945-01-19 - En dan durbij vraog ik mn ge wellis aaf of...

 

drde

zelfstandig naamwoord, onzijdig

derden

- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1968-11-01 - khem tegen t derde verzekerd mar hij is nog alle riks werd... [Robben gebruikt het woord in combinatie met verzekeren van een auto: verzekerd tegen aansprakelijkheid door derden. alle riks = all risk.

 

derdeur

voornaamwoordelijk bijwoord

erdoor, erdoorheen

- Interview Van den Aker, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2014 - Mn vadder ha vruuger, die was timmerman, die ha zon str gemkt. Zon, zon, zon, zon dinge rond gemkt n dan zon spilleke derdeur n wirskaante en str, en str gemokt. Zo van die hout mar, n dan hj ie onder de dinge zon, onder spilleke en touwke aon en agge dan trok dan begs die strre rond te draajen, h! Klik hier om dit bestand te beluisteren

 

drds

telwoord

derde

verkorting van drdes

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek, 1998 - derde

 

derge

voornaamwoord

samenstelling van der (haar, hun) en eigen; zich, zichzelf

- Kernkamp; Dialectenqute, 1876 - Ze laote derge waasse - zij laten zich wasschen

- Kernkamp; Dialectenqute, 1876 - Ze kunne derge nie verdiffendre - ...verweren zenge

 

dere(n)

bezittelijk voornaamwoord

haar, die van haar

- WTT; Ed Schilders, 2016 - van dur (haar); dur wordt durre als een mannelijk zelfstandig naamwoord volgt; de n dicht het hiaat als dat zelfstandig naamwoord met een klinker begint.

- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1955-08-06 - n Stuup knd vur durren aauwer..!

- Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1978-08-18 - Ik kan nie op durren naom komen...

- Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1985-02-15 - Die fn trip (...) mee dr prevelementje en durre seklaade...

 

der onder gaon

uitdrukking

begraven worden

- Cees Robben; Prent van de Week, Nieuwsblad van het Zuiden, 1975-07-04 - Of ge naa begraove wordt in n kiest van waai-bme-hout of van ke... dr onder gaode...

 

drriejre

zelfstandig naamwoord; uit Frans derrire

achterste, achterwerk

- Ed Schilders; W zeetie?; website Brabants Dagblad Tilburg Plus, 2009 - Mar as ge unne stinpst op oewen drriejre had, n as bidde nie hielep, dan moeste bij t feitvrouwke van Van Hees zn. Die mkte dr ge zallefkes. Vur pste, kseem, fratte, padscheete, n alles.

 

drve

werkwoord, sterk

missen

drve dierf - gedrve

- Een roestpraatje; Weekblad van Tilburg, 1867-10-05 - En daor en up spinningen kan i zen wammis niet derven. [op een feestje voor ongehuwde jongelui kan hij zijn zondagse wambuis (hemd) niet missen]

- A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - missen

 

desineetje

zelfstandig naamwoord

geschenk bij het feest van de Eerste Heilige Communie, ontbijtstel

- Elie van Schilt; As ge katteliek geboren wierd; CuBra, circa 2000 - Mar de communiedag zelf, dan was er fist, dan kwamen de femielie en ok de buurt mee kudokus, rpen sjoklade mee un communieprentje, un bildje van unne heilige, unne rzenkraans, unne nuuwe kerkboek, van opoe en opa kreegde mistal un desineetje. Det was un botterhammenbordje en un kumke mee un schoteltje, op die bordjes stond dan unne communiekaant en verder nog Ter herrinnering aon oe heilige communie.

- WTT 2012 - De weergave door Elie van Schilt (boven) is waarschijnlijk erg lokaal, zo niet familietaal. Het woord lijkt immers een verbastering van het Franse djeuner, in het Nederlands in gebruik voor ontbijtstel. Zie WNT lemma djeuner, 1910. De Tilburgse uitspraak zou dan eerder deezjneeke zijn of  deezjeneeke.

 

Traditionele cadeautjes voor een communicant - onderaan: een djeuner

 

dske

zelfstandig naamwoord

verkleinwoord van das

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek, 1998 - dasje, sjaaltje

 

dsneteur

zelfstandig naamwoord

weefpatroomontwerper; uit Frans dessinateur

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek, 1998 - dessinateur, weefpatroonontwerper (textiel)  

  

dstag

zelfstandig naamwoord

dinsdag

- Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1971-06-04 - as d ons taante Toonia tstag-taate-middag komt... [dinsdag na de middag]

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven); In et zwet van oe aonschn; ongedateerd knipsel; Tilburgse Koerier, 1960-1980 - Ik was blij dk wir nt wrk kos gaon/ en dstag smrges vruug.

Aanvullende bronnen

- Kernkamp; Dialectenqute, 1876 - densdaag - dinsdag

- WBD III.4.4:126 desdag - dinsdag

- J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen, 1836 - zie diessendag

- A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 densdag, dijnsdag - dinsdag.

- Leo Goemans; Leuvens taaleigen, Brussel 1936 - dinsdag

- Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch, 1899 destdag dijnsdag; ook destag

 

dstaggemerege

zelfstandig naamwoord

dinsdagmorgen

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek, 1998 - dinsdagmorgen

 

dtteme

zelfstandig naamwoord

dattum

- Cees Robben; Prent van de Week, Nieuwsblad van het Zuiden 1971-04-24 - Dan heese-me-nogal-w... J zeker, z van dtteme van die-kom-sa van hedde-me-nie-gezien.  [Robben gebruikt hier drie informele typeringen om de borstomvang van een vrouw aan te duiden.]

- WTT; aanvulling 2021 in de informele taal meestal gebruikt met een gebaar; vergelijk het gebaar van de duim en wijsvinger die over elkaar worden gewreven om geld aan te duiden: van dattum.

 


Illustratie: Rolf Janssen

 

df, dve

Ill.: Naumann - houtduif - columba palumbus Ill.: Naumann - tortelduif - streptopelia turtur

zelfstandig naamwoord

duif

dfke

- Cees Robben; Prent van de week, Nieuwsblad van het Zuiden, 1972-06-16 Trouwen jonge... Ge kunt veul beter duiven haauwe...

- Interview Jolen, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2013 - Dve wl! Dve wl! Daor was mn bruur meej van de biste van hier in Tilburg... Willeke Jolen! D was ene goeje liefhbber. n ik hb ok goej dve gehad! Goej prze verdiend!

► KLIK HIER om naar de pagina met de audiobestanden van dit interview te gaan

- Interview Jolen, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2013 (...) Frankrijk n, n, n dan ginget hier, dan ginget van vurraon aaf, h. Van Baarle Nassau ging d omhog, h J, de irste vluchte kwaampe van, mist van Baarle-Nassau n ge had wir aander vereeneginge die vloge den aandere kaant irst t. De was sondagsmreges aatij dve lope h, dve lope

► KLIK HIER om naar de pagina met de audiobestanden van dit interview te gaan

 - Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek, 1998 - 'dve-lope' -estafetteloop met duif, vanaf het duivenkot naar het clublokaal, om deze te klokken

- WBD III.4.1:120 'duif - algemeen en vrouwelijke duif

- WBD III.4.1:121 'koolduif' - houtduif (Columba palumbus)

- WBD III.4.1:121 'bosduif' - houtduif (Columba palumbus)

- WBD III.4.1:121 'wilde duif' - houtduif (Columba palumbus)

- WBD III.4.1:123 'tortelduif' - tortelduif (Streptopelia turtur), ook

'tortelduifje' genoemd

K. de Beer - Tilburgs Bijnamenboek (2000) - de dve = dames Diepen (blz.33)

K. de Beer - Tilburgs Bijnamenboek (2000) - de grze df = mej. Paijmans (blz.105)

 

- Karel de Beer; Tilburgs Bijnamenboek, 2000 - de dve - dames Diepen

- Karel de Beer; Tilburgs Bijnamenboek, 2000 - de grze df - mejuffrouw Paijmans

- WTT; aanvulling 2021 door Hans Hessels- grze df wordt algemeen gebruikt voor grijsharigen.

Aanvullende bronnen:

- WBD III.4.1:120 - duif - algemeen en vrouwelijke duif

- WBD III.4.1:121 koolduif, bosduif, wilde duif - houtduif (columba palumbus)

- WBD III.4.1:123 - tortelduif - tortelduif (streptopelia turtur), ook

tortelduifje genoemd

 

deuge

werkwoord, zwak

deugen

deuge - dugde - gedeuge

vocaalkrimping, ook in tegenwoordige tijd; gij/hij dugt

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - gedugd

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 deuge, geducht; deuge - dugt (vocaalkrimping)

- A.J.A.C. van Delft; Van Vroeger Dagen, aflevering 109; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1929-04-13 Van mekaar meugen ze niet en bij mekaar deugen ze niet, zegt men over een echtpaar, dat veel kijft en over kleinigheden twist.

Aanvullende bron:

- WBD III.1.4:320 - van geen kanten deugen - zich als een beest gedragen

 

deugeniet

zelfstandig naamwoord.

deugniet

- Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); De nuuwe kapelaon van Baozel, aflevering 9; Nieuwe Tilburgsche Courant, 26-11-1938-11-26 t Is nen losbol, t is nen deugeniet...

 

deugnieterij

zelfstandig naamwoord

kwajongensstreken (uithalen)

- Interview Van den Aker, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2014 () n deugnieterij hbbek not gin tgehld hor, flauwekul n zo

Klik hier om dit bestand te beluisteren

dk

zelfstandig naamwoord

deuk

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 meervoud deuke naast enkelvoud deuk; ook dk, meervoud deuke.

 

dke

werkwoord, sterk.

duiken

dke - dok - gedooke

in tegenwoordige tijd vocaalkrimping; gij/hij dkt

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - verleden tijd dok, maar dokte gij?

 

dkele

werkwoord, zwak

- WBD III.1.2:11 - duikelen - vooroverduikelen; ook tuimele, stulpen

kpkedkele

 

dm, dme

zelfstandig naamwoord

duim; lengtemaat en lichaamsdeel

lengtemaat van 2,87 cm, verdeeld in 4 kwartier 0,71 cm; 10 dm = een voet 0,287 m, waarvan er 20 een roede maakten, 5,75 m (in Tilburg in gebruik vr de invoering van het Nederlands Metriek Stelsel, 1820)

dmke

- Cees Robben; Prent van de week, Nieuwsblad van het Zuiden, 1979-09-14 Ik haauw nie van zuutighed... en t spek moet unne duim dik zn...

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek, 1998 - K-stao hier mar dme te draaje. - Ik sta hier mijn tijd te verdoen.

 

dmsjp

zelfstandig naamwoord

duimdrop, zachte drop die op de duim plakte om opgesabbeld te worden

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven); Gao de cnt foetsie?, ongedateerd knipsel; Tilburgse Koerier, 1960-1980 - Gin dmszjp mir bij Sjoo de Lpper/ Alle cnte die zn op.

- Frans Verbunt; Tilbrgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - duimdrop

 

dne

zelfstandig naamwoord

duinen

- Voorbeeld systeemkaart Sterenborg - de Druunense en de Lonse dne

- Mandos; Brabantse spreekwoorden, 2003, opgetekend in Tilburg 1976 - Tussen duin en dk. Tussen duin en dijk. Tussen neus en lippen; tussendoor.

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek, 1998 - Gaode soomers meej de knder nr de dne, et kan nie fnder!

 

deur

1. zelfstandig naamwoord

deur

durke

- A.J.A.C. van Delft; Van Vroeger Dagen, aflevering 109; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1929-04-13 - Ze kunnen niet door n deur in en uitgaan - Ze kunnen als man en vrouw niet in vrede leven

- Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek, aflevering 149, Nieuwsblad van het Zuiden, 1972-02-10 - De tijd dat er mensen met kleine negotiewaren of met "ellegoed" langs de deur kwamen (dit laatste noemde men "met het pak gaan"), is lang voorbij en daarmee is ook de hieraan verbonden uitdrukking in het vergeetboek geraakt. Men noemde deze wijze van handel drijven "Met bliksem en onweer langs de deur gaan". Waarmee wel bedoeld zal zijn dat dit soort kooplui er "weer of geen weer" op uittrok.

- Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek, aflevering 187, Nieuwsblad van het Zuiden, 1974-07-15 - Een dergelijke attractie [namelijk met de harmonie over straat lopen] bleek uiteraard niet weggelegd voor een kind, dat van zijn moeder de opdracht had "op de deur te passen". Wie zich hiervoor gesteld zag, had tot taak op het hele huis "te passen", niet om te voorkomen dat het zou weglopen, maar wl met de bedoeling zowel gewenste als ongewenste bezoekers op te vangen.

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek, 1998 - Dur de drukte kosse me-r nie deur Door de drukte konden wij er niet door.

- Ed Schilders; W zeetie?; website Brabants Dagblad Tilburg Plus, 2009 - Mar wij leerde van ons moeder: As r twee deure teegenoover mekaare oope staon, moeter en dicht doen. En zo ist. Dan was alles wir klaoren blom en dikke mik.

Aanvullende bronnen:

- Kernkamp; Dialectenqute, 1876 - vur de deur

- WBD - staldurke - de grote dubbele deuren die toegang geven tot de koestal

- WBD - schuurdeur, schuurdeure - schuurdeur (bestaande uit twee vleugels)

- WBD - ovendeur (van een bakoven; van hout of ijzer)

2. voorzetsel, bijwoord

door

dur

- Voorbeeld op systeemkaart Sterenborg - Dur de drukte ksseme der nie deur.

- Voorbeeld op systeemkaart Sterenborg - Tis zis uur deur - Het is over zessen

- Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); Oome Teun als opvoeder, feuilleton in 6 afleveringen; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1940-03-02 - 1940-04-06 - Gao liever naor bed, want et is al lang negen uur deur!

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - durlope - lopt is en bietje deur

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 deur; dur (als werkwoordelijk-deel)

Aanvullende bronnen

- J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen, 1836 - deur - in stede van door; reeds bij Kiliaan; geene verbastering, doch zelfs ouder dan door.

- Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch, 1899 - deur door, er doorheen, voort, weg, voorbij; hij is al meer as en uur deur; de(n) kwa(d)e deur zijn

 

deurgat
zelfstandig naamwoord.

deuropening  

- Kubke Kladder (pseudoniem van Pierre van Beek); t Klokhuis van Brabant, aflevering  7; Nieuwe Tilburgsche Courant; 30-11-1929-11-30 - Gelukkig schent de wenter t deurgat van ons laand nog nie te kunnen vnen om binnen te kruipen.

 

deurgebont

zelfstandig naamwoord, onzijdig

deurstijlen

- Voorbeeld op systeemkaart Sterenborg - in et deurgebont staon - in de weg staan

- J.M. Van der Donck, in Joh. A. Leopold en L. Leopold; Van de Schelde tot de Weichsel, deel 1; Mooi Truike, 1882 - in t durgebont ; daar geannoteerd met deurgebint, op den drempel

- Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1983-03-25 - Mee oew luie kont (...) in t deurgebont...

- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1961-09-15 - Het gammel deurgebond

- Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); Oome Teun op collecte, feuilleton in 3 afleveringen; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1939-08-12 - 1939-08-26 - Oome Teun kwaam mee zn pijpken in de mond in et deurgebont staon...

- Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); De nuuwe kapelaon van Baozel, aflevering 11; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1938-12-10 - Den herbergier zee: Die kunnen deur de vensters kijken en in et deurgebond staon, daor is plaots genog.

- Theo de Wijs; schriftelijke mededeling aan Cees Robben, 1962-07-18 - Rijd den kreugel mar deur t deurgebint int schop

- Frans Verbunt; Tilbrgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - in et deurgebont staon - in de weg staan

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek, 1998 durgebont - deurstijl

Aanvullende bron:

- WBD gebinte; balkenstelsel bestaande uit 2 stijlen en 1 ankerbalk

- Jan Naaijkens; Ds Biks, 1992 - durgebnt - deurkozijn

 

 

dvemlker

zelfstandig naamwoord

duivenmelker

- Pierre van Beek; Typisch Tilburgs, aflevering 11; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1958-01-10 - Liefhebbers van de duivensport zijn duivenmelkers

- Tony Ansems; Pieter Post plein; cd Tilburgse Liekes American Style, 2008 - Ut Caf zaat wir vol mee deuvemellekers...

Aanvullende bron:

- WBD III.3.2:241 - dvemlker, ook poeler

 

deuverik

zelfstandig naamwoord

deuvik, deuvel

- WBD II:2749 - deujverik - drevel/deuvel  

- WNT deuvik - eene afleiding van denzelfden stam als deuvel; houten pin, die eene opening in een vat sluit

 

deuzeg

bijvoeglijk naamwoord

duizelig, licht in het hoofd

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek, 1998 - dzeg - afwezig, in gedachten

- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1960-02-12 - [Vraag aan een zieke...] Hoe is ter meej bruur... [Antwoord...] Nog aaltij deuzig war...

- Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1970-01-02 - deuzig en zat...

- Paul Spapens e.a.; Goedgetld, diksjenr van de Tilburgse taol, 2004 - enen deuzege - een slome; mannelijk equivalent van dos

- Stadsnieuws; dialectrubriek, 2006-07-26 - Ons oopoe waar aatij en vief wfke gewist, mar op et list wier ze tch en bietje deuzeg - ... een beetje suffig

- Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs dialect, 1916 - deuzig - duizelig

Aanvullende bron:

- WNT - deuzig - dozig - van denzelfden stam als duizelen, maar met korten stamklinker. 1) duizelig, draaierig; 2) slaperig, suf, soezig; 3) beneveld, verward, verhit; 4) stompzinnig, bot, stomp

  

dzeleghd

zelfstandig naamwoord

duizeligheid

- WBD III.1.2:226 - duizeligheid - duizeling, duizeligheid

 

di

werkwoord, persoonsvorm

deed, deden

din

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - di-degj, gj di-get; ik dee/ di

doen

 

dichtbij n vraaf

gezegde

eufemisme voor dronken, aangeschoten

- Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden; 1972-07-21 - Zat was ik nie (...) mar (...) verrekte dichtbij en veraaf...

 

dichtenbj

bijwoord

dichtbij, na(bij)

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek, 1998 - dichtenbj - dichtbij, op korte afstand

Aanvullende bronnen

- A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - dichtenbij, dichte bij

 

dichtnpe   vervolledigd

werkwoord

dichtnpe nep dicht dichtgeneepe

dichtknijpen; hier om een sterfgeval aan te duiden

- Cees Robben; Prent van de week, Roomsch Leven, 1964-06-05 - [Een aanzegger spreekt] - Merie heeget laote schiete.../ Van de mrege om vf uure/ Heese dr gat dichtgeneepe...

 

dichthd

zelfstandig naamwoord

dichtheid

- WBD II:1047 - dichthd - dichtheid (van de binding), ook krsing genoemd

 

die

die

zelfstandig naamwoord

- Voorbeeld op systeemkaart Sterenborg - wordt bij zelfstandig gebruik voorafgegaan door een lidwoord: den dieje, de die,

die van mn - die van mij, mijn echtgenote

- Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1979-05-18 - Ongelk isser bij die van men nt bij... Ze haauwt aaltij dren pt stf...

den dieje

geld, contanten; altijd voorafgegaan door den en eventueel begeleid met telgebaar van duim en wijsvinger

- Voorbeeld op systeemkaart Sterenborg - agge den dieje mar genog ht! geld, contanten [den dieje gaat dan altijd gepaard met een gebaar waarboij de duim- en wijsvingertop over elkaar worden gewreven].

- Interview Van den Aker, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2014 - Et ging oover den diejen, h meer gld Ndderaand hbbe ze d gedaon gekreege, zo stillekes aon, h.

Klik hier om dit bestand te beluisteren

Aanvullende bron:

- Jan Naaijkens; Ds Biks, 1992 - dieje (den) - geld

- J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen, 1836 - Veel hoort men hier de die met nadruk, in tegenoverstelling van de andere of een soortgelijk woord. 

aanwijzend voornaamwoord

- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1956-03-17 - Kek diejen bok is..!

- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1960-11-04 - Diejen stobbernist...

- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1968-11-15 - Kik-is-eens-aon... W diejen meens nog gezwakt is...

- Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1971-10-01 - Hoe hiet dieje meens, moeder...

- Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1979-11-02 - Dieje weg (...) die rchtevort naor t geboer van de Van de Braante lopt...

- Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1984-03-02 - Dieje aauwe Sjassee daor ...

- Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1981-10-09 - [Vrouw bij marktkraam...] Dieje appel is z rot as n mispel, Martien ...

dieder, van die, van haar, dier

- Voorbeeld op systeemkaart Sterenborg - n dieder grutvadder hj en prd

Aanvullende bronnen:

- C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - DIEDER aanw. vn, van die (die daar?) b.v. in de uitdrukking - 'van dieder dikte' - ongeveer zo dik (gellustreerd met een gebaar)

- Jan Naaijkens; D's Biks, 1992 - dieder - voornaamwoord  van die, van haar; diedere mins is kaaj gk.

bepalingaankondigend voornaamwoord

degene die

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - Wie ...? Den dieje die daor nkomt. - Degene die...

betrekkelijk voornaamwoord

diek, samentrekking van die + ik

bijwoord

dies; verouderde tweede of vierde naamval van die; daarom, om die reden; plechtstatig gebruik; tegenwoordig soms nog gebruikt in de tweede naamval: wat dies meer zij, meer dergelijks

- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven. 1966-09-16 - Dies verzuuk ik oe ootmoedig...  [een missionaris schrijft een brief aan zijn bisschop...]

in een bijwoordelijk bepaling

...diege-me-daor-staot..., ...die je bent...

- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1967-06-03 - Lillukke drn-r diege-me-daor-staot...

 

diedjee

zelfstandig naamwoord

acroniem van disc jockey, Engels uitgesproken dj

- F. van der Meer; Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010 - Azzik bij jou ths maag znde, meude gij diedjee wrre, meude hil den dag goei meziek draaie

- F. van der Meer; Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010 - Dus meense, ammel aafstmme op Radio Moonbeam, meej kaaigoei plaote n profsjenele diedjees.

 

diejabooloowe

werkwoord, zwak

het kinderspel diabolo spelen  

- Interview echtpaar Staps, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2015 - op de Krvelseweg moeste aanders diejabooloowe meej zon gummieringeskes aon, h. Dan krede bij de margariene krede zonne, cht zonnen blkke diejabooloow, h

- Interview echtpaar Staps, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2015 - Repe n, n touwke springe n diejabooloowe!

 

diejagonaol

zelfstandig naamwoord/bijvoeglijk naamwoord

diagonaal

- WBD II:917 diejagnaol; als dessin voor weefsels

 

diejooraama

zelfstandig naamwoord, onzijdig

diorama

- Ed Schilders; W zeetie?; Website Brabants Dagblad Tilburg Plus, 2009 - Op den Heuvel koste vruuger in et Diejooraama zien hoe wrem de Lappe onder die Tilbrgse AaBee-deekes laage.

- WTT; aanvulling 2018 - In Tilburg - het diorama van wollenstoffenfabriek AaBe, ook wel de etalage van AaBe genoemd. Deze levensgrote opstelling bevond zich in een etalage aan het Heuvelplein bij het busstation, en was s avonds hel verlicht.

Aanvullende bron:

- Van Dale - van Grieks dia, doorheen, en horama, gezicht; kijkast waarin door bepaalde opstelling en belichting een perspectivisch effect wordt verkregen.

 

 

Foto: Regionaal Archief Tilburg

 

Het Diorama

Voor een grotere weergave KLIK HIER

 

Dezelfde voorstelling werd door AaBe gebruikt op de etiketten van de dekens

 

diekomsa, di-kom-sa

bijwoordelijke uitdrukking

van heb ik me jou daar; kom-sa uit het Franse comme a

- Naarus (pseudoniem van Bernard de Pont); Groot Tilburg 1941; CuBra - De straot waor tie wonde was nie bestraot, en d was me daor aaltij innen modderpoel van diekomsa. Mee in gewoon stotkrke koster nie deur kome of ge most wel mee zis man zn...

- Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); Bad Baozel, feuilleton in 8 afleveringen; Nieuwe Tilburgsche Courant 1938-12-31 - 1939-02-18 - En ze sloeg de deur mee nen bons van di-kom-sa aachter dren rug toe...

- Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); Oome Teun op collecte; feuilleton in 3 afleveringen; Nieuwe Tilburgsche Courant 1939-08-12 - 1939-08-26 - Hij hee-g-et verschrikkelijk hoog in znen test, mar t is naovenant nie van di-kom-sa!

- Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1971-04-24 - Dan heese-me-nogal-w... J zeker, z van dtteme van die-kom-sa van hedde-me-nie-gezien.

 

Dien

zelfstandig naamwoord, eigennaam, vrouwennaam
Dien, Dina, Dientje; verkorting van Huberdina, Geerardine, Bernardina, etc.; meestal vervrouwelijkte heiligennamen

- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1959-08-15 - Dien Verpaolen

- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1964-11-06 - Ons Dien...

- Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1982-01-22 - Dien Dankers

- Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1984-07-20 - Ziede d daor, Dien..!?

- Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1984-08-17 - Meude gij d van den dokter, Dientje..?
als schimpnaam

- WTT; aanvulling Hans Hessels, 2021 ook gebruikt in de scheldnaam schl dientje scheel meisje

 

diep

1. bijvoeglijk naamwoord .

diep, niet hoog

- WBD - diepe koej - koe met korte poten

2. bijwoord

ver weg, achteraf

- Theo de Wijs, schriftelijke mededeling aan Cees Robben, 1975-01-16 - Ze wnen z diep in, as ge denkt degger zt, zedder nog bij langenao nie

  

dierf

werkwoord, eerste en derde persoon enkelvoud verleden tijd van drve

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - diref durfde

 

diesterbuutie

zelfstandig naamwoord.

distributie, in het bijzonder de distributie van goederen in de Tweede Wereldoorlog

- we waoren gelaoien mee proviaand en diesterbuutiebonnekes (Naarus; pseudoniem van Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941)

 

digget

werkwoordsvorm van doen in de verleden tijd, samentrekking met de persoonsvorm, in dit geval in de verleden tijd

ik deet, ik deejet (de vorm ik dinnet is niet opgetekend)

jij, gij digget

hij, zij, het, et digget

[wij din et]

gullie digget

zullie dint, zullie dinne-n-et

- Voorbeeld op de originele systeemkaart van Sterenborg - Hij digget not nie goed

- Voorbeeld op de originele systeemkaart van Sterenborg - Na ik komt ook voor ik dit (in plaats van digget); daarnaast bij ik ook ik deet en ik deejet

Aanvullende bron:  

- A.A. Weijnen; Dialectatlas van Noord-Brabant, 1952 - ik, gij, hij, gllie digget

►doen  

 

dijben

zelfstandig naamwoord

dijbeen

- WBD - schenkel van een paard, ook dijben genoemd

- WBD III.1.1:168 bil - dij

 

dik

dik

1. bijvoeglijk naamwoord, verwijzend naar omvang

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek, 1998 - dikke mik meej zuure zult - prima voor elkaar, dik in orde

2. bijwoord (omvang) 

- Frans Verbunt; Tilbrgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - hoe wildet hbbe? dik, dun f dur en duukske?

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek, 1998 - Tis dik aon - het is nauwe vriendschap

- Frans Verbunt; Tilbrgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 -  dik doen n nie hbbe opscheppen

2.1 bijwoord (van frequentie)

dikwijls, vaak

- Voorbeeld op de originele systeemkaart van Sterenborg - Ge zaagt em nie dik op straot

- Jan Naaijkens; Ds Biks, 1992 - dik - dikwijls (dikker, dikkelder)

2.1.1 vergrotende trap van dik is

dikkelder, dikker

vaker

- Voorbeeld op de originele systeemkaart van Sterenborg - ge moet ene keer dikkelder koome - je moet een keertje vaker komen.

- Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); Bad Baozel, feuilleton in 8 afleveringen; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1938-12-31 - 1939-02-18 - Mieke Stok (...) zee d ze s mergens wel ns dikkelder n eindje opstapte

- Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); n Staandbild in Baozel, feuilleton in 4 afleveringen; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1939-05-20 - 1939-06-17 -...hij ha al dikker t plan gehad...

- Theo de Wijs; schriftelijke mededeling aan Cees Robben, 1964-08-17 - [bij knikkerspel...] naa hedde gij gewonne, mar ikke veul dikkelder

- Jan Naaijkens; Ds Biks, 1992 - dikkelder of dikker - vaker

Aanvullende bronnen:                    

- Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch, 1899 - dik - dikwijls, vaak; hoe dik valt da veur? dikkels en dikkes - dikwijls

- J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen, 1836 duk voor dikwijls, twelk ook wel eens door dik wordt uitgedrukt

- C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal, 1978 dik - dikwijls; dik zat - tamelijk dikwijls

- A.A. Weijnen; Dialectatlas, 1937 - Men zegt in T[ilburg] dikkels, in het echter dik.

- A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - dik - 1) voor tijd - dikwijls, vaak; 2) voor modaliteit - soms, bijgeval

- WNT dik - dikwijls, vaak; in dezen zin gewestelijk nog in gebruik, o.a. in Gelderland en de Kempen

- WNT - dikmaal en maal - uit dik (dat op zichzelf reeds de betekenis dikmaal heeft)

- Kernkamp; Dialectenqute, 1876 - dikkels, nog dikker - dikwijls, nog vaker

- Jan Naaijkens; Ds Biks, 1992 - dikkelder of dikker - vaker

 

dikkels

dikwijls, vaak

- Kernkamp; Dialectenqute, 1876 - dikkels, nog dikker - dikwijls, nog vaker

- Grot diktee van de Tilburgse taol, 2007 - Naa zn wrkende vrouwe hel dikkels mevrouwe...

- Piet Heerkens svd; Dn rgel, Blumke, 1938 - Och blumke,/ k heb oe zo dikkels bekeeke...

- Piet Heerkens svd; De mus, Kenderpraot, 1939 - Kender zie ik dikkels speule...

- Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); n Staandbild in Baozel, feuilleton in 4 afleveringen; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1939-05-20 - 1939-06-17 - ...en zoo gao-g-et mee de waorheid dikkels: er is geen plaats veur dr in de herberg!

- Piet Heerkens svd; De knaorrie, Van kwezels en ezels, 1949 -  Kwezels stoote dr teere teene/ dikkels tegen dezelfde steene...

- Naarus (pseudoniem van Bernard de Pont); column in Groot Tilburg, 1940 - t Is euwige sunt d de daog zo kort zn, en d t zoo dikkels kaoi weer is...

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven); Tilburgse Koerier, circa 1970 [over biljarters in het caf...] Ze motte dikkels smren...
- Cees Robben; De Prent van de Week in het zilver; Dn ooievaar, 1981 - We hebben dikkels zat spek op taofel...
- Rolf Janssen; We hebben gezongen..., 1984; opgetekend uit het veel oudere lied Onder de lindeboom - Wie kent er naa nie Lopend Joke/ die zie duh z dikkels op straot...
- Piet van Beers; CuBra, circa 2000 - ...den ngelbewaorder n de Romse Jeugd/ die laazeme zo dikkels asme konde./ n de Kattelieke Illustraasie/ wier ntjes ingebonde.
- Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brne eigeluk wel trekke; Deel 1, 2006 - Ok vur vrijbankvls hk dikkels in de rij moeten staon.
- Tony Ansems; in het lied Achter in de sintelpad, 2008 - Ik hebbet dikkels in t wild gedaan/ Aachter in de Sintel Pad

Aanvullende bronnen:

- WNT dik - dikwijls, vaak (gewestelijk in Gelderland en de Kempen); dikwijls - van dikwijl met adverbiale s. In oudere taal ook in den vergrotenden trap; dikwijlser.

 

Kaart uit: A.A. Weijnen, Onderzoek naar de dialectgrenzen in Noord-Brabant; 1937

 

- Leo Goemans; Leuvens taaleigen, 1936 - dikwijls - dikels

- Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch, 1899 dikkels, dikkes - dikwijls

- Lex Reelick; Bosch woordenboek, 1993 - dikkels - dikwijls

 

dikdouwer

zelfstandig naamwoord

iemand met gedrongen postuur

- WBD III.1.1:14 dikdouwer - iemand met gedrongen postuur

 

dikkont

zelfstandig naamwoord

iemand met een dik achterwerk

- A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 dikkont - dik iemand (vooral met een flink ontwikkeld achterwerk)

 - J. Berns e.a.; Brabantse spot- en schertswoorden, 1975- dikkont - dik iemand (vooral met een flink ontwikkeld achterwerk)

 

dikmok

zelfstandig naamwoord, scheldwoord

dikzak

- Elie van Schilt; Ge heurt et niemir, Plat Tilburgs van vroeger; CuBra, circa 2000 - Mar vur dik hadden ze ok wir unnen naom Verekte dikmk of vetkwal waren mar gewone benaomingen.

 

dikoor

zelfstandig naamwoord

bof

- WBD III.1.2:283 dikoor - bof (parotitis epidemica)

 

diksentij

bijwoord

meestentijds, meestal

- Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs dialect, 1916 - diksentij - meestal

Aanvullende bronnen:

- A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - diksentij(d), meestentijds, meestal

- L.L. de Bo; Westvlaamsch idioticon, Gent 1892 - den diksten tijd - meestendeels

 

diksewle

bijwoord

meestentijds, meestal

samensmelting van dikkels (dikwijls) en sewle (somswijls)

als zodanig niet opgetekend uit Tilburgse bron

- Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch, 1899 - diksterwijl - meestentijds

- A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - dikstewijlen - meestentijds, meestal

 

diksjenr

woordenboek, dictionair

zelfstandig naamwoord

uit Frans dictionnaire, met vocaalreductie

- Cees Robben; Prent van de Week, Roomsch Leven, 1961-01-20 - [Kind...] Zk munne diksjenr meej naor school nemen, moeder... [Antwoord...] Ge gaot mar te voet... d moesse wij vruuger k...

 

dikzat

bijwoord.

vaak genoeg

- Voorbeeld op de originele systeemkaart van Sterenborg - k z der dikzat gewist

Aanvullende bronnen:

- A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - diksat, dikzat - vaak genoeg, vaak, dikwijls; da hek dikzat gezien

- Jan Naaijkens; Ds Biks, 1992 - dikzat - dikwijls genoeg

 

dil

zelfstandig naamwoord

deel; aantal, hoeveelheid, partij

- Informant Toine Raaimakers; ca. 2000 - Kh ng en hil dil koolen in et schp - Ik heb nog een hele voorraad kolen in het schuurtje.

- Kees en Bart; dialoog in Tilburgsche Post, 1922-193? n dil - aantal

- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1956-05-12 - ...n hil dil...

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek, 1998 - un dil, unnen dil - een aantal, veel

- Willems; Dialectenqute, 1887 - dil; vierendil

Aanvullende bronnen

- Jan Naaijkens; Ds Biks, 1992 dil - veel; n hil dil - nogal wat

- C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal, 1978 - deel (del) ....; wordt gebruikt als vage aanduiding van een niet al te geringe hoeveelheid, met onbepaald lidwoord.: n del volk; verrassend grote hoeveelheden heten: 'n hil del - een heleboel.

- Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch, 1899 - deil (uitspraak dail) deel; een heel deil volk

- WBD III.4.4:259/260 - deel - boel, grote hoeveelheid

- WBD III.4.4:261 deel - onbepaalde hoeveelheid

- WBD III.4.4:271 deel - brok

- WBD III.4.4:276 deel - portie

- WBD III.4.4:299 deel - kwart hectoliter

 

dilbaor

bijvoeglijk naamwoord

deelbaar

- Dirk Boutkan & Maarten Gosliung Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 dilbaor (met klinkerverkorting)

 

dilt

werkwoord, persoonsvorm

deelt

tegenwoordige tijd enkelvoud, 2e + 3e persoon van dele, met vocaalkrimping: jij, hij, zij, het deelt

 

dimdamme

werkwoord, zwak                                 

aarzelen

etymologie onbekend

- Frans Verbunt; Tilbrgs vur tonpraoters, 1998 - aarzelen

 

din

werkwoordsvorm, derde persoon meervoud verleden tijd van doen

deden

- Voorbeeld op de originele systeemkaart van Sterenborg - ze din f ze niks zaage

- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1957-12-21 - Oew ge din zeer van de rk...

- Hein Quinten; Tilburgse spreuken, circa 1990 - As ze din we ze zin, dan trapt ur nie in... J, as ze deeje w ze zeeje, waar ik dik tevreeje...

digget, doen

► doen

 

ding

zelfstandig naamwoord

ding

- Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek; aflevering 151, Nieuwsblad van het Zuiden 1972-03-23 - Govert, toen hij zei: "Alle ding met vriendschap" [zei Govert] terwijl hij de eieren bij zijn buurman uit het nest nam [zeispreuk].

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - verkleinwoord dingske of dingetje

 

dinger

zelfstandig naamwoord, meervoud

dingen

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek, 1998 - in dieje winkel hn ze duuzenteraante dinger in die winkel hebben ze duizend verschillende dingen

- F. van der Meer; Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010 - Ammel interessante dinger over vanalles n ng w.

- F. van der Meer; Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010 - Gullie wit waarschijnlek wl d ik al jaore zon bietje in de artiestewreld zit. Mnnetsjment n d sort dinger.

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - dinger

- Grot diktee van de Tilburgse taol; 2005 - d kan twee dinger betekene 

De teksten van alle diktees: website Tilburgse Taol

 

Aanvullende bron

- Jan Naaijkens; Ds Biks, 1992 dinger; wie h die dinger daor nirgemieterd?

 

dinges

zelfstandig naamwoord.                                     

menstruatie

- Theo de Wijs; schriftelijke mededeling aan Cees Robben, 1969-07-04 -  [De ene moeder tegen de andere...] - W wordt ze toch grt, en hee ze al dn dinges?

 

dingeske-ding

zelfstandig naamwoord                                                                         

koosnaam

- Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1975-12-12 - Mn dingeske-ding

 

dings

zelfstandig naamwoord.

onkruid

- A.J.A.C. van Delft; Van Vroeger Dagen, aflevering 110; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1929-04-20 - In een slechte weide groeit veul dings (veel onkruid) en op een vuilen ekker groeit veul rugt.

 

dint
samentrekking in verleden tijd van doen
[ze] deden het
- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1957-12-21 - Of ze dint overnuut...
digget

 

dinteloordspk

zelfstandig naamwoord

suiker

- Frans Verbunt; Tilbrgs vur tonpraoters, 1998 - suiker; enen bottram mee dinteloordspk

- Stadsnieuws; Dialectrubriek, 2006-12-10 - Enen botram meej dik booter en dinteloorspk

 

dippeljeur

zelfstandig naamwoord

afnemer (textiel)

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek, 1998 - afnemer (deel van het assortiemnt) [de exacte werking is ons onbekend; het assrtiemnt is de voorspinmachine].

 

dippendnsie

zelfstandig naamwoord

uit Frans dpendance

- WNT; lemma dependentie, feitelijke betekenis - Met betrekking tot onroerend goed als bijgebouwen, een terrein of landgedeelte e.d.

- WNT; lemma dependentie, figuurlijk gebruik - Zaak van bijkomstigen aard, belang of omvang, die hoort bij, deel uitmaakt van of samenhangt met een grooter geheel.

- Theo de Wijs; schriftelijke mededeling aan Cees Robben, 1963-02-10 - t Gong ammaol goed, zonder veul ap- en dippendensies.

 

Bron: Delpher

 

- WNT; lemma appendentie thans vrijwel uitsluitend nog in de verbinding ap- en dependenties.

 

dirrek

zelfstandig naamwoord

directeur

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek, 1998 - den dirrek - de directeur

Aanvullende bron:

- Jan Naaijkens; Ds Biks, 1992 - drik - directeur

 

dissel

zelfstandig naamwoord

latierboom

- WBD latierboom; hangende boom die in de paardenstal twee plaatsen scheidt

 

disselktting

zelfstandig naamwoord

jukriem

- WBD - jukriem (Hasselt); verbinding tussen haam en disselboom, als men met een tweespan rijdt

 

dissem

zelfstandig naamwoord

desem, hier bedoeld als uitwerpselen

- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1965-09-17 - Den dissem uit den pot...

 

dissmber

zelfstandig naamwoord, eigennaam

december

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek, 1998 dismber - december

 

dist

bijwoord

hier

- Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs dialect, 1916 - kom is dist - kom eens hier

 

dit

samentrekking in verleden tijd van doen

deed het

- Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1979-06-22 - t Dit en t aat goed...

doen, digget

 

dittie

samentrekking in verleden tijd van doen

deed hij

- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1966-04-29 - Rits-rats.. dittie meej zn mis

doen

 

Divvenijns

eigennaam

Devenijns; naam van een bioscoopuitbater aan de Heuvel; Devenijns opende in 1911 de Apollo Bioscope.

 

Foto: Regionaal Archief Tilburg

 

- Interview Hermans, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2013 - Ge had vruuger niks as veugeltjes vange... Biejeskoope d was er ng nie as presies Divvenijns op den Heuvel mar d was en kwartje intreej!

► KLIK HIER om het interview te beluisteren

 

dbbel, dbbeld

bijvoeglijk naamwoord

dubbel  

- Piet Heerkens; Dn rgel; Michieltje, 1938 - nen dikken driedobbelden zoen!

- Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); Den Sik van Baozel, feuilleton in 8 afleveringen; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1939-02-25 - 1939-04-18 - ...driedobbel en dik...

 - Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); t Spook; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1940-01-03) - ...op zukke oogenblikken bende driedobbeld zoo taai as aanders

- Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1972-07-14 - ...ook al vouw det dobbel...

- Pierre van Beek; Tilburgsche Taalplastiek aflevering 157, Nieuwsblad van het Zuiden 1972-06-22 - Wanneer iets wordt gekwalificeerd als "een beetocht met dubbele trits", slaat dat in figuurlijke zin in het algemeen op iets, dat heel wat langer duurt dan normaal. Voor wat de bedetocht betreft, worden er dan mr rozenhoedjes dan de gebruikelijke gebeden. Men kan ook eten en drinken "met dubbele trits". [...] een "dubbele trits" betekent dus twee maal drie maal.

Aanvullende bronnen:

- WBD II:942 dobbeldoekwver, dubbeldoekwever - dubbeldoekwever

- A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - dobbel - dubbel

- WNT dobbel, doubel, dubbeld, dobbeld - dubbel

- WNT - onder trits

- Volgens Schuerman te Antwerpen in de uitdrukking dat is dobbel en trits of dobbelen tris om aan te duiden dat iets zeer overvloedig is.

- Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch, 1899 - dobbel - dubbel, en dobbel deur

 

dbbelbil, dubbelbil

zelfstandig naamwoord

forse dikbil 

- Interview Bertens, 1978;  transcriptie: Hans Hessels, 2013 - En die kcht daor zak zgge en koej f en vaars f... f onverschilleg wt. f... f enen s eej... Jan van den Booij die ging aatij nr Ossendrecht nr toe. Die hadde boere zitte die daor speesjaol vur sse zogezeej vtmste, van die dubbelbille n zo...

► Klik hier voor audiofragment)

Aanvullende bronnen:

- A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - dbbelbil - kalf dat van achteren bijzonder breed en flink ontwikkeld is, nog meer dan bij een dikbil

- Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch, 1899 - dobbelbil - een kalf met dikke billen; billeman

- WBD - dikbil, dubbelbil - kalf met dikke billen

 

dbbeldoek

zelfstandig naamwoord

dubbeldoek                                 

- WBD II:1048 - dbbeldoek - dubbelweefsel

 

dcht, dchte

werkwoord, persoonsvorm, verleden tijd

dacht, dachten

- Niet nader gedentificeerde zegspersoon op systeemkaart Sterenborg  - Ik dcht, ik dcht! Dchters lope int Haagse bs. [als reactie op iemands twijfelachtige uitlating ik dcht...]

- Rolf Janssen; We hebben gezongen en niks gehad, 1984 - ze docht bij dr igen

- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1954-04-03 - En k docht, lieve lezer...

- Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1972-09-11- Ik docht degge hier nie waart...

- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1959-12-24 - Ik docht aon goud en kemels... [namelijk met Driekoningen]

- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1959-09-12 - Hij docht t zn...

- Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1979-02-09 - De verleden tijd van.. ik denk..? Ik docht, mister... Des fout, Lewieke, des Tilburgs... Oh, mar ik docht det goed was, mister...

- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1958-03-15 - Nou w dochtte...

Aanvullende bronnen:

- Kernkamp; Dialectenqute, 1876 - g daacht nie, d k d wiest - gij dacht niet, dat ik zulks wist

- Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch, 1899 - docht - 2e hoofdvorm van denken

- WNT denken - onvoltooid verleden tijd dacht, waarnaast docht

 

dchter

zelfstandig naamwoord

dochter

- Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek, aflevering, 128; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1971-07-21 - Wie zich al te hebberig toont, er op uit is het onderste uit de kan te halen, kan te horen krijgen: "Van n dochter kunde geen twee schoonzoons krijgen".

- Pierre van Beek; Uit het Klokhuis van Brabant, Tilburgse Taalplastiek aflevering 4 eerste serie, Nieuwe Tilburgsche Courant 1950-02-25 - Wanneer iemand moeilijk een beslissing kan nemen in een bepaalde aangelegenheid omdat er risico aan verbonden is, zegt de oude Tilburger: "Kom, kom, Botermans waogde z'n dochter wel en d was zo'n kosteluk paand." De heer Botermans dreef destijds het best bekende hotel van Tilburg namelijk "De gouden Zwaan" op de Heuvel. Zijn dochter trouwde met een kellner uit de zaak, zeker P.F. Bergmans, een verbintenis, die de openbare mening nogal als 'n waagstuk beschouwde. De eervolle levensloop van wijlen de bekende wethouder P.F. Bergmans, naar wie thans in Tilburg zelfs een straat heet, heeft het bewijs geleverd hoe die volksopinie zich vergiste.

Aanvullende bronnen:

- WBD III.2.2:72/75 - dochter dochter; voordochter - stiefdochter

- A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - dchter dochter; Ravensteins dchter; n jong dochter - een pasgeboren meisje

 

dods

bijwoord, bijvoeglijk naamwoord

doods

 

dodsbang                                                                   

bijvoeglijk naamwoord

doodsbang

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - dodsbang

 

dodsbidder, dodsbidder

zelfstandig naamwoord

doodbidder, aanspreker

- Lowie van Dorrus Misters; rubriek Onze Tilburgse folklore, aflevering 2; Doden-cultus van eertijds; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1950-11-16 - Voor de tijd dat de stichting Rooms Leven de begrafenissen regelde, werd dit particulier door de doodbidders verzorgd. Deze hadden voor hun raam een bordje, waarop behalve hun naam ook te lezen stond: Aanspreker en lijkbezorger. Nu was het geen zeldzaamheid, dat voor de woning van een ernstige zieke, waarvan een spoedig einde verwacht kon worden, een of soms mr van deze mannen in de buurt bleven rondwandelen om zodra de zieke de laatste adem had uitgeblazen, direct hunne diensten te kunnen aanbieden. Hier werd dan het spreekwoord De een zijn dood is de ander zijn brood tot een waar woord gemaakt. Het is natuurlijk wel te begrijpen, dat wanneer dat op en neer kuieren door de naastbestaanden van de zieltogende werd opgemerkt, dit bij hen een minder prettige indruk maakte.

- Interview Van den Aker, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2014 - Jao, ge hd van die dod... Ge hd van die dodsbidders hadde, die kwaame dan. Want vruuger, vruuger hadde op veul pltse as de meense enen dojen in hs hadde, dan wier der zon wpke bte gezt. En paor stene teege mekaaren aon n daor zon palmtkske tusse, en boske stroj...

Klik hier om dit bestand te beluisteren

- Hein Quinten; Tilburgse spreuken, circa 1990 - Hij is dodsbidder, mar ut is ok unne echte dooije diender ook!

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek, 1998 dotsbidder - doodbidder, aanzegger van een sterfgeval, aanspreker

- Gerard Steijns; Grot Dikteej van de Tilburgse Taol 2002 - Soms kwaam enen dodsbidder langs om n te zgge hoeneer de begrffenis waar.

De teksten van alle diktees: website Tilburgse Taol

 

dodsbildeke, dodsprntje

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

doodsprentje, bidprentje

- Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs dialect 1916 doodsbildeke, doodsprentje

- Frans Verbunt; Tilbrgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - hij liegt as en dodsprntje

Aanvullende bron:

- WBD III.3.3:332 - dodsbildeke, dodsprntje - doodsprentje

 

dodskiest

zelfstandig naamwoord

doodskist

- WBD III.3.3:325 - dodskiest - doodskist

 

dodskp

zelfstandig naamwoord, mannelijk

doodshoofd, onzijdig

- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1959-09-12 - Dn ddskop...

- Interview Jolen, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2013 - Zon ding, zon bomstammeke, zo dik... Zo dik n dan die n daor stond de... latje, dikke latjes teegenaon, war. Meej en krske derop f de en f de aandere f en dodskp! [bedoeld is een wpke, ofwel busselke]

KLIK HIER om naar de pagina met de audiobestanden van dit interview te gaan

 

dodstil

bijvoeglijk naamwoord, bijwoord

doodstil

- Rolf Janssen; We hebben gezongen en niks gehad, 1984 - doodstil

 

doebes

zelfstandig naamwoord

goedzak, roepnaam voor een hond

- Cees Robben; Prent van de Week; Rooms Leven, 1961-11-24 - Jan Soffers, diejen doebes...

Aanvullende bron:

- WBD III.2.1:478 - doebes - roepnaam van de hond; ook zoek, zoek zoek, braaf beest, goede lobbes, loeres, doetje of joekel

 

doede

samentrekking

doe je

- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1958-03-01 - En dan doede mar net...

doen

 

doedele

werkwoord, zwak

geluidjes maken; vergelijk doedelen in doedelzak

alleen aangetroffen bij Piet Heerkens 

- Piet Heerkens; Dn rgel; Dn rgel, 1938 - Den rgel die heur ik zo geere / zuut doedelen over de straot,

- Piet Heerkens; Dn rgel; Dn rgel, 1938 - Toe draai dan en doedel mar, zieltje, [klein kind] / want zitte nie stampvol meziek

 

doedelzak

zelfstandig naamwoord

gezegde

- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1965-04-02 - Ge denkt zeker dek den hemel vur unne doedelzak aon zie... - ...dat ik achterlijk ben

 

doef

bijvoeglijk naamwoord

- WBD III.2.3 doef - een oneffen gevoel bij de tanden ten gevolge van het eten van zure vruchten

 

doeget

samentrekking

doet het

- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1958-03-15 - Zveren... d doeget naa...

- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1958-03-15 - Wnteren... d doeget nie...

- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1958-03-15 - Dooien doeget as de weergaoi...

- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1968-12-06 - Ik doeget vur n tas koffie... [In een prent over een inzamelingsactie die in Goirle gehouden werd om een moderne kraomkliniek in te richten in missiegebied Kongo.]

- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1969-12-19 - En doeget mar aachtermekaar dan heddet z vurmekaare...

- WTT-ES, 2019 - Het gezegde ik doeget vur en tas kffie in relatie tot het baren van een kind, wil zeggen dat de moeder al vaker een kind gebaard heeft en dat de komende bevalling voor haar geen enkel probleem is

Aanvullende bronnen:

- A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant, 1952 - ik, gij, hij, gllie digget; gij, hij, gllie doeget

- J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen, 1836 doeget - vragenderwijze voor doet het?

- Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch, 1899 - doeget - samentrekking van doet het; hij doeget niet

doen

 

doek

zelfstandig naamwoord

doek, luier

- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1955-12-31 - t zn toch nog mar prullekes,/ pas amper uit den doek...

samentrekking

doe ik

- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1967-10-13 - D doek z mar makketijen...

- Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1978-04-07 - s naachts doek niks as ruure en wne...

doen

 

doel

zelfstandig naamwoord

schietbaan voor boogschutters, doel

- Frans Verbunt; Tilbrgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 den doel - schietbaan voor handboogschutters

- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1956-07-14 - k Keek is in den doel...

Aanvullende bron:

- WBD III.3.2:226 - doel of guld - vereniging van boogschutters

 

doen

werkwoord, sterk

doen

1. stamtijden

doen - di gedaon; de verleden tijd met i lijkt te verdwijnen en plaats te maken voor vormen met ee

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 doen/dee/gedaon; tegenwoordige tijd - ik doe/gij doet/hij doe; verleden tijd di/dee; gebiedende wijs doe/doet

2. tegenwoordige tijd

De oe is in de tegenwoordige tijd altijd kort

ik doe/gij doet/hij doe/wij doen/gullie doet/ze (zullie) doen

- Kernkamp; Dialectenqute, 1876 - W doet ie doar? Ze doen der niks goeds.

- Cees Robben Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1979-06-29 - et doe hier amml zeer

- Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1980-01-05 - schne doese wl

3. tegenwoordige tijd vragend, en bij inversie van onderwerp en persoonsvorm; het onderwerp wordt vaak samengetrokken met de werkwoordsvorm

doek/doede, doede gij/doetie, doeze, doeget/doeme/doede, doede gullie/doenze, doen hullie  

- Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens); De nuuwe kapelaon van Baozel; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1938 - Nou, dan doeme mee! Veuruit! Duvels dan mar!
- Jodocus (pseudoniem van Jac. Stroucken); Toemet-hooi, 1993 - mar toch doeget me goed...

- Tony Ansems; Zak Moete Niese Akkum Aai; cd Tilburgse Liekes, American Style, Vol. II, 2009 - Ok al doeget gin pent

4. verleden tijd

verleden tijd van doen (deed) met vocaalkrimping: di(n)

ik di, ik deej/ge dit, ge deet/hij di, hij din, hij deej/we din, we deeje/gullie dit, gullie deet/ze din, ze dinne, ze deeje, ook met zullie

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek, 1998 - h di-t gre - hij deed het graag; ze zin d-se-t nie din ze zeiden dat ze het niet deden; w-k ok di, zllie din-t aanders wat ik ook deed, zij deden het anders

- Theo de Wijs; schriftelijke mededeling aan Cees Robben, 1968-02-01 - Zinneze d zennet dinnen?

- Elie van Schilt; As ge katteliek geboren wierd; CuBra, circa 2000 - Dan nog de processie daor alle scholen aon meedin, de heilig hart processie naor dun Heuvel.

- Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brne eigelek wel trkke?; Deel 2, 2007 - Op de nrregt laag de moter van et wasmesjien, die digget niemer. Ik waar hillemaol nie nuuwsgierig naor die dingen en hoefde ok nie te weete hoe d ziets in mekaare zaat. Ik vond d mar smrrig wrk zon ding t mekaare haolen om te kke wetter naa eigelek kepot waar, omdettie et niemer di.

- Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brne eigelek wel trkke?; Deel 2, 2007- Ze di net of ze dof waar...

- Henritte Vunderink; Grot dikteej van de Tilbrgse taol, 2007 - Ik di meej nt groot dikteej...

- F. van der Meer; Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010 - Dus d dik

Aanvullende bronnen:

- A.A. Weijnen; Dialectatlas van Noord-Brabant, 1952 - wij dinnet/deejenet; dik d; dittiet mar; din zullie d mar

- Willems; Dialectenqute, 1887 - Al di(n) ie ok niks

- H.A. Sterneberg s.j.; Een Busselke Braobaansch; Ons volk, 1932 - Hi wo nie doen, w daander din.
5. verleden tijd

ik di, ik deej/ gij did, gij deed/ hij di, hij deej/ wij din, wij deeje/ gullie did, gullie deed/ ze (zullie) din, ze (zullie) deeje

5.1 In de vragende vorm vindt samentrekking plaats

dik, deej ik/didde gij, deede gij/dittie, deetie/dimme, deeje me /didde gullie, deeje jullie, deede gullie/din ze, deeje ze

- Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1983-10-28 - w didde gij vruuger vur oewen kost?

5.2 verleden tijd; samentrekking van werkwoordsvorm, persoonsvorm en voornaamwoord

- Theo de Wijs; schriftelijke mededeling aan Cees Robben, 1962-03-17 - Mee d ze zaat, disset [deed ze het...]

- Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brne eigelek wel trkke?; Deel 2, 2007 - Op de nrregt laag de moter van et wasmesjien, die digget niemer. [deed het...]

► digget

5.3 verleden tijd, gebruikt als een verleden toekomende tijd

- Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brne eigelek wel trkke?; Deel 2, 2007 - As der kaort gespuld wier, vroege ze wel of ik meedeej.

6. voltooid deelwoord

gedaon

- Kubke Kladder (pseudoniem van Pierre van Beek); t Klokhuis van Brabant 1; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1929-10-09 - ...blij as n kend d zn irste kemunie gedaon hee

- Kubke Kladder (pseudoniem van Pierre van Beek); t Klokhuis van Brabant 1; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1929-10-09 - ...en bovendien ik h mn wordje goed gedaon, want ik z nie op mn mundje gevallen al zeg ik t zelf...

- Piet Heerkens; De gemeenteraod van Baokel; Vertesselkes; 1941 - Zoo gezeed, zoo gedaon...

- Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1978-07-14 - ik heb al gedaon vur gij oew broek los het...

- Theo de Wijs; schriftelijke mededeling aan Cees Robben, 1963-10-23 - Ach jonge, ik heb al gedaon veur d gij oe broek los ht.

7. uitdrukkingen

- Voorbeeld systeemkaart Sterenborg - et nie doen, et slcht doen - verpieteren, wegkwijnen (van planten)

- Informant Toine Raaimakers; onbekende datum - rges oover doen - ergens over tobben; hij heeter veul oover gedaon

- Informant Toine Raaimakers; onbekende datum - oew ge doen - voor zichzelf zorgen; hij doe zen ge

- Theo de Wijs; schriftelijke mededeling aan Cees Robben, 1968-03-20 - Al blaost ze nog zo hog van de toren, ze mt ve goed veege asse gedaon hee

- Theo de Wijs; schriftelijke mededeling aan Cees Robben, 1964-08-17 - Dettie aaltij zo hg van de tren blaost, heettie van gin vremde, mar as ie gedaon hee, mottie vengoed veege!

Aanvullende bronnen:

- Jan Naaijkens; D's Biks, 1992 - doen - gaan, doen; ik doe mar wir es p his aon

- Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch, 1899 - doen ook: bedragen, weerd zijn

- WBD III.4.3:27 - het niet doen, verrmoejen, niet willen groeien, armetierig, niet aarden, niet tieren, wegkwijnen, voor het begrip niet gedijen

8. als hulpwerkwoord

- WTT ES, 2018 - Net als in het dagelijks gebruik van de standaardtaal kan doen gebruikt worden als een soort van hulpwerkwoord bij een infinitief. Zoals zullen een hulpwerkwoord is om een infinitief op de toekomst te richten, helpt doen het hele werkwoord om de activiteit daarvan te versterken. In het Standaardnederlands was deze vorm enige tijd populair maar het gebruik ervan lijkt af te nemen (2018). Het gebruik lijkt gebaseerd te zijn op de manier waarop kleine kinderen vaak worden aangesproken. Ook de verleden tijd - dik - is aangetroffen in het Tilburgs. In geschrifte is het werk van Ferry van de Zaande tot nu toe de enige bron.

- F. van der Meer; Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010 - Dus ik zit daor meej ene grote tulbaand op mene kop n ene kwak kaorte vur men neus. n dan deej ik dus de toekomst vursplle wittenie?

- F. van der Meer; Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010 - n dan doede ammel grappen thaole wittenie

- F. van der Meer; Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010 - n dan iets over eksposieties van van die kunstenrs. Die manne doen ammel van onze belastingsnte schilderije maoke

- F. van der Meer; Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010 - n d doe ik ammel netjes zonder vurrijkste bij heur binne zette.

- F. van der Meer; Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010 - Ik doe meej mnne kompjoeter dus af n toe ene natuurfillem kke n ik doe k ammel dating doen hi?

- F. van der Meer; Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010 - Ik doe veul kke nr deeting. Wittenie? Dgge dus kunt aafspreeke meej 'n vrouwke.

- F. van der Meer; Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010 - Dus naa doe ik gewoon praote n doen zullie et vur mn tiepe.

- F. van der Meer; Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010 - Ik zg; Doede gij ok kooke?

- F. van der Meer; Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010 - As mene wiet rp is dan doe ik die aaltij zllef knippe meej ene grote knipschr.

- F. van der Meer; Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010 - Dan ging ik smreges de straoten aaf om de zak van Max p te haole. n die dik dan wir verkope p de mrt.

 

doening

zelfstandig naamwoord

winkel

- WBD III.3.1:87 doening - winkel

 

doerak

zelfstandig naamwoord

ondeugend kind

- WTT; bijdrage Ed Schilders, 2018 - Meestal gebruikt om een ondeugend kind aan te duiden. De etymologie twijfelt echter omtrent de afleiding. WNT lemma doerak geeft: Ontleend hetzij aan russisch doerak, domoor of aan maleis doerhaka, ongehoorzaamheid, verzet. Robben gebruikt beslist de Russische variant in een prent over een jongetje dat is blijven zitten. De prent heeft als titel Stom, en het jongetje is een luijen doerak (Prent van de Week, Rooms Leven, 1958-07-19). In een andere prent gebruikt Robben doerak als troetelnaam: Och munne lekkere doerak... (Prent van de Week, Nieuwsblad van het Zuiden, 1975-12-12).

 

does

zelfstandig naamwoord

hond (in kindertaal), slordig persoon

- WBD III.2.1:476 - does - hond, ook hundje

- C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal, 1978 does; oud en kinderlijk woord voor hond - doe t doesje mr je.

- A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - does - 1) hond (kindertaal); 2) de verbinding ene rwen does wordt van een persoon gebezigd die slordig is op zijn kleren en in zijn werk.

 

doeskin

zelfstandig naamwoord

stofnaam (textiel)

- Voorbeeld op de originele systeemkaart van Sterenborg - van Engels doe (betekent hert, spreek uit doo) en skin (huid), letterlijk hertenhuid; wollen stof die op hertenhuid lijkt

- Henk van Rijswijk; Herinneringen aan zijn opleiding aan de Hogere Textielschool, 1950-09-01 tot en met 1954-07 - doeskin - een oude naam voor wollen stof van fijne strijkgarens in keperbinding geweven, afgewerkt in kaalappretuur en gebruikt voor uitgaanskleding van leger-eenheden (uitgesproken met een oe, schriftelijke mededeling, 2013)

Klik hier voor de webpagina van Henk van Rijswijk op CuBra

Aanvullende bron:

- J.T. Bonthond; Woordenboek voor de manufacturier, 1947 - doeskin - minder zware bukskin voor uniformen e.d.

 

doeser

samentrekking

doet ze er

- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1962-06-22 - ksie-ze-nie... Mar zn doesser...

doen

 

doffel

zelfstandig naamwoord

goedzak

- Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs dialect, 1916 - doffel t is zon goei doffel - goedmoedig en niet bij de hand...

Aanvullende bron:

- WNT doffelen - inwikkelen, inpakken, een persoon in doeken instoppen, te weten iemand die in bed ligt

 

dfke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord van df

duifje

- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1959-08-22 - Daor zaate twee dfkes/ hil dicht bij mekaar...

 

dgs

zelfstandig naamwoord  

daags; in de tweede naamval van de dag

- Interview Hermans, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2013 - Mar dgs ndderaand moes de klne ngegeeve wrre bij de geminte, moeste en getge hbbe, war... Mar die koste toen al ene vatte van de straot, die zeej Jan, kom fkes meej getge zn! Mar ge had mist d de buurman meej gong...

- Interview met Heikanters, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2015 - En dan kwaam de slager, h, f de slachter dgs ndderhand. Dan kwam ie saoves gewoonlek n dan kwaamie die zaak kept snije... n d ging dan in en hille grote tn...

 

dojer

zelfstandig naamwoord

- WBD - dooier

 

Schilderij van Otto Modersohn (detail)

 

dkkele

Tekening: - Cees Robben; Prent van de week, Nieuwsblad van het Zuiden / het Nieuwsblad - uit: Fraters...

 

werkwoord, zwak

pootjebaden

Tekening: - Cees Robben; Prent van de Week, Nieuwsblad van het Zuiden - uit: Fraters...

- Voorbeeld op de originele systeemkaart van Sterenborg - Meej schon weer gingeme dkkele in de Laaj - Bij mooi weer gingen we pootjebaden in de Ley.

- Flaneur (pseudoniem van Antoon Arts); Zonder opschrift; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1904-04-16 - En weet ge, wat de schavuit had uitgevoerd? Hij was liefst gaan dokkelen in het Bax-ven, en had bij Mie in den Baars een glas melk gedronken en den vos in de kooi bewonderd en de kauwen op het dak.

- Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs dialect, 1916 - dokkelen - met de bloote voeten door het water loopen

- Kees en Bart; dialoog in Tilburgsche Post, 1922-193? - as t blank stao moete dokkelen

- Piet Heerkens; De Mus, 1939:

 

STERKE VROUW

Ziede gij daor d weuwke gaon?
Ze hee dr witte klumpkes aon.
Ze staawt nog stevig deur de sneuw
al is zal ruim n halve euw.

Dr muts is sneuw, dren rok is roet,
dren maantel, jao, die stao se goed.
Ze dokkelt nog zo dapper deur,
't is nog 'n kraachtig wijfken, heur!
 

- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1957-07-04 - Enkel kender in de Laai/ Dokkelen w in dn braai
- Cees Robben; Prent van de Week, Nieuwsblad van het Zuiden, 1985-06-07 - Ik z mee mn mokkel in de Laai wiste dokkele...
- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1961-06-30 - Gaode zwemme, Naris... / Zwemme... / Ik kan nog mar aamperkes dokkele...

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek, 1998 - dur ut slk dkkele - door de modder lopen

- Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek afl. 152, Nieuwsblad van het Zuiden, 1972-04-11 - Een typisch woord uit onze streken is het werkwoord "dokkelen" voor pootje baden. In Van Dale treffen wij het niet aan. In Tilburg gingen we vroeger "in de Laai dokkelen". Zou er hier een verband bestaan met "dokkeren"? Daarmede werd aangegeven het geluid, dat de wielen van een kar of wagen in de karsporen van een landweg maakten. Ook bij het waden door tot even onder de knien reikend water, zoals dat ook bij ons "dokkelen" voorkwam, ontstaat door het opgestuwde water een enigszins dof geluid. In beide woorden kan men dan een klanknabootsing ontdekken.

- Elie van Schilt; Tilburg waor zen oe bossen; CuBra, circa 2000 - Bekaant tegen Ln op Zaand lagen de plakken, ok wel genoemde ut Lons Laaike, ut waren verschillende plaassen, rondom groeide er haai, daor gingen we s zomers ok wel dokkelen, zwemmen konde er nie, ut was te ondiep. [Bedoelde vennen maken nu deel uit van het natuurgebied Huis ter Heide tussen Loon op Zand en De Moer. Het grootste ven heet het Leikeven.]

- Ed Schilders; Tilburg aan de Ley, het lied van Peerke Donders; de Tilburgse Revue Gloria Historia, 2009:

 

Ja, ik heb in Suriname heel mn leven hard gewerkt
Tussen lepra en melaatsheid, tussen ziekenhuis en kerk
Het was uit naastenliefde, en het was een hels karwei
En ik droomde cht waar lke nacht van Tilburg aan de Ley.
 

Bij het laatste zonlicht las ik vaak een stuk uit mijn brevier
Of ik bad een rozenhoedje in mijn boot op de rivier
Dan stroomde traag de Coppename links en rechts voorbij
En dan dacht ik bij mn eige: Kijk, t water van de Ley.
 

Ik zag ziekte, dood, dag in dag uit, ellende, slavernij
En dan smeekte ik Wi Tata - Onze Vader, maak ze vrij
Wat zou ik dan nog treuren om mijn schaapjes op de hei
Maar ik wou nog n keer dokkelen int water van de Ley!
 

Refrein
Dit maakt me blij! - Dokkele in de Ley!
Dit maakt me vrij! - Dokkele in de Ley!
 

Nee, ik ben nooit meer teruggekeerd, ik had het veels te druk
Met verzorgen van melaatsen, en hun vleugje klein geluk.
Ik kan niet trug en daarom maakt dit water mij zo blij
Dat ik hier nu kan staan dokkele int water van de Ley.

 

Foto: Frans van Aarle

 

- Stadsnieuws; Dialectrubriek, 2010-12-15 - In de vekaasie fietsteme nr Esbeek om te gn dkkele in de Flaos. - In de vakantie fietsten we naar Esbeek om te gaan pootjebaden in de Flaas.

Aanvullende bronnen:

- Kernkamp; Dialectenqute, 1876 - hij dokkelt in de Laai - baadt in de Lei

- Jan Naaijkens; Ds Biks, 1992 - dokkele - pootje baden

- A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 1. gezegd van geluid door stoten op straatstenen; 2. teuten, kloten, niet vooruit kunnen.

- De Jager; Woordenboek der Frequentatieven, 1875 dokkelen - dokken - beide heeft Kiliaen voor duikelen, duiken; zie ook Ten Kate II 172

- C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal, 1978 - dokkelen - wat onhandig en onzeker lopen, gezegd van kinderen en van mensen die zich over een slechte weg, bijvoorbeeld door de modder te voet voortbewegen. Ook pootjebaden.

- L.L. de Bo; Westvlaamsch idioticon, Gent 1892 - donkelen - duiken

- A.A. Weijnen; Etymologisch dialectwoordenboek, 1995 dokkele - pootjebaden (midden van Noord-Brabant) Mogelijk iterativum bij 17e-eeuws dokken, duiken (of doen duiken?)

- WBD III.1.2:160 dokkelen - waden

- WBD III.1.2:161 dokkele - pootjebaden

- WBD III.4.4:185 dokkelplaats - doorwaadbare plaats

 

dkkeltje

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

dokkeltje

- Frans Verbunt; Tilbrgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - klein meisje

Aanvullende bron:

- WTT 2017 - waarschijnlijk gezien de wijze waarop kleine kinderen enigszins waggelend lopen

 

dkmardeur

zelfstandig naamwoord  

- Ruud Damen & G.W.J. Steijns; Et Buukske, W en hoe in de Tilburgse Taol, 2008 - donateur van de carnavalsstichting Tilburg: dok maar door; dokken - betalen, geld doneren.

 

dkplank

zelfstandig naamwoord

duikplank

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - dkplank

 

dkt

persoonsvorm van dke; tegenwoordige tijd enkelvoud 2e + 3e persoonsvorm van dke, met vocaalkrimping

duikt

 

dkter

zelfstandig naamwoord

dokter

- Karel de Beer; Tilburgs Bijnamenboek, 2000 - den dkter - dr. Schuerman

- Karel de Beer; Tilburgs Bijnamenboek, 2000 - den dctr - P.C. de Brouwer

 

Dokus

eigennaam

verkorting van Judocus

- Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1967-04-28 Jan Dokus en zn Fillemien...

►dookus

   

dl

de bewijsplaatsen zijn onduidelijk in benoeming van de woordsoort: bijvoeglijk naamwoord, bijwoord of eerste lid van een samentrekking

dol

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek, 1998 - dlle kop - koopje

Aanvullende bronnen:

- WBD III.1.4:230 dol - razend van woede

- WNT - dollekoop - koop tegen spotprijs, spotkoopje

 

dlder

zelfstandig naamwoord

daalder; destijds munt met waarde van anderhalve gulden

- Voorbeeld op de originele systeemkaart van Sterenborg - En goej klap is enen dlder wrd.

- Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1985-11-22 - Vur n haffel dolders...

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek, 1998 - den irste klap is enen dlder wrd - de eerste klap is een daalder waard

 

dlderij

zelfstandig naamwoord

moeilijkheden

- Nicolaas Daamen, Handschrift Tilburgs Dialect, 1916 ergens mee in de dolderij komen

 

dlleke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

lief meisje

- Paul Spapens et al.; Goedgetld, diksjenr van de Tilburgse taol, 2004 - d kln dlleke van onze Toon

 

dllekes

zelfstandig naamwoord, meervoud

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek, 1998 - denneappels

 

dllik

bijwoord

dadelijk, meteen

- J.M. Van der Donck; Mooi Truike, in Joh. A. Leopold en L. Leopold, Van de Schelde tot de Weichsel, deel 1, 1882 - ...docht ik dollik... - daar geannoteerd met dadelijk

- J.M. Van der Donck; Mooi Truike, in Joh. A. Leopold en L. Leopold, Van de Schelde tot de Weichsel, deel 1, 1882 - Truike kik dollik nuwsgierig op.

 

dlper, dlleper

zelfstandig naamwoord

dorpel

met verwisseling van de r en de l

- Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1965-10-15 De dlleper van de Krrevelse kerk...

drpel

 

dls

zelfstandig naamwoord, meervoud

moeilijkheden, trubbels, dolligheid

- Voorbeeld op originele systeemkaart van Sterenborg - Meej den dieje hmme veul dls gehad.

Aanvullende bronnen:

- Hans Heestermans; Witte nog? Over Bergse en Westbrabantse woorden en uitdrukkingen; 8 delen, Roosendaal 1988-1994 - dol - moeite, last

- J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen, 1836 - veel of grooten dol met iets hebben - ...veel moeite...

- A.A. Weijnen; Dialectatlas van Noord-Brabant, 1952 - dols komt voor naast laast; geneuk

- A.A. Weijnen; Etymologisch dialectwoordenboek, 1995 - dol - moeite, last

- A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - dollatie (dlasi) - drukte, herrie, beweging

- Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch, 1899 dol - last, moeite, leed, beslommeringen

- Jan Naaijkens; Ds Biks, 1992 - dols - moeilijkheden

- WBD III.1.4:358/383 dols - moeite; drukte

- WNT dol - thans boven den Moerdijk niet meer gewoon; last, moeite

 

dlt, dlde

werkwoord, persoonsvorm; tegenwoordige tijd; verleden tijd van daole, met vocaalkrimping

daalt/daalde

 

dom

zelfstandig naamwoord

naaf (afgeleid van duim)  

- WBD II:2764 - dm - naaf

- WBD III.1.4:33 - dom - idem

- WNT dom, doem - bijvorm van duim - naaf

 

Domien

eigennaam

Dominicus

- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1960-07-22 Oew slekbord rammelt... riep Domien.

- Cees Robben; Prent van de Week, Nieuwsblad van het Zuiden, 1984-03-02 - Moete d zien, Domien...

 

dmke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

duimpje; centimeter

- Nicolaas Daamen, Handschrift Tilburgs Dialect,1916 - De duimkes is vur iemand warm houden. [duimen voor iemand]

- WBD III.1.1:155 duimke - duim

 

dms

bijvoeglijk naamwoord

duims, een duim dik

- A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 duims - een duim dik; dmse planke

- Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch, 1899 duims(ch) - enen duim lang, breed of dik; duims(ch)e planken

 

dondekaoters

tussenwerpsel, krachtwoord

samentrekking van donders + kater

- Een roestpraatje; Weekblad van Tilburg, 1867-10-05 - Komt hersop, in 't huukske; griest en lutske t is dondekaoters kaauw.

 

donderdaag

zelfstandig naamwoord

donderdag

- Kernkamp; Dialectenqute, 1876 - Donderdaag

 

donderjaoge

werkwoord, zwak

herrie maken, vervelend doen

donderjaoge - donderjaogde - gedonderjaogd

- Voorbeeld op originele systeemkaart van Sterenborg - Zn de knder wir nt donderjaoge!

Aanvullende bronnen:

- WBD III.1.4:401/410 donderjagen - zich vervelen, vervelen

- A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 donderjagen (dndarja.ge^n) - razen, tieren, leven en rumoer maken

- WNT - donderjagen - het iemand lastig maken, zaniken, zeuren,vervelend zijn

 

donderleider

zelfstandig naamwoord

bliksemafleider

- WBD III.2.1:65 - donderleider - bliksemafleider

 

donderstraole

werkwoord, zwak

donderjaoge

 

Dongesewg

toponiem

Dongeseweg

- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1960-01-02 - Op den Dongeseweg... bij de minsten van al (...) [Bij het woonwagenkamp; aan de Dongenseweg was jarenlang een woonwagenkamp gesitueerd]

 

donker

bijvoeglijk naamwoord

donker

Tekening: - Cees Robben; Prent van de week, Nieuwsblad van het Zuiden / het Nieuwsblad - uit 3 jaar voetbal concentratie van A.P.M. v.d. Ven jr., 1946

 

- Mandos; Brabantse spreekwoorden, 2003, opgetekend Tilburg 1931 - zo donker as et bakkes van de hel

- Mandos; Brabantse spreekwoorden, 2003, opgetekend in Tilburg 1973 - Onze Lieve Vrouw stao in het donker, men zit er krap bij.

Aanvullende bronnen:

- WBD III.2.3:190 - donker brood - zemelenbrood

- WBD III.4.4:2 - donkere maan - nieuwe maan

- WBD III.4.4:16 donker - bewolkt

- WBD III.4.4:238 - donker worden - schemeren

 


Naar het begin van de pagina

Inhoud Woordenboek Tilburgse Taal
CuBra Home

donkere, donkerte

1. zelfstandig naamwoord - de duisternis, de avond, het donker

 - Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek, 1998 - Ge wit d ge vur den donkerte ts mot zn, war? Je weet dat je voor het donker thuis moet zijn niet waar?

 - Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek, 1998 - W zit te daor tch mmol in den donkerte? - Wat zit je daar in het donker

- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1966-12-02 - As hier elken hellige zn lichtje heej... zit ons Lief-Vrouwke in dn donkere... [Iedereen heeft het zijne gehad, maar degene die daarvoor heeft gezorgd staat met lege handen; daarmee wordt een gevoel van miskenning uitgedrukt]

- Grot Diktee van de Tilburgse Taol, 1994 - Ik kwaam in den donkere wir ts

- Frans Verbunt; Tilbrgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - ik zie in den donkere nt zo goed as zonder licht

- Frans Verbunt; Tilbrgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - het invallen van de duisternis

- Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brne eigeluk wel trekken? Deel 2, 2007 - ...d deeje fetsoenleke jongens en mskes nie, die waare vur den donkerte ts.

- Piet van Beers; Spoeje doemmeniemer, 2009 - Gin strom: dan zitte we amml tegelk/ in den donkere meej zn alle.

Aanvullende bronnen:

- A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - donkere duisternis; veur den donkeren thous zen

- Leo Goemans; Leuvens taaleigen, 1936 - in den dungkere; v den dungkere; van den dungkere.

- Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch, 1899 - donkere - het donker, de duisternis

- Jan Naaijkens; Ds Biks, 1992 donker donker; vur dn donkere thuis!

- WNT donkerte l. duisternis; 2. donkere plek, plaats

2. werkwoord, zwak

donker worden  

- Kubke Kladder (pseudoniem van Pierre van Beek); t Klokhuis van Brabant, aflevering 3; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1929-10-23 t Begon stillekes aon te donkeren.

Aanvullende bron:

- WBD III.4.4:238 donkeren - schemeren

 

dons

samentrekking

de onze, die van ons

- Frans Verbunt; Tilbrgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 -  dons - die van ons

 

dod

1. zelfstandig naamwoord

de dood

- Voorbeeld op originele systeemkaart van Sterenborg - om de doje dod nie - beslist niet

- Frans Hessels (1931-2006); uitspraken opgetekend door zoon Hans Hessels, 2020 - Bij het zien van een ernstige zieke: - hij ziet er t as den dod van Ieper!

Volledige bron: KLIK HIER

Aanvullende bron:

- WBD III.1.2:194 - mee de dood in zijn ogen lopen - wegkwijnen

2. bijvoeglijk naamwoord

- A.A. Weijnen; Dialectatlas van Noord-Brabant, 1952 - et kiendje was dod vurdsset ksse dope

- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - dod is nie rg, mar ge mot zo verrkkes lang stilligge

- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - zrgt dgge nie dod zt vurdgge dodgaot

- Frans Hessels (1931-2006); uitspraken opgetekend door zoon Hans Hessels, 2020 - Als iemand er erg ziekelijk uitziet: - dies dod mar hij wittet zlf ng nie!

Volledige bron: KLIK HIER

Aanvullende bronnen:

- WBD III.1.2:219 dood - verkleumd

- WBD III.1.1:256 dood - gevoelloos; ook doof

- WBD III.2.3:266 dood - verschaald (bier)

3. in samenstellingen met werkwoorden

- Voorbeeld op originele systeemkaart van Sterenborg - Ge gaot nie dod vurd ge en kr zaand op ht. - Je sterft niet voor je tijd.

- Grot diktee van de Tilburgse taol, 2008 - Och val dod, meens, lfde gij ng!

- Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek, aflevering 79, Nieuwsblad van het Zuiden 1969-05-08 - "Denk er aan, als ge dood gaat, gaode in 't paopekuiltje" placht een moeder tegen haar kinderen te zeggen. Hoewel "paap" o.a. verband houdt met grondwerk en ook met de lakenweverij, zien we die relatie hier toch niet. Wellicht wordt hier gewoon een graf op het kerkhof bedoeld. Het kerkhof is dan gezien als eigendom van de pastoor.

dodmaoke

4. in samenstellingen met zelfstandige of bijvoeglijke naamwoorden

- Kees en Bart; Dialoog in Tilburgsche Post, 1922-193? - dodsveraachting

 

dodgemoedererd

bijwoord

doodgemoedereerd, zonder blikken of blozen, alsof het niks is

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven); Van den aandere kaant bekeeke, ongedateerd knipsel; Tilburgse Koerier, 1960-1980 - Meej ene gestripten brsrk aon/ aachter enen bol aonjaoge/ n daor ng dodgemoedereerd intree vur drve vraoge...

- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1959-11-07 - Hij zeej ddgemoedereerd dek unne interessaante meens z...

- Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1978-11-17 - [dirigent tegen koorzanger...] Dr stao forto mar d wil naa nog nie zegge degge ddgemoedereerd moet gaon staon te kwke.

 

dodmaoke

werkwoord, zwak

doodmaken

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - dodmaoke (geen klinkerverkorting)

 

dodmuug

bijvoeglijk naamwoord

doodmoe

- Kees en Bart; Dialoog in Tilburgsche Post, 1922-193? dodmuug

Aanvullende bron:

- Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch, 1899 - doodmuug - doodmoede

 

dof

bijvoeglijk naamwoord

1. doof, dove; van gehoor

- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1968-06-21 - [Moeder roept kind...] Gonneke... Gon... Gonda... heurde-me-nie dve kwartel... [Robben heeft bewust de naam Gonda gebruikt: de heilige Aldegonda van Maubeuge gold voornamelijk als geneesheilige tegen kanker maar zij werd ook aangeroepen ter genezing of voorkoming van doofheid. (bron: Jo Claes e.a.; Geneesheiligen in de Lage landen, 2005)]

- Frans Verbunt; Tilbrgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - ne meens mt veul nheure assie nie dof is

- Henritte Vunderink; Tis de moejte wrd; Vergeefse mankemnte, 2011- Hij wier n baaj de kaante wl w dof.

2. gevoelloos; verdoofd

- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1968-04-19 - Mn been is df...

- Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1983-12-16 - [zieke vrouw...] Dokter, mn haand is wir df.

Aanvullende bron:

- WBD III.1.1:256 - doof - gevoelooos

- WBD III.4.4:2 - dove maan - nieuwe maan, ook donkere maan

 

doj

1. zelfstandig naamwoord, meervoud

doden, overledenen, meervoud van

doje

- Kees en Bart; Dialoog in Tilburgsche Post, 1922-193? - gin dooi

- Kees en Bart; Dialoog in Tilburgsche Post, 1922-193? - bang dtter dooj bij valle

- Gerard Steijns; Grot Dikteej van de Tilburgse Taol, 2002 - Dikkels ging et ok oover de dooj in de buurt. D waare we dan gewaor gewrre omd de gerdne daor dicht waare f omdtter zon busseltje vur de deur ston. As daor witte strikskes n zaate dan waarder en kiendje dod.

- J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen, 1836 doode; voor het lijk; oud gebruik, reeds bij Melis Stoke.

- A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - dooie - dode; meervoud deui - doden

2. bijvoeglijk naamwoord

doods, dor

- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1960-08-26 - ...in d dooi vervallen huis
Aanvullende bronnen;

- Kernkamp; Dialectenqute, 1876 - dooi bloajer - dorre bladeren

- WBD III.3.3:322 dooimis - dodenmis

 

doje

zelfstandig naamwoord

dode, overledene  

- Interview Van den Aker, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2014 - Tweej, drie daoge stonde ze zoiets... Den dojen in hs n dan brchte ze em wg... J, d was de kl in!

Klik hier om dit bestand te beluisteren

 

dojer

zelfstandig naamwoord

dooier

- A.A. Weijnen; Dialectatlas van Noord-Brabant, 1952 - d maoke ze meej den dojer van en aaj

 

dook, dookus

zelfstandig naamwoord; afgeleid van eigennaam Jodocus

sul

- Stadsnieuws; Dialectrubriek, 2007-11-28 - Et is ene goejen dook, mar hij heej nrgeraand rg in - Och, hij is een goede sul, maar je kunt hem van alles wijsmaken.

Aanvullende bronnen:

- A.A. Weijnen; Etymologisch dialectwoordenboek, 1995 - dokus, verkort dook - sukkel, sul (Zeeland, Tilburg); waarschijnlijk verkort uit de eigennaam Judocus

 

dok

werkwoord, persoonsvorm.

dook

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - 2e persoon meervoud gullie dokt/dokt; verleden tijd enkelvoud van dke

 

dooka

zelfstandig naamwoord; afgeleid van eigennaam Jodoca

trage trut, vrouwelijke vorm van dookus

- Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs dialect, 1916 - docha t is zon docha (dutsel)

- Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1983-06-17 - 't [de vrouw...] is en blft n dooka...

- Stadsnieuws; Dialectrubriek, 2008-01-27 - Et is me tch en dooka; ge kunt er nie meej hrt f vort!

 

doole

werkwoord, zwak

dolen

doole - dolde gedold; ook vocaalkrimping in tegenwoordige tijd gij/hij dolt

 

dop

zelfstandig naamwoord

doop, doopsel; voltrekking van het eerste sacrament bij rooms-katholieken

- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1969-05-30 - Maag ik k meej naor den dp zuster...

 

dope

werkwoord, zwak

dopen

doope - dpte gedpt; ook in tegenwoordige tijd vocaalkrimping gij/hij dpt  

Behalve het sacrament van het doopsel ook in figuurlijk gebruik: sterke jenever verdunnen met water

- Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1983-10-07 - En de miste kasteleins zen nog t biste rms k... Ze dpen dren snevel nog aaltij aauwverwets... [water bij de jenever doen...]

- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1962 -11-16 - [Over slappe koffie...] Meej t volgende zetsel kunde vort dpen...

Aanvullende bronnen:

- Kernkamp; Dialectenqute, 1876 - doapen - doopen

- A.A. Weijnen; Dialectatlas van Noord-Brabant, 1952 - et kiendje was dod vurdset ksse dope

 

doore

zelfstandig naamwoord

dorens

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - die rozen bbe lange dorens

 

Ill.: Naumann - doorevink - groenvink - chloris chloris

 

doorevink

zelfstandig naamwoord

groenvink, groenling (chloris chloris)

- Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs dialect, 1916 - doorevink - groene vink

Aanvullende bron:

- WBD III.4.1:131 - doornvink - groenling

 

dos, duske

zelfstandig naamwoord

doos; figuurlijk: onnozel vrouwspersoon, doetje

- Voorbeeld op originele systeemkaart van Sterenborg - W zde tch en dos! - Wat ben je toch een doetje.

- Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1981-04-03 [man tegen echtgenote] h, hedde d toch onderhaand deur ds degge zd...

- Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs dialect, 1916 - dos t is zo mar een dos - ...meisje zonder energie

Aanvullende bronnen:

- WBD III.1.4:34 doos - domme vrouw

- Jan Naaijkens; Ds Biks, 1992 - ds - doos, gans

- Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch, 1899 - doos, verkleinwoord doozeke(n), dooske(n), Kempisch dske(n), voor wijf. Wordt niet enkel verbonden met oud: n o doos, maar ook met gierig, lui, smrig en vuil

- Lex Reelick; Bosch woordenboek, 1993 - doos - doos, domme vrouw, onnozele vrouw

- WNT - doos - weinig bij de hand, onnoozel vrouwspersoon die gemakkelijk is beet te nemen.

 

dove

1. werkwoord, zwak

doven, uitdoen

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek, 1998 - doven

- WBD III.3.3:115 - doven - idem (kaarsen)

2. zelfstandig naamwoord

dove

- Pierre van Beek; Tilburgse taalplastiek, aflevering 6; Nieuwe Tilburgse Courant, 1950-03-11 Hier zie ik oe, zeej den blende! en Naauw heur ik oe, zeej den dove!, kan iemand wel eens ten antwoord krijgen als hij goed uit den hoek komt of de spijker op de kop slaat.

- Karel de Beer; Tilburgs Bijnamenboek, 2000 - den dove - Jan Kortenray jr.

 

dp

zelfstandig naamwoord

dop

- WBD - dppen n de speene hbbe [van een merrie...] - afscheiding geven uit de tepels als bewijs van zwangerschap, ook genoemd behaawe zn of (Hasselt) nt re zn

 

dpke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord van dp met umlaut

dopje  

- Informant Ad Vinken Aftelrijmpje; pke dpke booterstpke, pke dpke dons

 

dopkled

zelfstandig naamwoord

doopkleed

- A.A. Weijnen; Dialectatlas van Noord-Brabant, 1952 - dpkled

- WBD III.3.3:279 - dopkleeke - doopkleed

 

doppeltje

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

dubbeltje

- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - dubbeltje (op Korvel en in Goirle)

 

dopsel

zelfstandig naamwoord

doopsel

Aanvullende bron:

- WBD III.3.3:279 - dopsel - doopsel

 

dopt(e)

werkwoord, persoonsvorm

doopt(e)

tegenwoordige tijd/verleden tijd enkelvoud van dope, met vocaalkrimping

 

dopvont

zelfstandig naamwoord

zowel de doopvont als het doopvont

- Elie van Schilt; As ge katteliek geboren wierd; CuBra, circa 2000 - In de kerk aongekomen bij ut dopvont, daor wier oe kupke onder al die lappen uytgefrut en mee un Ik dp oe in de naom van de vadder en de zoon en ok nog dun heilige geest...

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - dopvont

Aanvullende bronnen:

- A.A. Weijnen; Dialectatlas van Noord-Brabant, 1952 - dpvnt

- WBD III.3.3:60 - dopvont - doopvont

- WBD III.3.3:60 - dopvont, dopvontkepl

 

dr, daor

bijwoord

daar

- Voorbeeld op originele systeemkaart van Sterenborg - As ge dr zt, moete dr blve.

 

drnve

bijwoord

daarnaast

- Interview Hermans, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2013 - Op Broekhooven en... Toen wij en jaor f twaalf waare stond die krk er ng nie want d was irst en hil grote waaj n drnve hadde boer de Brouwer woone... n toen is daor en krk gezt n is d ammel veraanderd.

► KLIK HIER om het interview te beluisteren

 

drnt

bijwoord

daarnet, kort geleden

- Frans Hessels (1931-2006); uitspraken opgetekend door zoon Hans Hessels, 2020 - Als je de kamer binnenkomt en beweert dat het daar stinkt: - drnt ng nie! of: - doet oewe mond es dicht n ruukt ng es!

►Volledige bron: KLIK HIER

 

drp

zelfstandig naamwoord

dorp

- Voorbeeld op originele systeemkaart van Sterenborg - Den Haajkaant is gin drp mir.

- Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek aflevering 114, Nieuwsblad van het Zuideb 1970-11-12 - Waar veel mensen wonen kan uiteraard veel gebeuren. We drukken dat wat kernachtiger uit met: "Er gebeurt in 'n stad mr dan in zeven dorpen". Er zou ook achter kunnen zitten de gedachte waarin "de stad" wordt gezien als "poel des verderfs", in tegenstelling tot de "onschuld" van het platteland.

- Mandos; Brabantse spreekwoorden, 2003 Aan 't durp de praacht, maar hier de maacht. Aan het dorp de pracht, maar hier de macht. Het geld was op het Goirke te vinden. ("Het dorp" het Goirke, een deel van Tilburg dat ten noorden van de spoorlijn ligt. Er woonden veel fabrikanten.)

Aanvullende bronnen:

- Kernkamp; Dialectenqute, 1876 - durp - dorp (vergelijk de spelling putjes voor ptjes); durpspln

- Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch, 1899 - dorp (uitspraak drrep) - dorp; heeft ook de bepaalde beteekenis van dorpskom, het gedeelte van het dorp dat rond de kerk ligt en gewoonlijk het meest bebouwd is

- WBD III.3.1:317 dorp - dorpskom, centrum van het dorp, ook kom

 

drpel

zelfstandig naamwoord

dorpel, drempel

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek, 1998 - drrepel, dlper

Aanvullende bronnen

- Kernkamp; Dialectenqute, 1876 - drpel ( van Mrder), sleepend drrepel

- Willems; Dialectenqute, 1887 drpel  

- WBD III.2.1:41 - dorpel - vensterbank buiten

- WBD III.2.1:42 - vensterdorpel - vensterdorpel

- WBD III.2.1:65 - dorpel - drempel

- A.A. Weijnen; Etymologisch dialectwoordenboek, 1995 - dorpel, durpel, delper - drempel (deur + paal)

- A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - dorpel, drempel

- WNT - dorpel, in de schrijftaal is drempel meer gewoon...

Als dlleper

- WTT; Ed Schilders, aanvulling 2021 - De verwisseling van de R en de L (methatesis) komt vaker voor in het Tilburgs; zie Van Delft - Een dorpel noemt hij een dulleper; een orgel een ulleger; zelfs hoort men de wijk Korvel ooit Kullever noemen. (Van Vroeger Dagen, aflevering 118; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1929-06-08)

- C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal, 1978 - dorpel (drpel, maar dikwijls ook dlleper)  drempel; go mr op den dlleper zitte; hij komt hier nie over den dlleper.

- Schuermans, Algemeen Vlaamsch Idioticon, 1865-1870) - L wordt met R verwisseld, en omgekeerd; zulker (zurkel), flamboes (framboos), kellever (kervel), hallever (armvol), enzovoorts

 

drreve, drve

werkwoord, zwak

durven

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - dreve - dieref - gedrefd/gedreve

- Willems; Dialectenqute, 1887 - drve - drfde - gedrfd; ik durf, gij drft, hij durft, meervoud durve

- Kernkamp; Dialectenqute, 1876 - ik drf, ik dierf

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek, 1998 - drreve drreft, drs

- Kees en Bart; Dialoog in Tilburgsche Post, 1922-193? - ge dorft nie; as ie dorf dan...

- Naarus (pseudoniem van Bernard de Pont); Groot Tilburg, 1941; CuBra Mar Kees toch zin de toeheurders, en dorrufde gij d? Ja, dat dorf ik, zi Kees.

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven); Pertrtjes keke, ongedateerd knipsel; Tilburgse Koerier 1960-1980 - Hoeveul taartjes d Sien op heej/ d drf ik nie te schatte.

- Interview Hermans, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2013 - Daor drref ik nie, daor drref ik alles nie oover te vertlle, van vchtpartije n van allerhande dinge. N, n, n, d doewek nie... N, daor hoefde ok nie bij te zn ok nie!

KLIK HIER om het interview te beluisteren

Aanvullende bronnen

- A.A. Weijnen; Dialectatlas van Noord-Brabant, 1952 - drfde gij daor p te douwe?

- WBD III.1.4:129/132 - durf - moed; durver, durfal - durfal

- J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen, 1836 dorf; in den verleden tijd van durven gebruikt men hier vrij algemeen, zelfs onder beschaafde lieden, ook in den 3den persoon: hij dorf.

- Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch, 1899 - derven (in het Zuiden der Kempen ook darren en drven); verleden tijd dorref; drven (uitspraak drreven) durven; voltooid deelwoord gedorven/gedrven

 

drrem, drrom

bijwoord

daarom

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek, 1998 drum - daarom

- Frans Verbunt; Tilbrgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 -  ook om drrom

Aanvullende bron

- Jan Naaijkens; Ds Biks, 1992 - drrem - daarom

 

drse

werkwoord, zwak

dorsen

- A.A. Weijnen; Dialectatlas van Noord-Brabant, 1952 -  dorse, hij dorst, hij dorste, hij heej gedorst

- A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - dorse(n)

- Jan Naaijkens; Ds Biks, 1992 - dorse - dorsen; deelwoord gedorse

 

drst

zelfstandig naamwoord

1. dorst

- Frans Verbunt; Tilbrgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 -  et zn bedrve kiendjes die van drinke drst krge (ook: Stadsnieuws; Dialectrubriek, 2006-07-12)

2. geen trek in eten hebben

In dit geval niet bedoeld als behoefte aan drank hebben maar als geen trek in eten hebben

- WBD III.2.3 - de dorst verslaan; waardering voor Tilburg door WBD: zeldzaam; - de dorst verslagen; zeldzaam Tilburg - de dorst blussen.

 

dster

bijvoeglijk naamwoord

duister

- Piet Heerkens; Vertesselkes; Wenter en lente, 1944 - Den aawen Wenter zit in zn hut;

et is er koud en dster...

Aanvullende bron

- WBD III.4.4:238 - duister - donker; duisteren - schemeren

- WBD III.4.4:238 - duister worden, schemeren

- Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch, 1899 - duister (uitspraak dster) - Zoo duister as e graf.

 

dsternis

zelfstandig naamwoord

duisternis

- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1960-07-15 - Daor uit de dsternis/ kwaamp unne vremde stoet

 

Dts

bijvoeglijk naamwoord

Duits

- Voorbeeld op originele systeemkaart Sterenborg - nen dtsen sldaot

- Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brne eigeluk wel trekken? Deel 1, 2006 - Ok de veurlichting, ok in un pril stadium, w waar d eigeluk? kwam nicht im frage, om mar ens op den Dtse toer te gaon.

- Karel de Beer; Tilburgs Bijnamenboek, 2000 - dtske - uit Duitsland afkomstige vrouw

- Henritte Vunderink; Tis de moejte wrd; Dtse klegraover, 2011 - n et valt me steeds op dt er lke ker/ Dtse toeristen n koome draove,/ die daor dan diepe kle gn graove...

Aanvullende bronnen

- A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - dts - Duits

- Leo Goemans; Leuvens taaleigen, 1936 - duitsch - dts

- Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch, 1899 - duits (uitspraak dts)

 

Dts, den

zelfstandig naamwoord

de Duitsers

- Voorbeeld op originele systeemkaart Sterenborg - Sommegte waare vur den Dts. - Sommigen waren duitsgezind.

- Nel Timmermans; Den orlog; CuBra, 200? - Op enen aovend, t moet Vrijdag of Zaoterdag zn gewist want ons moeder was de knder in bad n t doen, kwaam ons overbuurvrouw binne n vertelde d den dts had gecapituleerd

Aanvullende bronnen

- A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 Dts - Duits; den Dts - de Duitsers

- Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch, 1899 duits(ch) (uitspraak dts); Duitscher nen Duits(ch), de duits(ch)er; die man is nen Duits(ch)

 

Dts mesjien
zelfstandig naamwoord

hulpmachine bij het weven; letterlijk Duitse machine

- Gerard van Leijborgh; De laatste Tilburgsche huiswever 3, Nieuwe Tilburgsche Courant, 1940-11-16 (aan het woord is Frans van Geloven, de laatste huiswever) Het weefgetouw, zoo antwoordde hij, is het persoonlijk eigendom van den wever; die weven wilde, moest maar zorgen, dat hij een getouw had. Het getouw, waarop ik altijd geweven heb, werd door de firma Van Meerendonk gemaakt, evenals het Duitsch machien*. Van Meerendonk was zoowat de alleenheerscher op dit gebied, op t Goirke, Hasselt en Heikant. Het maken van zulk een weefgetouw kostte plusminus 40 gulden, dat was voor vele wevers dikwijls een heele som, zoodat hij in eere gehouden werd. * Duitsch machien - een soort jacquard of harnas, in tegenstelling met Fransch machien.
 

Dtser

zelfstandig naamwoord, eigennaam

Duitser

- Willem van Mook; voorwoord in programmaboekje van de Korvelse revue Vruuger en naa, 1926 - Vlak bij de grens worren ze opgejaogd dur de kommiezen, de smokkelaers zuuken lijfsbehoud in 't vrmde laand. Mar om daor te komen moeten ze dur den elektrieken draod, de moordende afrastering die de Dtschers in de oorlogsjaoren tusschen Brabant en Vlaonderen spanden.

 

double face

zelfstandig naamwoord, mannelijk

stofnaam (textiel), dubbelzijdig te gebruiken stof

double face; uit het Frans, uitgesproken doeble fas; ook verbasterde Engelse uitspraak kwam voor: dbbel fees

- Henk van Rijswijk; schriftelijke mededeling, 2013 Ik ken de uitspraak alleen in de Engelse versie (dan dus uitgesproken dbbel fees)

- Henk van Rijswijk; Herinneringen aan zijn opleiding aan de Hogere Textielschool, 1950-09-01 1954-07-01 - Double face - de naam geeft aan dat de stof een dubbel uiterlijk heeft. Men noemt dat ook wel reversible. Een reversible-coat is een jas die aan twee zijden gedragen kan worden. Het is een dubbelweefsel waarbij de twee zijden gewoonlijk door bindkettingdraden met elkaar verbonden zijn. De bovenzijde heeft meestal een andere structuur en kleursamenstelling dan de onderzijde. Het onderweefsel is vaak geruit.

 

 

(Herinneringen aan zijn opleiding aan de Hogere Textielschool - 1 september 1950 tot en met juli 1954), Zie de volledige tekst op CuBra

Aanvullende bronnen

- J.T. Bonthond; Woordenboek voor de manufacturier, 1947 - double-face - weefsel met verschillend gekleurde of bedrukte zijden, bijvoorbeeld dekens

- WNT, 2001 - doubleface - uit frans double-face; zoo ook duits doubleface; vergelijk engels double-face. Ook nog wel los geschreven, of met een koppelteeken.

*

Dubbel geweven stof met aan de twee zijden verschillende patronen of verschillende kleuren.

- V. Hoytema; Garen 176, 1917 - Double face - kaardgaren wollen stof, dubbel geweven met verschillend patroon in onder- en boven weefsel, meestal gemleerd boven, geruit onder

- Van Paassen en Ruygrok; Textielwaren 206, 1965 double face - dubbelweefsels

Hieronder verstaat men weefsels, die uit minstens twee ketting- en twee inslagstelsels bestaan en als het ware twee weefsels vormen, die boven elkaar liggen en van verschillende kleur en/of kwaliteit kunnen zijn.

 

douw

zelfstandig naamwoord

duw

- Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1979-06-08 Alderliefste lieve vrouwke, gift men duif n extra douwke... Komt ze nie... of heel laot binne, laot dan Willem Ii mar winne... [schietgebedje van een duivenmelker voor een Maria-altaar]

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek, 1998 - daaw

Aanvullende bronnen

- Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch, 1899 - douw duw; iemand nen douw geven.

- WNT duw - douw

 

douwderiedouwke

zelfstandig naamwoord

deuntje, melodietje

- Piet Heerkens; Dn rgel; Aaw Tilburg, 1938 - en zong zn douwderidouwke

 

douwe

werkwoord, zwak

duwen

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek, 1998 daawe duwen; daaw ut mar du de deur deur!

- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - dernder gedouwd wrre - begraven worden

- Frans Hessels (1931-2006); uitspraken opgetekend door zoon Hans Hessels - Als je je tussen het vele publiek bij een evenement een goeie plaats wilt veroveren: - irste rang, zlf douwe!

Volledige bron: KLIK HIER

Aanvullende bronnen

- A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant, 1952 - drfde gij daor p te douwe?

- WBD III.1.2:82 - douwen - stoten

- Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch, 1899 - douwen - duwen; er van gedouwen zijn - er aan toeleggen, het bekoopen; gedouwen; 3e hoofdvorm van douwen

 

Foto: Regionaal Historisch Centrum / Stadsmuseum Tilburg

 

douwkr

zelfstandig naamwoord

- Frans Verbunt; Tilbrgs vur tonpraoters, 1998 - stootkar, ook sttskr

- Nel Timmermans; Wtter amml n de deur komt; CuBra, 200? - En n de vurdeur kwaam elken dag de melkboer meej en douwkr meej enen hond eronder die moes hlpe trkke.

 

draacht

zelfstandig naamwoord

dracht

- WBD III. 4.3:26 dracht - drachtig zijn

 

draaibom

zelfstandig naamwoord

draaiboom

- Lowie van Dorrus Misters; Onze Tilburgse folklore, aflevering 16; Rond de boerenhaard 1; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1952-06-27 - Velen van ons hebben nog wel de leurders gekend uit Kaatsheuvel met bezems en boenders. Was de stal aan het huis verbonden, dan was er vanaf de goot ook een deur, die toegang gaf op de voorstal, de ruimte waar het vee gevoerd werd. In de woonkamer naast de gootdeur was dan de draaiboom, een staande balk, die draaide tussen vloer en zolder met aan het boveneind een liggende balk, tussen beide zat een schuine stutbalk. Aan het vrije uiteinde hing een stang of ketting met haak, waaraan de sopketel op juiste hoogte boven het haardvuur kwam te hangen.

Aanvullende bron

- A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - dreiboom draaiboom; op ene spil draaiende boom, waarmede men een last verplaatst

- WBD - draaiboom koeketel; draaibare boom aan een staande paal

 

draajbrd

zelfstandig naamwoord.

draaibord, draaikont

- Pierre van Beek; Onze folklore, aflevering 4; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1959-03-19 t Is een draaibord - Hij waait met alle winden; Hij huilt met de wolven, waarmee hij in t bos is

 

draaje

werkwoord

draaien

- Kees en Bart; Dialoog in Tilburgsche Post, 1922-193? - der duukskes m draaje

- Cees Robben; Prent van de Week, Nieuwsblad van het Zuiden, 1974-10-25 [Man tegen vrouw] Z, zodde gij oew braoi daor k in wille draaie... Ik zit liever aon unne viskuil...

- Pierre van Beek; Typische zegswijzen, aflevering 5; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1959-08-25 - Ik ben er mee gedraaid - Ik ben er mee klaar! t Valt niet mee.

- Frans Verbunt; Tilbrgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - draaien as ene stront in ene pispt

Aanvullende bronnen:

- WBD - schon gedraajde koej - koe met mooie billen, ook genoemd vierkaante, meej goej / mooje bille, meej goej aachterstel

- WBD - et kalf zit gedraajd, respectievelijk aachtersteveure - met de kop naar achter, dus verkeerd (vr de geboorte)

- WBD - in zen hakke draaje (van een paard) - bij het stappen de voeten naar binnen keren, ook genoemd haoks (loope)

- WBD - draaje - keren (van de ploeg, aan het eind van een akker)

- WBD - dur de meule draaje - worstvlees en -vet kleinmaken, ook genoemd durdraaje

- WBD III.1.4:417 - draaien - slinkse streken

- Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch, 1899 draaien; iemand iet draaien - hem iets kwaads toebrengen

 

draajers

zelfstandig naamwoord, meervoud

draaiers

- WBD knobbels - kleine heupen achter de grote heupen, meestal in de vorm van uitstekende botten of knobbels (bij koeien)

 

Dendrocopos minor

 

draajnk

zelfstandig naamwoord

bonte specht

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek, 1998 - kleine bonte specht (dendrocopos minor; ook picus minor)

Aanvullende bron:

- WBD III.4.1:142 - draajnk - bonte specht

 

draank

zelfstandig naamwoord

drank

- Kees en Bart; Dialoog in Tilburgsche Post, 1922-193? - sterken draank

- Cees Robben; Prent van de Week, Nieuwsblad van het Zuiden, 1980-03-07 - En naa motte dn draank vort uit oe lf laote, Willem...

- Cees Robben; Prent van de Week, Nieuwsblad van het Zuiden, 1980-09-19 - Ge moet den draank n maond laote staon

- Frans Verbunt; Tilbrgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - ge kunt den draank t zen bakkes tappe - gezegd van iemand wiens gezicht drankmisbruik verraadt

 

draant

bijwoord

verkorting van onderhaand

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek, 1998 - intussen, inmiddels

 

drab

zelfstandig naamwoord

drab

dras

- WBD III.4.4:l68 drab - modder, slijk

- WBD III.2.3:267 - drab - droesem (bezinksel in wijnfles)

- WBD III.2.3:276 - koffiedrab - koffiedik

 

drang

zelfstandig naamwoord.

het gedrang

- Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); De nuuwe kapelaon van Baozel, aflevering 11; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1938-12-10 - Derde rang [in de bioscoop], dan moete hil den tijd staon en in den drang staon ok nog! 

 

draod

zelfstandig naamwoord

draad

meervoud zowel draojer, draoje als draoj

verkleinwoord: drjke

- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1956-06-30 - ...de vring van dn draod

- A.J.A.C. van Delft; Bekoring van dialect; Typische zegswijzen uit onze streek, uit de volksmond opgetekend; Nieuwe Tilburgse Courant, 1961 - Er was geen goeie draad mee te spinnen. - Hij was onhandelbaar, er was niets mee aan te vangen.

- Interview Hermans, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2013 - Want affktgaores op zichzlf die zijn van ketoen mar ge ht ok veel die gevrfd zn dt wol is, war Want ene wollen draod kunne ze nie zo dun maoke as ene gewoone hillen dunne zijen draod, fwl ene ketoenen draod

KLIK hier om het interview te beluisteren

- Willem van Mook; voorwoord in programmaboekje van de Korvelse revue Vruuger en naa, 1926 - de buitenwvers van Krvel, och rm, och rm, och rm, d'r braken toch zoveul draoi...

- Rolf Janssen; We hebben gezongen en niks gehad, Tilburg 1984 - ik knupte de draoier'

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek, 1998 - de draoj zn dur bekaar gewrd - zijn in de war geraakt

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - draojer, draoje

Aanvullende bronnen:

- WBD II:989 - kttingdraod - kettingdraad

- WBD II:1012 - lngdraod - lengdraad: ter reparatie van kettingdraden

- WBD II:1029 - inslagdraod - inslagdraad

- WBD - prikkeldraod, prikdraod, pikkeldraod - prikkeldraad

- Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch, 1899 draad, draat; verkleinwoord draodje, dreudje, draaiken, draoken; meervoud draoi(d)en en draoten; als stofnaam mannelijk, niet onzijdig

 

draodhkke

zelfstandig naamwoord

- WBD - sluitdraad voor een weide-ingang (Hasselt)

 

draoge

werkwoord, sterk

dragen

- Cees Robben; Prent van de Week, Nieuwsblad van het Zuiden, 1978-09-22 En ik hoop degge dees medollie van verdienste nog lang in eer en deugd meugt draoge...

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - draoge, (hij) draogt

Aanvullende bronnen:

- WBD III.4.3:33 dragen - vrucht zetten

- WBD - de koe draogt - ze is drachtig, ook genoemd draogend ofwel der is en kalf in; der zit en kalf p; ze is behaawe

- WBD - draogt oover - (van een koe) heeft de drachtigheidsperiode overschreden c.q. is oover td

- Willems; Dialectenqute, 1887 - draoge - droeg gedraoge; in tegenwoordige tijd geen vocaalkrimping

- Kernkamp; Dialectenqute, 1876 - ze droeg n maand op den rug

 

draogend

bijvoeglijk naamwoord

- WBD - drachtig (van een koe), waarvan men ook zegt behaawe

 

draove

werkwoord

draven

draove - draofde gedraofd; geen vocaalkrimping

 

drapeej

zelfstandig naamwoord

stofnaam (textiel)

Aanvullende bronnen:

- WBD II.4:861 drap

- J.T. Bonthond; Woordenboek voor de manufacturier, 1947 drap - Kamgaren weefsel in versterkte satijnbinding. Licht geruwd en geschoren. Meestal zwart geverfd. De binding is in tegenstelling met Laken, meer of minder zichtbaar. Toepassing: smokings.

- WNT, 2001 - Drap - Fijne zwarte of donkerblauwe, uit kamgaren geweven wollen stof, inzonderlijk gebruikt voor gelegenheidskleeding, kostuums e.d.

- Van Paassen en Ruygrok; Textielwaren 334, 1965 Drap - Fijne, wollen meestal kamgaren stof, geweven in speciaal versterkte satijnbinding met lakenappretuur. Soms ook kamgaren ketting en strijkgaren inslag. Gebruikt voor damestailleurs, officierslaken en, zwart geverfd, voor heren gelegenheidskleding.

 

dras

zelfstandig naamwoord

drab

drab

- WBD III.2.3:276 dras, koffiedras, koffiedrats - koffiedik

- WBD III.2.3:267 dras - droesem

- WBD III.4.44:236 drassig - troebel

 

dref

werkwoord, persoonsvorm

dreef

verleden tijd enkelvoud van dreeve

 

drfdlleke - drftlleke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

drijftolletje; kinderspeelgoed: drijftol - tol die met een zweepje in beweging moet worden gehouden (aandrijven)

hakdllekes

- Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1980-04-18 - [Kinderen in een winkeltje] Meneer, verkpte sewle nog drfdllekes meej n zwipke en hakdllekes meej n piske...

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek, 1998 drftlleke - drijftolletje

Aanvullende bronnen:

- Jan Naaijkens; D's Biks, 1992 - drfdlleke - drijftol

 

drge

werkwoord, zwak

dreigen, bedreigen

drge - drgde - gedrgd

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - Hij bedrgde mn meej ene knuppel.

Aanvullende bronnen:

- Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch, 1899 gedregen - 3e hoofdvorm van dreigen; dreigen, dreeg, gedregen

- J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen, 1836 - gedregen, voor gedreigd. Men zegt het ook meestal in Zuid-Brabant.

 

Dree(j)

eigennaam

verkorting van Andre(as)

- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1964-12-31 - ...onzen Dreej...

 

Dreeke

eigennaam; verkleind van Dr uit Andre(as) [Dree(j)]

- Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1970-05-01 - Ons Dreeke wordt pastr, opa

 

drne

werkwoord, zwak

dreinen, lastig zeuren

drne - drnde gedrnd; in tegenwoordige tijd vocaalkrimping drnt

- Voorbeeld op originele systeemkaart Sterenborg - Hij blef mar drne. - Hij bleef maar zeuren.

- Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs dialect, 1916 - draine - zaniken

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven); Nr de krmis, ongedateerd knipsel; De Tilburgse Koerier, 1960-1980 - We zaate aamper in de bus/ toen begosse de klne/ oover de mallemeule/ al op vurhaand dur te drne.

Aanvullende bronnen:

- Kernkamp; Dialectenqute, 1876 - drne ( van frans mme) - pruttelen

- WBD III.1.4:252 - dreinen - drenzen

- A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 dreinen - 1. staan te draaien, onzeker zijn wat te doen; 2. dreigen te regenen; et hee den heelen dag al gedrend

- Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch, 1899 dreinen - drnen

 

drnoor

zelfstandig naamwoord

dreinoor

dreinen lijkt een verbastering van drenzen; -oor is een gangbaar achtervoegsel in berispingen als verondersteld wordt dat de aangesprokene niet wil luisteren; vergelijk druiloor en

neetoor

- Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs dialect, 1916 - drainoor - zaniker

- Naarus (pseudoniem van Bernard de Pont); Groot Tilurg, 1941; CuBra - Naa motte nie mne d ik innen dreinoor z, die tegen alles in de oppusietie komt...

- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1967-06-03 - Lillukke drn-r diege-me-daor-staot...

- Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1982-10-22 - Vat de schuup (...) drnr...

- Theo de Wijs; schriftelijke mededeling aan Cees Robben, 1962-02  Mee toere bende nne lillik drver, dreiner!

 

drve

werkwoord, sterk

drijven

drve - dref gedreeve; geen vocaalkrimping

 

drver

zelfstandig naamwoord.

koppig persoon

- Theo de Wijs; schriftelijke mededeling aan Cees Robben, 1963-10-23 - Toent nog nen klnen brak waar, dacht ik al dettet aaltij nen drver z blve
- Theo de Wijs; schriftelijke mededeling aan Cees Robben, 1962-02 - Meetoere bende nne lillik drver, dreiner!

- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1963-11-29 - t [het kind] zal aaltij wel unnen drver blven...

 

drverke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

opvallend klein, beweeglijk persoon

- WBD III.1.1:11 drijvertje - iemand van kleine gestalte

 

drfke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

drafje

- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1957-05-25 - ...op n drefke...

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek, 1998 drfke - drafje

Aanvullende bron:

- WBD III.1.2:125 - op een drafje lopen - op een sukkeldrafje lopen; ook op een schokje lopen, op een kiependrafje lopen

 

drk

bijwoord

direct, zo meteen

- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1958-08-03 - Doew-nissels-vaast... Drek-trap-trop...

- Interview met Heikanters, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2015 - En dan moes et [vlees van het geslachte varken...] drk nr de pestoor! Die, die aat er goed van, dieje krel! Die vret ze wl op, h, h, h... Daor koste meej gin wit spk nr toe!

- Interview met De Kok, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2014 - Jao, d di hij! Hij ging meej sponze langs de deur... Hij, Jan... J, ik kan et ammel zo drk meej de naom niemer noemen, h...

KLIK HIER om de audiobestanden van dit interview te beluisteren

 

drl

zelfstandig naamwoord

dril, geleiachtige substantie

- C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal, 1978 drl - dril, geleiachtige substantie

 

drm

zelfstandig naamwoord

uiteinde kettinggaren

- A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 drem (weversterm) - drem, drom - het niet meer te verwerken uiteinde van het kettinggaren

 

drnt

werkwoordsvorm van drne

dreint

tegenwoordige tijd enkelvoud; jij, gij, hij, zij drnt

 

Schilderij van Osias Beert (detail) - 17e eeuw

 

1. druif   3 x kleur aanpassen

- WBD III.2.1:466 druif - wijnrank

2. pretmaker, zot mens (meestal vrouw)

- WBD III.1.4:197 druif - pretmaker

- WNT druif - In toepassing op personen, inzonderheid in de verbinding een fijne druif, van iemand die zich onwaardig gedraagt

3. knop in spanzaag

- WBD II:2375 drf - een van de knoppen waartussen het zaagblad van een spanzaag bevestigd is

  

drg

bijvoeglijk naamwoord

droog

- Voorbeeld op originele systeemkaart Sterenborg - Giestere rgenden et n naaw ist drg.

- Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs dialect, 1916  - Ge ht vannaacht zeker nie drg gelege?  [gezegd tegen iemand die nogal vroeg uit de veren is]

- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1956-07-14 - Unne mond z dreug as schar...

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - ...drg fan den drst

- Karel de Beer; Tilburgs Bijnamenboek, 2000 - den drge - George Drge

Aanvullende bronnen:

- Kernkamp; Dialectenqute, 1876 - nen dreugen zommer

- A.A. Weijnen; Dialectatlas van Noord-Brabant, 1952 - hullieje mnd is drg van den drst; met umlaut

- Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch, 1899 droog (scherpe o, Kempisch ook drug)

- J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen, 1836 dreug - droog. In Neder-Saksen zegt men ook drge.

- A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - Onder dreuge(n); voor het vocalisme van dreug en dreugen zie paragraaf 134 van de klankleer

- WBD III.1.4:263 droog - sip (kijken)

- WBD III.2.2:31 - droog zindelijk [van kleine kinderen]

- WBD III.4.4:28 - droog houden - droog blijven (weer)

 

drge

werkwoord, zwak

drogen

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 in verleden tijd drgde naast drugde; geen vocaalkrimping

- Interview Bertens, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2014 - n dan liete die blaos w drge n zo gauw asse w gedrgd was, j dan gingder meej voetballen op straot.

 ► Klik hier voor audiofragment

- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1956-06-30 - Verder gaot ie [de wol...] op dn taas/ om te drge...

- Lechim; pseudoniem van Michel van de Ven; Et gift gin paas, zon gore waas, ongedateerd knipsel; Tilburgse Koerier, 1960-1980 - ...meej et dreuge van de waas...

- Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brne eigeluk wel trekken? Deel 1, 2006 - Appeltjes dreuge waar un bezigheid, die elk jaor terugkwaam. Ons moeder schelde un wasmaand appel en sneej die in schefkes. Die schefkes appel wieren in de zon te dreuge geleed. Asse dreug waren hadde nog gin kwart maand over. Om ze dreug te haawe, wieren ze boven op de vliering op kraante geleej. Meej gedreugde prme saome, wier daor tuttiefruttie van gemaokt, d waar un toetje veur de fistdaoge en veur bij de pudding.

Aanvullende bronnen:

- Willems; Dialectenqute, 1887 - dreuge - dreugde gedreugd; zonder naglijder

- A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - dreugen - drogen

- Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch, 1899 - droogen (Kempisch ook drugen) - drogen

- C.J. Verhoeven; Haorese woorde, spreuke en gezegdes, 2007 dn dreuge - droge plek; dan moeste onder dn dreuge zien te komme

- WBD II:640 - drge - drogen van leer

- WBD II:1026 - drge drogen, droogwaaien; ook blaoze

- WBD - de derde keer bakken van beschuit (de tweede keer heet kleure)

 

drger

zelfstandig naamwoord

droger, iemand die iets droogt

- WBD II:642 - drger - droger, van leer

 

drgkaomer

zelfstandig naamwoord

de kamer waarin sigaren gedroogd werden

- Interview Jolen, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2013 - De siegaarefebrieke die ik gewrkt hb die hadde en, en drgkaomer, h... n daor wrde de siegaare in gedrgd n asse dan gedrgd waare dan ginge ze in rkke staon.

KLIK HIER om naar de pagina met de audiobestanden van dit interview te gaan

 

drgklot

zelfstandig naamwoord

droogkloot; droge grappenmaker

- Frans Verbunt; Tilbrgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - droge-humorist

- Stadsnieuws; Dialectrubriek, 2009-12-16 - B diejen dreugklot moete geduureg fkes dnke, vurd ge kunt laage. - Bij die droogkomiek moet je meestal even nadenken,voordat je kunt lachen.

 

drglgge

werkwoord, sterk

droogleggen; alcoholgebruik verbieden

- Kubke Kladder (pseudoniem van Pierre van Beek); t Klokhuis van Brabant, aflevering 4; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1929-11-02 - Ons kermis is dees jaor vur den irsten keer dreug gele, d wil zeggen, d ge in de cafs vur oe goeie centen eigenlijk gin drupke snevel zt kunnen koopen. De kster was in den raod den eenigste die zne mond er tegen durfde open te trekken. Van den eene kaant valt d te begrijpe, want hij hee-t-m verduveld gre; en dan ten twidde: die thuis niks as leege briefkes meuge lezen, hebben op n aander de miste prots.

 

drgmaoke

werkwoord, zwak

droogmaken

- WBD II:1056 - drgmaoke, droogmaken; ook drge

 

drgmesjien

zelfstandig naamwoord

droogmachine

- Interview Van den Aker, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2014 - ...n toen zk nr de wolle stffe febriek oovergegaon n daor beurde ik netuurlek meer. Bij Janssen-De Horion hb ik toen gewrkt n toen hbbe we op de dinge gewist, op et drgmesjien gezeete

Klik hier voor audiofragment

Aanvullende bron:

- WBD II:1057 - droogmachine

 

drgrk

zelfstandig naamwoord

- WBD - droogrek voor vaten en emmers buitenshuis, ook genoemd kannerk, drugrk, pannerk, rk, mlkrk of (Korvel) droeprk

 

drgschaove

werkwoord, zwak

- WBD II 613 drgschaove - droogschaven (van huiden); aan de vleeskant uitdunnen en op gelijke dikte brengen

 

drle

werkwoord, zwak

trullen

- WBD III.3.2:102 - drle trullen; knikkers laten rollen, ook stuiteren genoemd

- WBD III.1.4:82 druiloor - persoon met een lastig karakter

- WBD III.1.4:161 druiloor - leegloper

- WBD III.4.4:47 - druilweer, druilerig weer - nat weer

- WBD III.4.4:66 - druilen - lichtjes regenen

- WBD III.4.4:102 druilregen - natte sneeuw

 

drpe

werkwoord, sterk.

druipen

- Willems; Dialectenqute, 1887 - drpe - drop - gedroope

vocaalkrimping in tegenwoordige tijd gij/hij drpt

 

drpkl

zelfstandig naamwoord

- WBD - wit stervormig vlekje op het voorhoofd van een paard, ook kl genoemd

 

drpsnr

zelfstandig naamwoord, scheldwoord

druipsnor, hangsnor

- F. van der Meer; Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010 - Ik zg, Moeide gij oewge nreges tegenaon, verrekten drpsnr!

 

drvevger

zelfstandig naamwoord

- Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs dialect, 1916 - druivevaiger - druivenstok tegen den muur

Aanvullende bron:

- WBD III.2.1:465 druvevger, drfger - wijnrank

 

drie

telwoord

drie

- Mandos; Brabantse spreekwoorden, 2003, ongenoemde zegsman uit Tilburg in 1973 Drie dingen zijn niet te houden: een oude schuur die brandt, een oude vrijster die wil trouwen en 'n boer met een processie-vaan in zn klauwen.

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - drie - derde, maar driedes - ten derde

 

drieappelepap

zelfstandig naamwoord

kinderspel; vorm van bokspringen, oversprong

 

 

- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1957-04-27 Oversprong... hiet d vandaog... (...) t aauw drie appelepap

- Theo de Wijs; schriftelijke mededeling aan Cees Robben, 1963-06-15 - Gaon we driehappelepappe of pliesieke speulen mee vreuke?

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek, 1998 drieappelepap - spel

- Frans Verbunt; Tilbrgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - variant op bokspringen; n jongen steunt met zijn handen tegen een muur en de anderen bespringen hem

kassen

 

driede, driedes

rangtelwoord

derde

- Voorbeeld op originele systeemkaart Sterenborg - As ge driedes waart, krede ng ene prs.

- Kubke Kladder (pseudoniem van Pierre van Beek); t Klokhuis van Brabant, aflevering 8; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1931-12-29 - ...nen Driede vent stond er stillekes bij te louwen.

- Kubke Kladder (pseudoniem van Pierre van Beek); t Klokhuis van Brabant, aflevering 1; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1929-10-09 - Dees is naa al t driede velleke.

- Kubke Kladder (pseudoniem van Pierre van Beek); t Klokhuis van Brabant, aflevering 1; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1929-10-09 - En naa de driede reje...

- Piet Heerkens; Brabant, Brabantse psalm, 1941:

 

Er was 'ne boer en die ha drie zoone,

den eene hiette Cis,

den aandere hiette Sas

en den driede hiette Sus van Kempen.

 

- Cees Robben; Prent van de Week, Roomsch Leven, 1966-05-27 - De driede parochie van Gl...

- Frans Verbunt; Tilbrgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - derde

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - driedes ten derde

Aanvullende bronnen:

- Willems; Dialectenqute, 1887 - driede; ten driede

- J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen, 1836 driede - derde.

Het is een zeer goed, schoon thans minder gebruikelijk woord; twelk, of wel dryde, bij Kiliaan nog voorkomt, en bij vele Ouden gevonden wordt.

- C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal, 1978 driede - ouderwets voor derde; ook darde werd gezegd.

- A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 driede - derde

 

driederaand

telwoord

drierlei

- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1964-02-14 - k Heb driederaande srt...

- Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1985-05-17 - Ik beteul zelf munnen hof en win veul. s middags hek vort driederaand srt gruuntes op taofel... peekes, peeje en wortele...

- Theo de Wijs; schriftelijke mededeling aan Cees Robben, 1962-02 - De weffere mende van die driederaande

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek, 1998 - driederhaande/-te - drierlei

- Frans Verbunt; Tilbrgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - der zn driederaande leuges: kln leuges, grote leuges en dodsprntjes

Aanvullende bronnen:

- A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - drierhande

- Jan Naaijkens; Ds Biks, 1992 - driederande - drie soorten

 

driedes

telwoord

- Voorbeeld op originele systeemkaart Sterenborg - As ge driedes waart, krede ng ene prs.

- Frans Verbunt; Tilbrgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - derde

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - driedes ten derde

 

driedraods

bijvoeglijk naamwoord 

driedraads; sterke koffie

de sterke koffie wordt vergeleken met een stof die uit driemaal zoveel draden wordt geweven als gewone linnen stof, en die dus zeer sterk is.

- Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs dialect, 1916 - 'ne Driedraadse sterke tas koffie. Een driedraadse sterke kop koffie. Een kop sterke koffie.

- Frans Verbunt; Tilbrgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - en driedraods strke tas koffie (sterke stof werd met driedubbele draad geweven)

 

driegdraod

zelfstandig naamwoord rijgdraad

- A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - driegdraod - rijgdraad

- Leo Goemans; Leuvens taaleigen, 1936 - rijgdraad

- Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch, 1899 - driegdraad - Ge moet de driegdraten nog uit het kleed trekken.

- WNT - driegen - samenstelling driegdraad (filum leuis suturae)

 

driege

werkwoord, zwak

rijgen

- Rolf Janssen; We hebben gezongen en niks gehad, 1984 - moederke moet er oew klirkes nog driegen

- Piet Heerkens; Dn rgel; Slaopliekes 2, 1938 - Mientje mijn kiendje, slaop,/dengeltjes komen al vliege, vliege,/moederke moet er oe kleerkes nog driege...

- Karel en Sjarel; dialoog in Groot Tilburg, 1944-12-15 [Karel...] Sjarel, ge moet me nie kwaoluk neme, mar w hedde naaw toch vur innen gekken jas aon? [Sjarel...] Vende gij die gek? [Karel...] Nou me dunkt! Ge ziet bekaant niks aanders dan naoie! Ik wed dettie wel uit virtig verschillende lepkes bestao, diechche aon bekare het gedriegd.

Aanvullende bronnen:

- H.A. Sterneberg s.j.; Een Busselke Braobaansch; Jaors-brullof, 1932 - Den herfstweind driegt zn witten draod/ deur t laoken...

- A.A. Weijnen; Etymologisch dialectwoordenboek, 1995 - driegen - met losse steken rijgen

- J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen, 1836 driegen wordt hier gebruikt voor rijgen, aanrijgen

- A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - driege(n) - met een losse draad en wijde stenen rijgen

- Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch, 1899 - driegen - met een lossen draad hechten, rijgen

- WBD II:1173 - driege - rijgen; ook rge genoemd

 

driehoekerig

bijvoeglijk naamwoord

driehoekig

- Ed Schilders; W zeetie?; Website Brabants Dagblad Tilburg Plus, 2009 - Bij ons oomaa hing ng zon driehoekerig brdje n de muur meej in et midde en og d zeej d Gd alles zaag.

 

Driek

eigennaam

van Hendricus

- Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1980-09-12 - Dn Driek zeej...

- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1958-02-01 - De knder van Drieke van Hanne...

 ► Drik

 

Drieka

eigennaam

van Hendrica en andere vrouwelijke heiligennamen op -ica

- Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1985-04-12 - Drieka

 ► Drikka

 

drieklts

zelfstandig naamwoord

- WBD III.1.2:133 - op een drieklts lopen - vlug lopen; ook stiefelen, stouwen

 

Foto: Regionaal Archief Tilburg - Beeld On Line

 

Driekonenge / Driekoninge

1. zelfstandig naamwoord, eigennaam

Driekoningen; de feestdag van 6 januari, in de Roomse kalender Epifanie, de openbaring van Jezus als mens

- Piet van Beers; Krsemes, 1996 - Ik hb vur nkele jaore terug/ unnen bom meej klt gekcht./ n...nao Driekooninge hk m/ nao munne tn gebrcht.

- Jan Naaijkens; Ds Biks, 1992 - Drieknninge - Driekoningen (de o is in Beek dus kort)

1.1. een van de beelden uit de kerstgroep

- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1956-12-22 - De zwarte Driekning die hedde genekt...

2. samenstellingen

2.1. driekoningezinge

- Interview Van den Aker, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2014 - Dan gingde Driekonenge zinge, dan ginge ze de straoten aaf n dan hadde zon mndje bij, zon krfke. n dan krede ooveral en paor (...) f en snoepke n zo f meense wr ge ene snt van kregt. n agge dan ts kwaamt, hadde meschien en kwartje f tweej kwartjes...

Klik hier om dit bestand te beluisteren

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek, 1998 - op zis jannewaarie gn ze driekoninge-zinge

- Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brne eigeluk wel trekken?; Deel 1, 2006 - Gaon zingen meej Driekoninge waar nie zon succes. Oew haande vroren van oew lf en dan moeste nog den hille td, d sigarekiesje rcht hauwe. In d kiesje stond un braandende krs, et waar un miraokel as ge die vlam op den hille lange, barre tocht aon kost haawe. Enne echte lampion, waor de miste kender meej langs de deuren gingen, zaat er bij ons nie aon. Wij behielpen ons ge mar meej un sigarekiesje. Et vroor det klapte, en oew haande hielde nie wrm. In de bjem van et kiesje han ze meej enne gloeiende spker gaotjes gebraand in de vrm van un ster, ge liept asset ware meej un lichtende ster te venten. Veul kiesjes heb ik in braand zien vliegen, in d van men kos ik et krske amper aonhaawe, den hle td waaide et t. N d Driekoningenzingen hk nt zon succes gevonden. W moeste trouwes meej al die plekzooi, diese in oew tas flikkerde, as beloning veur oew zingen. Ge waart nog nie tgezonge of ze knikkerde de deur al dicht.

2.2. driekoningenaovend

- WBD III.3.3:240 - driekoningenaovend

2.3. driekoningefist

- Piet van Beers; Allchtontjes - Diejen dag zn der nog veul/ zangerkes gewist./ Ds lk jaor opnuu/ meej t Driekooningefist.

2.4. driekoningelieke

- Piet van Beers; Traditie - Ik was de Krstbom af n 't tge./ Toen stond er iemand n de bl./ Ze zonge n Driekoningelieke./ Ge knt d vrsje toch nog wl.

► Dossier Driekoningezinge
3. weversterm

- Lambert de Wijs; bron, 1928 Kunde vandaog niet naar t durp? D leet r aon of d de drie koningen op komst zn. Ze zitte precies tege de veurboom. Dan rij k om tien ure naar t durp. (...) Dit gesprek had plaats voor n groote veertig jaren, in de weefkamer van een eerzaam weversechtpaar aan den Heikant. (...) Dat naar t durp gaan werd altijd vooraf gegaan door de komst van de drie koningen. Ter verklaring hiervan diene, dat elk stuk ongeveer 12 smet lang was. De smetten nu, teeken van roode aard, rooird, werden van 1 tot en met 11 gemerkt; de twaalfde echter met drie teekens; n ingenieus wever had hiervoor den naam van drie koningen uitgedacht.
- Gerard van Leijborgh; De laatste Tilburgsche huiswever 4, aan het woord is Frans van Geloven; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1940-11-22 - Wanneer een stuk vol was dan kon de wever dit reeds van te voren zien aankomen, want dan zag hij niet n, doch 3 smetten bij elkaar. De wevers noemden dit de Drie Koningen.

Aanvullende bron:
- WBD II:1008 - Driekoninge - drie naast elkaar gelegen smtte, ten teken dat een stuk (weefsel) vol was

3.1. kaartterm, familietaal

- WTT 2012, circa 1970 - bij het kaartspel zwikken: alle drie de kaarten zijn heren; als bod ook genoemd zes jannewaarie

 

Kis-ke - Prent van de week in een onbekend weekblad in 1970

 

4.achtergrond

AUDIO op CuBra - Tony Ansems zingt over Drie Koningen

FOTOGRAFIE op CuBra - Joep Eijkens - Eigen weg

 

Foto: Regionaal Archief Tilburg - Beeld On Line

 

Driekus

eigennaam

verkorting van Hendricus, Fredericus, etcetera

- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1957-02-16 - onzen Driekus

 

driekwart

bijwoord

over iemand die zich afwijkend gedraagt.

- Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1984-03-30 - Hullieje pa is unne wous... hullie moeder unne abbetjoek... en zelf is t k mar unne drie-kwart... Vur de rest gaoget wel.

 

drieling

zelfstandig naamwoord

type klein paard

- WBD - bepaald type klein paard; ook in Hasselt drieling

- WBD - sjtlander shetlander  

 

Dries

zelfstandig naamwoord, toponiem

weide, (hoger gelegen) grasland bij de woning

Hoogen Dries toponiem; algemene, ongewijde begraafplaats aan Oisterwijksebaan nabij Heuvels kerkhof

- Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek, aflevering 154, Nieuwsblad van het Zuiden 1972-04-15 - Den dienen hbben ze nr den Hoogen Dries gebrcht - Die hebben ze in ongewijde grond begraven

Aanvullende bronnen

- A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - dries - (in de regel) dicht bij de woning gelegen hoog stuk weiland

- A.A. Weijnen; Etymologisch dialectwoordenboek, 1995 - dries - dicht bij de woning gelegen weide

- Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch, 1899 - dries - weide, dicht bij de woning gelegen.

- J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen, 1836 dries wordt, in de Baronie, genaamd de grond in het gemeen, en het met gras bezette land in het bijzonder, twelk binnen eene boerenhofstede besloten is.

- K. Heeroma; Brabants uit de 18e eeuw; woordenlijsten Verster, 1968 dries - Een stuk weiland het geen bij het huis of tusschen de akkerlanden ligt, dus een hoog stuk weiland. Zie Kiliaan.

- WNT - driesch l. verarmd bouwland; 2. braakland

 

drieslag

zelfstandig naamwoord

het gelijkertijd galopperen en draven van een paard

- A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - drieslag 1. zekere onregelmatige gang van een paard; 2. term bij het dorsen met vlegels

 

driespinder

zelfstandig naamwoord

koe die uit slechts drie spenen melk geeft

- WBD driespeen - koeuier die slechts uit drie kwartieren melk geeft, ook driespeejn genoemd

- A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - driespeender - koe die uit slechts drie spenen melk geeft

 

drietaand

zelfstandig naamwoord

drietand

- WBD 1461 - drietaant - drietandige aardappelhaak (Hasselt), daarbuiten errepelhaok

 

drift

zelfstandig naamwoord

jong varken

- C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal, 1978 drift - jong varken; waarschijnlijk zo genoemd in een tijd dat varkens in een drift of kudde gehoed en langs wegen (dreven of driften) voortgedreven werden.

- A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant, 1952 drift in Tilburg, ook bag, kap/kabbe en kuuske

- A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - drift - halfwassen varken; minder vaak drever

- WBD - big van acht tot twaalf weken, ook lopvreke genoemd (Hasselt)

- WBD III.4.4:189 - drift - vuil in sloten of tegen dijken

 

Drik

eigennaam

van Hendrik, Hendricus

Driek  

- Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1971-05-15 - D-wel-Drik...

- Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1982-08-27 - W krg ik vur munne verjaordag, Drik...

► Drikske

 

Drikka

eigennaam

van Hendrica

Drieka

- Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1978-10-13 - Schiet toch op, Drikka

- Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1987-09-25 - Hoe gaoget, Drikka.?

- Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1980-10-31 - W lekt jou, Drikka?

- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1962-08-03 - Drikka van Nillisme [familie-bijnaam]

 

Drikske

eigennaam, verkleinde en verkorte vorm van Drik, Hendrik of Hendrica

- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1954-03-13 - Hamme mar ham... Drikske...

- Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1978-05-26 - Drikske

► Drik

 

dringe

werkwoord, sterk

dringen

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - dringe - drng - gedrnge

 

drinke

werkwoord, sterk.

drinken

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - drinke - drnk - gedrnke

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - in 2e en 3e persoon enkelvoud presens, wordt in het cluster nkt de k verzwegen; dringt

 

drinkeskl

zelfstandig naamwoord

waterkuil, drenkplaats

- WBD waterkuil; natuurlijk of gegraven kuil op het erf of op de weide, waarin men het vee drenkt; in de Hasselt genoemd drinkkl of drinkesgat

- WBD III.4.4:183 - drinkkuil - drenkplaats in een sloot

 

drinkeskrk

zelfstandig naamwoord

drankkruik

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek, 1998 - drinkeskrk - kruik waarin drinken werd meegenomen naar het werk

 

drippele, dripsele

werkwoord, zwak

trippelen

- Kubke Kladder (pseudoniem van Pierre van Beek); t Klokhuis van Brabant, aflevering 7; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1929-11-30 - Zooas ik dan zee, ze kwaam op me afgedrippeld mee dr bodschappenbenneke onder dren errem.

Aanvullende bron:

- WBD III.1.2:17 dripselen - heen en weer draaien; ook trippelen

 

droes

zelfstandig naamwoord

koffiedik; paardenziekte

- A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - droest - droes (paardeziekte)

- Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch, 1899 droes - koffiedik; ook draf en dras

- WBD - goedaardige droes, bij paarden; kooierdroes, vooral bij jonge paarden

- WBD - droes verkoudheid, bij paarden; men spreekt ook van bevange

- WBD III.2.3:267 droes - droesem, ook dras, drab, zakse

- WNT droes 1. naam voor verschillende paardenziekten; 2. koffiedik

 

droezeleg

bijvoeglijk naamwoord

- WBD - gezegd van een paard dat last heeft van troebele ogen, ook genoemd traonoge (Hasselt)

- WNT droezelig - van paarden; aan droes lijdende

 

drfke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

druifje

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - drfke

 

drjke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

draadje

- Rolf Janssen, We hebben gezongen en niks gehad; Tilburg 1984 - draojke

 

drjmaoker

 

Het knopen van een draad - foto uit: Commandeur e.a.,Ge waart mar arbeider; 1981

 

zelfstandig naamwoord

draadmaker

- Elie van Schilt; Toen Sint Nicolaas nog Sinteklaos was; CuBra, circa 2000 - Ik zaat nog op ut kleuterschooltje, toen kreeg ik unnen trapauto mee Sinteklaos, un vul te duur stuk spulgoed vur un knd van unne draoimaoker mee un weekln van elf gulden.

- Elie van Schilt; As ge katteliek geboren wierd; CuBra, circa 2000 - kender van unne metselr, draoimaoker of duvelr, die wieren gin misdienr.

- Karel de Beer; Tilburgs Bijnamenboek, 2000 - enen drjmaoker - spinner, c.q. spinnerijhouder

 

drl

zelfstandig naamwoord 

drol

- Hans Hessels; opgetekend uit zijn familiekringen Hessels en Marinus, 2019 - Stront wie heetoe gescheete, drl wie heetoe gedraajd? - Wat stel je eigenlijk voor? Waar kom je vandaan? (tegen een verwaand, omhooggevallen figuur gezegd)

Voor de volledige lijst Klik hier

 

drlledraajer

- Karel de Beer; Tilburgs Bijnamenboek, 2000 - drlledraajers - grasmaaiers van de plantsoendienst

 

drlleke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord van drl; als koosnaam voor kleine kinderen
drolletje
-
Hans Hessels; opgetekend uit zijn familiekringen Hessels en Marinus, 2019 - Die heej zen vtste drllekes gedraajd - Die heeft er zijn beste tijd opzitten

Voor de volledige lijst Klik hier

- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1958-05-31 - Ze slaope daor, de drllekes/ In beddekes... as mllekes...

Aanvullende bronnen:
- Kernkamp; Dialectenqute, 1876 - drulleke (u als franse oeu)

- Jan Naaijkens; Ds Biks, 1992 - drlleke drolletje (kooswoord); benaming voor suikerbroodje met kaneel

- Lex Reelick; Bosch woordenboek, 1993 - drlleke - klein persoon (ook liefkozend), kleine drol

- WBD III.2.2:16 - drol, drolleke - liefkozend woord voor een kind; verwende drol - verwend kind

 

drllevanger

zelfstandig naamwoord

- Paul Spapens et al.; Goedgetld, diksjenr van de Tilburgse taol, 2004 - plusfour

- Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brne eigeluk wel trekken? Deel 1, 2006 - Ik zaag der pico bello t, meej menne irste plusfour, in de volksmond drollenvanger geheten. (...) Dieje drllenvanger zon we al gaaw gaon vervloeken, bij et voetballen zakten die ppe van die broek aaltij op oew schoen.

Aanvullende bron:

- WBD III.1.3:59 drollenvanger - pofbroek

 

drome

werkwoord, zwak

dromen

- Voorbeelden op originele systeemkaart Sterenborg - Wie ha d naa ot kunne drome! Dromend veej vergit te graoze

- Cees Robben; Prent van de Week, Nieuwsblad van het Zuiden,  1983-02-04 - Ik drmde van naacht dek wrik h...

Aanvullende bronnen:

- Kernkamp; Dialectenqute, 1876 - hij is nen droomer

- Willems; Dialectenqute, 1887 - droome - drmde gedrmd; ook vocaalkrimping in tegenwoordige tijd gij/hij drmt

 

drop

werkwoord, persoonsvorm

droop

verleden tijd enkelvoud van drpe

 

droze, drozele

werkwoord, zwak

sluimeren, dommelem

- WBD III.2.l:394 - drozen, drozelen - sluimeren, dommelen

 

drp

zelfstandig naamwoord 

druppel, als onderdeel van een dakbedekking

- WBD - ozie van het dak - onderste rij/rijen pannen of onderkant van de strobedekking; dit overstekende dakdeel voorkomt dat de muren nat worden door regenwater; ook euzel genoemd

- WBD III.4.4:74 - drup, drop - druppel

 

drpke, drppeltje, drupke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord van drp, druppel; drop als snoepgoed kent alleen het verkleinwoord drpke

Verkleinwoorden van drp, druppel

- Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); n Staandbild in Baozel; feuilleton in 4 afleveringen; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1939-05-20 - 1939-06-17 - ...klein te zijn is toch geen schaand, want in de kleinste glaoskes zitten de lekkerste drpkes! 

- Piet Heerkens; De Kinkenduut; Drpke dauw, 1941 - Drpke dauw d-d-aon d blaoike/ hangt te bibberen in de kou

- Piet Heerkens; De knaorrie, Er viel n lieken, 1949 Zon lekker drpke pozie...

- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1965-12-31 - En die nog nt z ver ak weet/ n Drpke heef gezwit
- Mandos; opgetekend in Tilburg 1950, Brabantse spreekwoorden, 2003 - vlokskes geeve dropkes, weersvoorspelling

- Interview met Heikanters, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2015 - Toen zttenie [de pastoor...] me daor in, in et kesjt. Daoraachter de krk, ik n Sjefke Dams. Ik vergeet et gaddoome not mir. nne... daor stonde en paor grote volle maande vol leege wnflske, flsse n Damske n ikke, j, wij gingen es keure. Der zaat ooveral ng zon drpke in. En toen moes Sjefke t de broek. Ik zg: D kunde hier! Der ligge strojhulze zat! Gao daor mar in diejen hoek zitte!

Verkleinwoord van drp in de betekenis borreltje

- Kees en Bart; Dialoog in Tilburgsche Post, 1922-193? - ik heb mn drupke thuis

- A.J.A.C. van Delft; Toen Tilburg nog dorps was: Een heel typisch dialect; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1956-07-17 - Toen ie al over de zeuventig was, verzeilde hij op t klster tussen de aauw mnnekes. In den beginne stond t hem wel nie aon zo alles op uur en tijd en nooit n drupke, ook s zondags nie.   

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven); Vur den aawe prs, ongedateerd knipsel; Til

burgse Koerier, 1960-1980 - ...al hk meej de karneval/ men drpke wl gelust...

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek, 1998 Gif me ng un drpke Geef me nog een borreltje.

Verkleinwoord van drp, snoepgoed

- Voorbeeld op originele systeemkaart Sterenborg - Gif me ng en drpke.

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek, 1998 H-s drpkes-verkaawe - hij is alleen om het drop verkouden [drop als remedie bij verhoudheid]

Aanvullende bronnen:

- WBD III.2.3:250/268 dropje - drop; drupje - borrel

- WBD III.2.3:251 droppin - dropsteel

- WBD III.4.4:74 drupje - druppel

- A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - drpke(n) - voorheen een borreltje dat drie cent kostte

 

drppe

werkwoord, zwak

druppen, druipen

- Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brne eigeluk wel trekken? Deel 1, 2006 - Et aaigl drpte intussen langs ons moeder der vingers op de grond...

 Tegen de pan aon ha iedern un stukske [brood] liggen, waor ie et gesopte op t liet drppe.

 

drppele

werkwoord, zwak

druppelen

- Piet Heerkens; De Kinkenduut; Naachtegaol, 1941 t drppelt uit oe strotjen uit...

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek, 1998 - nie drppele mar durpisse niet treuzelen maar voortmaken

Aanvullende bron:

- WBD III.4.4:65 - druppelen - lichtjes regenen

 

drpt

drpe

 

drpveeter, drpfeeter

zelfstandig naamwoord.

dropveter, snoepgoed van drop met het voorkomen van een lange schoenveter

- Ed Schilders; W zeetie?; website Brabants Dagblad; Tilburg Plus, 2009 - Wij moese aatij irst de [Hasseltse] kepl in n n rozehuuke bidde vurdmme vur en of twee cnte snuupkes mochte kope. En ik moet zgge, dan smkte-n-et ok beeter. Et joodevt, de stroopseldtjes, de drpveeters, t zuuthout, toverblle.

 

drsserd

zelfstandig naamwoord

lamzak; van drossaard [?]

- Hans Hessels; opgetekend uit zijn familiekringen Hessels en Marinus, 2019 drsserd - lamzak

Voor de volledige lijst KLIK HIER

 

drtzaage

samentrekking

er uit zagen

- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1954-06-05 - Kwossebons lekasbllie drtzaage...

 

drooze

werkwoord, zwak

sluimeren

- Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs dialect, 1916 - droozen - Ik heb n beetje gedroosd (gesluimerd).

- WNT drozen - blijkbaar het grondwoord van treuzelen - suffen, soezen, dutten

 

druddel

zelfstandig naamwoord

dril