INHOUD - WTT - 
HOME

Het Woordenboek van de Tilburgse Taal wordt mede mogelijk gemaakt door

Het Tilburgs Alfabet (Van aajkes tt zaandkl) werd geschreven door Jace van de Ven.

Klik hier voor de letters die niet tot de officile spelling behoren:

C

Q

X

Y

A

B

D

E

F

G

H

I

J

K
L
M
N

O

P

R

S

T

U

V

W

Z

WTT

Redactie: Ed Schilders, Hans Hessels

Gebaseerd op de verzameling Tiburgse dialectwoorden van

Wil Sterenborg

 

Van bberis tot ouwer

bberis f mis

uitdrukking; naam van een kinderspelletje

►pperst of mis

- A.J.A.C. van Delft - Bij dit paapke en meetje steken werden de dichtst bij de streep liggende centen met twee of drie in de hand genomen, geschud en boven het hoofd opgeworpen: dan vormde op den grond het kruis of munt ("oppers of mis") weer den eindsleutel. Tijdens dit opgooien verbond men er nog wel ooit aan, dat nummer twee gedurende het in de lucht zweven der centen er eens de hand onder slaan mocht om de centen, die hij zodoende opving, weer neer te werpen. De geldstukjes, die dan "oppers lagen", waren voor hem. (Nwe Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 104; 9 maart 1929)

- A.J.A.C. van Delft - Ook werd vaak onderweg op straat "oppers (obbers) of mis gegooid". Men moest dan raden, terwijl de kameraad zijn cent opwierp, hoe het muntstukje neer zou komen. Waren de centen op, dan begon vaak de ruilhandel en het leentje-buur-spelen, geen van beide aanwensels met goede paedagogische strekking. (Nwe Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 104; 16 maart 1929)

- A.J.A.C. van Delft, uit: Toen Tilburg nog dorps was: Een heel typisch dialect; Nieuwe Tilburgsche Courant, 17 juli 1956 - Witte naa wir nie, wtt ies? Wel dan legde op nen steen 'n paor centen en die staon obberus of mis (d ies zo veul as kruis of munt) en die moette dan perberen om te mikke.

- Cees Robben - Tis obberis.. of mis.. (19600219)

- Interview Jolen - 1978 - meej de ge vf wastdan hadde vf lsse snte gewoon lsse snte nt as ge naa ng ht, war en, tweej, drie, vier leuwkes boove, d was, d noeme ze bbers! Agge dan, ik zal mar es zgge, ik gojde er drie mar den aandere gojden er mar tweej dan ha ik die vf gewonne d was ge vf! (transcriptie Hans Hessels, 2013)

► KLIK HIER om naar de pagina met de audiobestanden van dit interview te gaan

- Kiesde gij bij ut "Mitje steke" "Obburus" of "Munt" ? (Hein Quinten, Tilburgse spreuken; ca. 1990)

- Frans Verbunt - bters f mis - munt of kruis bij het opgooien

- Frans Verbunt - ppers f letters (volgens J. Naaijkens: kruis of munt)

- WBD - (III. 3. 2:206) oppers = getalzijde v. e. geldstuk

- Jan Naaijkens, D's Biks (1992) - 'oppers of ltters' - kruis of munt

 

chrm

tussenwerpsel, uitroep

ocharm

- Cees Robben -
hij (...) stao gre in den ochrum... (19680628)

- Cees Robben - ...ocherm we doen ze toch dr bist... (19540724)

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) -  OCHERMEN tw - ocharm, ocharme. Spr. In den ochermen staan beklaagd worden, medelijden opwekken.

- WNT - OCHARM - uitroep van smart

 

chd

tussenwerpsel, uitroep, bastaardvloek

Och God!

- Frans Verbunt - ach Heer!

- Piet Heerkens, uit: Dn rgel, aaw Tilburg, 1938 -

Geen brood,

geen mik,

ochod-ochod-ochod!

goei weef,

n keend,

ochod-ochod-ochod!

- Audioregistratie 1978 - n toen was Drikka Kools, die wonde daor op de Ruudk waor naa Jan van Kempen wont in d ouw hs. n die ha daor en ketaaw, die was vort oud n dan moes ik daor gn wve nouwchd, chd, chd, hGin brod, gin gld, chd, chd, chd! (- Interview met Heikanters - Transcriptie door Hans Hessels)

- Cees Robben - Verdomme, gilt Lewie... Ochot-te-chot.. (19700925)

- Audioregistratie 1978 - J, n, hoe was d lieke ok wir? Gin brod, gin eete, chd, chd chd! Zo was d vruuger!. (interview met dhr. Hermans, transcriptie door Hans Hessels)

 

ch-ch-ch-tch

tussenwerpsel, uitroep

och och och toch

- chchchtch jee jee. Naa moet ik wir en hil stuk vol gaon zwamme. (Uit: F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010.)

 

chtte

tussenwerpsel, uitroep, bastaardvloek

- Och God!

- SJAREL. Ochchote nee, d zok gezellig vne. (Dialoog Karel en Sjarel, in: Groot Tilburg, 8 december 1944)

 

oddeklonje

eau de cologne, reukwater
►onjeklonje

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 78 08 24 - Duukskes mee oddeklonje.

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 78 11 16 - Gin oddeklonje of d spul / Om lekker van te ruuke.

 

oe, ou, oew, ouw

persoonlijk voornaamwoord & bezittelijk voornaamwoord

u, jou, je

vroeger ook geschreven (en uitgesproken?) als 'ou'

- A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - Bij de streken waar de vorm met nadruk 'jou' klinkt, is T niet vermeld (blz. 123)

persoonlijk voornaamwoord 'je'

- N. Daamen,  Handschrift 1916 - "oe - jou"

- Heerkens - zilverblinkend blleke waoter, / geere zing ik over ou.  (Piet Heerkens; uit: De Kinkenduut, Drpke dauw, 1941)

- A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952) - et is en 'uw' geleeje dk oe gezien hb

- Cees Robben - Hij is wel vrimd... Mar nie vremd vur oe... (19580510)

- Cees Robben - k Wil oe hier wel kwt... (19600701)
- Cees Robben - Dn td die zal t oe leere (19600916)
- Cees Robben - Ge wit toch (...) dek veul van oe haauw... (19820122)

- Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - OE pers. voornaamwoord  - U, Frans: vous, toi. Ik heb oe daar gezien.

persoonlijk voornaamwoord 'u'

- Cees Robben - Dies verzuuk ik oe ootmoedig (19660916) [een missionaris schrijft een brief aan zijn bisschop]

bezittelijk voornaamwoord

- Cees Robben - Nao al t zuut der vurrige daogen/ t zilte naa op oewen dis..... (19540306)

- Cees Robben - smerrige vingers op oe pet (19540703)
- Cees Robben - Gao-de meej oe bloei te veld... (19560804)
- Cees Robben - En denkt aon oe boezeroen... (19570622)
- Cees Robben - Ruurt oe tungske op n aander (19600116)
- Cees Robben - Mar snut irst oe neus (19640522)
- Cees Robben - Bende klaor meej oe wrik Merie? (19650917)
- Cees Robben - Gij meej oe kaskenaade.. (19661021)
- Cees Robben - Ge het mepessaant toch n weltje oe verzet gehad... (19810417)

- Henk van Rijen - oew oge verschiete - een tukje doen

- Henk van Rijen - oew schaoj inhaole - je schade (achterstand) inhalen

- Henk van Rijen - oewen daas - je sjaal

- Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - OEW bvw. Uw: oewen hof, oew huis.

- Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - OE bez. voornaamwoord  - Uw, Frans: votre, tien. Oe huis, oe stok, oen hond.

 

oej

tussenwerpsel

- N. Daamen - Handschrift 1916 - "oei z noa, had ie em (bijna)"

- WNT - OEI - gearticuleerde uiting van pijn

 

Kaart: D. Zeijnen

 

Oel

zelfstandig naamwoord, eigennaam, toponiem

Oerle

- A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952) - et oel (bep. wijk)

- ok Oel en de Paddewaaikes, het Kretshuiske en iets over tuiten..., de blende Fiel; Willem van Mook, voorwoord in programmaboekje van de Korvelse revue Vruuger en naa, 1926.

- In Oel of op de Paddewaaikes/ Aachter d'Porkes mee  kietelkaaikes; Willem van Mook, voorwoord in programmaboekje van de Korvelse revue Vruuger en naa, 1926.

- Een oude weverswoning, ergens in Oel. Aan den vaalblauw bekalkten wand speelt een oude hangklok met de koperen maneplak voor het slingerruitje kiekeboe", op den maatslag van den tijd: tik-tak. En onder de oude hangklok zit een jong meisje te noppen. Haar teere vingeren hanteeren behendig het pluisijzer, dat als een nijdig vogeltje pikpik de noppen uit het weefsel trekt. (Nieuwe Tilburgsche Courant; Kruispolka, anoniem (Frank Klaroen = Willem van Mook); 26-2-1941)

- Cees Robben - Hij gaat op zoek maar t is wel vreemd/ Hij vindt geen Oel of Loven/ Geen Krvels-huukske of t Zaand/ Geen Padde-waaikes en geen Vraand/ Geen hfkes en geen hoven. (19651224)

 

oets

 

 

Uit Kroniek van de Kempen 1987

 

zelfstandig naamwoord

mallejan

- N. Daamen - Handschrift 1916 - "oets - voertuig om boomen mede te vervoeren"

- Henk van Rijen - 'oets, oerts'

- Lowie van Dorrus Misters; Verder om niet te vergeten "de oets", ook wel mallejan genoemd, het speciale vervoermiddel voor bomen. Deze bestond uit twee wielen maar groter dan een gewoon karwiel, zodat dus de as ook hoger kwam te liggen. Deze as was zwaarder dan van een gewone kar en er op lag een houten balk en hieraan was beweegbaar verbonden een vooruitstekende paal van ca. 3 m met aan het vooreind een stevige ijzeren ring, waar bij het gebruik de haamknuppel werd ingehaald met aan de uiteinden hiervan ook een stevig ijzeren oog, waar bij het inspannen de haagten of strengen werden ingehaakt. Dit voertuig werd gebruikt voor het vervoer van bomen, die onder de as werden gehangen. Drik en Kees Zebregs aan 't Goirke, Tinus, Kees en Jan Leijs, Hasselt, Huybrechts Lijnsheike waren in dit werk de mannen van 't vak. (Lowie van Dorrus Misters; rubriek Uit onze Tilburgse folklore, afl. 21 Tilburg had een respectabele lijst; Nieuwe Tilburgsche Courant 4-2-1954)

- Stadsnieuws - Wnnen oets, naa traptie der wir meej baaje poten in! - Wat een onnozele hals, nu trapt hij er weer met beide voeten in

- C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - OETS m - mallejan, voertuig met twee wielen voor het vervoeren van bomen. Niet in  WNT, wel in v. Dale: OETS m - mallejan.

- A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland (1958-2005) - HOETS vr! - mallejan. In Lage Mierde: 'n oerts.

- J. H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen(1836) - OEST noemt men hier zeker werktuig om stukken geschut of andere zware ligchamen te ligten of voort te trekken.  Reeds bij Kil.

- WBD - 'oets' - mallejan (II:2787)

- Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) -  OERTS zelfstandig naamwoord mannelijk zie HRST, zie HRTS

HRTS, NRTS, RTS, HUITS, UITS, NUITS, in N. Kempen: HOERTS, HOETS, OETS, NOETS voertuig op 2 wielen, met langen dissel, om boomen te vervoeren

- Van Dale (XIV) mallejan - wagen bestaande uit een as met twee hoge wielen en een disselboom, om bomen en andere zware lasten te vervoeren (1872) - van 'mal' (dwaas) + de persoonsnaam Jan, vermoedelijk gevormd naar mallewagen (wagen waarop leden van het narrengilde rondreden).

 

Mallejan - Anton Mauve (Rijksmuseum)

 

Schilderij (detail) - Oets of mallejan in de winter - kunstenaar en datum niet bekend

► Dossier: Oets - Mallejan in prent- en schilderkunst

 

oewge

voornaamwoord

je eigen, jezelf

- Voorbeeld van systeemkaart Sterenborg - van oewgen afgaon - het bewustzijn verliezen

- Henk van Rijen - waor moeide oewge teegenaon? - waar bemoei je je mee?

- Stadsnieuws - Ge moet oewge schaome, dgge oew moeder zo vur de gek haawt! (160907)

 

f

onderscheidend voegwoord

of

Vaak gevolgd door 'd'; de komplemnte van ons moeder n f d...

- Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - OFDAT, ook OCHDAT vgw. -of, Frans: si. Ik weet nie', ofdat ek wel den tijd zal hebben. - Alsof, Frans: comme, 't Is weer, ofdat de zee zou uitdroogen.

 

f niks
bijwoord
versterking van niet
- Cees Robben - Hij is nie goed of niks... (19780721)

 

fd

voegwoord

samentrekking van of en dat

of, of dat

 

ffesier

zelfstandig naamwoord

officier

- WBD - III. 2. 3:269 'offecierke' = borrel

 

ffenr

zelfstandig naamwoord

effenaar

- WBD - ffeneer, uffenr, nuffenr (II:1001) - effenaar: toestel om kettingdraden gescheiden te houden.

 

ffer

zelfstandig naamwoord

offer

- Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) - kmt ten ffer: den l is dod (D'16) - Ten offer gaan is naar de lijkdienst gaan. (Tijdens de dienst werd er geofferd, waarbij men langs de baar ging. Sommigen namen hieraan deel om door de familie gezien te worden en verlieten daarna de kerk. De uitdr. hekelt dit gedrag. )

 

oft

zelfstandig naamwoord

ooft

 

ogst

zelfstandig naamwoord

oogst

- Dirk Boutkan (1996) - (blz. 25) ogst

 

ojeejao

tussenwerpsel, uitroep

- Zegsman Hans Hessels; Uit het geheugen van Hans Hessels, 2022 - Ojeejao Ja hoor, zeker wel.

 

jem, aojem

zelfstandig naamwoord

- Henk van Rijen - adem

 

jeme, aojeme

werkwoord, zwak

ademen

- Voorbeeld van systeemkaart Wil Sterenborg - Ge kst em heure jeme.

- Dialectenqute Willems (1887) - aojeme - aojemde - geaojemd - geen vocaalkrimping

- A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - Blijkens krt. 44 ligt T. op de grens van gebieden met j resp. s.

- A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland (1958-2005) - zelfstandig naamwoord mannelijk adem: 'ene kooien ooiem hebbe'

 

jere

werkwoord, zwak

- WBD - (van een koe) een zwellende uier krijgen in de draagtijd; ook 're' of nre genoemd

- WBD - uijere - verwelken (meer melk geven van runderen)

 

ok, ok

bijwoord

ook, eveneens

- Toine Raaijmakers (informant) - Mar dan dik et k ok. - Maar dan deed ik het ook beslist.

- A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952) - eete zullie k gre ks?

- Henk van Rijen - lap et em ok es! - doe het ook maar eens!

- A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland (1958-2005) - k, voegw. en bijw. 'ok' - ook

- Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - OK bijwoord - ook, Frans: aussi

 

ok nie ok nie

bijwoord

ook niet

herhalend: ter versterking v. e. ontkenning

- Toine Raaijmakers (informant) - Mar dan dik et k nie k nie - Maar dan deed ik het beslist niet.

- Ad Vinken (informant) - ik doeget nie k nie (k nie)

- Want die aander vf, die bte dere tong ok nie aaf ok nie, war? (Ed Schilders; W zeetie?; Website Brabants Dagblad Tilburg Plus; 2009)

- C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - OOK NIE OOK NIE - zeker niet.

 

ok nog ok nog

ook nog; tussenwerpsel, vaak verdubbeld ter versterking.

- Van mn belastingsnte ok ng es ok ng. (Uit: F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010.)

 

-keesje
zelfstandig naamwoord
occasion [op zn Engels uitgesproken]
- Cees Robben - [over een auto] t Is n o-keesje, Toon.. (19681101)
 

kkaasie

zelfstandig naamwoord; uit Frans 'occasion'

- Frans Verbunt - mogelijkheid

 

ksheut
zelfstandig naamwoord
okshoofd - vochtmaat voor wijn, bier en brandewijn; het vierde deel van een vat, 6 ankers (gemiddeld 220 liters)
- Cees Robben - Al kon dk n oksheut verschalken (19570727)

 

lf

zelfstandig naamwoord

oorlof, verlof, cong

- Toine Raaijmakers (informant) - oewen lf hbbe - 't erop hebben zitten: Hdde oewen lf?

- Toine Raaijmakers (informant) - zenen lf krge - zijn cong krijgen

- Toine Raaijmakers (informant) - rges meej in zenen lf zn - ergens mee in z'n sas zijn

- Theo de Wijs; correspondentie met - Cees Robben - bezorgd door Guido de Wijs
 - Hedde den lf ? (Ben je klaar met je werk? Olf is vrijaf, verlof) (20-07-1962)

- Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) - zen lf hbbe ('65) - zijn taak volbracht hebben; vrij zijn

- Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) - lf maoke (D'16) - er met het werk uitscheiden

- Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) - zen lf krge ( '65) - ontslagen worden; (lf is verwant met oorlof - vergunning, verlof, toestemming)

- N. Daamen - Handschrift 1916 - k heb olf (ik heb mijn taak volbracht); ik heb zelf mar olf gemokt (gereed of niet ik ben er uit gescheiden)

- Henk van Rijen - 'llef, llem' - verlof, vrij, ontslag

- Schuermans, Algemeen Vlaamsch idioticon (1984, herdruk) - OLF, verkort van: oorlof

 

Typoscript van een brief van A.C. Hoogendoorn aan Pierre van Beek - 1965

 

lgendag

bijwoord, zelfstandig naamwoord

- N. Daamen - Handschrift 1916 - "olgendag - een geheelen dag'

 

'Den lleger' van 'et Gurke' - Foto - Regionaal Archief Tilburg

 

lleger

zelfstandig naamwoord

orgel

De verwisseling van de R en de L (methatesis) komt vaker voor in het Tilburgs; zie: - A.J.A.C. van Delft - Een dorpel noemt hij een "dulleper"; een orgel een "ulleger"; zelfs hoort men de wijk Korvel ooit "Kullever" noemen. (Nieuwe Tilburgsche Courant; Van Vroeger Dagen afl. 118; 8 juni 1929)

- Kees & Bart (ca. 1935): 'den lleger in 't Caf'

- Schuermans, Algemeen Vlaamsch Idioticon, 1865-1870 - L wordt met R verwisseld, en omgekeerd. Zulker (zurkel), flamboes (framboos), kellever (kervel), hallever (armvol), enz.

... as ik naauw nog is in de Noordhoekse kerk koom en ik zie daor zn praachtige schilderingen, zne prikstoel, zn ramen, den outer en dien schonen uileger, dan vergao k van plezier... (Naarus; pseudoniem van Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

- Cees Robben - Swels dn lleger spulde/ stlperdenie over den dlleper van de Klleverse kerk.. (19651015)

►rgel

 

llemaol

bijwoord

allemaal

- Boom en boojem staon belooverd/ vol blaank blommen ollemaol. (H.A. Sterneberg s.j., Een Busselke Braobaansch, uit: Maonnaacht , 1932)

► ammel ►mmel

 

ollie

zelfstandig naamwoord

olie

- Ik zaag er [paddenstoelen] z wit as roome, z gl als boter, wir aandere z bruin as peperkoek en vettig blinkend of er ollie over gesmrd zaat... (Kubke Kladder; pseudoniem van Pierre van Beek; Nieuwe Tilburgsche Courant; Uit t klokhuis van Brabant 3; 23-10-1929)

- Dialectenqute 1876 - ollie (met heldere korte o)

- Cees Robben - in den ollie.. (19870508)

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 79 05 23

Ollie bespaoring?

't Is 'ne trubbel mee d'n ollie,
We motte mindere en gaauw,
Aanders zitte we van 't wnter
Mee allemolle in de kaauw.

't Auto-rije mot op staoikes
Honderd per uur, ds volop zat
Om te vurkoome dmme laoter
D'n bojum zien van 't ollievat.

In Argentini - heur ik zegge -
Slaon ze'r naa al van op hol
Gin beziene in de tnke
Mar ksselukke alkehol.

Och, 't is z mar 'n gedachte
Mar witte waor ik bang vur ben?
Dsse daor strak k znder ollie
Durlpend in d'n ollie zn.

- Frans Verbunt - ds aanderen ollie zittie, n hij zek in de lamp

- Frans Verbunt - (sneevel) ik hbbem liever as den hllegen ollie

- K. de Beer - Tilburgs Bijnamenboek (2000) - Stien ollie (Joh. Mutsaers) (blz.56)

- WBD - III.2.3:233 'oliekoek' = idem

- A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - llie, met korte vocaal (krt. 61)

- A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland (1958-2005) - li, zelfstandig naamwoord mannelijk - olie

- Jan Naaijkens, D's Biks (1992) - 'ollie' zelfstandig naamwoord  - olie

 

llie, llieje

bezittelijk voornaamwoord

jullie, uw

- Voorbeeld van systeemkaart Wil Sterenborg - Is llie paa ts? - Is jullie vader thuis?

- Dialectenqute Willems (1887) - onder ullie - onder u; den ullie - de uwe

- A.J.A.C. van Delft - En Arjaon praotte d'r overheene: "Olliede gullie de jullieje ok meej slappen ollie?" (A.J.A.C. van Delft, uit: Toen Tilburg nog dorps was: Een heel typisch dialect; Nieuwe Tilburgsche Courant, 17 juli 1956)

- Cees Robben - lliede-gllie den llieje-k... (19560825) [Olin jullie die van jullie ook?]

- Theo de Wijs; correspondentie met - Cees Robben - bezorgd door Guido de Wijs - lliedeglliedejllieje nog? (feb. 1962)

- Cees Robben - Is d lliejen paaa..? (19570817)

- Cees Robben - llieje Sjennie is n nch hundje... D-wel.. Hij is vernoemt flnich.. (19600122)

- Stadsnieuws - Hee llie moeder sewle nog repel nodeg? - Heeft je moeder soms ... (060610)

- A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - Op krt. 67 vallen de vormen 'jullie/jllie' en 'ullie/llie' rond Tilburg samen (blz. 125)

- A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland (1958-2005) - voornaamwoord  'ullie' - jullie

- Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - LLIE, LLE(N) vrnw. en bvw. - zie ULIE - ulieden, dat. +acc. v. gijlie

 

olliebl

zelfstandig naamwoord

oliebol

- Cees Robben (ongedateerd knipsel) - de ollieblle ruuke goed

- Kees en Bart - Tilburgsche Post ca. 1930 - olliebolle (meervoud )

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 58 02 14 - Ik bak fn veur ons allemollen / 'n Grte schaol mee olliebollen.

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 58 08 01 - As vadders olliebollen kpen / En moeders mee ne zuursteel lpen / Dan IS de kermis in t laand.

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 65 07 30 - Dan stao t'r wir n paolingkraom / En ruukte olliebollen

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 68 03 28 - Mee olliebolle langs de deur

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 77 01 06 - Ammol 'n Zaolig Nuuwjaor meense / Wens ik oe gre aon t begien / Mee 't vet van de olliebolle / En van 't kenn nog aon m'n kien.

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 80 07 17 - Ons Jantje maauwt om olliebolle / Ons Mietje om n suikerspin / Ons Wies die vraogt gerukte paoling / leder wil z'nen ge zin.

- K. de Beer - Tilburgs Bijnamenboek (2000) - den olliebl = Jan Oosterbaan (blz. 105)

 

olliebrd

zelfstandig naamwoord

bruid die in de zogenaamde 'besloten tijd' in de kerk de 'roepen' krijgt, omdat er haast is bij het huwelijk

- A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland (1958-2005) - zelfstandig naamwoord vrouwelijk - 'oliebruid' - eertijds een bruid die op Goede Vrijdag (dag waarop vooral olie werd gebruikt) of in het algemeen: in de (grote) vasten aantekende.

  

ollieje

werkwoord, zwak

olin, smeren

- Ik denk ineens aon die boerin, die mee 'n aander boerin stond te praote over d'ren koffiemeulen en vroeg: Olliede gullie den ullien ook?" (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; De nuuwe kapelaon van Baozel, afl. 8; Nieuwe Tilburgsche Courant 19-11-1938)

- A.J.A.C. van Delft - En Arjaon praotte d'r overheene: "Olliede gullie de jullieje ok meej slappen ollie?" (A.J.A.C. van Delft, uit: Toen Tilburg nog dorps was: Een heel typisch dialect; Nieuwe Tilburgsche Courant, 17 juli 1956)

- Cees Robben - lliede-gllie den llieje-k... (19560825) [Olin jullie die van jullie ook?]

- Kek, wat feen/ Net as van meen/Ge het dezelfde Citron/ Olliede Gullie de Jullieje Ok? (Tony Ansems, Olliede gullie de jullieje ok?; van de cd Tilburgse Liekes American Style; 2008)

- Olliede gllie den llien ok? - Smeren jullie die van jullie ook?

Pierre van Beek - ullieje

 

olliekont

zelfstandig naamwoord

oliekont

- WTT - 2013 meestal wordt oliekont beschouwd als een scheldwoord of spotnaam voor Tilburgers; met als aanleiding de lichaamsgeur van arbeiders die in de textielfabrieken werkten met smoutolie.

► smaawt

- Dirk van der Heide zegt in zijn Groot Schimpnamenboek van Nederland (1998): De Tilburgers bakten vroeger alles in olie, vandaar de scheldnaam 'Oliekonten'. Anderen beweren, dat de scheldnaam te maken heeft met de fabrieksarbeiders, die altijd naar olie stonken. Het bakken in olie is onzin, het stinken is niet onmogelijk. Pierre van Beek suggereert een andere oorsprong. Zie hierna.


Pierre van Beek typoscript Archief Pierre van Beek


- 1974 (ca.) - "olliekont" - dialect - onder "olliekont" wordt verstaan een "verleidster" , een "bijdraaister" maar is altijd wel iemand die men het slecht kwalijk nemen kan. "ollie" is afkomstig van het frans: "jolie" = lief, aardig

- WTT - 2013 Als Van Beek gelijk heeft dan is de volgende stap logisch: kont is dan ook een verbastering, en wel van het Franse con.
- A.M. de Jong (Merijntje Gijzens jonge jaren; 1957) -  Thuis... We zijn Brabanders.

- O . . . Ik heb ook nog femilie in Brabant, in Tilburg, is dat

bij jullie in de buurt ?

- Nee, da's een andere kant uit.

- Nou ja, dat lazert ook niet, 'k heb ze nog nooit gezien, die

oliekonte... Dan zal ik ook maar Merijntje zegge, as ie 't

goed vindt...

- Henk van Rijen - verveeloor

 

olliekonte

werkwoord, zwak

vervelen, lastig zijn

- Cees Robben - Ze [de echtgenote] liekont en lammenteert/ en zeurt aon munne kop. (19650507)

 

olliemaot

bijvoeglijk naamwoord

- Pierre van Beek - "'t Is oliemaat" - overvol.  (Nieuwe Tilburgsche Courant; Typische zegswijzen afl. 5; 25 augustus 1959)

 

olliemeule

zelfstandig naamwoord

oliemolen

- Audioregistratie 1978 - dtter kolzaod gezaajd wrd n dan geplaant! Hamme ok ieder jaor in en hoek! Ge ht wl ot van en olliemeule geheurd, h? D, nou d, d antiek ding daor in de Rt, d was ok enen olliemeule. B mn schonvadder bij Drikske Priems ha enen olliemeule n in de Trouwlaon! Ik weet er zo drie staon, olliemeule! En de boere zaajde ammel koolzaod! Dan han ze ollie, daor kosse ze strf van bakke n, n dan zo w saus n d was vordilleg n d ginge ze daor laote maole, ollie laote prse! (- Interview met Heikanters - Transcriptie door Hans Hessels)

 

ollienutje

zelfstandig naamwoord

apenootje, pinda

zaad van een tropische plant (Arachis Hypogaea)

- Cees Robben - t Snoeppepier en bakkesvol/ En t llienutje...  (19580329)

- Ginge we aaltij meej de knder nr de - Jan Naaijkens, D's Biks (1992) - Brege. n de knderwaoge, we naame pindas meej, ollienutjes war [- Interview (audio) uit 1978 met het echtpaar Staps; transcriptie Hans Hessels, 2015]

- Jan Naaijkens, D's Jan Naaijkens, D's - Jan Naaijkens, D's Biks (1992) - (1992) - (1992) - 'ollienutje' zelfstandig naamwoord  - apenootje, pinda

Overdrachtelijk voor rotte tand(en)

- Naa mokte d nie veul t, hij ha toch aaltij al enen bk vol gebraande ollienutjes.  (Uit: F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010.)

 

ollievaor, ojevaor

zelfstandig naamwoord

ooievaar

- WBD III. 4. 1:225 - 'olievaar' - ooievaar (Ciconia ciconia), ook 'ooievaar'

- Jan Naaijkens, D's Biks (1992) - 'oojevr' zelfstandig naamwoord  - ooievaar

 

olliewrtel

zelfstandig naamwoord

stinkende sigaar

- N. Daamen,  Handschrift 1916 - "oliewortel - noemt men een stinkende sigaar"

 

ollg

zelfstandig naamwoord

oorlog

Voorbeeld van systeemkaart Sterenborg - not mir ollg - nooit meer oorlog

- Interview Jolen - 1978 - J, toen waaren er wl siegaare (in den ollg) mar d is alleml aachterdeur, hinlandse siegaare ok j, van inlandse tebak mar d was niks (transcriptie Hans Hessels, 2013) ► KLIK HIER om naar de pagina met de audiobestanden van dit interview te gaan

- want et was olg war.... (Henritte Vunderink; Vruuger; k Zal van oe blve haawe, 2007)

 

ollgstd

zelfstandig naamwoord

oorlogstijd, oorlogsjaren

- Interview Van den Aker (1978), transcriptie door Hans Hessels (2014) - et kenaol d was ng nie gelk oopen toen wast, in den ollgstd ok ng gebeurd, en bietje vur den ollgstd want den dk hier, die, die, de verkeerswg, den dk, ds zaand wr den dk meej opgehogd, ds ammel zaand hier t et kenaol!

Klik hier om dit bestand te beluisteren

- Interview Van den Aker (1978), transcriptie door Hans Hessels (2014) - Ik heb toen bij Jantje Brouwers gewrrekt gehad in den ollgstd want toen bn ik meej, meej wrkverlf gekoome, pas tweej mnde n toen wrrekte ik bij Jantje Brouwers neegeneneegeteg uren in de week. Van smreges vf tt saoves neege n saoterdagsaoves tt twaalef uure n dan kregeme en dubbeltje per uur!

Klik hier om dit bestand te beluisteren

 

lm

zelfstandig naamwoord

- WBD - III. 4. 2:198 'olm' - houtworm (Anobium punctatum), ook genoemd: 'meutel', 'houtwormpje' of 'mot'

- WBD - III. 4. 3:143 lm - iep (Ulmus)

- WBD - III. 2. 1:458 lm = houtmeel, ook genoemd mlm, vermlmd hout, meutel

 

ltje

zelfstandig naamwoord dim.

- Henk van Rijen - uiltje

 

om

tussenwerpsel

- WBD - opzij! (conmando voor een paard), ook hm genoemd

 

omd

voegwoord

omdat; doordat

- Kees en Bart - Tilburgsche Post ca. 1930 - 'omd ze vererremoeien'

- A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952) - hij heej veul prts mdttie strk is

- Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - OMDAT vgw. - wordt altijd gebezigd voor 'opdat'

samentrekkingen

omdat het (en dus niet omdat je het)
- Cees Robben - Omdegget (...) eene keer per jaor mar carneval is... (19600226)
omdat ik er
- Cees Robben - omdekker (19721027)
 

omgaon

werkwoord, sterk

omgaan

- A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952) - ik kan meej gin dwarse meensen mgaon

 

omgevallewt
zelfstandig naamwoord
ongevallenwet
- Cees Robben - Vur ziekte.. kiendjeskperij/ of omgevallewet (19600701)

 

omgoje

werkwoord, zwak

omgooien, omvergooien

- WBD -
ze (de melk) heet er gat mgegojd - ze is geschift (hs K 183)

 

omhbbe

werkwoord, sterk

omhebben

- ierre van Beek - Hij hm m - Hij had hem om, hij had te diep in het glaasje gekeken (TT170)

- WBD - III. 2. 3:259 'hem omhebben', 'hem goed omhebben' = dronken zijn

 

omkiepe

werkwoord, zwak

- Frans Verbunt - omkippen

- Jan Naaijkens, D's Jan Naaijkens, D's - Jan Naaijkens, D's Biks (1992) - (1992) - (1992) - omkiepe ww - omkippen ; 'de kr omkiepe - een miskraam hebben

 

omleg

bijwoord

omlaag

- Henk van Rijen - 'ombleg, omleg' - omlaag

- Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - OMLEEG (scherpe e) bijwoord - omlaag

 

mmel

bijwoord

allemaal

►amml

- d's ommol t mijn... (H.A. Sterneberg s.j., Een Busselke Braobaansch, uit: t Zaangerke , 1932)

 

ommers

bijwoord

immers

- WNT - IMMERS, emmers, ommers

- R. J. - Ze kwaamen mmers nr et kiendje kke

- "D zeg ik toch ommers, dettie goed zingt." (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; De nuuwe kapelaon van Baozel, afl. 2; Nieuwe Tilburgsche Courant 8-10-1938)
- Den arbeider is z'n loon waardig, zee St. Paulus ommers!" (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; De nuuwe kapelaon van Baozel, afl. 3; Nieuwe Tilburgsche Courant 15-10-1938)

- Daor is ommers ok niks van aon! (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 4 mei 1945)

- Cees Robben - Hij pruimt ommers (19570817)

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 58 05 30 - Ik moes ommers gaon kiezen / Veur de geminteraod.

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 58 08 22 - 't Is wezeluk z moeiluk nie / As dt messchien wel lkt / 't Wst ommers zn ge / As ge uit oew gen kkt.

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 59 02 06  - Want de td dsse nog knder ware / Vergete ze ommers nt.

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 60 12 30 - We hebben ommers onverwaachs / n Snipperdag gekregen.

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 65 07 16 - Hij ha ommers veul meer geleerd  / As vruuger hullieje pa...

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 75 10 30 - Want Piet krgt ommers in dn bak / Gin kaans om op te belle.

- ...ik geleuf d alleman ont klttere waar, et waar ommers bekaant Siendereklaos. (Tillie B.: pseudoniem van Nicole van Wagenberg; uit een column van haar website Tilburgs Taolbuuroo, 2012)

- Grot diktee van de Tilburgse taol  06 - die zn ommers al lang tgezonge

- Zegsman dhr. Hessels (1931-2006) - 2020 - Als je terugschrikt voor een hond: die doe niks, dies ommers blij dttie et lven heej! Volledige bron: KLIK HIER

Aanvullende bronnen

- J. H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen(1836) - OMMERS, voor 'immers'

- Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - OMMERS, OMMES, OMMERS, OEMMES bw - immers, Frans: pourtant, n'est-ce pas?

 

ommetom

bijwoord, voorzetsel

- Frans Verbunt - rondom

- Stadsnieuws - 'Et onweer zaat ommetom: et wirlichtte n alle kaante (071107) - Het onweer hing om ons heen: het bliksemde aan alle kanten.

- WNT - X:150 OM (45) Om, als bijw. , in verband gebracht met een ww., waarmede het gewoon is in samenstelling te treden, wordt ook wel dubbel gebezigd (om en om, voorheen om end' om, ook wel in n woord ommendom en ommentom geschreven), doch alleen in die gevallen, waar het de beteekenis heeft van omwending of rondgaande beweging; ( 58, a,alpha). Die verdubbeling dient om te kennen te geven dat de draaiende beweging om en nog eens om gaat, dat er derhalve eene herhaalde omwending geschiedt.

 

omreeje

voegwoord

om reden (dat), omdat

- n daor haddet al, hij w nie betaole omreje dttie et te duur vos  (Uit: F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010.)

 

omslaon

werkwoord, sterk

omslaan

- WBD - III.2.2:5 'omslaan' = een miskraam krijgen; ook: 'omslagen', 'verlopen

 

omspaoje

werkwoord, zwak

- WBD - (Hasselt) - omspitten, elders ook 'spitte' genoemd

- WBD - (Hasselt) - omspitten met een voor

- Kees en Bart - Tilburgsche Post ca. 1930 - mspaoje

- Interview met de heer De Kok (1978) Omspaoje! Nie omspitte, omspaoje! Op zen Tilburgs gezeej! D moes ik dan doen (transcriptie Hans Hessels 2014)

KLIK HIER om de audiobestanden van dit interview te beluisteren

- Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - OMSPA(D)EN, OMSPAAIEN - omspitten

- Jan Naaijkens, D's Biks (1992) - 'mspaoje' ww. - omspitten

 

omsprs, sprs

bijwoord

- Henk van Rijen - expres, met opzet

 

omstaandeghd, -hei

zelfstandig naamwoord

- Henk van Rijen - omstandigheid

 

omstand

zelfstandig naamwoord

- WBD III. 1.4:384 'omstand maken' = drukte maken

 

omsteburt

bijwoordelijke uitdrukking

om beurten

- Elken irste Woensdag van de mnd omsteburt bij iemand aanders bij mekaare koome om te kunne klppe. (Nel Timmermans; Onze klpclub; CuBra; 200?)

 

omwaas

afwas

- WBD III. 2. 1:286 omwaas, afwaas, opwaas = vaat

 

omwaase

werkwoord, zwak

omwassen, afwassen

- Voorbeeld van systeemkaart Sterenborg - as ie omwaast, krgt ie en segaar

- WBD III. 2.1:287 omwaase, schootelwaase = de vaat doen - omwaase - waaste om - omgewaase

 

n, aon

voorzetsel, bijwoord

aan

- Voorbeeld van systeemkaart Sterenborg - Dnkt eraon dgger on dnkt . - Vergeet niet eraan te denken.

- A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952) - ik bb et n men hart

- A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952) - hij heej gezeej dttie n me zal dnke

- Henk van Rijen - n zon kr hk niks aon

- Henk van Rijen - n hs koome

- Henk van Rijen - n kouse nuuw voete braaje

- WBD III. 2. 2:83 'aan zijn' - verkering hebben

 

nbne

werkwoord, sterk

aanbinden

nbne - bond aon - ngebonde

- Dirk Boutkan (1996) - (41-42) nbne - bnd er dees mar aon

- Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - AANBIJNEN - aanbinden (Kempen)

 

nbre

werkwoord, zwak

- WBD - laten dekken v. e. varken, ook 'bre' genoemd

- A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland (1958-2005) - zw. ww. tr. aanberen, (een zog) door de beer laten dekken

 

onbekwaom

bijvoeglijk naamwoord

- Frans Verbunt - dronken

- Stadsnieuws - Hij h ene goejen brrel aachter zen knpe, mar hij waar nie onbekwaom. - Hij had een flinke borrel op, maar hij was niet dronken. (180710)

 

onbeschaaje

bijvoeglijk naamwoord

onbescheiden, figuurlijk: dronken

- N. Daamen,  Handschrift 1916 - "ik heb em noot onbeschaaie gezien (ontoerekenbaar, onhebbelijk: te veel gedronken)"

- Cees Robben - vrouw over haar man: Hij tuutert gre moeder... Mar ik heb m nog nt teut of onbeschaaie gezien... (19660610)

- Henk van Rijen - ds ginnen onbeschaaje meens, hurre - dat is geen onbescheiden man, hoor!

- Cursus in Tilburgs krantenrubriek circa 1940 - (27) 'Des ginnen onbeschaaie meens, hrre!

 

onbesnut

bijvoeglijk naamwoord

- WBD - III. 3. 1:223 'onbesnut', 'ruw, rouw, lomp, boers' = ruw

- WBD - III. 3. 1:226 'onbesnut', 'strant, ontstrant, frank' = brutaal

 

nbetije

werkwoord, zwak

- Stadsnieuws - Lt em mar en bietje nbetije, dan gaoget wl wir oover Laat hem maar een beetje zijn gang gaan, dan . . . (070908)

- WNT - BETIJEN - in deze vorm alleen nog in den tegenw. tijd als onzijdig; ww in gebruik. Reeds in het Mnl. kende men de uitdrukking 'enen laten betien - iemand laten begaan; de algemeene taal heeft dat later veranderd in 'iemand laten betijen.

 

onbewkt

bijvoeglijk naamwoord

onbewaakt

- Kees en Bart - Tilburgsche Post ca. 1930 - nen onbewkten ooverweg

 

nbezoelieje

werkwoord, zwak

- Henk van Rijen - aansukkelen

 

nbieje

werkwoord, sterk

nbieje - boj aon - ngeboje

aanbieden

- Kees en Bart - Tilburgsche Post ca. 1930 - 'aonbooi'

 

nbraaje

werkwoord, zwak

aanbreien

- Voorbeeld van systeemkaart Sterenborg - n kouse nuuw voete braaje - aan kousen nieuwe voeten breien

- A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland (1958-2005) - zw. ww. tr. aanbreien, beginnen te breien, nl. op de plaats waar de vernieuwing een aanvang neemt. 

- Leo Goemans - Leuvens taaleigen (1936) - AANBREIEN - wkw (brj n, ongebrje of onge9br:) - gedurig breien

- Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - AANBREIEN - een versleten stuk v. eene kous vervangen (aangebreen)

 

nbraande

werkwoord, zwak

aanbranden, ook figuurlijk

- Leo Goemans - Leuvens taaleigen (1936) - AANBRANDEN - ombrane wkw (branden on, ongebrant): De pan is aangebrand; het riekt daar aangebrand (naar iets dat aanbebrand is)

 

nbrnge

werkwoord, sterk

aanbrengen

nbrnge - brcht aon - ngebrcht

- Leo Goemans - Leuvens taaleigen (1936) - Brengt me een beetje water aan. Ook: kenbaar maken bij het gerecht e. d.

  

ndacht

zelfstandig naamwoord

aandacht

- Kees en Bart - Tilburgsche Post ca. 1930 - 'aondacht'

- Henk van Rijen - 'ndaacht

 

ndaawe

werkwoord, zwak

Henk van Rijen - aanduwen

 

ndel, ndiltje

zelfstandig naamwoord

aandeel, aandeeltje

Henk van Rijen - aandeel, part

 

ndehaand

bijvoeglijk naamwoord

- WBD - linkerkant van het paard, ook genoemd 'b de haand' of 'van de haandse kaant)

 

ondngbaor

bijvoeglijk naamwoord 

ondenkbaar

- Dirk Boutkan (1996) - (blz. 28) uit cluster ngkb wordt de k verzwegen

 

ndnke

zelfstandig naamwoord

aandenken, voorwerp dat aan iets of iemand herinnert

- Leo Goemans - Leuvens taaleigen (1936) - AANDENKEN - zelfstandig naamwoord o. - voorwerp waardoor men aan afgestorvenen blijft denken.

 

onder, dr
bijwoordelijke uitdrukking
in de cel
- Cees Robben - Den Sjarel moes boven-komen.. En tnemekaare dr onder... (19620406) [De cellen waren blijkbaar onder het politiebureau gelegen.]
 

onderaand, onderhaand

bijwoord

eindelijk

- Voorbeeld van systeemkaart Sterenborg - Komde naa onderaand?

- A.J.A.C. van Delft - "Komd' onder(r)aand?" Kom je nu eindelijk eens, na al dat getreuzel. "'k Ben onderaand klaor." 'k Ben bijna klaar. "Onderaand" beteekent: onder de hand, bijna welhaast, ongeveer. (Nieuwe Tilburgsche Courant; Van Vroeger Dagen afl. 118; 8 juni 1929)

- Cees Robben - Geld geld... (...) ik ben k onderaand tne (19730824)
- Cees Robben - Goade onderaand nog nie trouwen Tirris... (19821105)

- A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - onderaand - weldra (wnbr. ) = onderhand

- Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - ONDERHAND (klemt. op hand) bijwoord - binnenkort, aanstonds

- C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - ONDERHAND (onderhaand) bijwoord

- Van Dale omschrijft de Zuidned. betekenis als 'spoedig' en onderscheidt die van ABN 'intussen'. In mijn herinnering combineert 'onderhaand' beide bett. en is het daardoor moeilijk met n woord te omschrijven.

- A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland (1958-2005) - bijw. 'onderhand' - binnenkort, weldra, zo zoetjes aan

 

onderbaand

zelfstandig naamwoord

onderband

- WBD - nderbaand (II:997) - onderband (touw v. e. dradenkruis)

- WBD - nderbaand (II:1000 en 1010) - onderband: vitskoord

 

onderbroek

zelfstandig naamwoord

onderbroek

...zon lange onderbroek, meej lage zoldering, in menne nek. In de volksmond bekend as un onderbroek meej lange mouwen. (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

 

onderdeur

bijwoord

(er) onderdoor

- Zegsman Hans Hessels; Uit het geheugen van Hans Hessels, 2022 - Der onderdeur speule meej de dve De eigen duiven komen niet in de uitslag voor

 

onderdouwe

werkwoord, zwak

onderdrukken

- Frans Verbunt - deronder gedouwd wrre - begraven worden

- WBD - III. 1. 2:92 'onderdouwen' - (onder)dompelen; ook: 'soppen'

 

onderdraaje

werkwoord, zwak

spelletje

- A.J.A.C. van Delft - Het "onderdraaien" was wederom een geldspelletje. Onder den klomp of den schoen werden naar wederzijdsch goedvinden 4 of 5 centen gelegd. Die legde men, zonder dat de tegenpartij het zag, willekeurig "oppers of mis" door elkaar. Nu mocht de ander daarnaast zijn 4 of 5 centen leggen. Lagen die met de bedekte overeenkomstig kruis of munt, dan had hij gewonnen wat gelijk lag, terwijl de ongelijk liggende voor den ander waren. (Nwe Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 104; 16 maart 1929)

 

onderdurke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord van deur; hier figuulijk bedoeld

kind dat niet groeit

- Henk van Rijen - in groei achterblijvend kind, miserabel nietig persoon

 

ondert

bijwoord

onderuit

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 71 12 02 - En zee: W kkte onderuit...

 

ondergeril

zelfstandig naamwoord

- WBD - vilten haam, evenals 'onderhaom' in de Hasselt gebruikt voor dat vilten haam of twee met elkaar verbonden kussens die het paard om de nek draagt onder het haam, indien dit te groot is.

 

onderleuper

zelfstandig naamwoord

onderloper

- WBD - nderleuper (II:962) onderloper = doekboom v. e. weefgetouw

 

onderlst

bijwoord

onlangs

►onderlist

- Goed, zo zaat ik dus onderlst bij kaffeej De Saawelr in de Pironstraot  (Uit: F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010.)

- Onderlst waar mn wasmesjien kept n Fredje van Boesschoten waar langsgewist, mar die kossem niemer gemokt krge, zeetie. (Uit: F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010.)

- Ik liep onderlst dur de Heuvelstraot (Uit: F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010.)

- Dus onderlst belle wij meej z'n tweeje ggeraans n de deur aon, doeter zon meens ope. (Uit: F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010.)

 

onderlist

bijwoord

onlangs

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 66 01 28 - En toen ik onderlist / 'n Goei kaauw had gevat...

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 62 05 18 - Z heetie onderlist gedaon

- Enqute over Je favoriete Tilburgse woord op Facebookpagina Je bent een echte Tilburger als... maart 2013 -

 

ondermne

werkwoord, zwak

ondermijnen

- Dialectenqute Willems (1887) - ndermne - ndermnde - ndermnd

- ook in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij ndermnt

 

ondermlk

zelfstandig naamwoord

- WBD - afgeroomde melk, ook 'zwiers' genoemd

 

onderpak

zelfstandig naamwoord

- Henk van Rijen - n na beste kostuum (evt. combinatie met vest)

 

onderploege

werkwoord, zwak

onderploegen

- Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) - zich nie laoten nderploege (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1974) - niet voor anderen willen onderdoen, nooit de mindere willen zijn (variant: ndereggen)

 

onderschlle

werkwoord, zwak

- WBD - ondiep onderploegen van mest

 

ondersneuwe

werkwoord, zwak

ondersneeuwen; figuurlijk: overdonderd, overbluft worden

- 2020 - Laat je niet overbluffen!: - lt oewge nie ondersneuwe! (Zegsman dhr. Hessels (1931-2006). Volledige bron: Klik hier

 

ondertas

zelfstandig naamwoord

- Ad Vinken (informant) - schoteltje

- Ad Vinken (informant) - tas n ondertas

- Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - ONDERTAS zelfstandig naamwoord v. - het schaaltje onder het koffiekopje

 

ondervne

werkwoord, sterk

ondervne, ondervon(d), ondervonde

- Henk van Rijen - ondervinden

 

ondervning

zelfstandig naamwoord

ondervinding

- Dialectenqute 1876 - ondervijning of ondervning: ('t verschil is klein)

- Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - ONDERVIJNEN (Kemp.) in 't Z. ook: ONDERVINNEN ondervinden; ONDERVIJNSELS, ONDERVINSELS zelfstandig naamwoord o. mrv.

 

onderweege, onderweeges

bijwoord

onderweg; figuurlijk: in verwachting

onderweg

- Miep Mandos-v.d.Pol; Aantekeningen Brabantse spreekwoorden -  Et is nie rg as ge onderweege honger krgt, as ge mar ts it.

- Cees Robben - En onderweege likkisaon... (19550716)

- Cees Robben - onderwege (...) akkoe naor huis breng (9870102)

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 70 01 14 - En zmme dan toch onderweege

- Frans Verbunt - zat zn f onderweege

- Ik waar onderweges nr ene maot van mn  (Uit: F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010.)

- Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - ONDERWEGEN bw onderweg; onderwegen blijven - achterwege blijven, niet uitgevoerd worden

- Jan Naaijkens, D's Biks (1992) - onderweejge bw - onderweg

in verwachting

- Frans Verbunt - onderweg, in verwachting

- Ze vonden et wel leuk un nuuw moeder, der geste han ze amper gekend, ziek of onderweege. (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

 

onderwl

bijwoord

onderwijl, inmiddels

 

onderwrk

- WBD - onderwerk: het onderste gedeelte v. d. schoen (II:736)

- Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - ONDERWERK zelfstandig naamwoord o. - bij schoenm.: onderstukken, al wat de zool van eenen schoen uitmaakt, zooals de hiel, de tree enz.

 

onderws

zelfstandig naamwoord

onderwijs

 

onderztte

werkwoord, zwak

- A.J.A.C. van Delft - Vroeger "mossen de zatlappen boven kommen bij den commesaar" en als zij dan boven (op het stadhuis) waren geweest "wieren ze d'r onder gezet" (in de gevangenis).(Nieuwe Tilburgsche Courant; Van Vroeger Dagen afl. 110; 20-04-1929)

 

onderzuuk

zelfstandig naamwoord

onderzoek

- Kees en Bart - Tilburgsche Post ca. 1930 - nderzuuk

- Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - ONDERZUUK (klemt. op zuuk; zelfstandig naamwoord o. - onderzoek

 

onderzuuke

werkwoord, sterk

onderzoeken

- onderzuuke - onderzcht - onderzcht

- Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - ONDERZUKEN onderzoeken

 

ndieft

bijvoeglijk naamwoord

ondeugend

- WTT - de etymologie is vooralsnog onduidelijk

- H.A. Sterneberg s.j., Een Busselke Braobaansch, uit Ons lievenheerentieke,  1932 - ondieft *) lievenheerentieke, *) noot van Sterneberg bij dit woord: ondeugend...

 

ondiep

bijvoeglijk naamwoord

ondiep

- WBD - ndiepe koej - koe met hoge poten, ook genoemd 'hogbinder', 'langbinder of 'lochte koej'

 

ndoen

werkwoord, sterk

aandoen (in diverse betekenissen)

- ndoen - di aon - ngedaon

- Henk van Rijen - doe es gaaw oew aaw aon

- WBD - (III. 2. 1:264) ndoen of nsteeke (v. d. laamp) = aansteken

- WBD - (III. 1. 3:7) 'aandoen' = zich aankleden

- A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland 2 (1958) - aandoen 1) aantrekken, aankleden, 2) aanranden . . . ( ); Zegsw. 'met iemenden of iejt aandoewn' kan ook betekenen: zich behelpen met.

- Leo Goemans - Leuvens taaleigen (1936) - AANDOEN, - een kleed, hoed, schoen, ring aandoen; slecht, poverkes aangedaan (gekleed). 

- Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - AANDOEN - voor 't gerecht brengen; beslag op iemands goed leggen; aanvallen, aanranden; wdk: zich aankleden; enz.; 'me(t) iemand aandoen - ongeoorloofde liefdesbetrekkingen hebben

 

ndouwe

werkwoord, zwak

aanduwen

- Voorbeeld van systeemkaart Sterenborg - ene waogen ndouwe - aanduwen, op gang brengen

- Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - AANDOUWEN - aanduwen

 

ndraaje

werkwoord, zwak

aandraaien

- WBD - 'aondraoje', 'ndraoje', andrje' (II:1012) - aandraaien (van de kettingdraden); ook: 'aonknpe', 'anknpe' genoemd

- WBD - 'aondraojplank', 'ndraojplank' (II:1013) - aandraaiplank

- WBD - ndraajer (of: -draojer?); 'aondraojer' (of: n-?) (II:1016) - aandraaier: aandraaiband; ook: type aandraaihaak

- WBD - III. 2. 1:264 'aandraaien' = het licht aansteken

 

ndraaier

zelfstandig naamwoord

- Henk van Rijen - nknper, man die de kettings aan het kettingraam knoopt

 

ondugd

zelfstandig naamwoord

ondeugd, ondeugend persoon

- Henk van Rijen - ondeugd

- WBD - III. 1. 4:99 '(kleine) ondeugd = ondeugend kind

 

nrde

werkwoord, zwak

aanaarden

- WBD - I:1453 aardappels aanaarden: 'aonrde', 'onrde'

 

nre

werkwoord, zwak

- WBD - (van een koe) een zwellende uier krijgen in de draagtijd; ook 're' of 'jere' genoemd

- A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland (1958-2005) - zw. ww. intr. aanuieren, een mooie volle uier beginnen te krijgen: Ze (de koe) rt schoon aan.

 

onfesoendeleks

bijwoord

- Wet is er naa vur onfesoendelijks aon degge oe bord aflekt? (Naarus; pseudoniem van Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

 

ongaans

misselijk, onwel (gewoonlijk in verband met overdadig eten)

- Voorbeeld van systeemkaart Sterenborg - Hij h zengen ongaans gegeete. - Hij had zoveel gegeten dat hij misselijk werd

- N. Daamen,  Handschrift 1916 - "hij was er ongaans van geworden (onwel)"

- Cursus in Tilburgs krantenrubriek circa 1940 - (15) 'Hij hee z'n ge ongaans gegete aon d'appeltjes

- WBD - (III. 1. 2:190) 'ongans' = ziekelijk

- WBD - (III. 1. 2:230 'ongans worden' = flauwvallen

- A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - ongans - ziek, dwaas (brab. )

- C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - ONGANS bn en zelfstandig naamwoord  v, onwel, ziek, misselijk; altijd gebezigd i. v. mannelijk overmatig eten of drinken: ik heb m'n gen ongans gevreten. Ook n ongans wordt gezegd.

- J. H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen(1836) - ONGANS of ONGANSCH = schapenziekte. Overdragtelijk ook 'onzuiver', zoo ligchamelijk als zedelijk. Mogelijk 'gans' = gezond, wijs bij Van Maerlant. 

 

ngaon

werkwoord, sterk

aangaan, betreffen

- Cees Robben (datum onbekend) - W kiendjes kope ngao...

- WBD - (III. 2. 1:478) 'aangaan' = blaffen (v. e. hond)

- C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - AANGAAN (ongaon) ov. ww. , meestal als zelfstandig naamwoord gebezigd; een begin maken dat meteen het halve werk is: 't is mt 'n ongaon (De Bont).

- Leo Goemans - Leuvens taaleigen (1936) - AANGAAN, ongon, wkw. - aangaan, betreffen

- Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - AANGAAN - heengaan, weggaan; beginnen (b. v. de mis); kwalijk, barsch toespreken; toebehoren; iemand aangaan - dringend verzoeken; aan iemand aangaan- hem aansporen, aanzetten; gevoelig berispen of afranselen; aan iet aangaan - er aan beginnen

zelfstandig naamwoord

onderneming

- Voorbeeld van systeemkaart Sterenborg - eemigreere ds en hil ngaon

- J. H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen(1836) - AANGAAN, voor 'beginnen' verouderd. 

- C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - ONGAON: 'n hil ongaon - een omvangrijk karwei

- Jan Naaijkens, D's Biks (1992) - 'ongaon' zelfstandig naamwoord  - onderneming

 

ngebonde

bijvoeglijk naamwoord

aangebonden

- A.J.A.C. van Delft - "Hij is kort aangebonden", hij kan niet veel verdragen, hij wordt spoedig driftig of kwaad. (Een geit, die op een grasveldje staat en ook maar aan een kort touwtje gebonden staat, rukt en trekt er ook veel aan.) (Nieuwe Tilburgsche Courant; Van Vroeger Dagen afl. 117; 5 juni 1929)

 

ngebraand

bijvoeglijk naamwoord

aangebrand; figuurlijk: zwanger vr het huwelijk;

- N. Daamen,  Handschrift 1916 - "oangebraand - Ze is oangebraand (buiten echt zwanger)"

- A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland (1958-2005) - deelw. bijvoeglijk naamwoord aangebrand: 'Z'is aangebrand' gezegd als een meisje dat verkering heeft zwanger wordt.

- Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - AANGEBRAND - heel mager, zoodat de huid aan de beenderen kleeft. Ze is aangebrand - bedrogen, verleid (.van eene jongedochter)

- Jan Naaijkens, D's Biks (1992) - 'ongebrand deelw - aangebrand

 

ongediert

zelfstandig naamwoord

- Henk van Rijen - ongedierte

 

ongedopt

bijvoeglijk naamwoord

- C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - ONGEDOOPT bn - oningewijd, onervaren, ook: ongemanierd

- A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland (1958-2005) - zelfstandig naamwoord mannelijk - ongedoopte, van een jonge knecht gezegd die nog niet veel presteert of van een bijna 'ongeleerd' paard.

- Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - ONGEDOOPT (Kemp. : ongept, Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - ongedoept) bvw. - ongedoopt

- Jan Naaijkens, D's Biks (1992) - 'ongedopte zelfstandig naamwoord  - ruw, halfwijs; iem. met onbehouwen manieren

 

ongeduureg

bijvoeglijk naamwoord

ongeduldig, onrustig

- Cees Robben - Van hg toe lg t heej allemol/ n ongedurig gat...  (19651224)

- Henk van Rijen - onrustig, ongeduldig

- WBD - III. 1. 4:396 'ongedurig' = ongerust, onrustig

- WBD - III. 1. 4:397 'ongedurige' = onrustig persoon; ook 'koteraar'

- WBD - III. 1. 4:398 'ongedurig zijn' = geen rust hebben

 

ngeeve

werkwoord, sterk

aangeven

- ngeeve - gaaf aon - ngegeeve

- WBD - III. 3. 3:293 ngeeve = zich laten inschrijven voor het huwelijk

- Leo Goemans - Leuvens taaleigen (1936) - AANGEVEN wkw - aangeven, ook bij de burgerlijke stand

 

ngehaold

bijvoeglijk naamwoord

aangehaald, aangedaan door

- A.J.A.C. van Delft - "W is d keind toch aongehaold mej bukpnt" beteekent dat een kind telkens aan buikpijn onderhevig is. (Nieuwe Tilburgsche Courant; Van Vroeger Dagen afl. 111; 27 april 1929)

 

ngelaoje

bijwoord

blijkbaar uit 'aanladen', maar als werkwoord niet bekend

dronken

- D uurke wier enen halve naacht/ ik was goed ngelaoje (Lechim; pseudoniem van Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Dur de maand gevalle...)

- Piet van Beers Grze clle: Toen ik zlf nao nog w slokke/ ngelaoie z vertrokke... (Spoeje doemmeniemer; 2009)

 

onglde

zelfstandig naamwoord, alleen meervoudig gebruikt

onkosten, opcenten

- WBD - III. 3. 1:109 'ongelden', 'opgeld ' = notariskosten

- WBD - III. 3. 1:112 ongeld, opgeld, toeslag = toeslag (kosten boven de koopprijs bij een verkoping)

 

ongelk

zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk naamwoord

ongelijk, ongelijkheid

- Cees Robben - Ongelk isser bij die van men nt bij.. Ze haauwt aaltij dren pt stf... (197905180

- WBD - III. 4. 4:310 'ongelijk' = ongeordend

- Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - ongelijk bvw - van verschillend geslacht: Ongelijke personen. ONGELIJK znw, o. - ongelijk. Op kosten van ongelijk.

 

ngeleet

voltooid deelwoord van 'aanleggen' gebruikt als bijvoeglijk naamwoord

aangelegd

behept zijn met iets

- - Voorbeeld van systeemkaart Sterenborg - rgeraand meej ngeleet zn = Ergens mee behept zijn.

voltooid deelwoord van 'lgge' als bijvoeglijk naamwoord met voorvoegsel on = niet

- Cees Robben - Ik ben nie bang vur n ongeleet aai... (1987016)

 

ongeleufelek

bijwoord

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 66 04 29 - t Is ongeleufeluk mar waor.

 

ongelveg

bijwoord

ongelovig

- Dialectenqute 1876 - hij schudde ongeleuvig z'nen kop

 

ongelooge

bijwoord

ongelogen, echt waar

- Cees Robben - Jan Dokus waar unne goeie meens/ Die vf en twintig jaor/ De zaok gediend had toerlezjoer/ J... ongelogen waor... (19600701)
- Cees Robben - Des ongelogen waor. (19821231)
 

Carnavalsslogan. Tilburg 2019. Foto: CuBra.

 

Carnavalssticker. Tilburg maart 2019. Foto CuBra.

 

ongeluk

zelfstandig naamwoord

ongeluk

- Miep Mandos-v.d.Pol; Aantekeningen Brabantse spreekwoorden -  En ongeluk is nt as ene platvoet: die komt not allen.

- Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) - ngelukke zn kwaoj kaanse, moete mar dnke (vB Tilburgse Taalplastiek 1972) - gezegd als troost en als aansporing tot berusting in geval van tegenslag.

 

ongelukkige

zelfstandig naamwoord

ongelukkige

- 2019 iemand met een lichamelijke of geestelijke beperking (Mededelingen van Hans Hessels, opgetekend uit zijn familiekringen Hessels en Marinus 1960-1980. 

Voor de volledige lijst Klik hier

 

ngemetoerd

bijvoeglijk naamwoord

opgedirkt

de etymologie is onduidelijk

- Pierre van Beek - aongemetoerd is knap (Tilburgse Taaklplastiek 172)

- Henk van Rijen - 'gemontrd' - mooi aangekleed, opvallend opgemaakt, naar eigen smaak

 

ngemkt

bijvoeglijk naamwoord  voltooid deelwoord van aonmaoke - onderhevig aan iets, lijden aan

- Pierre van Beek - ngemkt zn meej en kwaol - aan een kwaal lijden (Tilburgse Taaklplastiek 171)

- Frans Verbunt - ngemokt meej bkpnt - geplaagd door buikpijn

- A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland (1958-2005) - deelw. / bijvoeglijk naamwoord aangemaakt, onderhevig: 'Hij is vuil (veul) mee de bkpent aangemakt' - hij heeft veel last van buikpijn.

 

ngenoome

zelfstandig naamwoord, onzijdig

het aangenomen werk

- 2020 - Als je een ander wilt opjagen in zijn werk: - ik stao nie int ngenoome! (Zegsman dhr. Hessels (1931-2006).

Volledige bron: Klik hier

 

ongeprremeteerd
bijwoord
ongepermitteerd; ongepast, onfatsoenlijk
uit Franse permettre, toestaan, en meer in het bijzonder het voltooid deelwoord daarvan: 'permis'
- Cees Robben - t Is ongeperremeteerd... (19580201)
 

Uit het weekblad Groot Tilburg, dat tussen 1939 en 1946 verscheen. De tekening van Frans Mandos van een professor voor een schoolbord dateert uit 1939 en was het vaste kader van de rubriek 'Cursus in Tilburgs'. Lezers konden korte Tilburgse zinnetjes insturen, die op het schoolbord werden afgedrukt.

 

ongestaojeg, ongestaoig

bijvoeglijk naamwoord

ongestadig, onbestendig

- Cees Robben - ongestaog (19611215)

- Henk van Rijen - tis zo mar ongestaojeg weer - het is zo maar onbestendig weer.

 

ongetrouwd

bijvoeglijk naamwoord

ongehuwd, ongetrouwd

 

ngetrouwd

bijvoeglijk naamwoord

aangetrouwd

- Miep Mandos-v.d.Pol; Aantekeningen Brabantse spreekwoorden -  ngetrouwd is ngescheete.

- Frans Verbunt - ngetrouwd is ngedouwd - je hoort niet echt bij de familie

- WBD - III. 2. 2:79 'aangetrouwde dochter' = schoondochter

- WBD - III. 2. 2:79 'aangetrouwde zoon' = schoonzoon

- A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland (1958-2005) - bijvoeglijk naamwoord aangetrouwd, aangehuwd: 'Aangetrwd is aangescheite' de band met aangetrouwde familie is niet innig, waaruit zich dan sekundair de bet. ontwikkelt van: aangetrouwde familie is bij de bloedverwanten niet in tel.

 

ongevuuleg

bijvoeglijk naamwoord

ongevoelig

- Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - ONGEVULIG bvw. - ongevoelig

 

ngewaajd

bijvoeglijk naamwoord

aangewaaid

- Henk van Rijen - niet getrouwde schoonfamilie

 

ongeziens

bijwoord

zonder gezien te hebben, ...te hebben

- A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland (1958-2005) - bijw. 'ongeziens' - zonder gezien te hebben: ongeziens rle

 

ngezt

voltooid deelwoord van aonztte

aangezet

- Henk van Rijen - ngezt koome - aankomen (langs komen)

- Henk van Rijen - 'Wit te waor-t-ie meej kwaam ngezt? - Weet je wat hij meebracht?

 

nhaawer

zelfstandig naamwoord: minnaar

- Frans Verbunt - buitenechtelijke partner

- WBD - II. 2. 2:111 'aanhouder' = minnaar

- Cees Robben - 'ze hee wir unne nuuwe aonhauwer'

- Leo Goemans - Leuvens taaleigen (1936) - AANHOUDER - zelfstandig naamwoord mannelijk - vrijer, in ongunstige beteekenis: 'hoeveel aanhouders heeft ze al wel niet gehad?'

- Leo Goemans - Leuvens taaleigen (1936) - AANHOUDEN, wkw - aan het branden houden, aanbranden, liefdesbetrekkingen hebben.

- Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - AANHOU(D)ER - die met dieven aanspant, verheler en opkooper van gestolen goederen; die ongeoorloofde liefdesbetrekkingen met eene vrouw heeft, bijslaper (concubinus).

aanhouder

- Voorbeeld van systeemkaart Sterenborg - den nhaawer wint

- WBD - III. 2. 2:111 'aanhouder' = minnaar

werkwoord, sterk

nhaawe - hiel aon - ngehaawe

aanhouden (diverse betekenissen)

- Henk van Rijen - Haawt oewe jas mar aon.

- WBD - III. 3. 1:353 'aanhouden' = arresteren; 258 'aanhouden' = zaniken, zeuren

- WBD - III. 1. 4:50 'aanhouden' = aandringen

- WBD - III. 2. 2:110 'aanhouden'= ongehuwd samenleven

- Grot diktee van de Tilburgse taol 07 die h zen skken ngehaawe

- Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - AANHOUDEN - omgang hebben, verkeren; blijven houden; brandende houden; aanlokken, aantrekken.

- A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland (1958-2005) - st. ww. 1) intr. (het) aanhouden (met iemand), het met hem houden, n lijn trekken met, op iemands zijde staan. 2) tr. aanlokken, aanhalen. 

- Leo Goemans - Leuvens taaleigen (1936) - AANHOUDEN, wkw - aan het branden houden, aanbranden, liefdesbetrekkingen hebben.

 

nhang

zelfstandig naamwoord

aanhang

- Kees en Bart - Tilburgsche Post ca. 1930 - 'aonhang'

- Leo Goemans - Leuvens taaleigen (1936) - AANHANG, zelfstandig naamwoord mannelijk - Betrekkingen, gezelschap, met een misprijzende beteekenis: ze moet altijd - hebben.

 

nhange

werkwoord, sterk

aonhange, hing aon, aongehange

de dupe zijn

- Voorbeeld van systeemkaart Sterenborg - Ge hangt eraon! - je bent erbij!

- Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - AANHANGEN: . . . er aan hangen - verliezen in het spel

 

nhaole

werkwoord, zwak

aanhalen

- WBD - (III. 2. 1:487) nhaole = een hond vleien; ook: fluren

- Leo Goemans - Leuvens taaleigen (1936) - AANHALEN, - aanbrengen, ontvangen, aanlokken

- Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - AANHALEN - vriendelijk ontvangen, minzaam bejegenen; aanbrengen, bijhalen (hout voor het vuur).

- Jan Naaijkens, D's Biks (1992) - onhaole ww - aanslepen

 

onheus

bijwoord

onheus

- 2019 werkwoordelijke uitdrukking: onheus doen = valsspelen (Mededelingen van Hans Hessels, opgetekend uit zijn familiekringen Hessels en Marinus 1960-1980. 

Voor de volledige lijst Klik hier

 

njaoge

werkwoord, sterk

aanjagen

schrik njaoge - bang maken

- njaoge - joeg aon - ngejaoge

- Leo Goemans - Leuvens taaleigen (1936) - AANJAGEN, wkw - schrik, vrees, het vuur het wild - -

 

 

 

onjeklonje, oddeklonje, odeklonje, oojeklonje

zelfstandig naamwoord

eau de cologne, Keuls water, reukwater

- ...en d'r zakduukske rook zoo lekker naor onjeklonje... (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; feuilleton Bad Baozel, 8 afl. in Nieuwe Tilburgsche Courant 31-12-1938 18-2-1939)
- Cato van Dungen laag op de sofa mee 't hoofd aachterover en de dienstbode hield 'r 'nen zakdoek mee onjeklonje onder d'r neus. (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; De nuuwe dokter; feuilleton in 4 afl. in Nieuwe Tilburgsche Courant 27-1-1940 17-2-1940)
- Hanna, z'n zuster, had 'm stiekum enkelde dubbeltjes gegeven om 'n stiekum fleschke onjeklonje veur d'r mee te brengen, mar moeder hoefde daor niks van te wete. (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; Oome Teun in den trein; Nieuwe Tilburgsche Courant 16-9-1939)
- En ie rook zelfs naor odeklonje, ze kos et goed ruuke... (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; n Staandbild in Baozel; feuilleton in 4 afl. in de Nieuwe Tilburgsche Courant 20-5-1939 17-6-1939)
- ...en juffrouw Jaanse was er van overtuigd, d de ware deugd nie naor odeklonje rook, mar eer naor wierook of zo iets (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; n Staandbild in Baozel; feuilleton in 4 afl. in de Nieuwe Tilburgsche Courant 20-5-1939 17-6-1939)
- D'een waaschte [de zieke] d'r polsen mee natte doeke, d'aander d'r gezicht mee onjeklonje... (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; Den jongen dokter; feuilleton in 3 afl. in de Nieuwe Tilburgsche Courant 22-4-1939 8-5-1939)

- duukskes meej oddeklonje... (Lechim; pseudoniem van Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Asse de kaans mar krge)

- Gin oddeklonje of d spul/ om lekker van te ruuke (Lechim; pseudoniem van Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: D kan ok wl en seprieske zn)

- Elie van Schilt; nee in de kapsalon van toen rooke we gewoon un fris luchtje van oojeklonje 4711 of un aander merk. (Uit: Ut stonk mar toch mis ik de stank van vruuger; Cubra, ca. 2000)

- Eigen roem die ruukt, net as onjeklonje/ Eigen roem die stinkt nie... (Tony Ansems, Eigen roem die stinkt nie; van de cd Tilburgse Liekes American Style 2; 2009)

- Henk van Rijen - eau de cologne, Keuls water, reukwater

- WBD - III. 1. 3:278 'onjeklonje' = eau de cologne; ook 'ruuk'

- Stadsnieuws - aaw wfkes han in de krk dikkels ene zaddoek meej onjeklonje bij der (110407)

- - Enqute over Je favoriete Tilburgse woord op Facebookpagina Je bent een echte Tilburger als... maart 2013 -

 

nkke

werkwoord, sterk

aankijken

- nkke - keek aon ngekeeke

- in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij kkt aon

- Cees Robben (datum onbekend) - ik zal oe er nie op nkke

- Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) - iemand meej zene rug ng nie nkke (RL '48) - links laten liggen

 

onknneg

bijvoeglijk naamwoord

- Henk van Rijen - onwetend

 

nklote, nkloje

werkwoord, zwak

aantobben, aansukkelen

nklote - klotte aon - ongeklot (met vocaalkrimping)

ook in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij klot aon

- Cees Robben - We kloten hier z mar aon

- Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) - mar nklote meej sint Thoomas' hunneke (Si'67) - Maar wat aanrommelen met het hondje van Sint Thomas

- WBD - III. 1. 4:54 'aankloten' = aarzelen; 371 'wat aankloten' = stuntelen

- Stadsnieuws - et schiet nie op, hij leej mar en biet je n te kloje (041006)

- Ruud Damen & G.W.J. Steijns, Et Buukske (2008) - = aanrommelen, ongenspireerd werken (ook: nmkee)

- A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland (1958-2005) - zw. ww. intr. aankleuten, aankloten; Ge moet mar wa met em aankleute'; langzaam met iets verder gaan. 

- C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - AANKLOTEN (onkloo:te) onov. ww, werken zonder zich al te veel illusies te maken omtrent het resultaat, zijn best doen in het besef van eigen beperkingen en afhankelijkheid. 

- Jan Naaijkens, D's - Jan Naaijkens, D's Biks (1992) - (1992) - 'onklte' ww - zie klte

 

nknpe

werkwoord, zwak

aanknopen

- WBD - 'aonknpe', 'anknpe' (II:1012) - aanknopen van kettingdraden; ook: 'aondraoje', 'andraoje' of 'andrje' genoemd

 

nknper

zelfstandig naamwoord

- Henk van Rijen - draadmaker (op textielfabriek)

onze Co werkte op un wollenstoffefebriek, hij waar daor nknper (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

- WBD - 'anknpster' (II:1012) - aanknoopster: vrouw die 'aandraait'

- Henk van Rijen - = ndraajer, man die de 'kettings' aan het kettingraam knoopt.

 

nkoome

werkwoord, sterk

nkoome - kwaam aon - ngekoome

aankomen, aanraken

- Voorbeeld van systeemkaart Sterenborg - Ge meut er nie nkoome.

aankomen, in gewicht toenemen

- Voorbeeld van systeemkaart Sterenborg - Hoeveul is ze ngekoome?

- A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952) - ik moes ssebloed drinke m n te koome

(er) aankomen, arriveren

- Leo Goemans - Leuvens taaleigen (1936) - AANKOMEN - aankomen, arriveren, groeien, bloeien

- Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - AANKOMEN - beginnen (twist, brand); groot worden (kind, gewas); voegen, passen; iemand hooren aankomen - iemands inzicht raden.

 

onkrd-g

zelfstandig naamwoord

- WBD - onkruid-eg (meestal driehoekig, met lange scherpe tanden), ook genoemd (Hasselt) 'zere eeg'

- Henk van Rijen - 'onkrt-eg, zere eg' - onkruid-eg

- WBD - III. 4. 3:216 'onkruid' = idem

 

nkwakke

werkwoord

- Frans Verbunt - koome nkwakke - waggelend komen aanlopen

- Stadsnieuws - Daor komt ie eindelek ok es nkwakke. (300909)

 

nlaande

werkwoord, zwak

aanlanden, ergens arriveren, terechtkomen

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 76 08 12 - Is 't vur de schnste van t laand / Op deez' menier gin grte schaand / Waor Willem II is aongelaand?

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 77 01 06 - "Amme dan hier nog saome zitte / Niemir as vruuger, haand in haand / Mar gij oew nutje, ikke koffie / Dan zmme toch goed aongelaand."

 

nlaote

werkwoord, sterk

aan laten, niet uitmaken

nlaote - liet aon - ngelaote

- Leo Goemans - Leuvens taaleigen (1936) - AANLATEN - Laten aanhouden (v. e. kleedingstuk); door laten branden (vuur, licht)

- Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - AANLATEN - laten branden

 

nleere

werkwoord, zwak

aanleren

- Voorbeeld van systeemkaart Sterenborg - d hdde gaa ngeleerd

- Leo Goemans - Leuvens taaleigen (1936) - AANLEEREN - Ge zult uwen stiel gauw - .

 

nlg

zelfstandig naamwoord

aanleg, talent, geschiktheid

Hij heeter ginnen nlg veur.

Leo Goemans - Leuvens taaleigen (1936) - AANLEG zelfstandig naamwoord mannelijk : Hij heeft geenen - voor . . . (muziek, studeren)

 

nlgge

werkwoord, sterk

- nlgge - li aon - ngeleej; praes.: hij leej aon

de arbeid aanvangen; een tocht onderbreken; een caf bezoeken

- Bij mene vurregen baos moes ik om aacht uur nlgge.

- Zumme bij 't Drsteg Hrt nlgge?

- Interview Hermans - 1978 - ge had nie veul snte, ge kost nie veul nlgge n mnne kastelein, assie oe knde dan pofte ie wl (transcriptie Hans Hessels, 2013)► KLIK HIER om het interview te beluisteren

- Interview met de heer De Kok (1978)  J, bij Jan van Aorendonk hbbe we ene td gewist d we om vf f zs uur n moese lgge, war. n dan smndags moge we om half zeuven nlgge. KLIK HIER om de audiobestanden van dit interview te beluisteren )

- WBD -
(II:667) nlgge - beginnen met het werk (niet vermeld)

- WBD -
III. 3. 1:383 'aanleggen' = mikken (om te schieten)

- Ruud Damen & G.W.J. Steijns, Et Buukske (2008) - = een caf bezoeken

A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland (1958-2005) - zw. ww. tr. . . . 5) inchoatieve waarde heeft het ww. in ' ene meet aanlegge' het eerste begin maken met de bouw van een mijt.

Leo Goemans - Leuvens taaleigen (1936) - AANLEGGEN, onl:, wkw. Het goed - ; doelmatig handelen

 

nlope

werkwoord, sterk

aanlopen; duren

Komt nog mar is nlope.

- WBD -
III. 4. 4:120 'aanlopen' = duren

nlope - liep aon - ngelope

Leo Goemans - Leuvens taaleigen (1936) - AANLOOPEN uitblijven: het zal nog een jaar - eer dat het werk gedaan is.

 

onmaacht

zelfstandig naamwoord

- WBD -
III. 1. 2:227 'onmacht' = bezwijming

 

nmaoke

werkwoord, zwak

aanmaken

nmaoke - mkte(n)aon - ngemkt

Leo Goemans - Leuvens taaleigen (1936) - AANMAKEN - gereed maken (stoof, kachel); bijleggen: hij alleen kan het opnieuw - .

 

nmkele

werkwoord, zwak

Frans Verbunt - aanrommelen

- Ruud Damen & G.W.J. Steijns, Et Buukske (2008) - ongenspireerd werken (ook: nkloje, nklote)

 

nnaoje

werkwoord, zwak

aannaaien

- Miep Mandos-v.d.Pol; Aantekeningen Brabantse spreekwoorden - Zich gin ooren laote naoje.

nnaoje - naojde(n)aon - ngenaojd

Leo Goemans - Leuvens taaleigen (1936) - AANNAAIEN -  ge zult hem geen ooren - (niets wijsmaken, d. i. : hij is geen ezel)

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - AANNAAIEN - spr. iemand ooren aannaaien

 

nneeme

werkwoord, sterk

aannemen

- Cees Robben - dan zde ngenoome

- Gezegde:  goed van nneeme - goedgelovig

nneeme - naam aon - ngenoome

in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij nimt aon

Leo Goemans - Leuvens taaleigen (1936) - AANNEMEN: een boodschap aannen , als lid opnemen; hij is goed/slecht van aannemen (leert gemakkelijk / moeilijk) 

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - AANNEMEN: goed, gemakkelijk, slecht, moeilijk van aannemen zijn - . . leren

 

onnzel

bijvoeglijk naamwoord

onnozel; beklagenswaardig

- Kees en Bart - Tilburgsche Post ca. 1930 - onneuzel (passim)

- Cees Robben (ongedateerde knipsels) - zo hel onneuzel; w hk onneuzel dom gedaon

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 66 05 13 - Verleeje week laas Trees de kraant, / Kk over d'ren bril / En vroeg: "n ramp, 'n ongeluk, / Ws daorvan t verschil? // De Tiest docht irst hl efkes nao / Mar toen zee dieje kruk: / "As gij in 't knaol zt vallen Trees / Was d n ongeluk. // Mar haolde iemand jou d'r uit / Dan z d volgens mn / Van n onneuzel ongeluk / n Ramp geworre zn."

- Henk van Rijen - 'onnzel'

- WBD - III. 1. 4:40 'onnozele', 'onnozele ziel' = onnozel iemand

- WBD - III. 1. 4:282 'onnozel' = deerniswekkend

- WBD - III. 1. 4:437 'onnozel' = onschuldig

- Jan Naaijkens, D's - Jan Naaijkens, D's Biks (1992) - (1992) - onnzel bn - onnozel

- C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - ONNOZEL (onneu:zel) bn, behalve de bet. 'niet opgewassen tegen bedrog' heeft onnozel dikwijls ook de bijbetekenis: tragisch, onbegrijpelijk, ellendig: 't is toch onneu:zel - mijn verstand staat erbij stil, hoe kan zoiets nou gebeuren. 

- A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland (1958-2005) - bijvoeglijk naamwoord 'onnozel' 1) onschuldig; a) kinderachtig, dwaas.

 

onnut

bijwoord

PM overdreven, onnodig, geweldig, enorm

- Cees Robben -
Hijs onnut strik... dieje Jan.. (19600226)
- Cees Robben -
[Onderwijzer tegen leerling] Gij Pietje.. de drie trappen [van vergelijking] van sterk.. ..strik, mister.. onnut strik en t prd van Jantje Groenen, mister... (19700821)

Frans Verbunt - 'onnut veul geld' - geweldig, enorm veel geld

- C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - ONNUT, als bw - in hoge mate of zelfs in overdreven mate; onnut groot, onnut sterk

A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland (1958-2005) - bijvoeglijk naamwoord en bijw. 'onnut'; bijvoeglijk naamwoord onkies, vuil, gemeen 'onnutte proo't; bijw. zeer, geweldig: 'Hij is onnut staerk'

Jan Naaijkens, D's - Jan Naaijkens, D's Biks (1992) - (1992) - onnut bw - extreem, zeer, geweldig

- WNT - ONNUT - van zaken: niet van nut; van personen: onbruikbaar

 

npaase

werkwoord, zwak

aanpassen

npaase - paaste(n)aon - ngepaase

Leo Goemans - Leuvens taaleigen (1936) - AANPASSEN - Een kleedingstuk, schoenen - -. Men bezigt meer 'passen'.

 

onpaor

bijvoeglijk naamwoord

oneven

uit Frans 'impair'

A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland (1958-2005) - In de verb. 'paor of onpaor' (kinderspel) 

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - ONPAAR (uitspr. ompaar) bvw. oneven (van getallen)

 

npertije

werkwoord, zwak

begaan

Toine Raaijmakers (informant) - aanmodderen, zo maar bezig zijn; lt em mar npertije - laat hem maar begaan/ betijen, zijn gang maar gaan

- Theo de Wijs; correspondentie met - Cees Robben - bezorgd door Guido de Wijs
- Laot um mar aonpartije, hij is nie gewn, maar kaaigek (23-10-1963)

Toine Raaijmakers (informant) - Lt en mar w-d-npertije - Laat hem zijn gang maar gaan

- is eigenlijk een misvorming van nbetije

 

npeutere

werkwoord, zwak

Pierre van Beek - hard werken, flink doorwerken

 

npiepe

werkwoord, zwak

'nschiete' in kindertaal; kleding aantrekken

- npiepe - piepten aon - ngepiept

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - AANPIEPEN - in de kindertaal 'aanschieten': me zullen oe' fraksken is aanpiepen.

 

nploege

ww., zw .

aanaarden met de ploeg (van aardappelplanten)

- WBD -
I:1454 ( Hasselt) nploege

 

nraande

werkwoord, zwak

aanranden

- nraande - raande(n)aon - ngeraand

Leo Goemans - Leuvens taaleigen (1936) - AANRANDEN - aanvallen om te berooven; aanklampen: de kleermaker randde hem op straat aan voor zijn schuld.

 

naoje

werkwoord, zwak

Kees en Bart - Tilburgsche Post ca. 1930 - 'aonraojde'

- nraoje - raojden aon - ngeraoje

 

nraoke

werkwoord, zwak

aanraken

- nraoke - rkte(n) aon - ngerkt

 

onrchtvrdighd
zelfstandig naamwoord
onrechtvaardigheid
- Cees Robben -
Onrechtverdighed komt te buute... (19850830)
 

nrikkemendeere

werkwoord, zwak

aanprijzen, aanbevelen, recommanderen

- Cees Robben - ik zal em nrikkemendeere

- nrikkemendeere rikkemendeerde (n) aon - ngerikkemendeerd

A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland (1958-2005) - zw. ww. tr. aanrekonmanderen, aanbevelen.

- Enqute over Je favoriete Tilburgse woord op Facebookpagina Je bent een echte Tilburger als... maart 2013 -

 

ons

bezittelijk voornaamwoord

Kees en Bart - Tilburgsche Post ca. 1930 - 'net of w'uit ons neus bloejen'

► onze

Om verwantschap aan te duiden

ons moeder, ons oomaa, ons Miet ; onze paa (= vader)

- A.J.A.C. van Delft - Alles wat tot een huishouden behoort, spreekt men aan met "ons". Zoo zegt men: onzen vadder, ons moeder, onzen hond, ons kat, enz.(Nieuwe Tilburgsche Courant; Van Vroeger Dagen afl. 110; 20-04-1929)

- Cees Robben - Dees zn dons; n zn d dllie? [onze kinderen; en die van jullie]

- Cees Robben - Ik zie ons moeder zo ng staon

- Cees Robben - n naa gifde ons grutje n onzen grutvadder en schon hendje

- Cees Robben - Onzen Lieven Heer gong ze zuuke; . . . . , zi ons taante Wies;

- Mar goed. Om nog is op die van ns trug te koome.  (Jos Naaijkens; De krstman die mar nie vol kwaam;  CuBra, ca 2005)

Dirk Boutkan (1996) - (blz. 60) onze/ons knder, onze/ons vraawe (blz. 59) onze paa, bruur, neef, zwaoger, onz om, onzen/onz oopaa

A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952) - ns aaw hs is afgebraand

A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland (1958-2005) - ns, voornaamwoord  - ons; voor het gebruik bij verwantschapsnamen zie 431.

In het bijzonder gebruikt om de echtgenote aan te duiden

- Cees Robben - Dan is ons vrouw den baos.

C.J. Verhoeven, Haorese woorde, spreuke en gezegdes (2007) - ONS: d'ons - die van ons, mijn vrouw

Piet van Beers Wie tuinbonen wil eten moet Februari niet vergeten: D vraogt mar Aon ons Kee. (With Love; 1982-1987)

► den onze

 

nschaffe

werkwoord, zwak

aanschaffen

- Cees Robben - we han toch veul beeter ene goejen bok kunnen nschaffe;

- Cees Robben - Ik hb mar en nuu klok ngeschaft;

nschaffe - schafte (n) aon - ngeschaft

Leo Goemans - Leuvens taaleigen (1936) - AANSCHAFFEN wkw. zeldz . , 'aankoopen',

 

nschiete

werkwoord, sterk

aantrekken (van kleren)

Ge schiet tch wl ne jas aon meej zon kaaw.

- Cees Robben - dan kundem sebiet wir nschiete;

- Cees Robben - 't is den liste keer d ge menne jas aonschiet

- nschiete - schot aon - ngeschoote

A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland (1958-2005) - st. ww. tr. + intr. aanschieten 1) tr. garven en schoven met zekere snelheid werpen naar de persoon die ze optast; 2) (een of ander kledingstuk) snel aantrekken.

J. H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen(1836) - AANSCHIETEN, een hemd of rok, of ander kleedingstuk, voor 'aantrekken' . 

K. Heeroma - Brabants uit de 18e eeuw (woordenlijsten Verster,1968) - AANSCHIETEN - aandoen (bij Hoogstraten aangetekend)

Leo Goemans - Leuvens taaleigen (1936) - AANSCHIETEN: kleedingstuk haastig aantrekken

- Van Dale aanschieten - haastig aantrekken (van kleren)

 

nslag

zelfstandig naamwoord

aanslag (i. a. b.)

Kees en Bart - Tilburgsche Post ca. 1930 - 'aonslag'

- WBD -
(II:738J nslag - aanslag, het verlengstuk aan de zool dat onder de hak komt te zitten (niet vermeld)

- WBD -
III. 3. 1:340 'aanslag = belastingbrief

 

nslaon

werkwoord, sterk

- nslaon - sloeg aon ngeslaon; geen vocaalkrimping; ik slao - gij slaot - hij slao

aanslaan

Henk van Rijen - aanspreken, aanbreken, beginnen te gebruiken

Kees en Bart - Tilburgsche Post ca. 1930 - 'nooit hoog aongeslaon'

- WBD -
'aonslaon (of: n- ?) (II:1039( - aanslaan

Henk van Rijen - 'D seklaade aaj zu me onderaand us nslaon'

- WBD -
III. 3. 1:379 'aanslaan' = salueren

kreunen, jammeren van pijn

- WBD -
III. 1. 4:255 'aanslaan' = luid schreien

A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland (1958-2005) - st. ww. intr. aanslaan 1) met overdreven ophef gewagen van; 2) heftig kreunen of jammeren van pijn.

Audio-opname 1978 Dhr. Bertens Toen hadde ng die tuuberkuulooze koeje, hoen vlleghd d was, d hbbe ze op et momnt, d hbbe ze gddank nie mir. Mar ot dsse dervan nsloege man dgge der niks mir meej kost doen! (Collectie Heemkundekring Tilborch; transcriptie: Hans Hessels ► Klik hier voor audiofragment)

 

nslpe

werkwoord, zwak

aanslepen; aanslijpen

- Cees Robben - ik krg dees jaor de honde mar nie ngesleepe;

- nslpe slipte aon - ngesleepe

Leo Goemans - Leuvens taaleigen (1936) - AANSLEEPEN - met moeite aanbrengen; AANSLIJPEN  Ne punt aanslijpen (fijner slijpen)

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - AANSLEIPEN - lang duren, langdurig zijn, aanslepen

 

nslte

werkwoord, sterk

aansluiten

- WBD -
III. 4. 4:201 'aansluiten' = grenzen; ook 'raken', 'aanliggen'

nslte - slot aon - ngesloote

Leo Goemans - Leuvens taaleigen (1936) - AANSLUITEN - aan een ander voorwerp sluiten of passen.

 

nsmoore

werkwoord, zwak

- WBD -
III. 2. 3:281 'aansmoren' = roken

 

ons nffe

bijwoord

onze buren, de buren

Ak vruuger meej Ntte van bij ons nffe wo praote, dan liep ik den hfpad op riep oover de hg. (G. Steijns; Grot Dikteej van de Tilburgse Taol 2002)

 

nspanne

werkwoord, zwak

aanspannen

- nspanne - spande(n) aon - ngespanne

Leo Goemans - Leuvens taaleigen (1936) - AANSPANNEN - dicht op een spannen

 

nspeete

werkwoord, zwak

aanhechten, vasthechten

Pierre van Beek - met een speld dichtmaken (van een luier)

Leo Goemans - Leuvens taaleigen (1936) - AANSPETEN - aanspelden: zij heeft den kraag van het kleed maar aangespeet.

- WNT - AANSPETEN bedr. zw. ww. Uit 'speten' aan een spit doen, en 'aan' (bw), in de zin van aanhechten; eigenlijk het braadspit of een zilveren of houten speetje door het voorwerp steken en het zoodoende vasthechten.

Joos SPETEN ww, overg. = spelden (affigere acicula; hij speette het kruis op mijn borst.

A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland (1958-2005) - zw. ww. tr. aanspeten, aanspelden: enen doek, ene nuizek (neusdoek) aanspeite.

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - AANSPETEN - aanspelden

 

nspraok

zelfstandig naamwoord

aanspraak, gelegenheid om mensen te spreken, voordracht

De knder moesen en nspraok doen - De kinderen moesten een voordracht houden/ versje opzeggen

Leo Goemans - Leuvens taaleigen (1936) - AANSPRAAK - zelfstandig naamwoord vrouwelijk ; zonder mv. Alleen van meisjes gezegd en meestal in de uitdr. : aanspraak hebben, d. i. aangesproken worden.

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - AANSPRAAK - aanspraak hebben - verkeeren, sprek, van eene jongedochter, gevrijd worden.

 

nspreeke

werkwoord, sterk

aanspreken

Pierre van Beek - aandere manne nspreeke - hogere instanties om hulp aanklampen

nspreeke - spraak aon - ngesprooke

in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij sprikt aon

Leo Goemans - Leuvens taaleigen (1936) - AANSPREKEN wkw - Tot iemand het woord richten.

 

nstaon

werkwoord, sterk

aanstaan

- Cees Robben - jouwen meens stao mn nie aon; d stond mn wl aon;

nstaon - ston(d) aon - ngestaon

Leo Goemans - Leuvens taaleigen (1936) - AANSTAAN - wkw - bevallen

 

nsteeke

werkwoord, sterk

aansteken, aan het branden brengen, besmetten

- WBD -
(III. 2. 1:264) nsteeke = aansteken, ook aandoen (v. d. lamp)

- WBD -
III. 2. 3:161 'aangestoken' = wormstekig

- nsteeke- staak aon - ngestooke

Leo Goemans - Leuvens taaleigen (1936) - AANSTEKEN wkw - het vuur, het licht, eene pijp - ; meer: in brand doen.

contact zoeken met een meisje

- Audioregistratie 1978 - Meej vrije? Vrije, d, huhu, d was toen meej, d was en moejlekheid! Dan ginge ze ze nsteeke, zin ze vruuger! Ik gao ze nsteeke, ik gao ze onsteeke zin ze dan! n as d mske vuur gaaf, d was, d was d d goed kwaam!  (- Interview met Heikanters - Transcriptie door Hans Hessels)

 

nstreke

werkwoord, zwak

aansterken, consolideren

- Cees Robben - om der kas n te streke;

 

nstlle

werkwoord, zwak

aanstellen, benoemen; zich abnormaal gedragen

Stlt oewge nie zo aon!

- WBD -
III. 1. 4:96 'aansteller' = hansworst

- nstlle stlde(n) aon - ngestld

Leo Goemans - Leuvens taaleigen (1936) - AANSTELLEN - in dienst stellen

 

nstiefele

werkwoord, zwak

Frans Verbunt - parmantig aan komen stappen

Jan Naaijkens, D's - Jan Naaijkens, D's Biks (1992) - (1992) - 'onstiefele' ww - met vaste tred naderbij komen

 

nstnde

bijvoeglijk naamwoord  / zelfstandig naamwoord

aanstaande

- WBD -
III. 2. 2:84 'aanstaande' = jongen met wie een meisje verkering heeft; idem = meisje met wie een jongen verkering heeft

 

nstote

werkwoord, sterk

aanstoten

nstote - stotte(n) aon - ngestote

Leo Goemans - Leuvens taaleigen (1936) - AANSTOOTEN - Meest in wederkeerige of lijdende vormen met de bet. v. slecht, zonder smaak gekleed gaan. 

 

- Cees Robben - Prent van de week 30-08-1985

 

Uit het weekblad Groot Tilburg, dat tussen 1939 en 1946 verscheen. De tekening van Frans Mandos van een professor voor een schoolbord dateert uit 1939 en was het vaste kader van de rubriek 'Cursus in Tilburgs'. Lezers konden korte Tilburgse zinnetjes insturen, die op het schoolbord werden afgedrukt.

 

ont

bijvoeglijk naamwoord

sluw, kwaadaardig, met slechte bedoelingen

- Voorbeeld Sterenborg - onte kapoen - gehaaid persoon, grote deugniet

- N. Daamen,  Handschrift
1916 - "ge zult em nie licht kraigen, doar is ie te ont veur (te slim)"

- N. Daamen,  Handschrift
1916 - '"t is 'nen onte mensch (zedeloos mensch)"

- Cees Robben - Cees Robben;
t Was unne bekaampige meens.. (...) Daorbij was ie nog ont k... (19691107)
- Cees Robben -
Nie ont mar pront.... (19850830)
- Cees Robben -
Mar het mar ginne bangen... Ik ben ginne onte meens... (19641127)
- Cees Robben -
Op zon onte menier (19780512)
- Cees Robben -
D waar n heele onte streek... (19611020)

Henk van Rijen - ba, w zde g tch en ont mnneke - een vervelend kereltje

Frans Verbunt - en onte taante - een gehaaide tante

Vruuger zeeje ze d Tilburgers nie ont mar pront zn. f ok wl: Nie lammenteere mar akkedeere. (Ed Schilders; W zeetie?; website Brabants Dagblad Tilburg Plus 2009)

- C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - ONT bn, volgens - WNT - is een 'onter': 'iets dat slecht is in zijn soort' en houdt het woord verband met 'ont' en 'ontig', 'die thans nog in meer zuidel. gewesten in den zin van 'slecht, vuil' gebruikt worden.

J. H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen(1836) - ONT. Men zegt hier een 'ont mensch', niet alleen voor een vuil mensch, gelijk elders, maar ook voor een slechts mensch (homo malus, homo nequam)

ONT is wsch. verkorting of zamentrekking van 'onnut' of 'ontijg';

A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland (1958-2005) - nt, bijvoeglijk naamwoord - smerig, vuil 'enen onten boer'; hij is ont (in zijn woorden) = gemeen.

Vrom. De opvatting van Hoeufft dat dit woord ontstaan kan zijn uit onnut kan ik delen, zijn mening dat ontijg aan de basis ervan zou liggen echter niet. Het verband met Deens/Zweeds ond is dus waarschijnlijk ook te verwerpen, (brief 4 XII. 85)

- A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - ont - vuil, gemeen (wnbr., zholl., nbet., bommel., Mierlo)

- WBD - (III.3.2:31) ont doen, ont spelen = vals spelen; ook; foezele, foetele

- WBD - (III.1.4:27) 'ont' - slim; 76 'ont' = gemeen

- WBD - (III.4.4:237) 'ont' = vuil, smerig

 

ntamboere

werkwoord, zwak

Pierre van Beek - z'n gang gaan

Pierre van Beek - lt em mar ntamboere - laat hem zijn gang maar gaan

- Theo de Wijs; correspondentie met - Cees Robben - bezorgd door Guido de Wijs
- Ze is nie katholiek k nog nie mar ze motte mar aon tamboere (04-07-1969)

- Frans Verbunt - ntamboereere, ontamboere - zijn gang gaan

- WNT - TAMBOEREN 1) op de tamboer slaan; 2) Oneig. door kloppen, slaan o.i.d groot rumoer maken; 3.) Oneig.: (gemeenz. ) op iets aandringen, tamboereeren. NIET in de bet. 'zijn gang gaan.

 

ntekene

werkwoord, zwak

aantekenen, in ondertrouw gaan

- ntekene - tekende(n) aon - ongetekend

- Goernans - AANTEEKENEN - opschrijven; goed, slecht aangeteekend staan

 

onteghd

zelfstandig naamwoord

kwaadaardigheid

- N. Daamen,  Handschrift 1916 - "ontegij (nteghei) - de ontegij stroalt 'em z'n oogen uit (zedeloosheid)"

- Cees Robben - Al wek kreeg meej ontighed... (19701023)

- A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland (1958-2005) - (bijvoegsel) zelfstandig naamwoord vrouwelijk 'ontigheid' - smeerlapperij

 

ntge

werkwoord, zwak

aantuigen

- Theo de Wijs; correspondentie met - Cees Robben - bezorgd door Guido de Wijs
- G zit k goed in oew vls. - J, j en t is ammaol cht, nie aongetuigd, gelk van mn ge (23-02-1972)

- Ik heb dees jaor nie veul wrk mee den kerstbom oprme n over en jaor wir ntge, zi smoeder vurrege week nog tege mn. (Jos Naaijkens; De krsbom in de dos;  CuBra, ca 2005)

- Bij ons vruuger tege kerst/ kwaam er veul bij kke./  Den kerstbom wier toen aongetgd /waor alles vur moes wke. (Jos Naaijkens; Et Krstkled;  CuBra, ca 2005)

- WBD - optuigen (v. e. paard)

- WBD - III. 1. 3:9 'aantuigen' = zich verkleden

- WBD - III. 1. 4:166 'aantuigen' = uitdossen

- A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland (1958-2005) - zw. ww. tr. aantuigen 1) optuigen, het (ge)tuig aandoen;

2) hetz. als bet.ge(n): We mossen dtte nog aantge, d. i. aanschaffen.

- Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - AANTUIGEN - het getuig aandoen; fig. aankleeden

 

ontgeeve

werkwoord, sterk

zichzelf iets niet gunnen

- Cees Robben - Mar ik ontgaaf t mn ge... (19860613)

- WNT - zich iets uit het hoofd stellen

 

onthaand

bijwoord

onthand

- 2019 werkwoordelijke uitdrukking: onthaand zn, geen gereedschap meer hebben (Mededelingen van Hans Hessels, opgetekend uit zijn familiekringen Hessels en Marinus 1960-1980. 

Voor de volledige lijst Klik hier

 

onthaawe

werkwoord, sterk

onthouden (in beide betekenissen)

- onthaawe - onthiel - onthaawe (geen vocaalkrimping)

- Kees en Bart - Tilburgsche Post ca. 1930 - 'onthaawe' (passim)

- A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland (1958-2005) - st. ww. tr. 'onthaawen' - onthouden

 

ontkiemingsmeule

zelfstandig naamwoord

- WBD - moutpoetsmachine (apparaat waarmee het geeste graan van kiemen en onzuiverheden werd ontdaan, in de brouwerij)

 

ntreeje

werkwoord, sterk

- Henk van Rijen - aantreden

 

ntrkke

werkwoord, sterk

aantrekken

ntrkke - trok aon - ngetrokke

- Cees Robben (ongedteerd knipsel) - ik trek men miezezonneke mar is aon

- WBD - 'antrkke' (II:1041) - aantrekken = opdeunen; ook: phaole

- WBD - III. 1. 3:7 'aantrekken' zich aankleden, ook: 'aandoen

- WBD - III. 1. 4:435 'aantrekkelijk' = begeerlijk

- Goem - AANTREKKEN - wkw - Ne jas, zijn stoute schoenen

- Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - AANTREKKEN  - vriendelijk ontvangen, aanhalen, minzaam bejegenen

 

ontschiete

werkwoord, sterk

ontschieten, uit het geheugen verdwijnen; ontglippen

ontschiete, ontschot, ontschoote

- Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) - et was em ntschooten as en mnneke de biecht (D'16) - reactie op de verontschuldiging 'het was me ontschoten, ik had het vergeten'

 

nuuvere

werkwoord, zwak

- Pierre van Beek - aansporen, aanmoedigen

- nuuvere - uuverde aon - ngeuuverd

- Jan Naaijkens, D's - Jan Naaijkens, D's Biks (1992) - (1992) - 'nuuvere' ww - stimuleren

- C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - AANUVEREN (onnvere) ov. ww - enthousiast maken, opstoken, aansporen; uit hypercorrectie wel eens uitgesproken als 'aanoefenen'. Vgl. 'uver'.

- A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland (1958-2005) - zw. ww. tr. aanuveren, de ijver aanwakkeren. 

 

nvatte

werkwoord, sterk

- nvatte - viet aon - ngevat

aanpakken (ook figuurlijk voor geld aannemen)

- Cees Robben - Ze waare wel van vat-aon

- Cees Robben - Nou oopaa, gij vat nogal aon!

 

Uit het weekblad Groot Tilburg, dat tussen 1939 en 1946 verscheen. De tekening van Frans Mandos van een professor voor een schoolbord dateert uit 1939 en was het vaste kader van de rubriek 'Cursus in Tilburgs'. Lezers konden korte Tilburgse zinnetjes insturen, die op het schoolbord werden afgedrukt.

 

onverdoens

bijwoord

onnodig, nutteloos, overdadig;

- Toine Raaijmakers (informant) - Ge moet oew gld nie nverdoens tgeeve; nverdoense dinger - prullerij, waardeloze spullen

- Ze beschaoiige de boel hier nie onverdoens. (Naarus; pseudoniem van Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

- Cees Robben - t Is nie onverdoens verdaon... (19580426)
- Cees Robben - Dn rgen viel in overdaod/ Z onverdoens in steeg en straot (19600902)
- Cees Robben - alles is te gribbel-de-grabbel gegooid... en hil de mieter onverdoens verdaon... (19650205)

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 59 05 08 - Z onverdoens m'n centen kwt / D vn ik toch mar zund.

- Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) - iets nverdoens pmaoke ('86) - onnodig geld verspillen, dooreten terwijl men al genoeg heeft

- Cursus in Tilburgs krantenrubriek circa 1940 - (l6) 'Ge mot die lucifers nie z onverdoens verschrappe'

- Stadsnieuws - Ge moet d nie onverdoens opmaoke; daor is et vus te kstelek veuir. (251006)

- C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - ONVERDOENS, in de uitdr. 'ten onverdoens' - zonder enig nut of zin. Blz. 83: eenzinloze verkwisting, een uitgave, inspanning of consumptie waar niemand van genoot en die tot niets leidde. 

- Jan Naaijkens, D's - Jan Naaijkens, D's Biks (1992) - (1992) - onverdoens bw - onnodig

 

onverschilleg

bijwoord

zonder verschil, het maakt niets uit

- Interview Van den Aker (1978), transcriptie door Hans Hessels (2014) - Asser ene, ene klne kwaam hier f daor, onverschilleg, dan ging zon vroedvrouw, die ging er meej, h, omgewikkeld in den rem meej en paor (???) erooverheene n dan ging ze der meej nr de krk n dan wier zon kind gedopt n dan kwaam et wir ts! Klik hier om dit bestand te beluisteren

 

onverstaand

zelfstandig naamwoord

Henk van Rijen - onverstandig iemand

 

nvolle

werkwoord, zwak

aanvollen

- WBD -
nvlle (of aonvlle ?) (- WBD -
II:1056) - aanvollen (op de volkom?)

 

nvraoge

werkwoord, sterk

aanvragen

nvraoge - vroeg aon - ngevraoge

Leo Goemans - Leuvens taaleigen (1936) - AANVRAGEN - officieel mondeling of schriftelijk om iets verzoeken.

 

nvuule

werkwoord, zwak

aanvoelen

- Cees Robben - d vuulde ommers aon

- nvuule - vuulde aon - ongevuuld - korte uu (geen vocaalkrimping)

 

onwrk

zelfstandig naamwoord

begin, aanvang

Pierre van Beek - onwrk maoke - iets beginnen, aan de draai brengen

- C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - AANWERK (onwrek) o., het aanwerk maken: voorbereiding treffen, b. v. voor een flinke ruzie, uitlokken.

A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland (1958-2005) - zelfstandig naamwoord o. aanwerk, begin 'Wie heiget aanwaerk gemakt? - Wie is er met de twist begonnen? Et aanwaerk is gemakt - Het begin ie gemaakt (van een of ander werk gezegd).

 

nwve

werkwoord, zwak

aanweven

- WBD -
nwve, aonwve (II:1013) aanweven

 

nwze

werkwoord, sterk

aanwijzen

- nwze - wees aon - ngeweeze

- 2020 - Iemand die vrijt met een ander wiens taal hij niet spreekt: - dan moetet amml nwze! (Zegsman dhr. Hessels (1931-2006). Volledige bron: Klik hier

- Leo Goemans - Leuvens taaleigen (1936) - AANWIJZEN - wkw, ook 'om. . . '

 

onws
zelfstandig naamwoord
onwijs; een domoor
- Cees Robben -
...znne onws... (19591003)
 

onwicht

zelfstandig naamwoord

WBD, III. 4. 4:282 'onwicht' = onbelangrijk, ook 'ongewichtig

 

onze

bezittelijk voornaamwoord

komt onze paa zondag meejeete?

hout sprkkele in de bosse van onze grutvadder - in de gemeentebossen

Dirk Boutkan (1996) - (blz. 59) onze bruur, onzen oopaa, 'onz om (niet: onzen om), onze paa

► ons

den onze

bezittelijk voornaamwoord

mijn man, echtgenoot

- Pierre van Beek - "Den onze" zal "die van ons" nooit 'n lel om der oren geven, zegt 'n moeder, die bedoelt, dat haar man de kinderen niet slaat. (Zo'n uitdrukking houdt iets patriarchaals in). (Nieuwe Tilburgsche Courant; Dialect en spreekwijzen; 6 december 1958)

► ons

 

nzegge

werkwoord, sterk

aanzeggen, verwittigen, aankondigen

- WBD -
III. 3. 1:358 'aanzeggen' = dagvaarden

- WBD -
III. 3. 3:319 'het aanzeggen' (rouw)

nzgge - zi aon - ngezeed

A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland (1958-2005) - zw. ww. tr. - aanzeggen, (mondeling) bekend maken, aankondigen

Jan Naaijkens, D's - Jan Naaijkens, D's Biks (1992) - (1992) - 'onzgge' ww - aanzeggen

 

nzt

zelfstandig naamwoord

- WBD -
(Hasselt) - eerste voor (bij het ploegen)

- WBD -
nzt maoke (Hasselt) - de eerste voor ploegen

 

nzette

werkwoord, zwak

aanzetten

- WBD -
grijpen (beginnen te gisten: de eerste verschijnselen v. d. gisting, in een brouwerij)

Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) - de voor nztte ('87) - een begin maken

Henk van Rijen - witte waortie meej kwaam ngezet? - weet je wat hij meebracht?

Henk van Rijen - wr komde naa wir meej nztte? - wat/wie breng je nu weer mee?

- nztte - ztte(n) aon - ngezt

Leo Goemans - Leuvens taaleigen (1936) - AANZETTEN - aanwakkeren

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - AANZETTEN - beginnen, aanvangen van een werk

 

nzien

werkwoord, sterk

aanzien, bekijken

- Cees Robben - agge jou nziet;

- Cees Robben - zien wij mekaar mar fkes aon;

- nzien - zaag aon - ngezien

Leo Goemans - Leuvens taaleigen (1936) - AANZIEN - In de bet. van 'houden voor', 'achten' is het ww onscheidbaar; in de werkelijke zin van 'bekijken' wordt meer 'bezien' gebruikt.

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - AANZIEN - Frans: regarder (.zowel scheidb. als onscheidbaar): Ik aanzien hem voor geene' goeie. / Ik zien hem veur geene' goeien aan; wachten, geduld nemen. Aanzien  wordt verbonden met 'veur', niet met 'als'.

 

oodeglaarwaoter

zelfstandig naamwoord

Van Rijen: goulardwater ; loodacetaat tegen huidaandoening

- - Van Dale - GOULARDWATER - genoemd naar de Franse arts Goulard, die het in 1760 introduceerde; verkoelend en opdrogend heelmiddel, een oplossing van loodacetaat in alcohol, verdund met water (eau de Goulard)

 

De publicatie waarin Thomas Goulard zijn vinding bekendmaakt (1751) - bron: www.gallica

 

og, oge, ugske, eugske

zelfstandig naamwoord , verkleinwoord

1. het oog, de ogen, oogje

- Miep Mandos-v.d.Pol; Aantekeningen Brabantse spreekwoorden - Haawt Gd vur oge n de haand vur oew gat, dan zal oe niks ontvalle.

- "Meens, kijk toch 'n bietjen uit oe soep-ooge!" (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; De nuuwe dokter; feuilleton in 4 afl. in Nieuwe Tilburgsche Courant 27-1-1940 17-2-1940)

- n ok zen oge waare niemir al te bist. (Henritte Vunderink, Vergeefse mankemnte, uit: Tis de moejte wrd; 2011)

- A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952) - zen oge

- Mandos - Brabantse spreekwoorden: D zn de lf oge nie (D16) - Daar is weinig kans op.

- Mandos - Brabantse spreekwoorden: Hij stikt Gd de ogen t (v- Dialectenqute 1887 Willems - Tilburgse Taalplastiek 1969) - gezegd van iemand die ondanks dat hij het goed heeft, altijd klaagt en meent te kort te komen.

- Dialectenqute 1887 Willems - Tilburgse Taalplastiek 1972) - moeten trouwen (Vrouwen menen aan de ogen te kunnen zien of iemand in verwachting is.)

- Mandos - Brabantse spreekwoorden: et wiegestroj zit ng in zen oge ('7l) - hij is nog niet droog achter zijn oren

- Mandos - Brabantse spreekwoorden: z zver as en og vl matrrie (N. Daamen, woordenlijst 1916:) - zo schoon (?) als een oog vol etter: dus niet schoon

- WBD - 'ge' (II:974) - ogen; ook: 'heejvelchskes' (heveloogjes) [?]

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek (1998) - ek gao fkes men oge verschiete - ik ga even een dutje doen.

- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters n aandere saawelrs (7de perbeersel, 1996) - schl oge geeve - jaloezie opwekken

- Interview Hermans - 1978 - dronkenschap - d was en dwltocht, war, toed we ts kwaame n dan laagen ons ogen al en bietje boovenop n dan kwaame we ts n dan viele we in de bdsteej oover ons moeder heen omd ge zat waart!. (transcriptie Hans Hessels, 2013)

► KLIK HIER om het interview te beluisteren

- WBD - III.1.1:71 'oogklep', 'oogschelp', 'deksel v. h. oog' = ooglid

- Jan Naaijkens, D's Jan Naaijkens, D's Biks: 'Og' zelfstandig naamwoord  - oog 

2. boomknop waaruit scheuten of loten tevoorschijn komen

- Mandos - Brabantse spreekwoorden: z veul oge, z veul vge (N. Daamen, woordenlijst 1916:)

3. vetringen in de soep

- Omd de kender daor niks van snappen lee-t-ie verder uit: "hoe vetter ik wor, hoe kleiner m'n oogen worren. Mee soep is 't krek aandersom; hoe vetter, hoe grotter oogen erop! Hi, hi, hi!... Ds 't verschil tusschen mijn en soep." (Kubke Kladder; pseudoniem van Pierre van Beek; Nieuwe Tilburgsche Courant; Uit t klokhuis van Brabant 2; 16-10-1929)

- Zegsman Hans Hessels; Uit het geheugen van Hans Hessels, 2022 - Soep meej oge soep met vetringen; vleesbouillonsoep

 

oge

werkwoord, zwak

ogen, uitzien, een indruk wekken

- Theo de Wijs; correspondentie met Cees Robben, bezorgd door Guido de Wijs - Ge mot oew oge bter opmaoke, d ogt mir! (10-01-1970)

 

Naar het begin van de pagina

Inhoud Woordenboek Tilburgse Taal

CuBra Home

ogenblik

zelfstandig naamwoord

ogenblik

- Voorbeeld van systeemkaart Sterenborg - Op den ogenblik

- Mar goed, op 'n gegeven ogenblik, 't waar in kaffee 't Bomstrunkske gelf ik, zie ik van Boesschoten op z'n kniejes over de vloer krpe. (Uit: F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010.)

- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - OOGENBLIK zelfstandig naamwoord m., nooit o.

 

oj

zelfstandig naamwoord

ooi

- WBD - vrouwelijk schaap, ook 'grm' genoemd of 'schaop'

 

ojeklonje

zelfstandig naamwoord

eau de cologne

► onjeklonje

 

ojevaor, ollievaor

zelfstandig naamwoord

ooievaar

- R. J. kmt den oojevaer ngevlooge

- Theo de Wijs; correspondentie met - Cees Robben - bezorgd door Guido de Wijs - veur dn marathon motte oewe kute insmre mee ooievaorskuke-vet (23-10-1963)

- WBD - III. 4. 1: 225 'ooievaar' (Ciconia ciconia), ook 'olievaar' genoemd

 

ok, ok

bijwoord

ook

- Dialectenqute 1876 - ik ben tevreeje; zde g 't oak?

- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - OOK, Kemp. ok bijwoord, Frans: aussi

 

om

zelfstandig naamwoord

oom

als achtervoegsel

- Cees Robben - Piet-oom ((19810508)

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 77 12 29 - We meuge Tiest-m nie vergeete.
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 57 12 27 - Sjarelm die wil konjak (...)Jaonusm n glaoske wn...
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 60 01 15 - ze Willemm, die skoeter rijdt...
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 61 05 26 - Anneke van onze Tiestm
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 80 04 10 - Driekusm haauwt nie van sjouwe / Alles doetie op zn gemak.
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 59 05 15 - ze Tienusm, die tuinman is...
- K. de Beer - Tilburgs Bijnamenboek (2000) - Kees-om, Peer-om, Sjf-om = gebr. Van Boxtel (blz. 27)

- Piet van Beers Laandhonger: M'n schnvadder ha w bos en w laand van Kees-omke's ge-orve. (With Love; 1982-1987)

- Piet van Beers Unne mooien open dag: Mar Jaonusoom die kent gin maot ..(With Love; 1982-1987)

- Jan Naaijkens, D's Biks: Janme, Pietme

  

oomaasfiets

zelfstandig naamwoord

omafiets - oma's fiets

► pestorsfiets

 

ome

zelfstandig naamwoord
oom; in de omgang met kinderen echter niet noodzakelijk een familielid, maar bijvoorbeeld ook een buurman of kennis van het gezin; voor taante geldt hetzelfde.
- Cees Robben - [vader tegen een kind] Alleej... Gift dn me is n hendje... Hij is wel vrimd... Mar nie vremd vur oe... (19580510)

- WBD - III. 3. 1:135 'ome Jan', 'bank, pandjeshuis' = bank van lening

- WBD - III. 2. 2:75 'oom' = idem

- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - OOMEN zelfstandig naamwoord mannelijk - oom, Frans: oncle

- Jan Naaijkens, D's Biks: 'Ome' zelfstandig naamwoord  - oom

 

omzgger

zelfstandig naamwoord

oomzegger

- 2019 zoals het neefje de broer van zijn vader of moeder aanspreekt; neefje (Mededelingen van Hans Hessels, opgetekend uit zijn familiekringen Hessels en Marinus 1960-1980. 

Voor de volledige lijst Klik hier

 

oopaa

zelfstandig naamwoord

opa

- Dirk Boutkan: zulde goed nr oopaas lstere? - luister je goed naar opa?

- Dirk Boutkan: (blz. 59) onzen/onze, julliejen/jullie, hulliejen/hullie oopaa

- WBD - III. 2. 2:64 'opa' = grootvader

 

oope

bijvoeglijk naamwoord/bijwoord

open

- Dialectenqute 1887 Willems - in weeke gin vnster oope gehad - wekenlang werkloos geweest

- Cees Robben: mar as oew schuurdeur oope gao;

- A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952) - hij ztte zen kwk oope

- WBD - III. 4. 4:55 'open weer' = vriezend weer; c. q. zacht winterweer

 

oope-toe-broek

zelfstandig naamwoord

kruisloze broek, vroeger gedragen door oude vrouwen; ze konden dan gemakkelijk hun behoefte doen

 

Bron: Geheugen van Nederland

 

- Van Rijen: oope-toe-broek, oope-sjoo-broek, snlzker

- Jan Naaijkens, D's Biks: oopetoebroek zelfstandig naamwoord  bep. soort vrouwenbroek

 

oopoe

zelfstandig naamwoord

grootmoeder

oopoe zien

uitdrukking

- Sinds der ok nog zon stuk of vier van onze en heur zusjes, regelmaotig opoe zaage, hasse aon de waas der haande mer dan vol. Wij han die tdrukking van opoe zien ok mar ot ergens geheurd en wiese verder ok niks. De emmers stonden aaltij afgedekt in et schp. Wij wiese b God nie w d waare, waor ze vendaon kwaamen of waor ze vur diende, die lappe meej al d bloed der aon. Vraoge? Hoe vraoge? En aon wie? (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

 

or, urke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

oor

- Dialectenqute 1887 Willems - krtoore = kinderen

- A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952) - hij heej lopoore

- Mandos - Brabantse spreekwoorden: de oore te dicht b de kp hbbe staon = Dialectenqute 1887 Willems - Tilburgse Taalplastiek 1969: gierig zijn

- Van Rijen - 'We zun hum us un or nnaaje' - . . . te pakken nemen

- Frans Verbunt - hij kan meej zen ore den ngel ds heere klppe

- 2020 - Plagen van een kind: - ik kn jullieje paa wl, die heej n ene kaant mar en oor! (Zegsman dhr. Hessels (1931-2006).

Volledige bron: KLIK HIER

- WBD - III. 1. 3:263 'oorring', 'oorbelletje, 'belletje' = oorring

- WBD - III. 1. 3:264 'oorknopje', 'knop(je)' = oorknop;ook: oorbel(letje)

 

oorvg

zelfstandig naamwoord

oorvijg

- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - OORVG zelfstandig naamwoord v. en niet mannelijk

 

ot

bijwoord

ooit, eens, weleens

- Voorbeeld van systeemkaart Sterenborg - Komde ot op t Gurke? - Kom je weleens op het Goirke?

- Cees Robben - En heddet t ter haand gehad (19600624)

- A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952) - hij is es ot in zen lve gebeete

- Dialectenqute 1887 Willems - t

- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - OOIT (uitspr. oet) bijwoord - op een tijdstip in het verleden

 

ootoo
zelfstandig naamwoord
auto
- Cees Robben - Unne ooto vur-de-deur.. (19640925)

- Audioregistratie 1978 - In mnne jonge td dan, enen ootoo, die zaagde zo mar es ene keer in de week! en f tweej! En d was veul agge die en f tweej gezien had want den dkter die kwaam meej de fiets f meej enen brommert f meej en rijtg (Interview met Heikanters - Transcriptie door Hans Hessels)

 

ootoosktters

zelfstandig naamwoord

autoscooter (kermisattraktie)

- Interview Van den Aker (1978), transcriptie door Hans Hessels (2014) - Jaaaene mallemeule n enen hoogaatie n ene ootoosktters n zo n dan gebakkraome n snoep n nooga, ollieblle ...

Klik hier om dit bestand te beluisteren

 

oove, oowve

- WBD - oven, bakoven (in het bakhuis v. e. boerenhuis), ook 'bakoove' genoemd

- WBD - broodoven (van de bakker)

- WBD - houtoove - oven waarbij men in dezelfde ruimte stookt en bakt (oven in een bakhuis)

- WBD - onderoove - onderoven (benedenste gedeelte van een oven, vooral de ruimte beneden in de oven, waar het brood gezet wordt om te rijzen)

- A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952) - de scheuter die stao bij den oove - de ovenpaal staat bij de oven

 

oovenbkkerke

zelfstandig naamwoord , verkleinwoord

- Van Rijen: winterkoninkje (Troglodytes troglodytes)

- WBD - III. 4. 1:76 'ovenbakkerke' - winterkoninkje

 

oover

voorzetsel, bijwoord

over

- Voorbeeld van systeemkaart Sterenborg -

oover drie weeke, oover de schaansmuur; gaotie nie oover?

- Dialectenqute 1887 Willems - oover aanderse dag - om den anderen dag

- Van Rijen: 'oover den hfpat achterom, via de achterdeur

- Jan Naaijkens, D's Biks: oover vz, bw over

 

oovebter

zelfstandig naamwoord

overbijter

- Zegsman Hans Hessels; Uit het geheugen van Hans Hessels, 2022 - Ooverbter Iemand wiens bovengebit verder uitsteekt dan het ondergebit.

 

ooverblve

werkwoord, sterk

- WBD - III. 4. 4:28 'overblijven' = droog blijven (het weer)

 

oovernd

bijwoord

overeind

- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - OVEREIND, OVEREND bw - in opschudding, overhoop, in wanorde. Heel de straat stond overeind.

 

oovernsie

zelfstandig naamwoord

in oovernsie - overcompleet, te veel

uitdrukking: In oovernsie - overcompleet, overschietend, overblijvend

- Kees & Bart (ca. 1935): nog en in oovernsie

- N. Daamen, woordenlijst 1916: "iets in overentie hebben (te veel)"

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek (1998) - buurvraaw, hdde meschient en paor aajer in oovernsie?

- D ledikantje han ze nog in overentie. (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

- WNT - zie OVERENTSIG, overensig (klemt. op de 3e lettergr.) - overschietend, overblijvend, overig.

- C. Verhoeven -OVERENTIE (overnsie) v. - alleen in de verbinding 'in overnsie hebben' - over hebben, meer hebben dan voor het moment noodzakelijk is.

- Jan Naaijkens, D's Biks: oovernsie bw - over; iets in oovernsie hbbe

 

oovergaon

werkwoord, sterk

overgaan, voorbijgaan

oovergaon - ging/gong oover - oovergegaon

 

ooverhaoler

zelfstandig naamwoord

overhaler; in de schoenenfabricage

- Interview met de heer De Kok (1978)  Toen vroege ze bij Blankers enen ooverhaoler. Enen ooverhaoler. Ds schoene ooverhaole. Ds schoene, der wrre schoene n mekaare gezt n der worre dan, zo dgge hier n daor mar ene spker in  Meej et mesien, h!

KLIK HIER om de audiobestanden van dit interview te beluisteren )

 

ooverheene

bijwoord

overheen

- Kees & Bart (ca. 1935): 'Oover tnne stappe ze ooverheene' (de gemeenteraadsleden)

 

ooverhs

zelfstandig naamwoord

verhuizing

- Lechim; pseudoniem van Michel van de Ven, De Tilburgse Koerier 63 06 14 - De Guust was aon den ooverhs/ alles stond oovernd/ Ik snap nie zeetie tot zen vrouw / wgge begonnen bnt.

 

ooverhieuw

verleden tijd van ooverhaawe [nog niet opgetekend]

overhield

- Van de lepkes diesse overhieuw heesse innen regenjas vur mn gemokt. (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 15 december 1944)

 

ooverhop

bijwoord

overhoop

- 2020 - Iemand met een brede uitbundige lach: - assie laagt leej hil zen gezicht ooverhop! (Zegsman dhr. Hessels (1931-2006).

Volledige bron: KLIK HIER

 

ooverlist

bijwoord

laatst, onlangs

- N ooverlist heurdenik ng zgge: ch val dod meens, lfde gij ng! (G. Steijns; Grot Dikteej van de Tilburgse Taol 2008)

- Van Dale - overlaatst, bw v. tijd (Belg. N., spreektaal) onlangs, laatst

- WNT - OVERLAATST - daarnaast (in Brabant) OVERLEST - (klemt. op 3e lettergr. ) - laatst, onlangs. In Z.-Nederl., en gewestelijk ook elders, b. v. in Gelderland. Z. o. De Bo en Corn. Vervl.

 

ooverloper

zelfstandig naamwoord

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek (1998) - geit die geen jong heeft gehad

- Het WBD kent deze naam voor een 'onvruchtbare ooi' (schaap): K242, L281

- A.P. de Bont: zelfstandig naamwoord mannelijk overloper, geit die, al of niet voor de eerste maal gedekt zijnde, niet lamt, maar een jaar overslaat.

 

oovermrege

bijwoord

- Theo de Wijs; correspondentie met Cees Robben bezorgd door Guido de Wijs - (gehoord van een maandaghouder) K z blij dk overmerrege kan zegge de wut overmerrege alwir gehad hebbe (10-01-1970)

 

oovermisterd

voltooid deelwoord van oovermistere

overmeesterd, overspannen

 

oovernuut, oovernuuwt

bijwoord

opnieuw

- Cees Robben - Of ze dint overnuut (19571221)

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek (1998) - gift is oovernuut - geef eens opnieuw

- WBD - III. 4. 4:315 'overnieuw doen' = veranderen

- Jan Naaijkens, D's Biks: oovernuuwt bw - opnieuw

 

ooverschiete
werkwoord, sterk

Uitdrukking
- Cees Robben - Zn ge overschieten... [even de ogen dichtdoen, een dutje doen] (19800314)

er over schieten, ongehuwd blijven
-
Mar j, hij waar bang dttie der aanders over z schiete, dus hij lsterde nie nor mn.  (Uit: F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010.)

 

ooversprong

zelfstandig naamwoord

oversprong; kinderspel

- Audioregistratie 1978 - En dan ooversprong! D din we vruuger ok op school! (- Interview met Heikanters - Transcriptie door Hans Hessels)

 

oovertrkke

werkwoord, sterk

verhuizen

- N. Daamen, woordenlijst 1916: "we zen an den overtrek (aan het verhuizen)"

- WBD - (III. 3. 2:307) oovertrk = burenovertrek

- WBD - (III. 4. 4:9) 'overtrekken' = betrekken (v.d. lucht)

 

op

voorzetsel, bijwoord

op

- Dialectenqute 1876 - p (met klinker van Frans oeu)

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek (1998) - op slt van zaoke - per slot van rekening

- Van Rijen: p de middag - in de namiddag

- Van Rijen: p en aander slaope - logeren

- WBD - (III. 2. 1:395) op, hl = wakker

- Jan Naaijkens, D's Biks: op vz., bijwoord - op

 

Albert Servaes - Oogstende boeren; 1905

 

opbne

werkwoord, sterk

opbinden

- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - OPBIJNEN - opbinden. Hout opbijnen, koren opbijnen

 

opblaoze

werkwoord, zwak

opblazen

- Voorbeeld van systeemkaart Sterenborg - Blaost em op - loop naar de maan!

- Voorbeeld van systeemkaart Sterenborg - Ge kunt em opblaoze - Je kunt me wat!

- Cees Robben, Tiende buukske (blz. 61) - ge kunt 'm opblaoze

 

opblk

zelfstandig naamwoord

oprisping, opgeboerd maagzuur

- Gezegde: den vlen opblk krge - misselijk worden van (te veel) eten

- Cees Robben - [vrouw tegen drogist:] Nog gre vur n dubbeltje vur den vuilen opbllik... (19750620)

- Cees Robben - Wek van den onzen krg.. Nou daor zak ginne vuilen opblk van krge... [vrouw over haar gierige man] (19650416)

 

opblleke

werkwoord, zwak

- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters n aandere saawelrs (7de perbeersel, 1996) - boeren

- WBD - III.1.2 - 'opbreken' = zuur oprispen

- Stadsnieuws Tilburg, rubriek Tilburgs huukske; 2006 e.v. - Ik mot smreges gin pap eete; d blf ik hil den dag ng opblleke (020507)

 

opbrnge

werkwoord, sterk

opvoeden, grootbrengen

- Interview Van den Aker (1978), transcriptie door Hans Hessels (2014) - Van klnsaf aon zk opgebrcht van Krvel

Klik hier om dit bestand te beluisteren

- Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg), Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, 2007 -mar doe der iets aon, d koste toch nie en ge drfde nie, ge waart te bang opgebrcht.

 

opdkke

werkwoord, zwak

- Woordenboek van de Brabantse dialecten III, 2, 3 Eten en drinken (2004). Beschrijving van het WBD: De tafel voor de maaltijd gereed maken. De tafel krijgt eventueel een tafellaken en wordt voorzien van borden, bestek en glazen. Waardering voor Tilburg door WBD: zeldzaam

Klaormaoke, Opztte, Klaorztte, Tffel

 

opdoen

werkwoord, sterk

opdoen, dee op, opgedaon

1. opdienen

- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters n aandere saawelrs (7de perbeersel, 1996) - het eten op tafel zetten; opdienen

2. leren kennen

Enen blauwe maondag hb ik toen,/ meej en mdje omgegaon./ Die hak opt huukske van de straot/ meej et daanse opgedaon (Lechim; pseudoniem van Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Ng vrij)

3. - Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters n aandere saawelrs (7de perbeersel, 1996) - ook: iemand de broek opdoen

de verbeelding is niet duidelijk; de betekenis is: iemand zijn vet geven, de waarheid zeggen

- Piet van Beers Kaorte: Toch hk ze alle drie de broek opgedaon. Al is den "hoofdprs" toch men neus vurbij gegaon. (Het zeventiende boekje, 2010)

4. jenever tappen

- WTT - 2012 -Vruger deejen z'm mee 't half of heel motje op, om w in huis te hebben as ge volk kreegt of as ge 'ns 'nen aanderen smaok in oe mond w't hebben, mar naa zen ze van 'n heel kruikske niemer vies. (Kubke Kladder; pseudoniem van Pierre van Beek; Nieuwe Tilburgsche Courant; Uit t klokhuis van Brabant 4; 2-11-1929)

 

opdraaje

werkwoord, zwak

opdraaien; het hoofd op hol jagen

- Ik heb ze [haar] heelemaal nie opgedraaid en opgevreje! (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; Den Sik van Baozel; feuilleton in 8 afl. in de Nieuwe Tilburgsche Courant 25-2-1939 18-4-1939)

 

pdrge

werkwoord, zwak

- Hessels 2020 - Het kind ziet er nu veel beter uit dan kort na de geboorte: - dies ng goed pgedrgd! (Zegsman dhr. Hessels (1931-2006).

Volledige bron: KLIK HIER

 

opfietse

werkwoord, zwak

opfietsen, gaan fietsen

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 77 05 12 - Kom, zee Lewie, ik fiets is op...

 

opgaon

werkwoord, sterk

opgaan

- Voorbeeld van systeemkaart Sterenborg - as de zon opgao

- Voorbeeld van systeemkaart Sterenborg - zn al die brojkes opgegaon?

- A.J.A.C. van Delft - Aanduidende, dat een poging niet gelukken zal, zegt men: "Dien vlieger zal nie opgaon." (Nieuwe Tilburgsche Courant; Van Vroeger Dagen afl. 117; 5 juni 1929)

- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - OPGAAN (met 'zijn') bij kegelaars, biljartspelers: het spel beginnen; soldaat worden, naar het leger gaan; verbruikt worden; opvliegen

 

opgeleej

voltooid deelwoord van oplgge, bijvoeglijk gebruikt

opgelegd

- Theo de Wijs; correspondentie met - Cees Robben - bezorgd door Guido de Wijs - Ds nie toevalligerws, ds opgelee pandoer (09-04-1973)

 

opgemsd
voltooid deelwoord van opmze
opsmikkelen
- Cees Robben - Vur degget fn het opgemuisd... (19600624)

 

opgeslferde
zelfstandig naamwoord
mogelijk van 'opserveren', opgeserveerde; alleen gevonden in verband met het zoeken naar een (tweede) echtgenoot, waarbij een koppelaar(ster) een rol speelt
- Cees Robben - Zal ik vur jou is naor unne goeie kloris uitkke...? N.. vur men ginne opgesolferde! (19660819)

 

opgestokt
voltooid deelwoord van opstooke
gecremeerd
- Cees Robben - Gij wilt nao oew verschaaie zeker opgestokt worre... (19800829)

 

opgetaase
voltooid deelwoord van optaase
opgestapeld
- Cees Robben - Ik heb t mar nie opgetaase.. (19651203)

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 73 03 22 - Al d'n huisraod opgetaase

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 74 10 03 - ...al die meense / Opgetaasse in 'n flt

 

opgriesele

werkwoord, zwak

- G - aanharken

 

ophaawe

werkwoord, sterk

ophouden

- ophaawe - hiel(d) op - opgehaawe

ophouden in betekenis omhoogsteken, trots zijn op, pronken met
- Cees Robben - Ut is n heel schn knd.. (...) en werd om op-te-haauwe (19580705)
andere betekenissen

- WBD - inhouden van de melk door een koe, ook 'optrkke' genoemd

- WBD - III. 1. 4:312 'ophouden' = idem

- A.P. de Bont: sterk werkwoord overgankelijk. 'ophaauwen' - ophouden: 1) opkweken, opfokken (van dieren en schertsenderwijze van kinderen gezegd); 2) 'et kunnen ophaawe' (van zieken gezegd) kunnen opblijven, niet gedwongen worden door zwakte om naar bed te gaan; 3) de verkoop v. e. boerderij niet laten doorgaan

 

ophange

werkwoord, sterk

ophangen

- WBD - phange - ophangen, van leer ter droging (II 640)

- WBD - phanger - ophanger, van leer ter droging (II 641)

 

ophaole

werkwoord, zwak

- WBD - ophalen: de laatste poetsbewerking v. e. schoen met behulp v. borstels, zachte doeken etc. om de schoen zijn diepste glans te geven (II:794)

- WBD - phaole (II:1041) - ophalen: opdeunen; ook: ntrkke

- WBD - (III. 3. 3:135) ophaole = collecteren

 

ophbbe

werkwoord, sterk

- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters n aandere saawelrs (7de perbeersel, 1996) - opgedronken hebben

 

ophpe

werkwoord, zwak

ophopen

- ophpe - hpte op - opgehpt

 

ophippere

werkwoord, zwak

opknappen

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek (1998) - hij is wir aoreg opgehipperd - hij is weer aardig opgeknapt

 

ophope

werkwoord, zwak

- Van Rijen: ophopen

 

opjne

werkwoord, zwak

opjutten, gek maken

opjune - jnde op - opgejnd, met vocaalkrimping; ook vocaalkrimping in tegenwoordige tijd: gij/hij jnt op

- Voorbeeld van systeemkaart Sterenborg - Die kunde gemak opjne. - Die kun je gemakkelijk opjutten.

- Theo de Wijs; correspondentie met - Cees Robben - bezorgd door Guido de Wijs - t gao z gf goed, mar ge mt me nie opjuine (1965)

- Cees Robben - Ge moet m nie z opjuine Toke (19660218)

- Stadsnieuws Tilburg, rubriek Tilburgs huukske; 2006 e.v. - Jantje wier dur zen kammeraoj opgejnd om blleke te trkke (040309)

- WBD - III. 1. 4:430 'opjuinen' = de hemel in prijzen

- Cornelis Verhoeven: OPJUINEN (opj:ne) ov. ww - gek maken, op slinkse manier iemands geestdrift bevorderen om er dan profijt van te trekken of ermee te lachen.

 

opkalifaatere

werkwoord, zwak

opkalefateren, opknappen

- As ie 'n vrouw krijgt die 'm 'n bietje opkalifatert, dan wor et nog iets fatsoendelijks in de maatschappij... (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; Kareltje Vinken; feuilleton in 10 afl. in Nieuwe Tilburgsche Courant 13-4-1940 24-8-1940)

 

opkaomer

zelfstandig naamwoord

via enkele treden bereikbare, halfhoge, boven een kelder gelegen kamer

- Mandos - Brabantse spreekwoorden: hier groejt de rg p de pkaomer (v- Dialectenqute 1887 Willems - Tilburgse Taalplastiek 1973) - gezegd bij het zien van rogge op een hooggelegen akker

- Lowie van Dorrus Misters; Verder vonden we gewoonlijk in de woonruimte nog een deur naar op- of zijkamer en de bedstee van het ouderpaar. Onder de opkamer was de kelder, waarin de aardappelen en in de slachttijd ook de kuip met de pekel, waarin de hammen en zijden spek en de kleinigheidjes als de pootjes, rugstrang, enz. een plaats vonden. () Op de opkamer trof men een ledikant of bedstee, kleerkast en verder gerief aan, indien er de plaats voor was. (Lowie van Dorrus Misters; rubriek Uit onze Tilburgse folklore, afl. 16 Rond de boerenhaard 1; Nieuwe Tilburgsche Courant 27-6-1952)

 

pke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord van 'aop'

aapje

- Cees Robben - t lkend precies op n pke... (19600408)

- Witte w d is, enen Bimbo-box? Ds zonne sort djoeboks. Mar dan nie meej 45-toere-pltjes der in, mar meej pkes. Die pkes hbbe kleeren aon n huudjes op n ze speulen ammel en instruumnt. En pkes-rkst, d isset. (Tillie B.: pseudoniem van Nicole van Wagenberg; uit een column van haar website Tilburgs Taolbuuroo, 2012)

- WBD III. 3. 2:351 - pke = aapje

 

pke-dpke...
aftelrijm
- Cees Robben - pke-dpke-boter-stpke pke-dpke-dons.. (19870731)

 

opkle
werkwoord, zwak
opkuilen; het bewaren van gewassen (bijvoorbeeld om de dieren te voeren) door ze te overdekken met zand.
- Cees Robben - gebruikt het werkwoord in de betekenis ter aarde bestellen.
- Cees Robben - t Wordt td desse dr opkuile... (19791116)
 

opkieze, opkieste

werkwoord, zwak

aanhitsen

mogelijk op basis van het geluid om honden weg te jagen: ksst

- Voorbeeld van systeemkaart Sterenborg - Zumme den hond is opkieze? - Zullen we de hond eens aanhitsen?

- Cees Robben - Zummummis opkieze...? (19681018)

- WBD - (III. 2. 1:489) 'opkissen', 'opkitsen', 'ophitsen' = aanhitsen (v. e. hond)

- WBD - III. 1. 4:420 'opkisten' = ophitsen

- J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - OPKITSEN voor 'ophitsen'. KISSEN voor 'ophitsen'.

- Cornelis Verhoeven: HISSEN ov. wvv. ophitsen, vooral v. e. hond gezegd; de hissende kreet is: 'hieskies'.

- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - OPHUSSEN - ophitsen: 'nen hond ophussen

- WNT - OPKISSEN - hetzelfde als ophitsen, vooral van honden gezegd

 

opkoome

werkwoord, sterk

opkomen

- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters n aandere saawelrs (7de perbeersel, 1996) - opkoomen as kak - heel plotseling zich voordoen

- WBD - III. 3. 1:385 'opkomen' = dienstplicht doen

- WBD - III. 4. 4:3 'opkomende maan' = eerste kwartier

- WBD - III. 4. 4:192 'opkomen' = vloed

 

oplaoje

werkwoord, zwak

- Van Rijen: opladen

- WBD - III. 1. 4:232 'zijn eigen opladen' = zich kwaad maken

figuurlijk

arresteren, meenemen in de politiewagen

-  Iedereen wier opgelaoie n zoodoende zit ik naa saome meej de naachtburgemister in n cel. (Uit: F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010.)

- Mar j, Joaneke is er al wir 'n paor jaor t. Ze han em op n gegeeve moment opgelaoie, omdttie boove zene friettent ok ene wietzolder ha.  (Uit: F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010.)

 

oplaote

werkwoord, sterk

oplaten

- A.J.A.C. van Delft - Wij gaon vliegers maar ook duiven "oplaoten" en laten dan los "twee duiven en drie horens", waarmede wij "prijs verdienen en ook den scherreweg", terwijl een ander "geen veerke thuis had" en er zoodoende weinig om gaf, wie met "de poel" ging strijken.(Nieuwe Tilburgsche Courant; Van Vroeger Dagen afl. 110; 20-04-1929)

- Van Rijen: oplaten

- Van Rijen: 'W-s daor te doen? Der wrt unnen boer opgelaote tusse tweej zakke stront.

- Zegsman Hans Hessels; Uit het geheugen van Hans Hessels, 2022 - De dven oplaote Duiven zelf trainen door ze naar een andere locatie te brengen waar ze vervolgens worden losgelaten en hun weg naar de kooi moeten vinden

 

oplappe

werkwoord, zwak

oplappen, verstellen

- WBD - oplappe (II:1252) - oplappen, verstellen

 

oplgge

werkwoord, sterk

opleggen

- oplgge - li(n) op - opgeleej

- A.P. de Bont: zwak werkwoord overgankelijk. - opleggen

 

opliere

werkwoord, zwak

opjutten, aansporen

- KAREL. En mn raoide 't aon! Ge bent al percies as veul meensche die aander meensche opliere om hout te gaon kappe en gappe, mar zelf d'r ge er nie aon waoge. (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 2 februari 1945)

 

oplope

werkwoord, sterk

oplopen

- oploope - liep op opgelope

- WBD - opzwellen, in het kader v. d. zgn. trommelzucht, een koeieziekte

- WBD - ploping - trommelzucht, een koeieziekte

- Cornelis Verhoeven: OPLOPING (oploo:ping) v - trommelzucht of windpens bij een koe.

- WBD - Ook gezegd v. h. gevolg van overdadig eten door mensen: z'n gen 'n oploo:ping vrte - oververzadiging, zwelling.

- A.P. de Bont: zelfstandig naamwoord vrouwelijk oploping, trommelzucht

- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - OPLOOPEN - opzwellen, dik worden;

 

opmaok

zelfstandig naamwoord

- WBD -
III. 1. 3:259 opmaak = versiersel; ook: '(op)tooi', 'opdof', 'tierelantijn'

 

opmaoke

werkwoord, zwak

opmaken (in div. bett. )

- WBD - deegbollen hun broodvorm geven

- A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952) - ze heet em irst zen gld hlpen opmaoke

- WBD - III. 3. 1:208 'opmaken' = besteden

- WBD - III. 3. 1:209 'opmaken' = verkwisten

- A.P. de Bont: zwak werkwoord overgankelijk. - opmaken: 'mutserd opmaoke' - hout tot takkenbossen binden.

 

opmis

zelfstandig naamwoord

- WBD - ploegschaar, ook genoemd (Hasselt) 'ploegmis'

 

opnaaje

werkwoord, zwak

opjutten, aansporen

- Ik ha ze allen un bietje staon op te naaie.(Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

- Cornelis Verhoeven: OPNAAIEN (opnje) ov. ww - enthousiast maken met de bedoeling te bedriegen of te profiteren (erop nje - erop lostimmeren): lot oew ge nie opnje; z'n gen opnje - zich opwinden, steeds enthousiaster of bozer worden. Zie ook: opjuinen, opkloten.

 

opneeme

werkwoord, sterk

opnemen, namelijk van sterke drank

Om den goeien afloop te vieren z'k regelrecht nor de Looiersbeurs gestapt en daor h'k m'n eige getracteerd op drie aawe klaores, die 'k zoo mar stondeweg on 't buffet heb opgenomen. (Kubke Kladder; pseudoniem van Pierre van Beek; Nieuwe Tilburgsche Courant; Uit t klokhuis van Brabant 1; 9-10-1929)

 

opneuker

zelfstandig naamwoord

schelm, kwajongen, lastig iemand

- Paul Spapens et al; Goedgetld, diksjenr van de Tilburgse taol (2004) - tis mar en kln opneukerke

- Stadsnieuws Tilburg, rubriek Tilburgs huukske; 2006 e.v. - Tis mar en kln opneukerke, mar hij heej wl lef (280307)

klap, vuistsleg

- Informant Ad Vinken; klap, vuistslag

- Informant Ad Vinken; hij kreg me tch en opneuker

- WBD - III. 1. 2:42 'opneuker' = oorveeg; ook: 'fleer, draai, klap, klets' enz.

- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - OPNEUKER zelfstandig naamwoord mannelijk - klap, oorveeg. Iemand 'nen opneuker geven.

- A.P. de Bont: zelfstandig naamwoord mannelijk opneuker - opdonder, opstopper

- WNT - OPDONDER, n. a. v. synonieme zelfstandig naamwoord in platte taal. De volkstaal kent een aantal synonieme uitdrr. Eenige daarvan zijn afgeleid v. ww die slaan of stompen beteekenen, verg. opdril, opslag krijgen (= afgeranseld worden), en verder: opdoffer, opdokker en opstopper; in navolging hiervan maakte men in scherts andere, die wel schijnbaar van ww waren afgeleid, doch welke ww niet of zeer zelden in de zin van slaan worden gebruikt, b. v. opmepper, opnaaier, opneuker, oppeuter, opwaaier, opzaniker. 

iets kleins

- WBD - III. 4. 4:223 'opneukerke' = iets kleins in zijn soort, ook 'geneuk', 'neuk'

 

opnooteere
werkwoord, zwak
contaminatie van opschrijven en noteren
- Cees Robben - [onderwijzer tegen een moeder die haar zoon aan een baan wil helpen:] Ik kan nie over m stuite, mar omd gt-zd zal ik opnoteere dek van de week moet optillefeneere en m aon rikkemendeere.. En dan moet ie mar solliciteere.. (19720128)
 

opnuut

bijwoord

opnieuw

- Henritte Vunderink, Zoas ik et as knd beleefde; k Zal van oe blve haawe, 2007 - n lke keer opnuut...

 

oppaase

werkwoord, zwak

oppassen, opletten

- Cees Robben: Vur fn meensen en motrge moette oppaasse

- Cees Robben: meej de krsemes ist oppaase geblaoze; Ze heej aaltij goed opgepaase (ze is nog maagd ?)

- Grot diktee van de Tilburgse taol 94 ik moet oppaasse dttie nie wir leekende nat wrt

- WBD - III. 1. 4:355 oppassen= in acht nemen

- A.P. de Bont: sterk werkwoord overgankelijk. - oppassen

 

oppenuut
bijwoord
opnieuw
- Cees Robben - Jllie moeder is wir oppenuut getrouwd, war... (19800222)

 

pperleuterr

zelfstandig naamwoord

opperleuteraar

- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters n aandere saawelrs (7de perbeersel, 1996) - winnaar van het leuterconcours

 

oppernuut, oppernuuw

bijwoord

opnieuw

oppernuut begiene - opnieuw beginnen

- Dialectenqute 1887 Willems - ppernuuw - herdoens

- Kees & Bart (ca. 1935): 'op nuut'

- ...ieder jaor oppernuut... (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; feuilleton Bad Baozel, 8 afl. in Nieuwe Tilburgsche Courant 31-12-1938 18-2-1939)
- ...omd ge daornao wir oppernuut kost begiene! (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; feuilleton Bad Baozel, 8 afl. in Nieuwe Tilburgsche Courant 31-12-1938 18-2-1939)
- ...en de stoffen ha'n soms zoo lang gelegen, d ze weer oppernuut in de mode ware gekome. (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; Kareltje Vinken; feuilleton in 10 afl. in Nieuwe Tilburgsche Courant 13-4-1940 24-8-1940)
- De meester stopte z'n pijp oppernuut... (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; Oome Teun als opvoeder; feuilleton in 6 afl. in Nieuwe Tilburgsche Courant 2-3-1940 6-4-1940)
- ...en boer Verheie stopte z'n pijpke oppernuut... (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; Boere-Profeet; feuilleton in 5 afl. in de Nieuwe Tilburgsche Courant 1-7-1939 29-7-1939)
- Mee zoo'n schoon mutsken kunde nog 'ns oppernuut aon t vrijen; (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; Den Sik van Baozel; feuilleton in 8 afl. in de Nieuwe Tilburgsche Courant 25-2-1939 18-4-1939)
- En aaltij, aaltij oppernuut/ trok me mijn hart naor d'aawe stad... (Piet Heerkens; Zeuventig jaor, gepubliceerd in De Zaaier, bijlage van de Nieuwe Tilburgsche Courant, 1941)

Van Rijen: 'oppernuut, oppernuuw, opnuu'

- WNT - OPNIEUW- In de vormen 'op een nieuw' en 'op het nieuw verouderd.

 

ppers

zelfstandig naamwoord

getalzijde van een geldstuk

- WBD - (III. 3. 2:206) oppers (getalzijde van een geldstuk)

 

pperst f mis

naam van een kinderspelletje met centstukken

- Interview dhr. Van den Aker - 1978 - obberis - En dan ging et daor meej d blleke nt boove zon snt, dan liete zem nt op zon raand valle n asse dan pperst was f mis, dan mogde, pperst mogde hbbe mar mis dan mogdem nie hbbe (transcriptie Hans Hessels 2014)

Klik hier voor audiofragment

►obberis

 

opploege

werkwoord, zwak

- WBD - (Hasselt) bijeenploegen (de aarde wordt bij het ploegen in de richting van het midden van de akker gekeerd)

A.P. de Bont: zwak werkwoord overgankelijk. - opploegen

 

opraope

werkwoord, zwak

oprapen

 

oprme

werkwoord, zwak

opruimen

- Grot diktee van de Tilburgse taol 94 die han ze opgermd

- WBD - (III. 2. 1:283( oprme = opruimen)

- oprme - rmde op opgermd; ook in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij rmt op

 

opsallemander
zelfstandig naamwoord
oplawaai
Handschrift Daamen, 1916 Ik gaaf em n opsalamander (slag)
- WTT - 2013 Het zelfstandig naamwoord lijkt nergens anders in Noord-Brabant voor te komen. Het - WBD -
geeft wel (III.1.2:126, lemma Op de loop gaan) het werkwoord opsalamanderen, uitsluitend opgetekend in Reusel.
 

opschp

zelfstandig naamwoord

opschepperigheid, opsmuk

...mar 'k geef himmel nie om den opschep, daor bedoel ik mee, w de vrouwkes schon en sjiek vnen. (Naarus; pseudoniem van Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

 

opschppe

werkwoord, zwak

opscheppen, namelijk: zoals iets zich voordoet

...mar gre of nie, ge hed 't te nemen zooas Onze Lieve Heer 't opschept en 't biste is er nie over te lammenteeren. (Kubke Kladder; pseudoniem van Pierre van Beek; Nieuwe Tilburgsche Courant; Uit t klokhuis van Brabant 3; 23-10-1929)

 

opschpper

zelfstandig naamwoord

- WBD - (III. 2. 1:163) opschepper = pollepel

 

opschiete

werkwoord, sterk

opschieten

Mandos - Brabantse spreekwoorden: hoe meer volk veur, hoe minder dt opschiet (v- Dialectenqute 1887 Willems - Tilburgse Taalplastiek 197l) - gezegd mannelijk b. t. een mis met drie heren

- WBD - III. 1. 2:5 'opschieten' = zich haasten, ook: 'affeceren', 'spoeien'

- WBD - III. 1. 4:347 'opschieten' = idem

- WBD - III. 4. 4:323 'opschieten' = vorderen

- Grot diktee van de Tilburgse taol 07 'asse en bietje opgeschoote hbbe . . . '

 

opschoore

werkwoord, zwak

- Informant Toine Raaijmakers - omhoogbrengen van de boven het vuur hangende 'spkeetel', via in de haak aangebrachte inkepingen

Van Rijen: aan de zoldering ophangen, opbergen op zolder

A.P. de Bont: zwak werkwoord overgankelijk. - opschoren, door schoren omhoog grengen, b. v. een stromijt die scheef hangt met behulp van houten stutten.

 

opschrve

werkwoord, sterk

opschrijven, namelijk: op de bon geslingerd worden door de politie

Hij [een Tilburgse politieagent belast met de sluitingstijd van kroegen] zal oe nog veul liever tien keer worschouwen dan oe eene keer opschrijve. (Kubke Kladder; pseudoniem van Pierre van Beek; Nieuwe Tilburgsche Courant; Uit t klokhuis van Brabant 4; 2-11-1929)

- WBD - III. 3. 1:349 opschrijven = beboeten (door politie)

 

opslaon

werkwoord, sterk

opslaan (in div. bett.)

Kees & Bart (ca. 1935): ''t teveul d opgeslaon moet worren'

- WBD - III. 3. 1:61 'opslaan', 'opzetten' = verhogen

- opslaon - sloeg op - opgeslaon

 

opsmre

werkwoord, zwak

besmeren met boter o. i. d. - nen botteram opsmre

- opsmre - smrden op - opgesmrd

- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - OPSMEREN - besmeren, met boter, vet enz. , bestrijken.

 

opsnije

werkwoord, sterk

- WBD - de buik opensnijden van geslacht vee

- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - OPSNIJ(D)EN - versnijden, snijden totdat iets op is

 

opslfeere

werkwoord, zwak

mogelijk van 'opserveren'; alleen gevonden in verband met het zoeken naar een (tweede) echtgenoot, waarbij een koppelaarster een rol speelt; zie:

- Theo de Wijs; correspondentie met - Cees Robben - bezorgd door Guido de Wijs - Zal ik veur jou is naor unne goeije kloris uitkke [?] - N, veur men ginnen opgesolferde (13-07-1966)

De informatie van - Theo de Wijs; correspondentie met - Cees Robben - bezorgd door Guido de Wijs werd door - Cees Robben - gebruikt in zijn Prent van de week van 19 augustus 1966.

 

opspeule

werkwoord, zwak

PM uitvaren, uitvallen, opspelen

- opspeule - spulden op - opgespuld ook in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij spult op

Cornelis Verhoeven: OPSPELEN (opspeule) onov. ww - op zijn poot spelen, iemand een standje geven, uitvallen

A.P. de Bont: zw. ww. intr. 'opspeulen' - opspelen, razen, uitvaren, te

keer gaan.

- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - OPSPELEN - opspannen, in gramschap uitvaren; in 't N.: OPSPEULEN

 

opstalle

werkwoord, zwak

- WBD - (van koeien) naar de stal brengen na de zomer; ook genoemd: 'indoen', 'binnedoen', 'inhaole' of 'binnegaon'

- opstalle - stalde op - opgestald

 

opstaoj

bijwoord/bijvoeglijk naamwoord

►op staoj, waar het woord gesplitst is

As d mn nog is vergund moog zn, dan zok d liefst zoo opstaoi meugelijk wille doen. (Naarus; pseudoniem van Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

v- Dialectenqute 1887 Willems - kalm aan

v- Dialectenqute 1887 Willems - enen pstaoje meens - een kalme mens , die alles langzaam doet (Tilburgse Taaklplastiek 175)

Van Rijen: 'Ut gong amml mar opstaoj aon' - Het ging allemaal maar rustig aan

Van Rijen: rustig, kalm, langzaam

- J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - STADE, voor gemak. Reeds bij Kiliaan. 

- WNT - STADE - 'op stade', 'op zijn stade' - op zijn gemak, zonder zich te haasten (in Zuid-Nederland)

 

opstaon

werkwoord, sterk

opstaan

Cees Robben: vruug opstaon d is gin proft;

- opstaon - stond op - opgestaon; ik stao, gij staot, hij stao op

- WTT -  -2012: de oudere verleden tijd: Toenk vumrge opstind was t rgen. (Naarus; pseudoniem van Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

A.P. de Bont: onr. st. ww. intr. opstaan, opkomen (van plannen, gedachten, neigingen enz. gezegd. )

 

opsteuke

werkwoord, zwak

opstoken, aanzetten tot kwaad

v- Dialectenqute 1887 Willems - zengen opsteuke - zich kwaadmaken

- WBD - III. 1. 4:420 'opstoken' = ophitsen

- Dialectenqute 1887 Willems - opsteuke - stukte op opgestukt; ook in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij stukt op

KAREL. Stil nou en stukt oe gge nie op. (Dialoog Karel en Sjarel, in: Groot Tilburg, 8 december 1944)

- Cees Robben - En hier kan ik mn ge toch z over opsteuke war... (19870403)

Jan Naaijkens, D's Biks: 'opsteujke' ww opstoken; Indien afleiding van 'stooke', dan wijziging stamklinker

A.P. de Bont: zwak werkwoord overgankelijk. en wederkerend 'opstuiken, opsteuken' - opstoken (in het geheim) ophitsen; zich opwinden, zich driftig of bezorgd maken.

 

opstve

werkwoord, zwak

opstuiven

Mandos - Brabantse spreekwoorden: opstven as ene zak vol vlooje ('72) - naar alle kanten wegvliegen

 

opstiere

werkwoord, zwak

- WBD - de koe laten paren, ook 'stiere' genoemd

- lange ie

A.P. de Bont: zwak werkwoord overgankelijk. - opstieren, hetz. als 'sti. jere(n)', maar minder gebruikelijk.

 

opstoet

zelfstandig naamwoord

- contaminatie van optocht en stoet

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 72 01 27 - Unne pluim vur al die werkers / Die d doen in d're vrije td / Gift ze strak ammol ln naor werke / Zurgt degge bij d'n opstoet zt.

- Van Rijen: optocht

- Mar et schonste van Karneval vn ik den opstoet. Meej al die hogkre, n die strpe. (Ed Schilders; W zeetie?; Website Brabants Dagblad Tilburg Plus; 2009)

- Stadsnieuws Tilburg, rubriek Tilburgs huukske; 2006 e.v. - Alle jaore zitten er meej karneval in den opstoet grote gaote - (140210) Ieder jaar vallen er met carnaval in de optocht grote gaten

- n diejen pstoet die zie ik vanges, assie toevallig langs de raom komt. (Uit: F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010.)

 

opstooke

werkwoord, zwak

opstoken

- A.P. de Bont: zwak werkwoord overgankelijk. opstoken, opbranden, verstoken.

 

optaase

werkwoord, zwak

optasten, opstapelen

- Theo de Wijs; correspondentie met - Cees Robben - bezorgd door Guido de Wijs - (Gehoord van Sint Nicolaas) Ge kunt alles wel optsse mar als gut tspraait lk t veul en veul meer (11-02-1965)

 

optal

zelfstandig naamwoord

aantal

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek (1998) - wittet optal al, waor et schaajt? - weet je het aantal al dat er mankeert

 

optg

optuigen

- WBD -
III. 1. 4:166 'optuigen' = uitdossen

 

optillefeneere
werkwoord, zwak
contaminatie: opbellen en telefoneren
- Cees Robben -
hedde gij (...) opgetillefeneerd..? (19680816)
- Cees Robben -
[onderwijzer tegen een moeder die haar zoon aan een baan wil helpen:] Ik kan nie over m stuite, mar omd gt-zd zal ik opnoteere dek van de week moet optillefeneere en m aon rikkemendeere.. En dan moet ie mar solliteere.. (19720128)
 

optffefe

werkwoord, zwak

een thuisweefstuk opvouwen/oprollen

- WBD -
ptffele (II:1052) - optafelen: tefelen, het stuk stof dat v. e. weefgetouw genomen is, in brede plooien omslaan, zodat het een stapel vormt die aan een tafel kan doen denken; ook: inmaantele

- optffele tffelde(n) op - opgetffeld

 

optrkke

werkwoord, sterk

optrekken, opdonderen, wegwezen

- optrkke - trok op - opgetrokke

- WBD - inhouden van de melk door een koe, ook 'phaawe' genoemd

- Mandos - Brabantse spreekwoorden: trk mar p meejoew zije kouse (D'l6) - wees maar niet zo veeleisend (zijden kousen werden door deftige mensen gedragen)

- WBD - III. 1. 2:245 'zijn neus optrekken' = snotteren

- Cornelis Verhoeven: OPTREKKEN ov. ww - omhoogtrekken; inhouden (zie bij 'rome')

- A.P. de Bont: sterk werkwoord overgankelijk. + intr. optrekken 1) van koeien: de melk niet gewillig geven; 2) (voermantaal) een weinig verder trekken; 3) opharken.

- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - OPTREKKEN - heengaan, vertrekken; naar het leger vertrekken

 

optuutere

werkwoord, zwak

in verbinding met 'em' = 'em opblaoze'

- Ge kunt em optuutere! - . . . naar de donder lopen

- Alleen de infinitief wordt gebruikt, met hulpww. 'kunne'

 

opval

bijwoord

de betekenis is obscuur; mogelijk is de betekenis op stel en sprong, binnenkort
- Cees Robben - opval (19801031)
- Cees Robben - Ons Wies w gaon witte opval... (19620209)
-
N. Daamen, woordenlijst 1916: "opval wel - waarschijnlijk wel"

 

opvatte

werkwoord, sterk

opvatten, oppakken, opbeuren, oplichten

- A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952) - vat d bd is meej op - help eens dat bed oplichten

- opvatte - viet op opgevat

 

opwaas

zelfstandig naamwoord

afwas, vaat

Daor wier aaltij alles van n bord gegeten, al waren et vier gangen, w not vurkwaam. Den opwaas z aanders te grot worre en w dochte gij van de zp, die d ging kosten en de afdreughanddoeken nie te vergeten. (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

Wij hebben pas toen we onder de meense kwamen, geleerd det omwaas waar en gin opwaas, wij zin ok aaltij zjam w zjm moes zn, we liepen w d betrof wel un bietje aachter. (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

- WBD -
(III. 2. 1:286) opwaas, afwaas, omwaas = vaat

 

opwaase

werkwoord, zwak

omwassen, de vaat doen

Ik weet zeker: as de leeje van den bond 'n tedje opgewaassche hebbe op n aander desse al hl gauw hl blij zulle zen asse mee durren opwaasch vort thuis meuge blve. (Dialoog Karel en Sjarel, in: Groot Tilburg, 8 december 1944)

En ik weet zeker dechcher nie ut minste bezwaor tegen hadt om na afloop van de eterij de rommel mee op te waassche. (Dialoog Karel en Sjarel, in: Groot Tilburg, 8 december 1944)

 

opzaante

werkwoord, zwak

Van Rijen: de vloer met zand bestrooien na het vegen

Jan Naaijkens, D's Biks: 'opsante' ww - opzanden: met zand bestrooien

 

opztte

werkwoord, zwak

opztte - ztte(n) op - opgezet

het opzetten van een gezin / huishouden

- Cees Robben -
Ge het n schn vrouw opgezet/ Kees.. (19640221)
- Cees Robben -
Gij moet n vrouw opzette, Sjef.. Gao op de Zaandpad noemer zeuve mar is aon de bel hange... Daor zitte nog twee aauw soepkiepe.. (19720211)

in de huisweverij

- WBD -
pztte (II:999) - bomen, (een kepertje, een platte, 'n andere ketting opzetten; ook: beume of (de ketting) klaorztte genoemd

verhogen

- WBD -
III. 3. 1:61 'opzetten', 'opslaan' = verhogen

voor de maaltijd

Bron: Woordenboek van de Brabantse dialecten III, 2, 3 Eten en drinken (2004)

Beschrijving van het WBD: De tafel voor de maaltijd gereed maken. De tafel krijgt eventueel een tafellaken en wordt voorzien van borden, bestek en glazen.

Waardering voor Tilburg door WBD: zeldzaam.

Zie ook Opdkke, Klaormaoke, Klaorztte, Tffel

Diverse betekenissen

A.P. de Bont: zwak werkwoord overgankelijk. - opzetten 1) het gemaaide veldgewas; 2) trouwen (resp. v. man of vrouw); 3) een dier op stal zetten, bepaaldelijk om het te mesten.

- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - OPZETTEN - opschikken, opsmukken; een dier aankoopen om het te vetten; op het vuur zetten.

 

opzpe

werkwoord, sterk

opzuipen

- A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952) - ze hbbe meej der vve drie lieter wn opgezoope

- opzpe - zoop op - opgezoope

 

opzije

voorzetsel

- Van Rijen: bezijden

 

opzuuke

werkwoord, sterk

opzoeken, bezoeken

- WBD - III. 3. 1:38 'opzoeken' resp. 'bezoeken' = bezoeken

 

ordil, ordel

zelfstandig naamwoord

oordeel

- Cees Robben: ''t liste oordeel'

- 2019 gezegde: Et gaot er tekeer/Et spant er as en ordel; het is er een hels kabaal (Mededelingen van Hans Hessels, opgetekend uit zijn familiekringen Hessels en Marinus 1960-1980. 

Voor de volledige lijst Klik hier

- Zegsman Hans Hessels; Uit het geheugen van Hans Hessels, 2022 - Daor gaotie meej ten ordel Dat draagt of gebruikt hij overal

 

rcht, den - aonrcht

zelfstandig naamwoord

aanrecht, het

- aonrecht nrcht rcht recht rcht

- Voorbeeld van systeemkaart Sterenborg - Zet et mar op den rcht.

- Voorbeeld van systeemkaart Sterenborg - Ze stond n den recht. - Ze stond bij het aanrecht.

- Mandos - Brabantse spreekwoorden: zie mar is dgge de schootels onder den recht krgt (v- Dialectenqute 1887 Willems - (Tilburgse Taalplastiek 1970) - aansporing om met het werk voort te maken

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek (1998) - ze stin n den recht

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek (1998) - der stn kaojkes in den recht

- Jan Naaijkens, D's Biks: 'orricht zelfstandig naamwoord  - aanrecht

 

orf, orve

verleden tijd van 'rve'

erfde

 

rfeejus

eigennaam

Tilburgse uitspraak van de naam van harmonieorkest Orpheus, daarnaast ook de sociteit waar het orkest resideerde.

 

Orpheus aan het Wilhelminapark.

 

- Lowie van Dorrus Misters; "Orpheus" is tegenwoordig gevestigd op het Smidspad, in de vroegere zaak van de heer Zebregs. Het eigen gebouw aan het Wilhelminapark heeft niet lang dienst gedaan. (Lowie van Dorrus Misters; rubriek Uit onze Tilburgse folklore, afl. 14 Oude koffiehuizen in Tilburg 2; Nieuwe Tilburgsche Courant 8-3-1952)

 

 

- Interview Van den Aker (1978), transcriptie door Hans Hessels (2014) - Mar nt as vruuger van Orfeejus (Orpheus) ok, die hadde en schon, en btegewoon goej harmenie n die spulden in et Wilhelminapark, ginge ze sondagsmiddags, spulde ze dan en meziekske, h.

Klik hier om dit bestand te beluisteren

- Interview met de heer De Kok (1978) Orfeejus, d was, d was Die ene die teege mn om moes zgge die was daor tromdraoger! Die is nouw ok dod!

KLIK HIER om de audiobestanden van dit interview te beluisteren

 

Tekening van Frans Mandos Tzn - 1945

 

rgel

orgel, kerkorgel, straatorgel, handorgel

zelfstandig naamwoord, onzijdig

- ...toen 't nuuw rgel ingeweje wier. (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; Oome Teun als opvoeder; feuilleton in 6 afl. in Nieuwe Tilburgsche Courant 2-3-1940 6-4-1940)

- Ik heur zoo gre zingen in de kerk en 't rgel is veur mijn gewoonweg 'n feest! (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; Boere-Profeet; feuilleton in 5 afl. in de Nieuwe Tilburgsche Courant 1-7-1939 29-7-1939)

- Ze zonge alle liekes mee/ die drgels mar won speule... (Lechim; pseudoniem van Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Vruuger...veul muuger)

- Interview Van den Aker (1978), transcriptie door Hans Hessels (2014) - En dan wonde Fons (Aleejaose = Elissen), die wonde daor op de Noordhoek, d kefeejke, ik weet nie f ge d ot wl nie, d, dieje kefeej daor ot geknd ht n daor stond aaltij enen rgel Klik hier om dit bestand te beluisteren

- Piet Heerkens - melodieus as rgelspel (uit: Brabant, Ons eige plat, 1941)

- n Peer Luite meej zen rgeltje [- Interview (audio) uit 1978 met het echtpaar Staps; transcriptie Hans Hessels, 2015]

- Die, die, die, kom, dan hattie zon rgeltje vur zenen bk hange, zon draajding [- Interview (audio) uit 1978 met het echtpaar Staps; transcriptie Hans Hessels, 2015]

- WBD - III. 3. 3:l65 'orgel spelen, 'het orgel spelen

- WBD - III. 3. 3:167 'orgel trappen', 'orgel treen'

- A.P. de Bont: zelfstandig naamwoord mannelijk 'urgel' - orgel

- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - RGEL (uitspr. 'rregel) zelfstandig naamwoord, Frans: orgue, is meest overal v., doch op sommige plaatsen o. of mannelijk

zelfstandig naamwoord, vrouwelijk

zeer gebruikelijk in Tilburg

- Voorbeeld van systeemkaart Sterenborg - Wrom spult den rgel nie? - Waarom speelt het orgel niet?

- R. J. - 'de kster liet den rgel giechelen'

- A.J.A.C. van Delft - Wij plukken "brem bezemen" en "knoesels" en spreken van "eenen houteren haomer", die in eenen "euregel" klopt, daarmede bedoelend braambessen, kruisdorens, een houten hamer en een orgel.(Nieuwe Tilburgsche Courant; Van Vroeger Dagen afl. 110; 20-04-1929)

- Kees & Bart (ca. 1935): 'nen aawen rgel'

- Cees Robben - Unne rgel in de liste mis... (19701113)

lleger

 

Piet Heerkens - D'n rgel - 1938

 

 

 

Straatzangers met draaiorgel - uit: Het straatlied, D. Wouters & J. Moormann, 1933

 

rgelman - volksliedjes over de orgelman op CuBra, verzameld door Ben Hartman

 

Uit een Tilburgs liedschrift van Toos van Poppel-van Es. Peer Luyten was een bekende Tilburgse straatmuzikant

 

rgeltrapper

zelfstandig naamwoord

degene die het orgel trapt

- Pierre van Beek -"D hebben we saomen goed gelapt, zeej den rgeltrapper tegen den rgenist toen ze de trap af gingen" slaat op iemand, die zich een prestatie toe-eigent, die hem eigenlijk niet toekomt. Hoe fijn-geestig wordt hier zo iemand in de maling genomen! (Tilburgse taalplastiek 6 Nieuwe Tilburgse Courant zaterdag 11 maart 1950)

 

rksier

zelfstandig naamwoord

yorkshire (bep. varkensras: met staande oren)

- Van Rijen: 'rreg sierke, rrek - kort gedrongen varken (vlees)

- WBD - L 100: 'orksier' (Berchem bij Oss)

 

Orscht

toponiem

Oirschot

 

Orschtsendk

toponiem

Oirschotsedijk

- Interview Van den Aker (1978), transcriptie door Hans Hessels (2014) - En hil ouwe taante van mn grotmoeder, zak zegge, die wonde toen vroegertd op Roosephoeve in Oisterwijk, d was teege den Orschtsendk aon n d was wd de haaj in n die zaat daor op en boerderij!

Klik hier om dit bestand te beluisteren

 

rtestiesje

zelfstandig naamwoord

etymologie onbekend

- Van Rijen - sufferd, dromer

 

rweege

bijwoord

- Mandos - De Brabantse Spreekwoorden - orwegen: In orwegen zijn. In oirwegen zijn. 1. Op komst zijn: bij een zwangere vrouw; 2. in de mode zijn; 3. op gezette tijden terugkeren van kinderspelen. 4. er was geen onraad (Tilburg 16). () in de gesproken taal klinkt dat als inno(o)rwege, hetgeen leidde tot in Noorwegen zijn.

 

orzaok

zelfstandig naamwoord

oorzaak

- R. J. - 'de oorzaok van de pent'

- Hessels 2020 - Als je duidelijk probeert te maken waarom iets niet gelukt is: - den dod heej aaltij enen orzaok! (Zegsman dhr. Hessels (1931-2006).

Volledige bron: Klik hier

 

s

zelfstandig naamwoord

Mandos - Brabantse spreekwoorden: daor is ginnen s oover gemolke (v- Dialectenqute 1887 Willems - Tilburgse Taalplastiek 1971) - gezegd als men iets onmogelijk acht

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek (1998) - as d lukt, dan kalft den s - . . . dan is het een wonder

 

ssehaos

zelfstandig naamwoord

ossenhaas

- WBD -
III, 2, 3
Stuk vlees uit de lenden van een rund. Waardering voor Tilburg door WBD: zeldzaam.

Filet, haos, runderhaos.

 

ske

zelfstandig naamwoord verkleinwoord

Van Rijen: aasje

 

ssekniejes

zelfstandig naamwoord

- WBD -
III. 1. 2:391 'mee osseknien lopen

 

Ill.: Naumann

ssekpke

zelfstandig naamwoord , verkleinwoord

bep. meesje, pimpelmees (Parus caeruleus)

N. Daamen, woordenlijst 1916: "ossenkpke - zwartkopmees"

- WBD -
III. 4. 1:l02 'ossekopke' pimpelmees

 

ssem, aojem

zelfstandig naamwoord

asem, adem

Hij h ginnen ssem mir.

Ze gaaf ginnen ssem = Ze reageerde niet.
N. Daamen, woordenlijst 1916: "z'nen ossem waas te kort (hij had geen centen genoeg om te doen wat hij voorhad

N. Daamen - handschrift 1916 - "(adem) Ik z er wel over gesproken hebben as ie er mar iet of w ossem van gegeven ha (als hij er maar iets over losgelaten had)"

- Cees Robben -
En as ge drie keer het gesnakt/ Zdoewen ossum kwt... (19600219)
- Cees Robben -
kort van ossum (19700925)

PVb aachter zenen ssem zn - buiten adem zijn

Mar vurtie halverweege kwaam/ wassie al bte ssem (Lechim; pseudoniem van Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Aanders...)

- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters n aandere saawelrs (7de perbeersel, 1996) - ik hb mar enen ssem n twee haande - ik kan niet alles tegelijk

- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters n aandere saawelrs (7de perbeersel, 1996) - ak ernr kk, zk al tnen ssem

Mijn ogen jeuken allemol, ik hoest ak ossum haol... (Tony Ansems,Zak moete niese akkum aai?; van de cd Tilburgse Liekes American Style 2; 2009)

- Stadsnieuws Tilburg, rubriek Tilburgs huukske; 2006 e.v. - Ik heb mar enen ssem n twee haande - Ik kan niet alles tegelijk. (081210)

- WBD -
III. 1. 2:235: 'kort van asem' = kortademig

- WBD -
III. 1. 2:236: 'nie achter zijn asem komen' = stikken

Jan Naaijkens, D's Biks: 'ossem' zelfstandig naamwoord  - adem

- A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - Blijkens krt.44 ligt T. op de grens van de gebieden met s resp. j.

- Leo Goemans; Leuvens taaleigen (1936) - ADEM, ASEM - zelfstandig naamwoord mannelijk : Den - inhouden; kort van - ; enz.

- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - ASEM - adem: Krt van asem - kortborstig

- WBD -
III. 2. 2:54 'naar aden happen', 'asem tekort komen' = reutelen

 

sseme

werkwoord, zwak

ademen

R. J. 'daor ossemt m'n ziel dan deurheen'

- WBD -
III. 1. 2:233 'zwaar ademhalen', 'moeilijk esetnen' = hijgen

- WBD -
III. 1. 1:182 'asemen' = ademen

sseme - ssemde - gessemd

- A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - Blijkens krt. 44 ligt T op de grens v. d. gebieden met s resp. j .

- Leo Goemans; Leuvens taaleigen (1936) - ADEMEN, ASEMEN wkw. Daar hebben ze niet meer over geasemd = over gezwegen.

- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - ASEMEN - ademen

 

ssestaawer

zelfstandig naamwoord

v- Dialectenqute 1887 Willems - iemand die niet goed ter been is; = mikhrst '

Van Rijen: 'H lopt as unnen ossestaawer' - Hij loopt wel erg moeilijk

- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - OSSESTOUWER zelfstandig naamwoord mannelijk - ossendrijver

 

ost

zelfstandig naamwoord

oogst, oost

- A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - st (= oogst) (krt. 47) met korte vocaal (blz. 115)

- Leo Goemans; Leuvens taaleigen (1936) - OOGST - ust, zelfstandig naamwoord mannelijk

- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - OO(G)ST zelfstandig naamwoord mannelijk , Frans: moisson. Spr. Zijnen oo(g)st opdoen - eene goede gelegenheid waarnemen om een goeden voorraad op te doen.

Jan Naaijkens, D's Biks: okst zelfstandig naamwoord  - oogst

 

oste

werkwoord, zwak

oogsten

- Dialectenqute 1887 Willems - oste - ostte - geost

- Leo Goemans; Leuvens taaleigen (1936) - OOGSTEN - uste wkw (rg. )

- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - OO(G)STEN - de achtergebleven korenaren oprapen van den akker

 

ster

zelfstandig naamwoord

unster, weegschaal

Daamen 1916 - "ster - klein weegwerktuigje dat de boeren wel mede naar de markt nemen; het werkt met een veer"

Pierre van Beek "Ze hebben 'm aon den ster gehad!" Het betekent, dat iemand "gewogen" is naar z'n geldelijk bezit, een hebbelijkheid, waarin zich bepaalde klassen uit de bevolking nog al eens schuldig maken. Speciaal wordt het gebruikt in verband met een jongeman, die om de hand van iemands dochter gaat vragen. Een ster noemt men in het beschaafd Nederlands unster. Dat is een enigszins primitief weegapparaat, dat werkt met een veer en waarbij men op een met streepjes verdeelde plaat het gewicht afleest. Het meest kenmerkende van dit weegapparaat is wel zijn gering formaat zodat men het gemakkelijk in de zak kan steken. Veel ziet men het tegenwoordig niet meer gebruikt, doch wij herinneren ons, dat in onze jeugd alle "toddenkooplui" er mee waren uitgerust. Zuiver wegen doet het apparaat niet, maar het geeft het gewicht toch zo "te rauwste" aan. (Tilburgse taalplastiek 7 Nieuwe Tilburgse Courant zaterdag 18 maart 1950)

Pierre van Beek Er is aanleiding nog eens terug te komen op hetgeen wij in ons vorige artikel zeiden over "den ster". Lowie Van Dorrus Misters is nl. van mening, dat de beschrijving, die wij van een unster gaven, niet die van de echte ouderwetse unster geweest is. Zo'n unster zag er volgens onze geachte opmerker als volgt uit: Hij was een stalen (ook wel houten - Tilb.) lat, die aan een haak kon worden opgehangen en welke lat voorzien was van inkervingen. Een tweede haak diende ter bevestiging van het te wegen voorwerp en dan bevond zich aan het apparaat nog een gewicht (waarschijnlijk een pond), dat over de lat heen en weer bewogen kon worden. De schuifring van het pond had boven aan de onderkant een nokje, dat greep in de inkervingen zodat de ring bij het verschuiven wat gelicht moest worden. Als het pond met het aangehangen voorwerp in evenwicht was en de lat derhalve waterpas hing, kon hierop het gewicht worden afgelezen. Om het pondsgewicht noemde men "den ster" ook wel "punder". (Tilburgse taalplastiek 8 Nieuwe Tilburgse Courant zaterdag 25 maart 1950)

Pierre van Beek Als een jongeman het plan had om bij een zeker soort gegoede lui te proberen kennis aan te knopen met de dochter maar zelf geen vermogen bezat, werd hij wel eens gewaarschuwd door zijn vrienden met het gezegde: "Denk er om, daor hangt den ster of punder aachter de deur." Bedoeld was dan de voordeur en het betekende, dat hij eerst "gewogen" zou worden voor hij gelegenheid kreeg de woning verder binnen te gaan. (Tilburgse taalplastiek 8 Nieuwe Tilburgse Courant zaterdag 25 maart 1950)

- Cees Robben -
Ge zd nie goed aon oewen ster... (19670908)

- WNT - UISTER zie 'unster'. - UNSTER - ons(t)er, ens(t)er, eunster, anster, uister, huiser, oister, uuser, ulster. Van 'ons' (mnl. unce) met -er, al dan niet met epenthetische t. 

Cornelis Verhoeven: UNSTER (ster) m - ponder, balans met ongelijke armen.

A.P. de Bont: ster, zelfstandig naamwoord mannelijk , 'uister' - unster

achterste, derrire

op oewen ster valle - op je gat vallen

- Cees Robben -
Ge zd nie goed aon oewen ster... (19670908)

N. Daamen, woordenlijst 1916: "ik viel op m'nen ster (achterste); hij kreeg vur z'nen ster (billen)"

 


Pierre van Beek typoscript Archief Pierre van Beek


1974 (ca.) - ster (dialect) - "Hij is op z'nen ster gevallen " "Hij heej z'nen ster flink gestte" - "ster" = achterste - is afkomstig van 'uiterste. (Pierre van Beek typoscript Archief Pierre van Beek)

Pierre van Beek Tussen deze bedrijven door schiet ons echter nog een "ster"-uitdrukking te binnen nl. "Hij is op z'nen ster gevallen!" En dit heeft met wegen niets meer te maken. Men bedoelt dan dat gedeelte van de rug, waar deze van naam verandert. Waar men het vandaan haalt is ons een raadsel!

OSTER 5 Pierre van Beek Veertien dagen geleden hebben we hier stilgestaan bij de unster en in verband daarmede bij de uitdrukking: "Hij is op z'nen ster gevallen." We dachten, dat deze Tilburgse uitdrukking niets met het weegapparaat te maken had. Thans is Louis van Dorrus Misters zo vriendelijk het raadseltje van de afkomst, zoals hij die ziet, op te lossen. Hij herinnert er aan, dat men de veer-unster, waarover wij het hadden, wel gemakkelijk in de zak kan steken, maar... niet zo gemakkelijk er weer uithalen. Dit wordt namelijk bemoeilijkt door de aanwezige haak, die in de stof blijft steken. Hij vindt het daarom natuurlijk, dat na het gebruik de ster werd opgehangen aan de broeksband. En wel achter op de dij. Aan de voorkant zou hij namelijk kunnen hinderen met 't bukken en opnemen van zak of pak. Viel nu Jan de "toddekrmer" op z'n derrire, dan kon hij gemakkelijk letterlijk "op z'nen ster" vallen met alle nadelige gevolgen van dien omdat de haak pijnlijke verwondingen mogelijk maakt. Daar zo'n voddenkoopman gewoonlijk een bekende figuur was, ging het verhaal van Jan, die "op z'nen ster gevallen" was al spoedig van mond tot mond. Daarna is de uitdrukking in de volksmond blijven leven - ook al betrof het een val, waar helemaal geen unster of verwonding meer bij betrokken was. Aldus L. v. D. M., die in ieder geval een vernuftig gevonden verklaring geeft. (Tilburgse taalplastiek 10 Nieuwe Tilburgse Courant zaterdag 8 april 1950)

 

Osterwk

toponiem

Van Rijen: Oisterwijk

 

t, t

voorzetsel / bijwoord

uit

W mkt et t, dttie et tmkt.

W maok et t

Cees Robben: van vruuger, t verleeje td; de krintjes t de mik plleke;

Cees Robben: Gao t de licht staon! hij frt t de rf;

- A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952) - der is ene sprt t de leer; de rome spt t den jer van de koej

Van Rijen: 't dijen bl komt nie veul t' - er komt niet veel uit die zak.

Van Rijen: 'T-is t licht' - Het is volop dag.

A.P. de Bont: t, voorzetsel en bijw. uit: ''t Is t - de verkering is uit.

 

tbakke

werkwoord, zwak

uitbakken

- WBD -
gewicht verliezen tijdens het bakproces

tbakke - bakte(n) t - tgebakke

- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - UITBAKKEN (met 'zijn') onder 't bakken zijne tocht, zijn sap verliezen en hard en droog worden.

 

tbeduije

werkwoord, zwak

v- Dialectenqute 1887 Willems - uitleggen, verklaren, duidelijk maken

- vervoeging: zie 'beduije'

A.P. de Bont: sterk werkwoord overgankelijk. , 'uitbeduiden'- uitduiden

WS Contaminatie uit 'tlgge' en 'beduije'

 

tboezeroene

werkwoord, zwak

uitvlakken, onderschatten - Gewoonlijk in negatief gebruik.

Kees & Bart (ca. 1935): D moete nie tboezeroene!

- tboezeroene - boezeroende t - tgeboezeroend

 

tbrstele

werkwoord, zwak

- WBD -
bostel lossen (het weghalen van de bostel uit de beslagkuip, in de brouwerij)

- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - UITB(R)STELEN - uitborstelen - aframmelen

 

tbotte

werkwoord, zwak

uitbotten; uit de kiem opgroeien van planten; uitlopers krijgen, loten vormen van planten en bomen; tschiete.

- tbotte - botte t tgebot

 

tbraaje

werkwoord, zwak

uitbreiden

- A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952) - tbraaje

- tbraaje - braajde(n) t - tgebraajd

 

tbroeje

werkwoord, zwak

uitbroeden

Cees Robben: Dnkte naa dk van zonne stommen haon nog en aaj wil tbroeje?

- WBD -
III. 1. 4:19 'uitbroeden' = broeden

- tbroeje - broejde(n) t - tgebroejd

A.P. de Bont: zwak werkwoord overgankelijk. - uitbroeden

 

tdele

werkwoord, sterk

uitdelen

Kees & Bart (ca. 1935): uitgedild

tdeele - dilde t - tgedild

ook in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij dilt t

 

tdeur, tteur

zelfstandig naamwoord

deur naar buiten, vluchtweg, uitvlucht, smoesje

- Gezegde: - Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek (1998) - de tdeur zuuke - een uitvlucht zoeken (v- Dialectenqute 1887 Willems - Tilburgse Taalplastiek 1965)

 

tdoen

werkwoord, sterk

uitdoen, doven, uitweiden, rooien van gewas

tdoen - di t - tgedaon (zie: doen)

Op den oogenblik zen we druk bezig mee gruunplukken en mangelpeejen utdoen. (Kubke Kladder; pseudoniem van Pierre van Beek; Nieuwe Tilburgsche Courant; Uit t klokhuis van Brabant 3; 23-10-1929)

- WBD -
(van koeien) naar de wei brengen

- WBD -
(III. 2. 1:214) 'uitdoen', blussen = doven

A.P. de Bont: onr. ww. tr. - uitdoen, in versch. opvattingen, zoals 1) een schuld doorhalen, 2) aardappels rooien, 3) koeien uit de stal brengen, 4) mest uit de potstal verwijderen.

- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - UITDOEN - ten einde doen, voltrekken; de(n) stal uitdoen - het mest uit den stal trekken. Eindigen: De meester het de school vandaag 'en half uur eer uitgedaan.

 

tdrge

werkwoord, zwak

uitdrogen

- WBD -
III. 2. 3:158 'uitdrogen' = rotten van appels

- WBD -
III. 4. 3:215 uitgedroogd = verdord

 

tdrpe

werkwoord, sterk

uitdruipen

- WBD -
'trupe' - uitdruipen, gezegd v. d. huid of het leer na verschillende bewerkingen (II:597)

- tdrpe drop t - tgedroope

 

tduije

werkwoord, zwak

v- Dialectenqute 1887 Willems - verklaren, uitleggen

- A.J.A.C. van Delft - "'k Heb 'm uitgeduid, wa'k w." 'k Heb hem uiteengezet en verklaard, wat ik wenschte. (Nieuwe Tilburgsche Courant; Van Vroeger Dagen afl. 111; 27 april 1929)

- contaminatie van 'beduiden' en 'uitleggen' (Tilburgse Taaklplastiek 126)

- WBD -
III. 3. 1:271 'uitduiden' = verklaren

 

tdunne

werkwoord, zwak

uitdunnen

- WBD -
I:1460 op n zetten (tweede fase v. h. uitdunnen van bietenplanten), waarbij van elk hoopje slechts een plantje blijft staan, dat moet uitgroeien tot een biet): 'uitdunne', ''tdunne', 'afdunne'

 

tenvalle

werkwoord, sterk

uit elkaar vallen

Mandos - Brabantse spreekwoorden: tenvallen as enen braojappel (D16) uit elkaar vallen als een gebraden appel : over iets onbenulligs kwaad worden

 

tnde

zelfstandig naamwoord

Van Rijen: uiteinde

 

tgaon

werkwoord, sterk

uitgaan

de krk gao t

die meense gaon veul t

Cees Robben: vurdttie de deur 'tgao'; ze doe niks as roken n tgaon;

- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters n aandere saawelrs (7de perbeersel, 1996) - as ge tgaot, moete oewen rmoej tslaote

- WBD -
III. 3. 1:42 'uitgaan', 'aan de zwier gaan, de hort opgaan, op stap gaan, op sjanturnel gaan, pierewaaien, zwalken, dweilen' = uitgaan

tgaon - ging/gong t - tgegaon

 

tgeblkt
voltooid deelwoord van tbleeke
uitgebleekt; verbleekt; wit geworden
- WNT - zie lemma Uitbleeken
- Cees Robben -
W uitgeblekt.. verblikt en schraol (19590912)
 

tgeblkte
bijvoeglijk naamwoord
stier met uitgeblokte billen; ook dikbil-os
- Cees Robben -
uitgeblokte (19600226)
 

tgeboezeroend

voltooid deelwoord

Van Rijen: buitengezet, het vertrouwen verspeeld

 

tgebroejd
voltooid deelwoord van zwak werkwoord tbroeje
uitbroeien; hier in de betekenis geboren, van bepaalde afkomst zijn
- Cees Robben -
Ze wit zeker nie waor ze uit is gebroeid.. (19580201)
 

tgediend

bijvoeglijk naamwoord

tot het eind gediend hebbend

- Grot diktee van de Tilburgse taol 08 veul van die zogenmde tgediende zn himml nie van die sukkelrs

 

tgelaote

bijvoeglijk naamwoord

uitgelaten

- WBD - III. 1. 4:95 'uitgelaten' = baldadig

- WBD - III. 1. 4:192 uitgelaten = zeer blij

 

tgeleuterd

voltooid deelwoord /bijvoeglijk naamwoord

- Paul Spapens et al; Goedgetld, diksjenr van de Tilburgse taol (2004) - uitgesleten, uitgelopen (van schoenen) uitgepraat

 

tgepakt

1 zelfstandig naamwoord, onzijdig

het uitgepakte, het uitgestalde

uitsluitend in de uitdrukking: Nr et tgepakt gn kke = In de dagen voor het Sinterklaasfeest gaan kijken naar de etalages in het centrum van de stad.

- WTT - 2020 - de uitdrukking is gebaseerd op het idee dat Sinterklaas is gearriveerd en dat de geschenken die hij meebracht nu uitgepakt en te bewonderen zijn.  Voor ouders was 'naar het uitgepakt gaan kijken' een handige manier om te bepalen wat hun kind van Sint zou willen krijgen op 6 december. Het gebruik dateert uit de negentiende eeuw en richt zich vooral op kinderen, getuige de volgende advertenties.

 

Advertentie in de Tilburgsche Courant op 24 november 1878.

 

Advertentie uit Weekblad voor Tilburg, 19 november 1871

 

- Kees & Bart (ca. 1935): 'naor 't uitgepakt weest te kijken'

- Kees & Bart (ca. 1935): 'mee de klein mannen naor 't uitgepakt kijken

- Theo de Wijs; correspondentie met - Cees Robben - bezorgd door Guido de Wijs - Gao de gij kke naor t uitgepakt / of wochtte op de klottermert? (11-02-1965)

- Cees Robben -  'k Gao mee de knder naor t uitgepakt kke... (19651119)

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 72 11 30 - De knderkes staon allemol / - rme z goed as rke - / Mee d'r nuske teege de ruit / Naor 't uitgepakt te kke.

2 voltooid deelwoord van tpakke

uitgepakt

- Hessels 2020 - dooddoener - Je afvragend waar pa en ma die dag of avond naar toe moeten: - nr et tgepakt kke! of: -nr husse meej oew neus er tusse! of: -nr hdde, kierze plukke! (Zegsman dhr. Hessels (1931-2006).

Volledige bron: KLIK HIER

 

Illustratie bij een sinterklaasverhaal in De Engelbewaarder van 1949

 

Het uitgepakt in de etalage van de Hema in 1950

 

tgetoerlezjoerd
bijwoord
aan het eind gekomen, uitgerangeerd; uit Franse tous les jours, alle dagen
- Cees Robben -
Gaode dd (...) bende uitgetoerlezjoerd.. (19761001)
 

tgevlooge

bijvoeglijk naamwoord

uitgevlogen

- WBD -
III. 4. 1:32 'uitgevlogen' - in staat om uit te vliegen (van vogels); ook 'vlug'

 

tgnsdag

zelfstandig naamwoord

uitgaansdag

v- Dialectenqute 1887 Willems - de doj hebben ok enen gsdag (wordt gezegd als een mop of grappige opmerking niet begrepen wordt)

 

tgoje

werkwoord, zwak

- WBD -
III. 1. 2:243 'uitgooien' = fluimen

 

thaawe

werkwoord, sterk

uithouden, volhouden, harden

Ik kos et nie thaawe - ik kon het niet volhouden

 

thaole

werkwoord, zwak

uithalen

- A.J.A.C. van Delft - Een boer wijkt niet gaarne ver uit en dan zeggen wij, dat hij "niet genog uithaolt".(Nieuwe Tilburgsche Courant; Van Vroeger Dagen afl. 110; 20-04-1929)

- WBD -
thaole (II:1049) - uithalen (v. e. paddevoet), ook trffele - Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek (1998) - de klomp thaole - eruit halen wat Sinterklaas erin gelegd heeft

thaole - hlde(n) t tgehld; ook in tegenwoordige tijd vocaalkrimping; gij/hij hlt t

A.P. de Bont: zwak werkwoord overgankelijk. - uithalen (in versch. bett. )

Een vrouw vinden, zoals een vogel uit een nest wordt gehaald

Cees Robben: Die et veugeltje vnt die heeget nie, mar die et thlt. - Interview Jolen - 1978 - Die [m,ijn vrouw] was ok van Tilburg, die heej ok bij Vendoore gewrkt, bij Vendoore-Dams. Daor hb ik ze tenminste tgehld, hh! W deese daor? Jao, stukke, stukke meej nppe n stppe n zo. Jjjjj!! (transcriptie Hans Hessels, 2013) ► KLIK HIER om naar de pagina met de audiobestanden van dit interview te gaan

 

thbbe

werkwoord, sterk

- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters n aandere saawelrs (7de perbeersel, 1996) - opgedronken hebben

 

thoek

zelfstandig naamwoord

- WBD -
III. 3. 1:318 'uithoek' = gehucht

 

tkke

werkwoord, sterk

uitkijken

tkeeke - keek t - tgekeeke

met vooaalkrimping in de tegenwoordige tijd: gij/hij kkt t

- Cees Robben: ge kwaamt nie tgekeeke; kkt is w beeter t;

- Cees Robben: gij meugt wl iets zeggen oover tkke;

- Van Rijen: tkken n daoge tlle - op je tellen passen

 - Hessels 2020 - In het verkeer voor een plotseling overstekende neger: - tkke, die betlde vur ene goeje! (Zegsman dhr. Hessels (1931-2006). Volledige bron: Klik hier

 

tkleeje

werkwoord, zwak

uitkleden, ook fig.

- Grot diktee van de Tilburgse taol 07 kleet oewge mar hilleml t

- tkleeje kleedel(n) t - tgekleed

- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - UITKLEE(D)EN fig. uitplunderen, uitschudden. Spr. Zijn eigen uitklee(d)en eerdat men gaat slapen - zijne goederen weggeven aan zijne kinderen, eer men dood is.

 

tklote

werkwoord, zwak

Van Rijen: sarren, tergen, voor de gek houden

 

tkoome

werkwoord, sterk

tkoome - kwaam t - tgekoome

aansluiten

Cees Robben: d stuk wg d op dieje wg tkomt.

uitlopen op

Mandos - Brabantse spreekwoorden: p etzlfde strtje tkoome (v- Dialectenqute 1887 Willems -Tilburgse Taalplastiek  '70) - steeds hetzelfde vertellen; een gesprek altijd naar hetzelfde punt leiden

van gewas

- WBD -
III. 4. 3: 30 'uitkomen' = bloeien

als zelfstandig naamwoord: de lente, het voorjaar

- Een roestpraatje, Van de Schelde tot de Weichsel (deel 1, 1882; en niet in dezelfde tekst in Weekblad van Tilburg, 5 oktober 1867): En 't [vaarsje] is sens den uitkome al ning keere gelaaid. Daar geannoteerd als: sinds de lente.

 

tkruije

werkwoord, sterk

uitkruien

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek (1998) - hij lt aander meense de aase tkruije - . . . het vuile werk doen

 

tlbbere

werkwoord, zwak

uit zijn model raken van b. v. gebreid goed (intransitief)

v- Dialectenqute 1887 Willems - en tgelbberde trui - die aan een kant lager is komen hangen dan aan de andere. (Tilburgse Taaklplastiek 127)

- WNT - kent wel een transitief 'uitlebberen' (uittrekken, uitrekken, langer of wijder maken), evenals 'uitlepperen', lebberen, lepperen enz.

Cornelis Verhoeven: LEBBEREN onov. ww - 1) slurpen, 2) uitrekken.

- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - UITLEBBEREN - uitrekken, uittrekken; ik zal oe' ooren is uitlebberen, deugniet'.

 

tlege

werkwoord, zwak

Van Rijen: afgraven

Jan Naaijkens, D's Biks: tlge ww - afgraven

 

tlene

werkwoord, zwak

uitlenen

- tlene - linde t tgelind; vocaalkrimping, behalve in infinitief , praes. plur., praes. ik-vorm

 

tlgge

werkwoord, sterk

uitleggen

- WBD -
tlgge (II:1250) - uitleggen (een kledingstuk langer maken) - WBD -
III. 3. 1:45 'uitleggen', 'bij elkaar leggen' = lappen

 

tlkke

werkwoord, zwak

uitlikken; uitlekken

Cees Robben: naa maag onzen oopaa zeeker et pnneken tlkke;

- Gezegde: v- Dialectenqute 1887 Willems - As de pestoor gao praote, lkt alles t.

tlkke - lkte(n) t - tgelkt

 

tlope

uitlopen; loten vormen van planten en bomen, uitlopers krijgen; 'sprte', 'tschiete', tbotte

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek (1998) - al mot ek er de bene vur onder mene zulder tlope

- tlope - liep t tgelope; in tegenwoordige tijd vooaalkrimping: lopt t

 

tlootere

werkwoord, zwak

Van Rijen: uitloten

 

tmaok

zelfstandig naamwoord

uitmaak, smoesje

- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters n aandere saawelrs (7de perbeersel, 1996) - smoesje

- WBD - III. 1. 4:334 'uitmaak' = uitvlucht, smoesje

- Jan Naaijkens, D's Biks: tmaok zelfstandig naamwoord  - smoesje, excuus

 

tmaoke

werkwoord, zwak

uitmaken

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek (1998) - w maoket t, dttiet tmkt - wat maakt het uit dat hij het uitmaakt; . . . , d hij et tmokt - . . . hij beslist

- WBD - III. 1. 4:317 'uitmaken' = ten einde brengen

 - Zegsman Hans Hessels; Uit het geheugen van Hans Hessels, 2022 - De dve meej tmaoke Aan de hand van de klokconstateringen de uitslag van de duivenvlucht opmaken.

 

tmlleke

werkwoord, sterk

uitmelken

- WBD - leegmelken (van koeien), ook genoemd 'uitmlke', 'tmlleke'

 

tmeutele

werkwoord, zwak

uit: t + meutel (= wrikken)

- WBD - tgemeutelde lst, tmeutelende lst (II:1051) - uitrnetelende /uitgemeutelde lijst: (te) slappe zelfkant van geweven stof; ook 'slchte kaant' genoemd.

 

tmiste

werkwoord, zwak

uitmesten

Dan wier dieje stal goed tgemist... (G. Steijns; Grot Dikteej van de Tilburgse Taol 2003)

 

tneuje, tnoje

werkwoord, zwak

uitnodigen

- WBD - III. 3. 1:39 'uitnodigen', resp. 'noden, vragen, verzoeken' = uitnodigen

- A.P. de Bont: zwak werkwoord overgankelijk, 'uitneuien' - uitnod(ig)en

 

tnoeme

werkwoord, zwak

uitnoemen; benoemen, beschrijven, verklaren

- Interview Jolen - 1978 - daor ene pin aon, hdie gingk in de grond n dan hadde d hoek en gat n d en gat n dan hadde ene beugel in hout, in plank, j, hoe zak die naa ttnoeme? Die was zo en bietje schefaon n onder dicht n zo diep n moeste meej die beugelblle, hadde houtere blle, schppe n nr die ringe goje (transcriptie Hans Hessels, 2013)

► KLIK HIER om naar de pagina met de audiobestanden van dit interview te gaan

 

tperbeere

werkwoord, zwak

uitproberen

- WBD - III. 1. 4:351 'uitproberen' = proberen

 

tploege

werkwoord, zwak

- WBD - 'voor tploege' - middenvoor afwerken (het uitdiepen van de laatste ploegvoor, in het midden)

 

tpoetse

werkwoord, zwak

uitpoetsen

- WBD - uitpoetsen: het met diverse uitpoetspreparaten bewerken van schoenen (II:783)

 

tpurgeere

- WNT - mannelijk b. t. gist, deesem: zuiverend verwijderen; alleen in fig. verband in religieus taalgebruik aangetroffen en na de 16e eeuw verouderd. 2) (Maastricht; uitpraten

Mandos - Brabantse spreekwoorden: tgepurgeerd zn (D16) - er (gauw) van afzijn, ermee klaar zijn

N. Daamen, woordenlijst 1916: "hij waas gaauw uitgepurgeerd - hij had er gauw mede gedaan, het was er gauw mede afgeloopen"

 

treekene

werkwoord, zwak

uitrekenen

- WBD -
tgereekend - (gezegd van een koe) het einde van de draagtijd bereikt hebbend, ook 'tgetld' of n de telling, 'n de baot'

- treekene - reekende(n) t - tgereekend

 

trffele

werkwoord, zwak

v- Dialectenqute 1887 Willems - uitrafelen (onoverg. + overg. ?)

- WBD -
trffele (II:1049) - uitrafelen (v. e. paddevoet), ook 'thaole'

- WBD -
III. 1. 3:16 'uitreffelen' = uitrafelen

- trffele - rffelde(n) t - tgerffeld

A.P. de Bont: zwak werkwoord overgankelijk. + intr. uitreifelen, uitrafelen.

- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - UITRIJFELEN - uitrafelen

 

truste

werkwoord, zwak

uitrusten

Cees Robben: Ist koffiedrinken of truste?

- truste - rustte(n) t - tgerust

 

tschaaje

werkwoord, sterk

uitscheiden, ophouden

Schaaj t, f ik begien ok

tschaaje - scheej t - tgeschaaje/tgescheeje

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek (1998) - schaaj t meej d pnnekes-geschr - hou op met dat panne-schrapen

Dirk Boutkan: tschje - scheej t - tgescheeje

Audio-opname 1978 Dhr. Bertens Toen ging den buk zon bietje meer aachtert n toen isser de man tgescheeje, witte wl (Collectie Heemkundekring Tilborch; transcriptie: Hans Hessels ► Klik hier voor audiofragment)

 

tschne

werkwoord, zwak

uitschelden

- WBD - III. 3. 1: 'uitschenden' = uitschelden

- Stadsnieuws Tilburg, rubriek Tilburgs huukske; 2006 e.v. - Mister, hij leej mn alleml t te schne (050308)

- tschne - scheen t tgescheene; in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: hij/gij schnt t

Cornelis Verhoeven: TSCHNE: deze samenstelling betekent ook wel: noemen, maar met ontleende woorden.

 

tschre

werkwoord, zwak

leegschrapen

G meut de pan tschre

- tschre - schrde t - tgeschrd

- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - 'UITSCHREN - met. een scheermes uit- of afnemen: het haar van den hals uitschren

 

tschter

zelfstandig naamwoord

- WBD -
III. 1. 4:427 'uitschijter' = uitbrander

 

tschve

werkwoord, sterk

v- Dialectenqute 1887 Willems - een blauwtje lopen, bot vangen, ernaast zitten, van de koude kermis thuiskomen

- WBD - III. 1. 2:14 uitschuiven = uitglijden

- WBD - III. 2. 2:82 'uitschuiven' = een blauwtje lopen

- ve - schof t - tgeschoove

- - Van Dale - = uitglijden (?)

- - Van Dale - een flater begaan, zich vergalopperen

- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - UITSCHUIVEN - eene weigering oploopen.

 

tschver

zelfstandig naamwoord

uitschuiver

de etymologie is niet duidelijk voor de bron:

- Zegsman Hans Hessels; Uit het geheugen van Hans Hessels, 2022 - tschvers gevraogd Gezegd als er een flinke teleurstelling verwerkt moet worden.

 

tschiete

werkwoord, sterk

- WBD - uitschieten; 'tloope', 'tbtte', 'sprte'; uitlopers krijgen, loten vormen; gezegd van planten en bomen;

- uittrekken (van kleren) : Schiet oewe jas mar t.

- WBD - brood uit de oven halen

- WBD - III. 2. 3:112 'uitschieter' = aardappeluitwas

- tschiete - schot t - tgeschoote

- J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - UITSCHIETEN: zijn rok aanschieten, uitschieten. Ook fig. gebruikt. 

A.P. de Bont: sterk werkwoord overgankelijk. uitschieten: iets ergens uit verwijderen; 2) snel uittrekken (kleding)

 

tslag

zelfstandig naamwoord

uitslag (i. a. b. )

- WBD -
III. 1. 2:324 'uitslag' = huiduitslag

- WBD -
III. 1. 2:331 'uitslag' = exzeem

R. J. n den tslag wrdt beknd

- WBD -
III. 1. 2:340 'uitslag' = uitslag onder de neus

- den tslag wrt beknd

 

tsleutel, tsltsel

zelfstandig naamwoord

Van Rijen: uitslag, antwoord
- Cees Robben -
de naoste week krg ik den uitsleutel... (19641009) [van een medisch onderzoek]

- WBD -
III. 3. 1:273 'uitsluitsel' = idem

- Stadsnieuws Tilburg, rubriek Tilburgs huukske; 2006 e.v. - Ik hb vendaog mn waoter nr den dkter gebrcht n merege krg ik den tsleutel (230507)

 

tsliepe

werkwoord, zwak

bespottelijk maken door de wijsvingers over elkaar te strijken

v- Dialectenqute 1887 Willems - sliep t, sliep t: roept men tijdens de handeling

- WBD - (III. 3, 2:66) tsliepe = uitsliepen

Jan Naaijkens, D's Biks: tsliepe ww - uitlachen

- WNT - UITSLIEPEN, uitslijpen, bespotten door met den eenen wijsvinger gedurig over den anderen te strijken alsof men een mes slijpt; inz. in den vorm 'sliep uit!' als uitroep waarmee men deze handeling meestal vergezeld doet gaan. (XVII III 1433)

A.P. de Bont: zwak werkwoord overgankelijk. (kindertaal), uitsliepen, iemand voor de gek houden door met de wijsvinger v. d. rechterhand enige malen over die v. d. linkerhand te strijken onder het roepen van 'Sliep uit! sliep uit!

- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - UITSLIPPEN - beschimpen, uitlachen met den eenen wijsvinger herhaaldelijk over den anderen strijkend.

 

tspanne

werkwoord, zwak

- WBD - uitspannen (v. e. paard), ook 'afspanne' genoemd (in de Hasselt)

- tspanne - spande t - tgespanne

 

tspeule

werkwoord, zwak

uitspelen; het spel beginnen

in een speelbeurt het spel beindigen, resp. winnen

- tspeule - spulden t tgespuld; ook vocaalkrimping in tegenwoordige tijd: gij/hij spult t

- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - UITSPELEN beginnen te spelen, opgaan: Gij moet uitspelen; zoo spelen dat het spel uit is, dat men wint.

 

tspldere

werkwoord zwak

zich onhandig bewegen, spartelen

Mar toen ik docht dk klaor waar en z gaaw meugluk d donker hok tspolderde, kwaam de kapelaon k t zen hok en ging naor de frater. (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

►spldere

 

tspraaje

werkwoord, zwak

uitspreiden

- tspraaje - spraajde(n) t - tgespraajd

- Theo de Wijs; correspondentie met - Cees Robben - bezorgd door Guido de Wijs - (Gehoord van Sint Nicolaas) Ge kunt alles wel optsse mar als gut tspraait lk t veul en veul meer (11-02-1965)

- Theo de Wijs; correspondentie met - Cees Robben - bezorgd door Guido de Wijs - ut dn kerk motte irst oewen maantel itspraaie in de goei kaomer (23-10-1963)

- Ths wieren die zakken bij dreug weer nog ens tgeschud en de rpel op de plots tgespraaid. (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

- A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952) - tspraaje

- n ons moeder hagget [de sinterklaascadeaus] dan ng wt tgespraaid. Dan leeket meer. (Ed Schilders; W zeetie?; Website Brabants Dagblad Tilburg Plus; 2009)

 

tsprs
bijwoord
expres, met opzet

't Lekt vergimme wel of detter utspres om gedaon wordt! (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 18 mei 1945)
- Cees Robben - Nie uitspres gedaon?! (19631011)
 

tstaon

werkwoord, sterk

uitstaan; vooral in de zin van 'er iets mee van doen hebben', ontkenning van enig verband, zoals:

- D'r ziekte waar wel iets aparts, mee de maog ha't niks uit te staon... (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; feuilleton Bad Baozel, 8 afl. in Nieuwe Tilburgsche Courant 31-12-1938 18-2-1939)

- WBD - III. 1. 4:261 'uitstaan' = lijden

tstns

 

tstap

zelfstandig naamwoord

uitstap, eindpunt waar men uit het openbaar vervoer stapt

- Interview dhr. Van den Aker - 1978 - Die reej aatij tt n de Hemeltjes toe in, in Hilverenbeek, h, d waar et Hemeltje n daor wast gewoonlek tstap (transcriptie Hans Hessels 2014) ► Klik hier voor audiofragment

 

tstapke

zelfstandig naamwoord , verkleinwoord

uitstapje

Kees & Bart (ca. 1935): 'tstapke'

 

tstns

bijwoord

uitstaans, ermee te maken hebben

 - Zegsman Hans Hessels; Uit het geheugen van Hans Hessels, 2022 - Daor hbbek gin tstns meej Daar heb ik niks mee te maken; daar heb ik niets mee uit te staan.

 

ttakking

zelfstandig naamwoord

vertakking, aftakking

- Interview Van den Aker (1978), transcriptie door Hans Hessels (2014) - De Piushaove dttis, d hbbe ze toen ndderaand ok meejpesaant tegelk oope gemkt daor, h, d kenaol, d is durgetrokke van, j, van, van, van Den Bosch aaf, zak mar zegge, nr hiere toe n toen in de Piushaove hbbe ze daor zon ttakking gekreege

Klik hier om dit bestand te beluisteren

 

ttlle

werkwoord, zwak

uittellen

- WBD -
tgetld - (gezegd van een koe) het einde v. d. draagtijd bereikt hebbend; ook 'tgereekend' genoemd, ofwel 'n de telling', 'n de baot'

- ttlle - tlde t - tgetld

 

tteur

zelfstandig naamwoord

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek (1998) - g zuukt aatij den tteur - jij zoekt altijd een uitvlucht

 

ttoomoobiel

automobiel, auto

Kees & Bart (ca. 1935): 'ottomobiel'

 

ttrkke

werkwoord, sterk

uittrekken

- A.J.A.C. van Delft - Als bijv. ouders tegen een verloving zijn, "trekt er een zoon of dochter wel eens uit"; ook "zetten ze ooit de kont tegen de krib" en geven enkel kostgeld af om dan toch tegen beters wil en wensch in te trouwen. Een beschaafder spreker drukt dit uit door te zeggen: "Men slaat de verzenen tegen de prikkels." (Nieuwe Tilburgsche Courant; Van Vroeger Dagen afl. 117; 5 juni 1929)

Cees Robben: Ik w dk ze indertd gebraajd ha dan ks ik ze naa ttrkke.

ttrekke - trok t - tgetrokke

 

ttrouwe

werkwoord, zwak

letterlijk: uittrouwen, namelijk uit het huis waarin men woont tot aan het huwelijk

- Interview dhr. Van den Aker - 1978 - Toen bn we, zn we nr de H. Berkvensstraot getrokke n daor bn ik tgetrouwd in vierentwinteg.  (transcriptie Hans Hessels 2014) (transcriptie Hans Hessels 2014) ► Klik hier voor audiofragment

 

ttuijere

werkwoord, zwak

zijn gang gaan - speciaal in onderstaande uitdrukking:

v- Dialectenqute 1887 Willems - lt ema aar ttuijere - laat hem zijn gang maar gaan; geef hem de ruimte

- alleen de infinitief is gangbaar

 

tval

zelfstandig naamwoord

lot, toeval

den tval moet et goedmaoke

 

tvaort, tvrt

zelfstandig naamwoord

uitvaart, begrafenis

- WBD -
III. 3. 3:321 tvaort = begrafenis

A.P. de Bont: zelfstandig naamwoord vrouwelijk uitvaart 1) begrafenis; 2) de gezamenlijke familieleden van een overledene bij zijn/haar begrafenis

 

tvne

werkwoord, sterk

uitvinden

- tvne - von(d) t - tgevonde

- N d moete zllef mar uitvne.  (Uit: F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010.)

- WBD -
III. 1. 4:19 'uitvinden' = broeden

- WBD -
III. 1. 4:18 'uitvinden' = uitdenken

- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - UITVIJNEN - uitvinden

 

otvner

zelfstandig naamwoord

uitvinder

Kees & Bart (ca. 1935): 'uitveiner'

De vorm 'tvender' zou ook kunnen bestaan.

 

tviegieleere

werkwoord, zwak

- WBD -
III. 1. 4:18 uitvigileren = uitdenken

 

tvrt

uitvaart

- Grot diktee van de Tilburgse taol . 06 en korke vur te zinge meej tvorten n zo meer

 

tvraoge

werkwoord, sterk

doorvragen

- A.J.A.C. van Delft - "Vraag me nou asteblief nie tot op m'n hemd uit." Dit is: Blijf niet zoo nauwkeurig vragen, zoodat ik vast raak. (Nieuwe Tilburgsche Courant; Van Vroeger Dagen afl. 108; 6 april 1929)

 

tvundere

werkwoord, zwak

uitpluizen, uitvissen

- Stadsnieuws Tilburg, rubriek Tilburgs huukske; 2006 e.v. - D moete tch ng es goed tvundere; ik gelf d zo mar nie (240107)

- tvundere vunderde(n) t - tgevunderd

- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - UITVUNDEREN - uithooren, polsen; VUNDEREN - uithooren, polsen. Iemand vunderen.

 

tzakke

werkwoord, zwak

- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters n aandere saawelrs (7de perbeersel, 1996) - een uitzet meegeven, toerusten, met name: van voedsel voorzien om mee te nemen naar werk of voor onderweg

- Cees Robben -
Ik moet munne man nog uitzakke.. (19860425)

...zis man moes worre tgezakt/ drie sneekes mik, vier dikke rogge/ meej en flitterke gehakt (Lechim; pseudoniem van Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Moederdag)

En ding weet ik zeker, zittie de woorden die ik notmir vergeete ben: Ik zal mn knder beter tzakke dan dttiezen knder heej gedaon, d sloeg op w ons moeder indertd ha meejgekreegen. (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

Jan Naaijkens, D's Biks: 'tsakke' ww - uitzakken

 

tzgge

werkwoord, sterk

doorvertellen (wat vertrouwelijk is)

- Interview met de heer De Kok (1978) Ik maag alles nie zgge want d komt er wir op te staon wgge ammel meej tgezeet ht

KLIK HIER om de audiobestanden van dit interview te beluisteren

 

tztte

werkwoord, zwak

uitzetten; uitspoken

W hedde toch uitgezet? (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 9 februari 1945)

- WBD -
tztte - uitzetten, nabewerking van gelooide huid, om overtollig water weg te halen en het leer glad te maken (II 648)

- WBD -
tztter - uitzetter (werktuig), botte, smalle ijzeren strook in een houten handvat (II 649)

 

tznigge

werkwoord, zwak

uitzuinigen, bezuinigen, uitsparen

- Audioregistratie 1978 - n dan vatte ons moeder en stuk zwart brod, d krege we zllef dikkels ok mar hr want bij ons wier et tgeznegd bij et eete! D weet ik ng goed zuur brod, j, meej zuurdeg gebakke nt as den Dtser dieje kuch doen, h!  (- Interview met Heikanters - Transcriptie door Hans Hessels)

 

tzien

werkwoord, sterk

uitzien

tzien - zaag t tgezien; tegenwoordige tijd 3e pers.: zie t

- Hessels 2020 - Tegen iemand die er slecht uitziet: - gij wrt nie zo oud as dgger tziet! (Zegsman dhr. Hessels (1931-2006). Volledige bron: Klik hier

- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - UITZIEN - er uitzien - schijnen, den schijn hebben van: Hij ziet er uit gelijk 'ne schooier.

 

tzundering

zelfstandig naamwoord

Van Rijen: uitzondering

 

tzuuke

werkwoord, sterk

uitzoeken

- WBD -
III. 1. 4:45 'uitzoeken' = uitkiezen

- tzuuke - zcht t - tgezcht

- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - UITZUKEN - uitzoeken

 

tzuute

werkwoord, zwak

uitzoeten

- WBD -
'tsuutte' - uitzoeten, door stromen of weken ontzouten van geconserveerde huiden (II 601)

 

ou, oe

pers. vn.

u, jou, je

Laot leven mij, 'k laot leven ou . . . (H.A. Sterneberg s.j., Een Busselke Braobaansch, uit: Vurreej , 1932)

zilverblinkend blleke waoter, / geere zing ik over ou. (Piet Heerkens; uit: De Kinkenduut, Drpke dauw, 1941)

- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - OU vrnw. - U. Dat is van ou. Ik heb 't tegen ou gezeed.

 

oud

bijvoeglijk naamwoord

oud

- Grot diktee van de Tilburgse taol 08 ge wrt not zo oud as dgge der tziet

- oud - aawer - oudst

 

outer

zelfstandig naamwoord

altaar

... as ik naauw nog is in de Noordhoekse kerk koom en ik zie daor zn praachtige schilderingen, zne prikstoel, zn ramen, den outer en dien schonen uileger, dan vergao k van plezier... (Naarus; pseudoniem van Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

 

ouw, oew

bezittelijk voornaamwoord

uw, jouw, je

- J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - OUW, voor 'uw', veel gebezigd, niet zonder voorbeeld bij de ouden. Niet uitgesproken als in 'oud'; ook niet 'auw', maar als 'oew'. Ik acht het veel minder onbeschaafd dan het Hollandsche jouw . 

- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - OUW - uw. Ouwe vrind. Ouw kind

 

ouwbaoker

zelfstandig naamwoord

de etymologie is niet opgehelderd

- Zegsman Hans Hessels; Uit het geheugen van Hans Hessels, 2022 - Ouwbaoker Ouwoer

 

ouwehoere

werkwoord, zwak

ouwehoeren

- Audioregistratie 1978 - Ik kan van teej ok wel ouwoeren hor! Mar van en borreltje gaoget wl gemakkeleker! Oo j! En zachte wnk, hi! (Interview met Heikanters - Transcriptie door Hans Hessels)

 

ouwer

zelfstandig naamwoord

altaar

- WBD - III. 3. 3:64 ouwer = altaar

 

ouwoer

zelfstandig naamwoord, zowel de als het

- Hessels 2020 - Als moeder weer eens niet zo spraakzaam is: - ons Keej, dr is Willem de Zwger en ouwoer bij! (Zegsman dhr. Hessels (1931-2006).

 ► Volledige bron: KLIK HIER

 


Naar het begin van de pagina

Inhoud Woordenboek Tilburgse Taal

CuBra Home