INHOUD WTT
HOME

Het Woordenboek van de Tilburgse Taal wordt mede mogelijk gemaakt door

A

B

BL

D

E

F

G

H

I

J

K
KIK

KRA

L

M

N

O

OOD

P

PLA

R

S

SIEB

SPR

T

U

V

VIE

W

Z

 

Wil Sterenborg

Van kraacht tot kwossebons

Van kaaj- tot kiezelgoer

Van kik tot kousebraajer

kreugel

kraacht

zelfstandig naamwoord

kracht, ook werkkracht

Kees en Bart (ca. 1925; in Tilburgsche Post) -- goeie kraachten

A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland, Meer in het bijzonder dOerse taol, 1958 etc. -
kraacht - kracht

 

kraaj

zelfstandig naamwoord

kraai; Corvus

Tekening: Cees Robben uit 3 jaar voetbal concentratie van A.P.M. v.d. Ven jr., 1946

Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) -  asser rges en kraaj neerstrkt, laandt er sebiet en hele klcht (Pierre van Beek --  Tilburgse Taalplastiek 1972) - waar aas is, verzamelen de gieren zich

Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) -  en kraaj gefreeten hbbe (Pierre van Beek --  Tilburgse Taalplastiek 1973) - een flater begaan hebben, een verkeerde uitspraak gedaan hebben.

Bijnamenboek Karel de Beer - ene kraaj = doodsbidder (blz. 91)

 

kraans

zelfstandig naamwoord 

krans

Frans Verbunt -  wekelijkse bijeenkomst (van pastoors)

WBD (III.3.3:57) kraans = aureool

WBD (III.3.3:327) kraans of kiestkraans = rouwkrans

 

kraanse

werkwoord, zwak

kransen

Dialectenqute 1887 Willems - kraanse - kraanste - gekraanst

ook in tegenwoordige tijd geen vocaalkrimping

 

kraanselier

zelfstandig naamwoord

sukkelaar

N. Daamen - handschrift 1916 - "'t is 'ne kraanselier (een sukkelaar en onbetrouwbaar)"

 

kraansl

zelfstandig naamwoord

Henk van Rijen -- 'kraansl' - kerkuil (Tyto alba)

WBD III.4.1:192 'kransuil' - kerkuil (Tyto alba), ook 'katuil' genoemd.

WNT KRANSUIL - kerkuil, Strix flammea

 

kraansvoogele

werkwoord, zwak

N. Daamen - handschrift 1916 - "kraansvogelen - ligt er nie te kraansvogelen (anders te doen als ge zegt of meent)"

 

kraant, krantje

zelfstandig naamwoord

krant

Dialectenqute 1876 - kraant; den almanak en de kraant brenge de leuges in 't laand

Bij de van den Bredevoortkes waar deze moderne vrm van w.c.-durspuule nog nie durgedronge. Daor veegde ze der kont ok aaltij nog meej un stukske kraant aaf, asse klaor waare. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) -  ene kraant van en week oud leeze, d gift zachte og (Si'75) oud nieuws komt niet zo hard meer aan

Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) -  nr Hitselpitsel, daor ist meej kraante dichtgeplkt ('86) reactie op de vraag 'waarheen?'

WBD III. 3.1 :280 'lopende krant' = kletswijf'

 

krabbe

werkwoord, zwak

krabben

krabbe - krabde - gekrabd

R splle krabbe = dennenaalden verzamelen, o.a. voor de ondergrond in de varkensstal, zodat ze uiteindelijk tot 'mest' werden

- en bij de roep van "krabbe" [geroepen door de visboer] wir innen nuuwen echo van: "t jukt nie" (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

Cees Robben Ik gao w spelle krabbe want ik mot t vreke nog strssele.. (19760618)

Cees Robben Dieje krabde nie blt.. (19561215) [Hij is zeer rijk]
Cees Robben Ze krabben men nie blt.. zeej Drik.. (19610922)
Cees Robben En ze krabbe men niemer blt... (19780421)

WBD krabbe (Hasselt) - met de poten in de aarde krabben (v.e. kip)

WBD krabbe - darmen schoonmaken (binnenste buiten gekeerd wordt de binnenzijde van vuil ontdaan)

Pierre van Beek --  Waor gin jk is, daor krabde nie (Tilburgse Taaklplastiek 184)

Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) -  en katje krabt em nie (Pierre van Beek --  Tilburgse Taalplastiek 1972) - die is niet bang uitgevallen

K. Heeroma - Brabants uit de 18e eeuw (woordenlijsten Verster,1968) - KRABBEN: de vuiligheid, onkruid en het lange gras tusschen het schaarhout uithalen, hetwelk dan tot Strausel word gebruikt. Z.a.

WBD III.4.4:246 'krabben' = krassen (geluid)

WBD III.1.3:269 'krabber' = scheermes

 

kraffel

zelfstandig naamwoord

oudere persoon die slecht ter been is (► kraffele)

Cees Robben W ben ik toch vort n kraffel.. (19680105)

En om r vur te zrrege dk gin aauw kraffel wr, gaok r teegesworrig dikkels n ptje nrdik wlleke. (Ed Schilders; W zeetie?; website Brabants Dagblad Tilburg Plus 2009)

 

kraffele

werkwoord, zwak

krabbelen, onbeholpen schaatsen

kraffele - kraffelde - gekraffeld

oovernd kraffele - overeind komen

...en toen ik wir trug gekraffeld was... (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

WBD III.4.1:108 'kraffelaarke' -boomklever (vogel)

Heestermans, Witte nog? Over Bergse en Westbrabantse woorden en uitdrukkingen; 8 dln.; 1988-1994. - kriffele (I:84)

Verhoeven - KRAFFELE, in overnd kraffele, omhoog komen, er weer bovenop komen verwant met 'krabbelen' en 'kruipen'?

Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - KRUIFELEN (uitspr. krffələn) - krabbelende kruipen (Eng. to crawl)

 

kram, krmke

zelfstandig naamwoord

kram, krammetje; hechting in wond

Et waar net Siendereklaos, zon witte kien hattie naa, van de pleisters dieter op geplekt zaten. Daor zaate wel tien kremkes in, zi ons moeder. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

 

kramlster

Ill.: Naumann - kramlster (turdus pilaris)

Luister naar de kramlster

 

zelfstandig naamwoord

Henk van Rijen -- kramsvogel (Turdus pilaris)

WBD III.4.1:88 ' kramlijster' of ' dubbelijster' of 'vlierscheut' voor de kramsvogel (Turdus pilaris)

WNT KRAMSVOGEL ... De krammetsvogel, bij verkorting Krams-vogel, is een groote soort van Lijster, die aldus genoemt word, om dat ze de krammets of jenever-besin gaarne eeten (1625)

 

krampeere

werkwoord, zwak

kreperen

A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland, Meer in het bijzonder dOerse taol, 1958 etc. -
krmpe.rə(n), zw. ww. intr. 'kremperen' (met invloed van 'kramp' misschien)

- kreperen, onder hevige, krampachtige pijnen omkomen.

WNT KREPEEREN - KRAPEEREN, Nhd. krepieren - Sterven. Alleen in gemeenzame taal In Z.-Nederl. onbekend. Wsch.door bemiddeling v.h. Hoogduits uit het Italiaans afkomstig 'crepare' = barsten, en bij uitbr. 'sterven'. Vgl. CREVEEREN.

Noord en Zuid, jrg. 10, 1887, p. 11 Diverse Meijerrijse woorden - Zoo spreken de Meierijers en schrijven ook (...) krampiere...

 

kraog, krgske

zelfstandig naamwoord

kraag

WBD III.4.3:58 kraog - wortelhals

WBD III. 1.3:110 'kraag' = kraag

A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland, Meer in het bijzonder dOerse taol, 1958 etc. -
znw.m. - kraag

 

kraoke

werkwoord, zwak

kraken

Pierre van Beek --  begiene te kraoke - de eerste barensween voelen/oud worden 

R.J. 'de sleutel krkten in et slot'

Cees Robben -- Ge ht den hillen dag mar vrt te doen d oew naoj kraoke; kraokend;

WBD III.1.2:234 'kraken' hijgen

Dialectenqute 1887 Willems - kraoke - krkte - gekrkt

ook in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij krkt

OT 72:196 kraaken: zyn wyf begint te kraaken = 'zijn vrouw toont de voortekenen van de naderende bevalling' z.a.

WNT VIII:72 'beginnen te kraken' Het beeld is blijkbaar ontleend aan een omhulsel dat dreigt te barsten omdat het den inhoud niet meer kan bevatten.

WNT KRAKEN (I) 4) Van een zwangere vrouw gezegd in den zin van: de voorteekenen v.d. naderende bevalling vertoonen, barensween hebben.

A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland, Meer in het bijzonder dOerse taol, 1958 etc. - zw.ww., intr. - kraken

Jan Naaijkens, D's Biks - 1992 - kraoke ww - kraken

 

kraokstene
zelfstandig naamwoord, meervoud van kraoksten
kersenpit
WNT lemma KRAAKSTEEN - In Z.-Nederl. de gewone benaming voor eene kerse- of kriekepit. Reeds bij Kiliaen [1599]
Cees Robben Tot in de pruimetd war.. En dan verzuuk ik jllie op de kraoksteene.. (19841221)

 

kraol

zelfstandig naamwoord

kraal

A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant, 1952 - ik zal oe kraolekes geeve

WBD I:1448 'kraolə' - kralen (bep. soort aardappels)

WBD III.1.3:262 'kralensnoer' = halssnoer

 

kraom, krmke

kraam, kraambed; marktwinkel

Cees Robben -- en vrouw int kraombd;

n as ons moeder dan in de kraom laag, kwaam de femielie n de buurt meej de krommen rem. Die brchte dan vur heur in der krf amml lkker spul meej om n te strke. (G. Steijns; Grot Dikteej van de Tilburgse Taol 2001)

Dialectenqute 1876 - kerremiskroam

De Wijs -- As ik oew staandpunt ken, zak oew kraompke wellus omschuppe (17-08-1964)

WBD (III.3.2:272) kraom = kermistent; ook: 'barak'

WBD III.2.2:5 'miskraam, misval' = miskraam; ook 'misje', 'kwade kraam'

A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland, Meer in het bijzonder dOerse taol, 1958 etc. - znw.vr - kraam; dem. 'kromke(n)'

Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - KRAAM znw.o. en niet v. 1) marktwinkel; 2) bevalling v.e. kind

 

kraomben
zelfstandig naamwoord
kraambeen; afsluiting van een diep gelegen ader (trombose) in het been tijdens de eerste zes weken na de bevalling.
Cees Robben Ons moeder leej meej n kraombeen plat te bed... (19860314)
 

kraome

werkwoord, zwak

kramen, bevallen, verlost worden

Cees Robben As n vrouw uitschaait mee kraome,/ Haauwt ze mee dr kender saome... (19790720)

WBD III.3.2:305 'kraamvisite' = idem, ook 'kindjeskermis'

kraome - krmde - gekrmd; ook in praes. vocaalkrimping: gij/zij krmt

WNT KRAMEN II) Bevallen, verlost worden; of wel: bevallen zijn, in de kraam liggen, kraamvrouw zijn.

 

krmke
zelfstandig naamwoord, verkleinwoord van kraom
kraampje
in de uitdrukking iemands krmke umschuppe: figuurlijk gezegd voor iets weerleggen
Cees Robben - ..En naa ik oew staandpunt ken zakkoew kraomke wel is omschuppe... (19641002)
 

kraon, krntje

zelfstandig naamwoord

kraan

Cees Robben Mn neus lpt as n kraontje (19831216)

Soep hasse zat gemaokt, de kraon hoefde mar open te draaie, zegge ze wel ens vur de gein. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

►lewaajsoep

A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland, Meer in het bijzonder dOerse taol, 1958 etc. - znw.vr. - kraan

 

kredietjas

zelfstandig naamwoord

slipjas, gedragen door mannen bij kerkbezoek

Van Delft - "Ik nam m'n vroegpreek (ouderwetsche groene paraplu) onder den arm, terwijl m'n man zijn credietjas aantrok." (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 109; 13 april 1929)

 

kreg

werkwoord, persoonsvorm.

kreeg

Cees Robben -- en wulpse gaans kreg in Riel de kaans

Dialectenqute 1876 - gllie kreeg wnig - gijlieden kreegt weinig

Henk van Rijen - ge kret et vur en spaawke - je kreeg het bijna voor niets

Dirk Boutkan (1996) - ik kreg/kreeg, wij krege/kreege, enz. (blz. 77)

verleden tijd v. 'krge'; soms apocope van g: toen krede niks

 

krge

Kaart uit: A.A. Weijnen, Onderzoek naar de dialectgrenzen in Noord-Brabant; 1937

werkwoord, sterk

krijgen

krge - kreg - gekreege; geen vocaalkrimping

soms apocope van g- krde gij? ge krt er gin, toen krede niks

vatte w ge krge kunt - pakken wat je krijgen kunt

Cees Robben -- ge zt er w van krge; ge vraogt wgge krgt; ik krg niks mir;

Cees Robben -- daor krde lang reme van; daor krde hangoore van;

Cees Robben -- en wulpse gaans kreg in Riel de kaans: ge krget wl;

Dialectenqute 1876 - gllie kree wnig - gijlieden kreegt weinig Dialectenqute 1876 - Ze nmen aalles wetter te krgen is

A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant, 1952 - ge kunt hier aajer krgen p de mrt

Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) -  iets tusse de ribbe zien te krge (HM'70) - eten, geld zien te krijgen

Henk van Rijen - ze kossen em nie bekweeke gekreege krge

WBD III.4.3.33 krge - vrucht zetten; ook: spenen, zetten, laden, dragen

A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - krge (krt.22)

A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland, Meer in het bijzonder dOerse taol, 1958 etc. -
kre.ge(n) st.ww. tr. - krijgen, ontvangen

Dirk Boutkan (1996) - (blz. 77) alle pers.in pres.'', na gij/gullie ook krgt' of 'krt'

 

krmer, ook: teut

zelfstandig naamwoord

Henk van Rijen -- kramer, kremer, venter, koopman

Dirk Boutkan (1996) - (blz. 23) 'kremer' (kramer)

Bosch kremer - marskramer

WNT KRAMER - 1) Eigenlijk: Iemand die koopwaren uit zijne kraam verkoopt bij uitbreiding: kleinhandelaar; 2) Oneig.: een onbeduidend mensch.

 

krmerke

zelfstandig naamwoord, verkleinde vorm

spit

N. Daamen - handschrift 1916 - "kraimerke - ik heb et kraimerke of te wel het schot of te wel het spit in m'ne rug (pijn die men bij den ruggegraat heeft, ter hoogte der lendenen)"

WBD III.1.2:310 'kremertje' = spit; ook; 'krimperd'

Bosch kremerke - spit in de rug

Het Ned. woord wordt niet gebruikt.

 

krse

werkwoord, sterk

krijsen

WBD III.4.1.:47 ''krijsen', 'krassen (kressen)' - krijsen van vogels

WBD III.5.1:286 'krijsen' = roepen, schreeuwen

Dirk Boutkan (1996) - krse - kres - gekreese: wordt ook zwak vervoegd

 

krt

zelfstandig naamwoord

krijt

WBD 'krijt' (II:1109) - krijt, kleermakerskrijt

 

Krvent

toponiem

Kraaiven

het Kraaiven
vroeger buitengebied in Tilburg Noord-West, tegenwoordig grootdeels  industrieterrein
Cees Robben Van t Krvent naor t Kedent is mar unne bolscheut... zisse... (19850504)
 

kreew

zelfstandig naamwoord

WBD III.2.3:208 'kreew' = dikke boterham

 

krk

bijwoord

precies, juist, correct; zojuist, daarnet

uit het Franse 'correct'; het is echter niet duidelijk hoe 'krk' bovendien aan de betekenissen 'zojuist, daarnet' gekomen is.

precies - gelijk - maatgevend: er is geen verschil

Bende gij erm of bende gij rijk, / nao den dood is et krek gelijk; (Piet Heerkens; uit: De Kinkenduut, Spreuke, 1941)

"Nou, 't is ok krek eender," zee den boer. (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Boere-Profeet; feuilleton in 5 afl. in de NTC 1-7-1939 29-7-1939)
't Was wel nie krek in Den Bosch te doen, mar all... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Den jongen dokter; feuilleton in 3 afl. in de NTC 22-4-1939 8-5-1939)

precies, naar believen

R.J. twee kiendjes ds krk genoeg

D waar naa krek iets veur oome Teun. (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Kareltje Vinken; feuilleton in 10 afl. in NTC 13-4-1940 24-8-1940)
D waar krek de goeie tijd om aon pozie te doen. (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Kareltje Vinken; feuilleton in 10 afl. in NTC 13-4-1940 24-8-1940)

Huuk - Ds krk wk wo - dat is juist wat ik wilde

zojuist, heel kort geleden

Van Delft - - Is iemand niet thuis, dan "is ie krk weg", "komt seffens thuis" of wij "komen saanderdags" of "van 't naagtemiddag mar weer is aon".(Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 110; 20-04-1929)

Cees Robben krek passeerde daor n medje... (19660401)

Cees Robben Ik krj [kruijde] krek munne kreugel op den kaaibaand unne kinkenduut kepot... (19711119)

om precies te zijn - precisering

Knap was ze krek nie... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; De nuuwe dokter; feuilleton in 4 afl. in NTC 27-1-1940 17-2-1940)
"J, d-d-is-et em krek," zee oome Teun... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; De nuuwe dokter; feuilleton in 4 afl. in NTC 27-1-1940 17-2-1940)

Hoe-t-ie eigenlijk hiet, weet ik ook zoo krek nie, iederendeen noemt 'm den Boemes. (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Boere-Profeet; feuilleton in 5 afl. in de NTC 1-7-1939 29-7-1939)

Piet van Beers Allerhaande: t Waoter stao al in mene mond/ as ik die pltjes zie./ Mar... of ' t zo lekker is as t ogt/ weet ik zo krk nog nie. (t lfde buukske, 2010)

Enqute over Je favoriete Tilburgse woord op Facebookpagina Je bent een echte Tilburger als... maart 2013 -

maar net, zo goed als precies
...en ie kwaam mar krek op tijd... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Oome Teun in den trein; NTC 16-9-1939)
...en d ze heel den dag krek tien centen ha'n verteerd. (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; De nuuwe kapelaon van Baozel, afl. 6; NTC 5-11-1938)
net op tijd

De Wijs  -- k Ham nog krek (feb. 1962)

Stadsnieuws -  Krk dk et deej dcht ik: d hak nie moete doen. (251107)

Bronnen

WNT KREK, krekt - Men pleegt het woord te houden voor overgenomen uit het Fr. (correct) en deze afleiding wordt gesteund door het voorkomen van krekt (met de t van korrekt). - Precies, nauwkeurig, in orde, juist

K. Heeroma - Brabants uit de 18e eeuw (woordenlijsten Verster, 1968) - KREK - juist

Verhoeven - KREK (krk) bw, verbastering van 'correct'; voor een deel heeft het de functie daarvan overgenomen; het betekent 1) juist, bij voorkeur als bevestiging v.e. bewering; 2) zojuist, niet lang geleden.

A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland, Meer in het bijzonder dOerse taol, 1958 etc. -
krk - bijwoord  net, juist, precies?

Jan Naaijkens, D's Biks - 1992 - krk bw - juist, precies, net

Bosch krk - precies, juist, als bevestiging

 

krk lk
bijwoord
krk = precies; lk = gelijk
Cees Robben krek lek unne meens (19551119)
Cees Robben ...krek-lek unne haauw-maauw (19560428)
Cees Robben krek lek unne juin... (19880108)

 

kremieleke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

kruimeltje

Ik vn buvurbild, as ge naa is efkes wegdenkt d t nie vuugt, dgge de gaastvrouw nie beter zt kunnen eeren dan deur oe bord af te lekken tot t leste kremieleke toe... (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

 

krmmelktje

zelfstandig naamwoord, verkleinde vorm

Pierre van Beek --  te klein woonhuis (voor een gezin)

Henk van Rijen -- 'krmmelktje' - klein, miezerig huisje

Frans Verbunt -  'krmmelhkske' - klein vertrek

WBD III.4.4:225 'bekremmeld' = nauw, eng

WNT KREMMEN - dringen, in het nauw brengen. Afl. KREMMELEN - dringen door iets dat nauw is kremmelachtig - van eene woning enz.: te eng, te klein; KREMMELKOT - een nauwe woning

Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - KREMMELKOT znw.o. - nauwe en belemmerde woning, waar men niet dan al kremmelende kan binnengeraken.

 

krmpeg

bijvoeglijk naamwoord .

WBD gezegd v.e. paard dat last heeft van kramp in de benen; zo'n paard wordt ook wel 'kramptrkker' genoemd

WNT KRAMPIG = krampachtig

 

krenel

zelfstandig naamwoord

kaneel

nog geen Tilburgse bewijsplaats

Noord en Zuid, jrg. 10, 1887, p. 11 Diverse Meijerrijse woorden - Zoo spreken de Meierijers en schrijven ook van (...) krenl ...

 

krng

zelfstandig naamwoord

WBD boosaardig paard

WBD III.4.2:32 'kreng', ook: kadaver, 'dood beest', 'dode', 'lijk'

WNT KRENG 1) dood lichaam v.e. dier; 2) een waardeloos ding;

3) scheldnaam voor dieren en menschen

A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland, Meer in het bijzonder dOerse taol, 1958 etc. -
znw.vr. - kreng, lastig, onhandelbaar paard of mens.

Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - KRENG znw.v. en niet o. -oud, mager peerd; fig.: magere, kleine

 

krnk

zelfstandig naamwoord

Henk van Rijen -- trapperhefboom (Eng. crank)

 

krnteblleke

zelfstandig naamwoord, verkleinde vorm van 'krntenbl'

klein krentenbroodje (eenpersoons)

gez. Pierre van Beek --  Hij heeter mar vier n nog en krnteblleke, n ds ng ngeknaawd ook. - Hij heeft ze niet alle vijf.

 

krntemik

zelfstandig naamwoord

Frans Verbunt -  krentenbrood

-- De aanduiding krentenbrood mag uitsluitend worden gebezigd voor brood met ten minste 30% krenten. (Koninklijk besluit van 4 juni 1998)
 

krp

zelfstandig naamwoord

karbonade; crpe, (gekroest weefsel)

Cees Robben - ...of wilde krep...  (19550205)

WBD bepaald zijden, kunstzijden of wollen weefsel (II:860)

WBD III.2.3:50 'krip' = lapje spek;

WBD III.2.3:61 gebraden varkensrib

WBD III.2.3:54 'krip' = gerookt vlees

WBD III.2.3:63 'krip' = karbonade

Heestermans, Witte nog? Over Bergse en Westbrabantse woorden en uitdrukkingen; 8 dln.; 1988-1994. - kripke spek (I:50)

Jan Naaijkens, D's Biks - 1992 - krp zn = krmenaaj

C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - KREP (krp) m - carbonade (ook: kermenj), deel v.h. geslachte varken dat naar de pastoor gebracht wordt.

A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland, Meer in het bijzonder dOerse taol, 1958 etc. - krap, znw.vr. - karbonade met twee, drie, soms vier ribben aaneen.

WNT KRIP (II), krep, znw.vr., mv. -pen. Van onzekeren oorsprong. Benaming voor een lapje vleesch, in verschillende streken in verschillende toepassingen. Z.a.

Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - KREP of KRIP znw.m. - snede spek of hesp

 

krppot

zelfstandig naamwoord

WBD tussenklauwontsteking (bij koeien)

 

krpsuuzjtte
stoffelijk bijvoeglijk naamwoord
uit het Franse crpe Suzette, zeer dunne pannenkoekjes
mogelijk een vondst van Robben zelf; niet elders aangetroffen
Cees Robben [Twee oudere dames onder elkaar] Wij waren vruuger net z schn mee ons fiel-de-kros kousen en ons krep-suu-zjette bloeskes... (19730720)
 

krs

zelfstandig naamwoord

crche, kinderdagverblijf

- Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980, Tilburgse Koerier:

En krs op den Haajkaant

Ons Sjaan die kos er nie n t
dus kwaam ze wir bij mn:
In den Haaikaant komt en Krs,
w zo d vur iets zn?"

Ik hb ze haorfn tgeleej
al gaaf d wl w laast:
En krs d is en instlling
die op de kiendjes paast.

As de Moeder bodschappe doe
of wrkt bteshs,
dan zn de knder tch verzrgd
n nie allenig ts.

Ik ht wl zeuve keer gezeej
toen hasset ng nie deur
want ze zeej: Ik hoef ginne Krs,
daor hb ik jou tch veur?

Krtshs, et

Toponiem; het Krijthuis, onderdeel van Den Elevlucht, op Korvel

Krijthuis (?)

WNT lemma krijten - krijthuis, door HUYGENS (HUYGENS 2, 219 [1655]) gemaakt in den zin van: huis waarover men schreit, huis der droefenis.
Willem van Mook Den Uilenvlucht was de verzamelnaam voor drie grote weverswoningen. Ze stonden zeer afgelegen, op een open veld, waar toen nog geen andere bebouwing was. Er voor, er achter en bezijden niets dan weide, heide en bossen. In bet begin van deze eeuw waren die drie huizen tot ruines vervallen en toch woonden er toen nog mensen in. Het Kretshuis was het voornaamste van de drie. De Keet en de Krucht waren dpendances van het grote Kretshuis dat in het begin van de vorige eeuw, toen Tilburg onder Frans bewind stond (1795-1813), gebruikt is geweest als Leprosie (Melaatsenhuis). Omdat er in Tilburg gelukkig geen melaatsen waren, bestemde men het voor quarantaine bij besmettelijke ziekten. (Nieuwe Brabantse novellen; 1970)
A.J.A.C. van Delft - De Korvelsche menschen praten nog van het "kretshuiske", dat in vroeger jaren aan de Oerlesche straat gelegen was en zooveel als een quarantaine, een leprozeninrichting was, waarin zieke Kozakken en Fransche soldaten in desolaten toestand een tijdelijk tehuis vonden. Van een regelmatige ziekenverpleging schijnt daar geen sprake geweest te zijn. (Nieuwe Tilburgsche Courant - 14 juni 1924; Van vroeger dagen 39: Het Ziekenhuis)
A.J.A.C. van Delft -... "de luizenparochie" [Korvel] , met het "kretshuiske", dat zooveel als een quarantaine, een leprozenhuisje was, waar lijders aan besmettelijke ziekte reeds tijdens den Franschen tijd afgezonderd werden, en dat later - Tilburg is zijn St. Rochusgesticht rijk geworden - werd omgebouwd tot twee arbeiderswoningen, waar "Jans Kleevers" en de "Prutsmadame" woonden... (Nieuwe Tilburgsche Courant - 29 november 1924; Van vroeger dagen 50: Korvelsche brokskes intimiteit)
 

krd, meervoud kruije

sintjaakpskrd - kruiskruid - senecio

hoefkrd - klein hoefblad - tussilago farfara

boerewrmkrd / tanacetum vulgare

sintjanskrd - sedum telephium

zelfstandig naamwoord

kruid, 'toekruid'

bonekrd - bonenkruid Dialectenqute 1876 - kruid (ui = eu van fr. Meuse)

WBD III.4.3:250 sint-jaakbskrud - kruiskruid (Senecio)

251 hoefkrd - klein hoefblad (Tussilago farfara)

WBD III.4.3:?? boerewrmkrd, wrmkrd - boerenwordkruid (Tanacetum vulgare)

WBD III.4.3:366 sint-janskrd - hemelsleutel (Sedum telephium) WBD III.4.3:409 plkrd - pijlkruid (Sagittaria sagittifolia), ook genoemd: zwlmstrt

WBD III. 2.3:128 'kruid', 'toekruid' = specerij

Dirk Boutkan (1996) - (blz. 54) krd - kruije

 

krdnaogel

zelfstandig naamwoord

kruidnagel

meervoud: kruinaogels

De Wijs -- w staode toch te snuffelen -kruuk liever kruinaogels (seringen) dan snoffels (anjers), mun dalidassen staon schon maar ruuken nie (10-03-1967)

zie ook: krnaogel

 

kreugel, kreugeltje

Afbeelding uit Kroniek van de Kempen - 1990

Lon L'Hermite - Oogsten

David Teniers -17de eeuw

zelfstandig naamwoord

kruiwagen

N. Daamen - handschrift 1916 - "kreugel - kruiwagen"

MTW 'kreugel, krwaoge'

Hij reej meej zene kreugel ene kinkenduut harstikke Jantje Marinus - Hij reed met zijn kruiwagen een kikvors dood.

R.J. 'men kreugeltje piept'

...mar den dezen is net 'nen kreugel: ge moet 'm douwe! (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Den Sik van Baozel; feuilleton in 8 afl. in de NTC 25-2-1939 18-4-1939)
Hij moet er mee z'n neus bovenop gedouwd worren, hij moet er op den kreugel naor toe gerejen worren! (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Den Sik van Baozel; feuilleton in 8 afl. in de NTC 25-2-1939 18-4-1939)
- In piepend kreugeltje mee twee maande dr op, en innen meens dr aachter, die riep "kneukels" (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

De Wijs -- Rijd den kreugel mar deur t deurgebint int schop (20-07-1962)
Van Beek - een "kreugel" is een kruiwagen; (Nwe. Tilb. Courant; Typisch Tilburgs afl. XI; 10 jan. 1958)

Anoniem 1959
Toen ging ie mee bukkum leure,
mee de kreugel van de buur,
Jaans pluisde wol, deej stukke,
't was genog vur brood en huur.
(Nieuwe Tilburgse Courant - donderdag 19 november 1959; Uit Tilburgs folklore - 'n Kaoi rikkemedaosie)
► voor de volledige tekst zie http://www.cubra.nl/wtt/documentlemmas/rikkemendaosie.htm

Cees Robben Van unne kreugel worde nog is lilluk k... Daor krde grte neusgaoter van en lang reme... (19730330)
Cees Robben Ik krj [kruij] krek munne kreugel op den kaaibaand unne kinkenduut kepot... (19711119)

Hij zaag de wvers meej de kreugel/ stukke brnge nr den heer. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: En euw heuvelse krk)

Elie van Schilt - Ok ut gepiep van unne kreugel waor unne textielarbeier de stukken stof die zun vrouw gestopt had als thuiswerk, wir trug brocht naor de fabriek. (Uit: Vruuger heurde wij aanders; CuBra ca. 2000)

Interview Hermans - 1978 - Op de kreugel laag de ktting n dan wier zo, zo vr ast was, war, d wier daor ammel opgehkt toed de ktting daoroover ophong, toen wier ie gedrgd (transcriptie Hans Hessels, 2013)
Interview Hermans - 1978 - dan vatte hij zene kreugel f de vrouw n die ging dan leevere nr et febriek mar de miste die din wl de manne, war, mar ast de vrouwe din dan wasset beeter dt de manne din (transcriptie Hans Hessels, 2013)
► KLIK HIER om het interview te beluisteren

WBD Onder 'kruiwagen' (II 807) is het Tilburgse woord niet vermeld.

A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant, 1952 - de burries van de kreugel bge deur nder et gewicht

Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) -  piepen as ene kreugel ('86) - versleten zijn

Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) -  zen ziel rijdt p ene kreugel (D'16)- het gaat hem voor de wind

Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - KREUGEL znw.m. - kruiwagen, Fr. brouette

A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland, Meer in het bijzonder dOerse taol, 1958 etc. -
znw.m. (kruigen, kreugen) 1. kruiwagen, 2) lompe, eigenzinnige kerel

A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - kreugel (krt.83)

Kaart uit: A.A. Weijnen, Onderzoek naar de dialectgrenzen in Noord-Brabant; 1937

K. Heeroma - Brabants uit de 18e eeuw (woordenlijsten Verster,1968) - KREUGE - kruiwagen.

Leo Goemans - Leuvens taaleigen, 1936 -  KRUIWAGEN - kruewu:gel

Jan Naaijkens, D's Biks - 1992 - 'kreujge' zn - kruiwagen

A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - kreugel - kruiwagen (Brab.)

WBD (II:2826) 'kreujgəl' - kruiwagen

'plattə kruiwaogə' - platte kruiwagen (II:2827) 'bakkruiwaogə' - bakkruiwagen 'miskruiwaogə' - mestkruiwagen 'bətnkruiwaogə' - betonkruiwagen 'stnkruiwaogə' - steenkruiwagen

 

 

uit: Kroniek van de Kempen 1994

 

Kreugelkker

toponiem

Kruiwagen-akker

De precieze ligging is niet bekend

NTC 28-12-1929 Keeke van Broekhoven, anoniem

 

kreugelratte
werkwoord, eigenlijk alleen gebruikt om een kinderspel aan te duiden; vervoegingen zijn niet bekend
zoveel als: kruiwagen spelen; bekender is: kreugelgatte
spel van twee personen (meestal kinderen); een ligt op de grond, twee tilt de benen van een op alsof het de handgrepen van een kruiwagen zijn; een drukt zich op zijn handen omhoog; zo lopen ze tot een het niet langer volhoudt.

Cees Robben Vadder... wimmis kreugelratte... (19660708)

 

kreugeltje
zelfstandig naamwoord, verkleinwoord van kreugel
kruiwagentje
Cees Robben Mn haande vol blne van t kreugeltje douwe... (19570309)
 

krjer

zelfstandig naamwoord

WBD steekband onder het kapgebint, ook 'schor' genoemd.

 

Waterkruik, aangetroffen bij archeologisch onderzoek naar het Kasteel van de Hasselt. Ill. uit: Graven naar het kasteel van Tilburg, H. Stoepker 1986

krk, krkske

zelfstandig naamwoord, kruik om uit te drinken, met name de kruik waarin fabrieksarbeiders drank (van jenever tot thee) meenamen naar het werk

1. kruik

blkke krk - drinkkruikje v.d. fabrieksarbeider

...meej men krkske nr et wrk... (Lechim; ps. v.  Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: tverkop )

2. bijnaam, spot- of geuzennaam van een Tilburger

- 'ne krk = een kruikezeiker = een Tilburger

Cees Robben - ...Want van afkomst... n kruik.. (19561006)


Cees Robben Dees is naa de kruik/ die vruuger, ge wit wel... (19551126)
Cees Robben Ge bent uit t laand van de kruike... (19570727)
Cees Robben Vur de kruiken uit de stad... (19570316)
Cees Robben En m jofel laoten laachen/ Naor de kruiken aon de kaant (19590613)
Cees Robben Lekker zoet kruikje (19671103) [Prent bij de geboorte van de 150.000ste Tilburger.]

Cees Robben - (detail uit Prent van de Week 19790209)

Cees Robben - (detail uit Prent van de Week 19660916)

Cees Robben - (detail uit Prent van de Week 19600226)

Aaltij in et pronte (zo et paast vur ene krk)... (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Kk zeej aauwe Giel)
...want dmme krke zn daarop gn we hier groot. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Tilburg op zn bst)

Naauw gao unne wever ok vort grts op zunne stiel/ En 't Kruiken dorp wordt 'n stad deur zunne textiel... (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Tilburg op zn bst)

Bijnamenboek Karel de Beer - Jos de krk = Jos van Rijswijk (67)

Bijnamenboek Karel de Beer - Jan de krk = Frans Verbunt (80)

WBD (III.2.1:125) 'kruik' = kruik

Dus vraog ik oe van krk toe krk:/ Verheur tch mn gebd. (Henritte Vunderink, Gebd toe Peerke Donders, uit: Tis de moejte wrd; 2011)

► krkske

► krkin

 

krkebrlft

zelfstandig naamwoord

kruikenbruiloft; de folkloristische bruiloft aan het begin van carnaval

n dan hmme ng de krkebrlft, de krkemis en et krkekonsrt. (Ed Schilders; W zeetie?; Website Brabants Dagblad Tilburg Plus; 2009)

 

krkestad

zelfstandig naamwoord, eigennaam

spot- dan wel geuzennaam van Tilburg, met name gedurende carnaval; de stad van de kruikenzeikers

Allee Willem II, naa mot et gebeure/ zn kaans hdde ng not gehad/ D zde verplicht, nie allen aon oe ge/ mar ffegoed n hil de krkestad. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Allee Willeke II)

 

krkezk

zelfstandig naamwoord

Henk van Rijen -- 'krkezk' (textiel) urine die, in een kruik van thuis werd meegenomen naar de fabriek en gebruikt werd in de appretuur i.p.v. ammoniak.

 

krkezker

zelfstandig naamwoord

kruikezeiker, spotnaam voor een Tilburger

A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant, 1952 - krkezkers

N. Daamen - handschrift 1916 - "kruikzijkers - Tilburgsche kruikz... (scheldnaam)"

A.J.A.C. van Delft -- Het geven van scheld- of bijnamen is iets dorpsch, dat hier geleidelijk verdwijnt, al vindt men in den volksmond er nog heel wat terug. (...) Dat de Tilburgers als verzamelnaam een minder kies woord als "Kruikezeikers" te accepteeren hadden, evenals de inwoners van Goirle "Ballefrutters" (...) is bekend. De afkomst is meermaals wel terug te vinden, en voor Tilburg is het een reeds meermalen ontleende eigenaardigheid, die verband houdt met het bezigen der menschelijke urine voor het textielbedrijf. Een eerenaam alzoo! (Nieuwe Tilburgsche Courant - zaterdag 27 april 1929; 'Van vroeger dagen' 111: 'Spreektaal')

A.J.A.C. van Delft -- Het is wel een ordinaire bijnaam, die men eertijds de bewoners van Tilburg vereerde door hen "kruikenzeikers" te schelden, doch de eigenaardige naam wordt zeer verklaarbaar als men weet dat oudtijds voor het vollen der lakens een volmolen gebruikt werd. De oudste molen in Tilburg dateert volgens Dijksterhuis, waaraan we dit ontleenen, van 1799 en was gebouwd aan de Hoeve. Om de vollersaarde voor haar doel geschikt te maken werd zij vermengd met urine. Deze vloeistof had hier daardoor een zekere handelswaarde en werd daarom met zorg verzameld. Hanewinkel beweert, dat een arbeidersgezin jaarlijks voor 30 40 gld. van dit kostbare product kon verkoopen. (Nieuwe Tilburgsche Courant - zaterdag 21 april 1923: 'Van vroeger dagen 25: Pikanterie')

Anoniem: Deze naam spruit voort uit het feit, dat Tilburgers voorheen hun urine in kruiken bewaarden om ze aan de fabrikanten te verkoopen toen de benodigde ammoniak voor de appretuur der wollenstoffen nog niet in den handel was. Dr. Dijksterhuis, die in zijn "Geschiedenis van
Tilburg" ook aan dit feit herinnert, wijst er op, dat arbeidersgezinnen met dezen "handel" f 30 f 40 per jaar verdienden. Een en ander dateert uit het begin der vorige eeuw. (Nieuwe Tilburgsche Courant - vrijdag 8 december 1933, 'Folklore 2')

Zo lve zonder kaskenaoi/ ds schonder n veul rker./ Dan gaoder grot op agge heurt:/ daor gao ene Krkezker. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Lt zet mar heure')

Stadsnieuws -  Ik z tch liever ene Krkezker as enen Ballefrutter (060509)

Piet van Beers:

'Ruud Vreeman'
Ik ben geboren in Loon op Zand
maarons moeder dat was n "kruikin".
Toen ik vijftig jaar terug, hier wonen kwam.
Paste ik er ook zo maar niet in.


DUS:
Als je nu kijkt naar "Onze Ruud"
Dat is helemaal gene kruikenzeiker,
die is nog "splinternuut"

Ruud Vreeman komt, van boven de Kalie
en ie kreeg in 't begin al flink op zn falie.
Want hij zette z'n eigen en de kruikezeiker
(als symbool van de kruikenstad) flink in de kijker.
en ontlokte zodoende 'n heftig dispuut.
 

Maar
Ik neem Onze Ruud dat niet al te kwalijk.
Want "Onze Ruud" die is pas nuut.

Als ge straks bent gesetteld in de stad van de kruiken
En ge bent wat gewoon geraakt aan onze gebruiken.
---Dat gaat niet van eigens---- dat gaat niet acuut----
Dan hoor je er voort bij Ruud, dan ben je niet meer nuut.
-----Absoluut-----
(uit: 't Elfde buukske - ca. 2009)

WBD krkezker (II:943) - scheldnaam v.d. wever (vroeger werden de stukken met urine gevold)

Bijnamenboek Karel de Beer - ene krkezker = Tilburger (blz. 92)

WNT XII:1961, r.3/7 en XII:930, r.26/29 'Nou ick versta dat de vullers ouwe pis koopen, Nou wil ick me water so lichtveerdich niet meer laten loopen.' BREDERO 2, 211 (1617).

Brabant, jg.3 nr.4, blz. 47: Schilders: 'Kruikezeiker'

Buuk Carnavalsvierders noemen zich 'krkezkers' of kortweg 'krke'

v. Doremalen & Spapens - KRUIKEZEIKERS, Mythe en werkelijkheid van een Tilburgs fenomeen (2004)

tis Tilbrgs trts. / Onze krkezker! (Henritte Vunderink, De krkezker, uit: Tis de moejte wrd; 2011)

Schilders in Tilburg magazine (okt. 2007) 'Urine voor landbouw en textiel'

Ed Schilders over de kruikenzeiker bij Cees Robben

 

krkin

zelfstandig naamwoord

vrouwelijke inwoner van Tilburg; minder algemeen dan 'krk' voor de mannen.

Piet van Beers: Ik ben geboren in Loon op Zand/ maarons moeder dat was n "kruikin". ('Ruud Vreeman', in: 't Elfde buukske - ca. 2009)

Piet van Beers -- t Zn alleml meense die we moete beminne/ Gullie knt ze toch ok, gij krk n krkinne. ('Bemint uw evennaaste als uzelve'; 2008)
 

krm

zelfstandig naamwoord

energie

kruim: klein afgebrokkeld stukje v. een of andere spijs?

- het zachte binnenste van brood in tegenst. tot de korst

Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) -  ch rm stversmikske, w hdde tch wneg krm (D'16) - ... wat stel je weinig voor!

Van Beek - "D hee heel w kruim gekost!" - Dat was hard werken. - Daar heb ik veel moeite voor moeten doen.  (Nwe. Tilb. Courant; Typische zegswijzen afl. 5; 25 augustus 1959

Henk van Rijen - d zal hil w krm ksse - dat zal veel energie vergen

A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland, Meer in het bijzonder dOerse taol, 1958 etc. -
znw.vr. 'kruim' - het zachte binnenste van brood;

zegsw.' erges krm aachter zette' - ergens kracht achter zetten.

WNT KRUIM 2) b) iets fijns, goeds, bruikbaars; degelijkheid, kracht

 

krmel

zelfstandig naamwoord

kruimel

Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) -  krmels is k brod - de laatste restjes moeten ook op

As d z is gewist, van ons moeders onderbroek, waor wij in ieders geval niks van kosse zien en wij dus hillemol nie aon han meuge denken, dochte wij wel d onze vadder dus hil w te doen gehad heej om op de bestemde plaots te komen, as de brodkrmels em al te veul staken, zas d in de volksmond hiet. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

 

krn, krntje

zelfstandig naamwoord

bladdragende takmassa

WBD III.4.83 'kruin' = takken (collectief)

 

kreune

zelfstandig naamwoord

kreunen

Dialectenqute 1887 Willems - kreune - krunde - gekrund - ook in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij krunt

 

krpe

werkwoord, sterk

kruipen

Cees Robben -- 'Daor krpt zo veul vrije td in war'

Dialectenqute 1887 Willems - krpe - krop - gekroope - in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij krpt

A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland, Meer in het bijzonder dOerse taol, 1958 etc. - st.ww. intr. - kruipen

 

krs, krske

zelfstandig naamwoord

kruis

WBD 'krs' - achterste deel v.h. paard, ook genoemd 'aachterkaant',  'broek'

- Hij is erg nauw in 't kruis. - Hij is zeer conscintieus, gewetensvol. (A.J.A.C. van Delft; 1961; in: Nieuwe Tilburgse Courant, Bekoring van dialect; Typische zegswijzen uit onze streek; uit de volksmond opgetekend)

De Wijs -- Ik zweet kruis en munt bij mekaare (en mot sasse as unne rger) (17-10-1966)
De Wijs -- d hek echtig nie gedaon, krske sterven en honderd duuzend zere botterhammen eten (17-08-1964) [krske streve: zogenaamd iets zweren, plechtig beloven]

Cees Robben -- mar ds k men enegst krs; zde meej oew krs kntnt;

Zon meidje wies hillemol van toeten noch blaoze, die ha as waorschuwing van ths meejgekregen: Hou God vur oew oge en oew haand veur oew krs. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant, 1952 - en krs - tweej krze

Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) -  poepe dgge krs nch munt kunt zien ('16) - m.b.t. een tiptop dametje

WBD krsroej (II:1009) - kruisroede (onderdeel weefgetouw)

Frans Verbunt -  lk hs hee,j zen krs, de klne van hout, de grote van goud

WBD (III.3.3:99) krs, grafkrs = grafkruis

WBD (III.1.3:121) 'kruis' = zitvlak v.e. broek

WBD III.3.3:106 'veldkruis', 'wegkruis' = veldkruis

Jan Naaijkens, D's Biks - 1992 - 'kris' zn - kruis

 

krsbild, krsbild

zelfstandig naamwoord

kruisbeeld

Elken aovend stond der dan wel den ene of aandere fanaat meej un krsbild te zwaaien op de prikstoel. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

 

krse

werkwoord, zwak

kruisen

WBD krse (II:1037) - kruisen: sprong wisselen; ook: sprng wissele of ooverspringe

Dirk Boutkan (1996) - verleden tijd: krste naast krste (blz. 59)

 

krsheer

zelfstandig naamwoord

kruisheer (kloosterorde)

1929 -- Van Delft - "Zoolang ze vrijen, zijn het minnebroeders, doch getrouwd worden het kruisheeren." (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 111; 27 april 1929)

1964 -- Pierre van Beek -- Ja, hoe gaat het eigenlijk met die mannen: "Zolang ze vrijen zijn het minnebroeders, getrouwd worden het kruisheren". (Tilburgse Taalplastiek afl. 15; Nieuwsblad van het Zuiden, 21-10-1964)

1969 -- Cees Robben Toen we nog vreeje waarde unne echte minnebroeder... Naa zdevrt unne kruisheer... (19641231)

1998 -- Henk van Rijen -- w zde toch ene krsheer - wat ben je toch een bandiet!

WTT 2012 -- De uitdrukking is een woordspel met de twee kloosterorden minderbroeders en kruisheren. Minderbroeders zijn franciscanen (Ordo Fratrum Minorum, O.F.M.), volgelingen van Franciscus van Assisi; naastenliefde kenmerkt hun streven. Kruisheren behoren tot de Orde van het Heilig Kruis (Latijn: Ordo Sanctae Crucis, OSC); het gezegde is uiteraard gebaseerd op de uitdrukking dat iets of iemand 'een kruis', een last, is; vergelijk 'ieder huisje heeft zijn kruisje'.

 

krshout

zelfstandig naamwoord

Henk van Rijen -- 'krshaawt' - kruishout, aftekenhaak voor timmerlieden

 

krsing

zelfstandig naamwoord

kruising

WBD krsing (II:1047) - kruising: dichtheid v.d. binding

 

krslnt

zelfstandig naamwoord

WBD 'krslnte' - ploeglijn (het leidsel dat gebruikt wordt bij het ploegen)

 

krslievenheer

zelfstandig naamwoord

kruisbeeld

 

krswg, krswg

zelfstandig naamwoord

kruisweg

Elke mrge liep ie, op un holleke naor de kerk. Hij ging nie naor de mis, n, hij deej dan de krsweg, elke mrge, hij ha enne krswegmanie. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

 

krib

zelfstandig naamwoord

WBD paardekribbe (houten of stenen voerbak)

WBD III.2.2:27 'krib', 'kribbeke' = wieg

Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - KRIB, KRUB znw.v.- kribbe.

Spr. 'Op de krib bijten' - komen als alles opgeten is.

 

kribbter

zelfstandig naamwoord

WBD windzuiger (paard dat lucht in de mond zuigt en daardoor oploopt), ook genoemd 'kribbenbter', 'zger', 'wndzger' of 'wndhapper'

WBD kribbebijter (paard dat telkens in de krib bijt of met de tanden op de bodem v.d. krib stoot), ook genoemd (speciaal in de Hasselt) 'kribbebter'

Zie WNT, lemma Krib onder afleidingen

Figuur op een staldeur, ontstaan door het kribben van een paard. Opmerkelijk is, dat de voorstelling lijkt op een paard dat ergens overheen springt. Afbeelding uit een videoclip van een interview met Tom Waits op YouTube. Volledige clip: http://youtu.be/3FVp2ipKEJw

A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland, Meer in het bijzonder dOerse taol, 1958 etc. -
krɪbənbe.tər znw.m. - kribbenbijter, kribbebijter; ook fig. kribbig, korzelig persoon.

Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - KRIBBIJTER, KRUBBIJTER znw.m. - iemand die v.e. ander niets verdragen kan 2) peerd dat in de kribbe bijt; gierigaard, vrek

 

kribbrsel

zelfstandig naamwoord

vrouw met haar op de bovenlip

Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) -  en vrouw meej ene kribbrsel (Pierre van Beek --  Tilburgse Taalplastiek 1970) - (paarden hebben haren op de bovenlip, waarmee ze de krib of voerbak uitborstelen)

 

kriek

zelfstandig naamwoord

krekel; instrument om op te krikken; oneetbare bes; kers

en z'n eugskes die blonken as krieke... (Piet Heerkens; uit: De Kinkenduut, De paoter en de kinkenduut, 1941)

WBD III.4.2:217 kriek, 'heikriek' - krekel (Acheta domesticus e.a.)

WBD III.4.5:91 kriek - oneetbare bes, ook genoemd: vergifbeezie

WBD III.4.3:160 kriek - haagappel, vrucht v.d. meidoorn

WBD III.2.3:168 'kriek' = kers

C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - kriek m. 1. krekel; 2. instrument om op te krikken

WNT KRIEK - 1) bep. kers; 2) krekel; 3) houtskool

... 'ne witte maaidoornboom, die 's zomers vol lekkere krieken hong. (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit t klokhuis van Brabant 2; 16-10-1929)

 

krieke, krikke

zelfstandig naamwoord

houtskool

WBD krieke - houtskool (de verbrande houtresten)

N. Daamen - handschrift 1916 - "krieken of krikken - houtskool"

WBD (III.2.1:250) 'krik' c.q. 'houskool'

WBD (III.2.1:256) 'krikken' = bluskool, ook genoemd: 'brandende as', of 'sintels'

Heestermans, Witte nog? Over Bergse en Westbrabantse woorden en uitdrukkingen; 8 dln.; 1988-1994. - krikke (III:20),(VI:44,VII:54)

Jan Naaijkens, D's Biks - 1992 - krikke zn mv - houtskool

C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - KRIEKEN v., alleen mv.: houtskool.

WNT: in Limb., de Kempen en Brab. een benaming voor houtskool, inz. brandende houtskool. Z.a.

J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - KRIEKEN worden hier genaamd de bakkers-houtskolen van takken-bossen of ander klein hout. Z.a.

A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland, Meer in het bijzonder dOerse taol, 1958 etc. -
KRIKKEN (totaal uitgedoofde) houtskool, voor vulling v. strijkijzers. Z.a.

Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - KRIK znw.v. - houtskool, inz. brandende

 

kriekzwart

bijvoeglijk naamwoord .

pikzwart (naar een bepaalde kers, de kriek) zo zwart als een stuk houtskool

C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - kriekzwart bijvoeglijk naamwoord . zwart als een stuk houtskool.

Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - KRIEKZWART, KRIEKZWERT bvw. - pekzwart

 

kriel

bijvoeglijk naamwoord

WBD III.2.3:162 'kriel' = onvolgroeid (vruchten), ook 'benepen'

WBD III.4:324 'kriel' = iets klein in zijn soort, ook 'opneukerke'

 

krieleke

zelfstandig naamwoord, verkleinde vorm

WBD krielkip, ook 'krielhnneke' genoemd

Stadsnieuws -  de boerin ha vur der plezier en tom krielekes; vur de aajer hoefde ze et nie te doen (181006)

Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - KRIELEKE(N) znw.o.- slag v. zeer kleine hoenders

WNT KRIEL - 1) klein mensch of kind; 2) kleine kip (bep.soort) enz. Z.a.

 

kriemel

zelfstandig naamwoord

PM kruimel

WBD III.2.3:126 'kriemeltje' = kleine hoeveelheid eten

C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - KRIEMEL m - kruimel

 

kriemele

werkwoord, zwak

Henk van Rijen -- kriebelen

WNT KRIEMELEN - 1) wriemelen, 2) een gevoel van jeuk veroorzaken, jeuken

 

krikkel

bijvoeglijk naamwoord .

teer, secuur; korzelig, geprikkeld; fragiel

Henk van Rijen -- 'priegel' - erg klein, secuur

Lozziemaoken is en krikkel wrk

Pierre van Beek --  en krikkel geval - een teer geval

Cees Robben Ons Ketoo is toch z krikkel, war.. ge het ze z op de kaast... (19840413)
Cees Robben W-dis onze pa toch krikkel, moeder... (19710611)

Audioregistratie 1978 -- Onze vadder d was enen chte bondsman, war, mar omdttie meej alles goed meej et febriek t de wg kos, kossie ng al es en woordje zgge bij de petron mar () ast mar zonne krikkele was (interview met dhr. Hermans, transcriptie door Hans Hessels)

Henk van Rijen - wt is et tch en krikkel bske - ... een teer knaapje

Stadsnieuws -  Ons buurvrouw waar mar en krikkel meenske, mar kwke dsse kos. (181009)

Piet van Beers Naoderhaand moete nie maauwen: ...j, d blyft 'n krikkel ding. (With Love; 1982-1987)

Piet van Beers Ndderhaand moete nie maawe: j, d blft 'n krikkel ding. (Brabants Bont 1; z.j., ca. 2005)

WBD III.4.2:36 krikkel - schuw (v.e. dier); ook; bang, 'schichtig'

Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - KRIKKEL bvw - oploopend, gauw gestoord, korzelig

Verh.KRIKKEL bijvoeglijk naamwoord  - hachelijk, kritiek, kregel; (van melk gezegd) op het punt staande zuur te worden.

WNT KRIKKEL bijvoeglijk naamwoord  Het woord wordt (uitsluitend in een deel van Zuid-Nederland) in eenige uiteenloopende beteekenissen gebezigd, maar behoort waarschijnlijk toch in alle opvattingen bij het ww. KRIKKEN. 1. licht breekbaar; 2. weinig kunnende verdragen, oploopend, lichtgeraakt, korzelig. Z.a.

A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland, Meer in het bijzonder dOerse taol, 1958 etc. -
krɪkəl, bijvoeglijk naamwoord  1) licht breekbaar, teer; 2) weinig kunnende verdragen, licht geraakt.

 

krimmeneel

uitroep

crimineel!

Die is wl getrouwd! Mee 'n dochter van Door de Vries en d wit-ie-zelf ook, want ie hee twaalf gegooid hurre! Krimmeneel wen vrammes is d! (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit t klokhuis van Brabant 4; 2-11-1929)

Cees Robben Krimmeneel.... Wn paoskiep...... (19560331)

 

krimpe

werkwoord, sterk

krimpen

krimpe - krmp - gekrmpe

Dirk Boutkan (1996) - (blz. 27) in 2e pers. en 3e pers. enk. presens wordt in het cluster mpt de p verzwegen.

 

krint, krintje

zelfstandig naamwoord

krent

Cees Robben Gij meut de krintjes nie uit de mik plleke... (19750516)

Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) -  Ge kunt meej de fiets van den krint nr daander. variant- zie beek

A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland, Meer in het bijzonder dOerse taol, 1958 etc. -
znw.vr - krent

Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - KRINT znw. v. - krent

WNT KRENT, gewestelijk, b.v. te Antwerpen: KRINT

 

krintebl

zelfstandig naamwoord

krentenbol

Piet van Beers Griepepidemie: n ene zak meej krintebolle... (Spoeje doemmeniemer; 2009)

 

krintemik

zelfstandig naamwoord

krentenbrood

R.J. '.. kreeg op z'n mieter meej 'ne grte krintemik'

R.J. 'mene lkkere krintemik'

Cees Robben - ...in dn krintemik gebakke... (19681108)
Cees Robben n krintemikske (19540731)

Frans Verbunt -  'krntemik'

Piet van Beers Advertnsies leeze: oover taarte, brod n oover krintemik. (Spoeje doemmeniemer; 2009)

A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland, Meer in het bijzonder dOerse taol, 1958 etc. -
krɪntəmik znw.m. - wittebrood waarin krenten gebakken zijn.

Jan Naaijkens, D's Biks - 1992 - krintemik zn - krentebrood

 

krispendnsie

zelfstandig naamwoord

correspondentie, briefwisseling

De krispondentie mee oome Teun waar veuls te eenzijdig om lang schoon te kunne staon... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Naor oome Teun; NTC 24-2-1940)

A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland, Meer in het bijzonder dOerse taol, 1958 etc. -
krɪspəndnsi, znw.vr. - korrespondentie

 

krispendere

werkwoord, zwak

corresponderen

"Ik heb geheurd," zee de vrouw van den burgemeester, "d-t-ie geregeld krispendeert mee ministers... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; n Staandbild in Baozel; feuilleton in 4 afl. in de NTC 20-5-1939 17-6-1939)

A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland, Meer in het bijzonder dOerse taol, 1958 etc. -
krispənde.rə(n), zw.ww.intr. korresponderen, aansluiten (van bussen en treinen bv.)

 

kroebele

werkwoord, zwak

over de rug strijken (van kinderen gezegd)

- kroebele - kroebelde - gekroebeld

 

kroebeljaacht

zelfstandig naamwoord

Henk van Rijen -- krioelende kinderen, massa kinderen

 

krgske

zelfstandig naamwoord, verkleinde vorm

kraagje

verkleinde vorm van 'kraog', met vocaalkrimping

krkske

zelfstandig naamwoord, verkleinde vorm

kruikje

Cees Robben -- ik vulde steeds men krkske

Cees Robben -- ons drinkeskrkske waar ok blauw

...wrom dan gin blauw krkske? (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Tis allen de naom)

Nieuwe Tilburgsche Courant 3-6-1904 (volledig bericht)

 

krksten

zelfstandig naamwoord

vruchtenpit

 

WBD III.2.3:153 'kraaksteen' = steenvruchtpit

Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - KRAAKSTEEN (uitspr. krokstien) znw.m. - kerse- of kriekesteen (uitspr. ook: kroksteen)

WNT KRAAKSTEEN - In Z.-Nederl. de gewone benaming voor eene kerse- of kriekepit. Reeds bij Kiliaan.

 

krkstoel

zelfstandig naamwoord

WBD (III.2.1:89) krokstoel = kinderstoel

 

krkte

werkwoord, persoonsvorm.

kraakt(e) Cees Robben -- et krsje krkt in mene mnd

2e + 3e pers.enk.tegenwoordige tijd van 'kraoke', resp. verleden tijd

 

krlstart

zelfstandig naamwoord

WBD (Hasselt) varken, ook genoemd 'vreke' of 'kuus', en elders 'kuus' of 'vrke'

A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland, Meer in het bijzonder dOerse taol, 1958 etc. - znw.m. - staart die krult 'enen hond m'ne krolstart'.

WNT KRULSTAART, -steert - 1) een krullende staart; 2) een dier met een krullenden staart, inzonderheid een varken.

 

krltje

zelfstandig naamwoord, verkleinde vorm

Henk van Rijen -- kraaltje

Dirk Boutkan (1996) - (blz. 95) ik zal oe krltjes geeve

 

krom

bijvoeglijk naamwoord

krom; dat wat niet recht is; gebogen; in de volkstaal zeer vaak gebruikt om vergroeiingen van lichaamsdelen aan te duiden; daarnaast als bijnaam die naar het gebrek verwijst, en dan niet noodzakelijk als spotnaam

1. Niet recht

Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) -  krm hout braandt eeve goed as rcht (Pierre van Beek --  Tilburgse Taalplastiek 1970) - ook mindere kwaliteit kan voldoen

2. verwijzend naar een lichamelijk gebrek, een lichamelijke onvolkomenheid

WNT lemma KROM - Van menschen bij wie de rug en de heele gestalte van nature of door ouderdom, ziekte, hard werken, lang bukken enz. gebogen is; in Z.-Nederl. gewoonlijk van menschen bij wie de beenen gebogen zijn. Soms algemeener in den zin van: verdraaid, mismaakt. 

WNT lemma KROM - Van afzonderlijke deelen van het lichaam, die van nature of door eenige oorzaak, ouderdom, vermoeienis enz., gebogen zijn. Ook degene die zulk een lichaamsdeel bezit, heet krom; eene bepaling voorafgegaan door van zegt, aan welk lid hij gebrekkig is.

2.1. Gebrek aan de voet

A.J.A.C. van Delft - Toen koning Lodewijk Napoleon in 1809 het dorp Tilborch bezocht (dat direct na dit bezoek bij K.B. van 18 April 1809 tot stad verheven werd), is aan Zijne Majesteit (die door het volk wegens zijn voetgebrek zeer oneerbiediglijk ook wel de "kromme" of de "lamme Louis" genoemd werd) eene Memorie overhandigd... (Nieuwe Tilburgsche Courant - woensdag 26 september 1923 - Van vroeger dagen 29: De Tilburgsche Lakenhal - Voorkeur voor het Nederlandsche fabrikaat)

Willy van Rooy - Hij stond op... wenkte en nam ons mee naor 'n kaomer waor allemaol witte kromme voeten van gips op de kaast stonden, net as bij ons Mozart en Beethoven. U moet een schoen die extra breed is." (in: Moeilijke voeten, uit:  Schon en lilluk, 1983)

2.2. Gebrek aan de benen O-benen, X-benen

A.J.A.C. van Delft - "Stien Ollie" (Mutsaers) was een kleine gebochelde petroleumventer met kromme beenen, die met zijn armelijk ezeltje menigmaal het mikpunt der vaak onbewust zoo wreede schooljeugd was. (Nieuwe Tilburgsche Courant - zaterdag 24 september 1927; Verdwenen en verdwijnende Tilburgsche Typen 1)

 

Stien Ollie - foto Regionaal Archief Tilburg

 

A.J.A.C. van Delft - Sekwa, de kwakzalver, die onder oorverdoovende muziek boeren, burgers en buitenlui op de markten met kajapoetolie 'n pijnlijke behandeling deed ondergaan, waardoor jicht- en reumathieklijders tijdelijk van hun pijn bevrijd werden, had tot het versje genspireerd van: Sekwa is gekomen, en Sekwa die is daar./ En heb je 't niet verzonnen, hij geneest ze allegaar,/ Van jicht of reumathiek,/ Hij geneest je met muziek. Elders zong men daarvoor: En heb je niet gelezen,/ Al in die Bossche krant,/ Dat Sekwa is gekomen/ Al in ons Vaderland?/ Al heb je kromme beenen,/ Of heb je rummethiek,/ Dan ga naar Sekwa henen,/ Die geneest je met muziek. (Nieuwe Tilburgsche Courant - zaterdag 7 juni 1930; Van vroeger dagen 159: Spotrijmen 3.)

Jan Jaansen - Wie boer Van Stokkum zoo van buiten bekeek, stond veur 'n raodsel. Boer Van Stokkum ha aaltij 'nen langen blauwen kiel aon, die toe op z'n knien afhong en z'n beene waren zoo verdimmes krom d z'n knien wel twee voet van mekaar stonden as ie z'n voeten tegen mekaar ha staon - en 't groot raodsel waar dan dees: hoe die beene boven weer bij mekaar kossen komen... (uit: Oome Teun en de Iemkers - door A. Wibbelt, naoverteld deur P. Heerkens S.V.D., 1940)

Pierre van Beek - Avonden achtereen daverde door de zaal van de Liedertafel aan de Willem IIstraat het schone lied: "Hebt ge kromme benen,/ Jicht of reumatiek,/ Ga naar Sequah henen,/ Die geneest je met muziek." (Het Nieuwsblad van het Zuiden - donderdag 18 maart 1971; Dokter Sequah - Charlatan zet Tilburg op stelten - Staaltjes van kwakzalverij in de vorige eeuw.)

Cees Robben De staand (...) van de letter X/ (...) Op kromme pt en teene... (19621214)

Rolf Janssen - hebt ge kromme benen/ jicht of reumatiek/ ga naar Sequah henen/ die geneest je met muziek (...) Sequah is gekomen/ wat heeft hij gedaan/ de dubbeltjes meegenomen/ en de krommen laten staan (liedtekst over de beruchte kwakzalver Sequah; in: We hebben gezongen en niks gehad, 1984. Tekst & muziek opgegeven door Mevrouw Van Hout, Tilburg)

Lodewijk van den Bredevoort - Opeens ging de deur open en onze pa zaag un dame, nou dame, hij zaag un vrouw meej van die ben waor gin model n zaat, net kolommen en nie al te lang, de kaomer binnenstappe. Die ben van der waaren ok un bietje aon de kromme kaant, net of ze op jonge lftd al prd gereeje ha. (pseudoniem van

Jo van Tilborg; uit: Kosset den brne eigeluk wel trekken 2, 2007)

A.J.A.C. van Delft - Toen kwam er nog een politie-heer,/ Zeer dik van buik en kromme beenen,/ Het was precies een aangekleede beer. (Uit het volkslied Achter de Hemeldeur, tekst en melodie van Jan Viool. Nieuwe Tilburgsche Courant - zaterdag 29 juni 1929, Van vroeger dagen 121: Jan Viool 1)

bril, met een bril lopen

2.3 Gebrek aan de rug, veroorzaakt door zwaar werk

Piet Heerkens - Want Mieke was al oud,/ sjandoedelida, sjandoedelidee,/ d'r neus was rood en nat en koud,/ d're rug zo krom as kreupelhout (uit: Denrgel, 1938)

Leo Heerkens - en 'k ploeter m'n eigen haost krom. (Uit: Herinneringen, in: De mus, Piet Heerkens, 1939)

Piet Heerkens - ...'n menneke, oud en krom... (uit: VROUWKE MISRE, in: Vertesselkes, 1941)

Jan Jaansen - "Nou kijk er eens aon," riep oome Teun, "da zijn me de heeren, die mar gaon waandelen en de boeren mar laoten werken da ze 'r krom van worren!" (in: Ouwe Vrienden - door A. Wibbelt, naoverteld deur P. Heerkens S.V.D., 1941)

Mandos-Van de Pol - Gij zult vant wrke ginne krommen rug krge (Jij werkt niet hard)

Willem van Mook - De meeste werklozen echter waren wevers,die gewend waren recht te staan tussen hun getouwen. In de Witsie (thans de wijk ' t Zand) moesten ze krom staan en spitten. Waarvan ze het spit in de rug" kregen en tien gulden per week.Nog niet de helft van het loon dat ze a s wever verdienden. (uit: Manke Nol, in: Nieuwe Brabantse novellen, 1970)

Wim van Boxtel - 'ne kromme, zeere rug hebben/ en nog zeuven ongemakke... (uit: Abraham fist, in Brabants Bont, 1979)

2.4 Gebrek aan de neus

Naarus - ... in [een] ppke in zn kwk dt er onderstenbove in hong,  in kromme neus mee nen drup er aon... (in: Brieven van 'n oud Tilburger, 1940)

2.5 De overtreffende trap van krom

Keeke van Broekhoven; illustratie bij het artikel van Lambert de Wijs

 

Lambert de Wijs - Geheel Tilburg wandelde vroeger naar Broekhoven en verder langs de Ley, dat was het eenigste Zondagsgenot, ja zonder dat was 't voor den Tilburger geen Zondag geweest. Dan was 't druk in de herberg van Keeke, 'n typisch oud vrouwtje met kromme neus, 'n bocheltje, d'r eeuwige kapmantel en als ze sprak... ze had 'n mummeltje, zegt Louis Melis. Keeke was de beroemdheid voor de lui "uit de stad". We zien ze hier voor ons en velen zullen zich haar nog herinneren, de waardin, die voor haar klanten zorgde als 'n moeder en tot wie de Tilburgers daarom zoo gaarne gingen. Ze zit naast de hooge kachel de gewasschen flesschen te droogen. (Nieuwe Tilburgsche Courant - donderdag 19 mei 1932, Eene wijle in Oud-Tilburg)

3. om uitwerpselen aan te duiden

  Piet van Beers - "Ik hb 'n kiep," zeej Dikken Dree/ die, lken dag twee aajer leej"./ 'n Witte n 'n kromme,/ zo zal 't wl zn, verdomme. (uit STRKE VERHAOLE, 2008; CuBra)

De Bont - krm/krmp, bnw en bijwoord  krom: krom aeier - kromme eieren, menselijke en dierlijke uitwerpselen, inzonderheid van de haan.

4. toegepast op dieren

WBD krm staon - gezegd van koeien die moeilijk ('strmmelchteg') lopen

WBD krm - kreupel (v.e. paard), ook genoemd (Hasselt) 'kreujpel'

Verhoeven -  KROM bijvoeglijk naamwoord  - kreupel: 't prd stoj krom.

5. voor geldgebrek

in de uitdrukking  'krom staon' = slecht bij kas zijn

Henk van Rijen -- 'kromstaon' - gebukt gaan, zorgen hebben, kreupel zijn

6. als bijnaam

Elie van Schilt - Heur moeder was ur n van dun kromme Kees, ge wit wel dun die mee unne nist van virtien jong (uit: ' Waare onze naome soms nie goed?, CuBra, circa 2003)

A.J.A.C. van Delft - Er was een huishouden met dertien kinderen, waarvan elk gezinslid een spot- of bijnaam droeg. Zoo telde men er bij: de Jood, de Kromme, de Mol, den Baard, de Loerd, den Holderie, de Kriek, de Poel en het Tennebrukske. (Nieuwe Tilburgsche Courant - maandag 5 mei 1930, Van vroeger dagen 154: Spot- en bijnamen)

Karel de Beer - Kromme Sofie - Sophie (?) van Oudheusden - omdat ze krom liep. Proper vraawke, dat n snoepwinkeltje dreef in "de Koningswei" (op de hoek van de Kortestraat en de Oranjestraat.) (Uit Tilburgs Bijnamenboek, 2000)

Karel de Beer - de Kromme Poot Raaymakers - mede-eigenaar van stoffenzaak Hubert Melis in de Heuvelstraat, omdat hij mank liep (had n korter been). (Uit Tilburgs Bijnamenboek, 2000)

Tony Ansems - Ut was misschien wel lomp,/ Mar waren w'onder ons/ Dan noemde wy hum "De Kromme" (uit: Frater Chromatius; van de cd Tilburgse liedjes 3, 2011)

 

krmke

zelfstandig naamwoord

kraampje

verkleinde vorm van 'kraom, met vocaalkrimping

 

krmmel, krummel

zelfstandig naamwoord

Henk van Rijen -- kruimel

 

uit: Kroniek van de Kempen 1994

krommenrm

zelfstandig naamwoord; samentrekking van krom en rm

kromme-arm, kromme arm

in het gezegde meej de krommenrm lopen of gaan, met de kromme arm gaan of lopen

WTT 2013 Het gezegde heeft in Brabant en dus ook in Tilburg meestal betrekking op het aanbieden van een geschenk aan een vrouw in het kraambed. Vaak bestond dat geschenk uit levensmiddelen die in een mand gedragen werden, en die dus aan de kromme, de gebogen elleboog werd gedragen. Daarnaast echter ook in andere betekenissen. Hoppenbrouwers (Taal van Kempenland) vermeldt dat de korf werd afgedekt met een doek omdathet niet gepast werd gevonden te koop te lopen met het cadeau.

1 Gezegde - op kraamvisite gaan

WBD III, 3.2 lemma Op kraamvisite gaan - De benaming met de kromme arm gaan verwijst volgens het Kempenlands Woordenboek naar het cadeautje dat men meenam op kraamvisite. Opdat niemand zou zien wat erin zat, hield de bezoeker het onder de arm gekneld. In Vught neemt men versnaperingen of levensmiddelen mee voor de kersverse moeder. Verspreid in Tilburg en Peelland; ook in Breda, Dongen, Raamsdonksveer, Loon op Zand, 's-Hertogenbosch en Geldrop.

PM - meej de krmmenrm - op kraamvisite

N. Daamen - handschrift 1916 - "Ze gan mit den krommenairm als ze visites gaan maken en nemen dan een koek of mik mede, hoofdzakelijk bij kraamvisites"

Karel de Beer - ene krommen rm - "meej ene krommen rm binnekoome " wil zeggen: iets bij zich hebben (bloemen of iets lekkers) als men bij iemand op bezoek komt. met name op kraamvisite. (Bijnamenboek, 2000)

Bosch krommenrrem - 'me' de krommenrrem komme'- op kraamvisite

Verhoeven - KROMMENARM, mee de krommenrm gaon - op kraamvisite gaan met een korf vol geschenken aan de gebogen arm (Of van 'kraam'?)

Jan Naaijkens - 'krmmenrm' zn - kromme arm; 'meej d'n krommenrm' (Ds Biks)

A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - krommenerm - geschenk dat door vrouwen die op bezoek komen aan een kraamvrouw gegeven wordt.

2 Een geschenk brengen aan de pastoor, met name na de slacht van het varken

Pierre van Beek - "Mee de kromme errem (arm) lopen" raakt ook de pastoor, al behoeft dit wel enige uitleg. Vroeger - en in sommige dorpen wellicht thans nog - was het het gebruik, dat er in de slachttijd bij de boeren "iets van het varken" naar de pastoor werd gebracht, 'n "kermenaai" (karbonade) bijvoorbeeld. Dit gebeurde dan in de hengselmand, die uiteraard aan "een kromme arm" werd gedragen. De uitdrukking betekende derhalve, dat men wat van de slacht naar de pastoor bracht. Er gaat het verhaal van zo'n dorpspastoor, die belangstellend bij het slachten stond te kijken en zich zichtbaar een beetje te opvallend in de voorpret verheugde, waardoor hij van de boer het volgende raadseltje op te lossen kreeg: "Witte gij, meneer pastoor, het verschil tussen O.L. Heer en dees vrken? Nie? dan za'k 't oe zeggen: Onze Lieven Heer is veur alle minsen gestorven en dees vrken veur mijn alleen". (In: Nieuwsblad van het Zuiden, Tilburgse Taalplastiek - Nr. 9, zaterdag 18-07-1964)

 

Cees Robben - detail Prent van de week 3 augustus 1957

 

kromstaon

werkwoord, sterk

Frans Verbunt -  kreupel zijn

 

krnaogel

zelfstandig naamwoord

kruidnagel, 'kruinagel', 'kruidnaogel', 'naogelgrs'

Henk van Rijen - "zn llie krtnaogel prs of wit?" - zijn hun seringen ...?

WBD III.4.3:184 krnaogelbom - sering; ook genoemd: knaogelblm

Bosch kruinagel - kruidnagel, seringen

A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland, Meer in het bijzonder dOerse taol, 1958 etc. -
znw.m. - kruidnagel, sering

Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - KRUINAGEL znw.m. - kruidnagel Biks krnaogel zn - kruidnagel, sering

Heestermans, Witte nog? Over Bergse en Westbrabantse woorden en uitdrukkingen; 8 dln.; 1988-1994. - kruinagels (I:74)

Jan Stroop, Sprekend een Westbrabander, 1979, 1981 - krnaogel (I:109)

WNT KRUIDNAGEL - In Z.-Nederl ook KRUINAGEL

 

krontje

kroontje

zelfstandig naamwoord , verkleinde vorm

 

krntje

zelfstandig naamwoord  verkleinde vorm

kraantje

Kees en Bart (ca. 1925; in Tilburgsche Post) -- krontje

Cees Robben -- men neus lpt as en krntje;

verkleinde vorm van 'kraon', met vocaalkrimping

 

krntje

zelfstandig naamwoord, verkleinde vorm

Henk van Rijen -- kruintje

 

krontjespn

zelfstandig naamwoord

kroontjespen

 

kron, krontje

zelfstandig naamwoord

kroon

bladdragende takmassa; alle boomtakken samen

WBD kroon (v.d. paardehoef), ook genoemd 'kronraand' of 'haorbaand', (Hasselt): 'hrbaand'

Cees Robben -- Wie krgt laoter den grtsten kron in den heemel?

WBD schrkron (II:994) - scheerraam, grote haspel; ook: schrraom, schirraom, schrmeule, haspelmeule genoemd

WBD kron (II:1032) - kroon (soort haspel); ook: haspelkron, haspel, str

WBD kronltjes (II:1032) - kroonlatjes; ook; ltjes of kronsple

WBD kronpin (II:1032) - kroonpin; ook: pin of spil

WBD kronblk (II:1032) - kroonblok; ook: haspelblk of type staander

WBD III.4.5:83 kron - takken (collectief), ook genoemd kp, gezwaaj, bundel of bussel takke.

WBD III.4.3S85 kroon - boomkruin

 

krone

werkwoord, zwak

kronen

krone - krnde - gekrnd ook in tegenwoordige tijd vooaalkrimping: gij/hij krnt

 

krop

kroop

verleden tijd van 'krpe'

 

kroot

zelfstandig naamwoord

kroot, biet

Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) -  as ge krooten it dan kakte bloed (JM'50) - het is je eigen schuld

WBD III.2.3:104 'krootje' = rode biet

 

krp

zelfstandig naamwoord

krop van een vogel, met name van een duif

Cees Robben Die staon mekaar gewoon uit de krop te voeieren... (19810814) [Robben gebruikt de uitdrukking figuurlijk voor een stelletje dat staat te tongkussen]

Vunderink - f vroolek soms ge-rmd, n ok bij toere/ stn ze mekaaren t de krp te voere. (Henritte Vunderink, Raoze mndag, uit: Tis de moejte wrd; 2011)

 

krpbrod

zelfstandig naamwoord

tarwebrood met zemelen, zemelenbrood

WBD III.2.3:190 -- kropbrood: Hoogerheide en Tilburg
 

krpt

persoonsvorm; tegenwoordige tijd 2e + 3e pers. enk. van 'krpe'

kruipt

Cees Robben Daor krpt z veul vrije td in war... (19770624)

 

krsbild

zelfstandig naamwoord

kruisbeeld

WBD III.3.3:50 - krsbild = kruisbeeld

WBD III.3.3:51 - krsbildechristus = corpus

Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - KRUISBELD znw.o. - kruisbeeld

 

krske

zelfstandig naamwoord , verkleinde vorm

kruisje;

eindstadium van de H. Mis: Bij et krske de krk t gaon

Cees Robben In mn kaomer pronkt n krske (19700220)
Cees Robben Zonder irst n krske te maoke... (19720707)

WBD (III.3.3:145) krske - zegen aan het eind v.d. mis

WBD (III.3.3:185) krske - een kruisje maken

 

krskestreve

iets beloven; onder kinderen! een 'eed' afleggen met twee gekruiste vingers, middelvinger over ringvinger.

Kon ook betekenen: iets onaangenaams niet verder vertellen, of versterking van de belofte om een afspraak na te komen. Z.a.

Meestal eerst als vraag gesteld, waarna degene die iets 'zweert' het woord als uitroep herhaalt.

Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) -  varianten op 'krske strve': krske strven n hnderdduuzend zere btterammen peete ('70) (Als dat niet klopt, eet ik mijn pet op '70)

- gezegd om iemand te overtuigen van de waarheid of oprechtheid:

Cees Robben Ik zal pront betaole... krske strreve... (19540821)
 

krspunt

zelfstandig naamwoord

kruispunt

Dirk Boutkan (1996) - (blz. 33) 'krspunt' (er kan klinkerverkorting optreden)

 

krsweg

zelfstandig naamwoord

kruisweg, de veertien staties in de r.-k. kerk

Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) -  kken as en hllegebildje d van de krswg is gevalle (Pierre van Beek --  Tilburgse Taalplastiek 1971)- beduusd kijken

WBD III.3.3:178 krswg bidde, de krswg doen = de kruisweg bidden

Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - KRUISWEG znw.m. - de afbeelding v.d. lijdensweg van Jezus

 

krwaoge

zelfstandig naamwoord

Henk van Rijen -- kruiwagen, 'kreugel'

 

Krucht, De

zelfstandig naamwoord, toponiem, onderdeel van De Uilenvlucht, op Korvel
- Krucht is hier waarschijnlijk een verbastering van krocht, bedoeld als benaming voor een primitief of verborgen bouwsel
Willem van Mook Den Uilenvlucht was de verzamelnaam voor drie grote weverswoningen. Ze stonden zeer afgelegen, op een open veld, waar toen nog geen andere bebouwing was. Er voor, er achter en bezijden niets dan weide, heide en bossen. In bet begin van deze eeuw waren die drie huizen tot ruines vervallen en toch woonden er toen nog mensen in. Het Kretshuis was het voornaamste van de drie. De Keet en de Krucht waren dpendances van het grote Kretshuis dat in het begin van de vorige eeuw, toen Tilburg onder Frans bewind stond (1795-1813), gebruikt is geweest als Leprosie (Melaatsenhuis). Omdat er in Tilburg gelukkig geen melaatsen waren, bestemde men het voor quarantaine bij besmettelijke ziekten. (Nieuwe Brabantse novellen; 1970)

Henk van Rijen -- 'de Krucht' - jammer- en kreunonderkomen van leproserie 'Den levlucht

 

kruije

zelfstandig naamwoord; plur. van 'krd', met d-syncope

kruiden

WBD III.2.3:128 'tuinkruiden', 'kruiden

werkwoord, zwak

kruien

Henk van Rijen - de aase tkruije - het vuile werk doen

Frans Verbunt -  van kruie krde lange rme n grote neusgaote

Dialectenqute 1887 Willems - kruie - krj - gekroje ik krui,gij/hij kruit

A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland, Meer in het bijzonder dOerse taol, 1958 etc. - st.ww., tr.en intr. - kruien: 1) een kar terugduwen (door een paard), 2) molenaarsterm, 3) een kruiwagen voortduwen, 4) (van muren gezegd) wijken, een weinig uit het gelid gaan.

Jan Naaijkens, D's Biks - 1992 - krije ww - kruien

 

kruijenier

kruidenier

'kruidenier' met gesyncopeerde d

 

krukke

werkwoord, zwak

krukke - krukte - gekrukt

WBD (v.e. paard) strompelend lopen bij het aantrekken

Henk van Rijen -- (textiel) - houten vorken die ondersteboven in de grond werden geplaatst en waarop de gelijmde 'kttings' gedroogd werden.

WNT KRUKKEN - 1) sukkelen met de gezondheid; 2) sukkelen, knoeien e.d.; 3) schertsend: iemand voor kruk uitschelden

 

krukstoel

zelfstandig naamwoord

Van Dale -  met een smalle, rechte rugleuning

N. Daamen - handschrift 1916 - krukstoel leuningstoel

 

krulle

werkwoord, zwak

krullen maken; spannen

Frans Verbunt -  et zal er krulle! - het zal er spannen

krulle - krulde - gekruld

Cornelis Verhoeven - krullen ww. - behalve in de zin van 'krullen maken' ook onpers. gebruikt in de uitdrukking  'het zal er krullen' - het zal er spannend toe gaan, er zullen klappen vallen. (Van een wateroppervlak dat rimpelt?)

WNT KRULLEN c) 3) Oneigenlijk voort niet effen, niet kalm zijn, opgewonden zijn e.d.

 

krupsie

zelfstandig naamwoord

kwaal

van Franse 'corruption' = kleine kwaal, ziekelijke gril, treurige toestand van lichaam en geest.

Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) -  aaltij krupsies hbbe (We '37)

N. Daamen - handschrift 1916 - "krupsies - hij hee aaltij allerlei krupsies (kwalen)"

WNT KRUPSIE - wsch. uit 'corruptie'. Gewoonlijk in 't meerv. gebruikt voor: lichamelijke kwellingen, klein ongemak.

 

kuijer
zelfstandig naamwoord
wandelingetje, ommetje
Cees Robben Bende aon oewe kuier, Karel..? (19850802)

 

kuijere

werkwoord, zwak

kuieren, langzaam wandelen, een ommetje maken

Op de Spoorlaan is 't mistal nie druk en as ge daor dan hillemol op oe eentje te kuieren lopt... (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit t klokhuis van Brabant 5; 7 en 14-11-1929)

 

kulleke

zelfstandig naamwoord

Zegsman Ad Vinken - klein kind (vertederend)

Zegsman Ad Vinken - wdist tch en kulleke, war

S&S KUL: klein, nietig ventje: e kulleke van e manneke (Corn. II 97)

WNT KUL (4) a) flauwe vent, sul (S&S: deze betekenis is secundair)

Bosch kulleke - liefkozend woord voor een klein kind

 

kullevoe

zelfstandig naamwoord

fopperij

N. Daamen - handschrift 1916 - "kullevoe - dat 's kullevoe (dit is fopperij)"

 

Kommetje zonder oor, aangetroffen bij archeologisch onderzoek naar het Kasteel van de Hasselt. Ill. uit: Graven naar het kasteel van Tilburg, H. Stoepker 1986

kumke

zelfstandig naamwoord , verkleinde vorm

1. kommetje

- dim, van 'km', met vocaalkrimping

Dirk Boutkan (1996) - (29) kwalitatieve mutatie: kom - kumk; (51) kumke/ kummeke

Mar mijnheer, vat toch nog 'n kpke koffie, 't zijn zoo'n kleine kumkes, 't is de moeite nie werd. (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Boere-Profeet; feuilleton in 5 afl. in de NTC 1-7-1939 29-7-1939)

Cees Robben Mn kumke wiegelt z detter de koffie uit-kwaanselt... (19660826)
Cees Robben ...n kumke koffie, Kupke? (19860131)

WBD III.2.1:186 'kommetje' = kopje

C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - KUMKE o - kommetje, vooral: koffie- of theekopje zonder oor.

Bosch kumke - kop of kom zonder oor.

2. plant

WBD III.4.3:426 "kommetjes' = waternavel (Hydrocotyle vulgaris)

De gewone waternavel (Hydrocotyle vulgaris) is een moerasplant die behoort tot de klimopfamilie (Araliaceae).

Waternavel

 

kumme
samentrekking
kunnen we
Cees Robben Dan kunme slaope gaon... (19670428)
Cees Robben Hij haauwt lang weg mee zunne gaoren-bol... Dan kumme niet gaon katsele.. (19671215)

 

kundet
samentrekking
kun je het
Cees Robben Misschien kundet beseffe (19600916)


kunne

werkwoord, sterk

kunnen

Dialectenqute 1887 Willems - kunne - ks(se) - gekunne: ik kan, gij/hij kunt

Dirk Boutkan (1996) - kunne - kn/ks - gekund

Kees en Bart (ca. 1925; in Tilburgsche Post) -- as ze d konnen; ze han et beeter zo knne laote

...ze moesse doen al w ze kosse om er 'n stkske veur te steke... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; feuilleton Bad Baozel, 8 afl. in NTC 31-12-1938 18-2-1939)
...die twee kosse mekare nie zoo goed lije, ziede... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; De nuuwe kapelaon van Baozel, afl. 1; NTC 1-10-1938)

Cees Robben -- Witte wgge kunt! Niks kunde, d kunde.

Cees Robben -- Hoe bestaoget, mar kunne doe z'et; naa kunde lulle wegge wilt;

Daor waren lollige bij, die goed kosse koken en dieter niks van bakten. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant, 1952 - d bumke zal daor moejlek kunne groeje

CiT (26) 'Na kumme wir gestaoig nroke'

Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - GEKUNNEN: derde hoofdvorm van 'kunnen'

 

kunningkp

zelfstandig naamwoord

koningskop

WBD bepaalde maag van een koe

WTT - 2012: zie het lemma in WBD I:3,363; het gebruik wisselt zeer, zodat het niet eenduidig is welk deel van de koemaag bedoeld wordt; met name wel de lebmaag.

 

kunsbooter

zelfstandig naamwoord

margarine

Frans Verbunt -  margarine

Henk van Rijen -- 'kunsbotter'

Jan Naaijkens, D's Biks - 1992 - 'kunstbooter'

 

kunssbaon

zelfstandig naamwoord

Henk van Rijen -- kunstijsbaan

 

kunsmis

zelfstandig naamwoord

WBD kunstmest

 

kunsmisspraajer

zelfstandig naamwoord

WBD kunstmeststrooier (machinaal), ook 'kunsmistzaajer' genoemd

 

kunstenr

zelfstandig naamwoord

kunstenaar

Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - KUNSTENR znw.m. - kunstenmaker

 

kunstwol

zelfstandig naamwoord

Van Delft - Opmerkelijk is wel, dat de kunstwol, die tegenwoordig op zoo veler tong is, reeds in het verleden tot een volksgezegde was, hetgeen blijkt uit de uitdrukking: "'t Is allemaal kunstwol", hetgeen beteekent: Het is maar waardelooze rommel; het is bedrog; 't is verneukerij. (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 117; 5 juni 1929)

 

kuntje

zelfstandig naamwoord verkleind

kontje, gatje

Jan Naaijkens, D's Biks - 1992 - kuntje

Bosch kuntje

Lechim - Triske hee 'n hansjupke aon/ Geborduurd mee 'n hundje/ D is z hullie moeder zee/ "Fn wrm aan dur kuntje". (Michel van de Ven; ongedateerd knipsel uit de Tilburgse Koerier, circa 1970)

Piet van Beers - "'t Heej op z'n kuntje, 'n paor grote zwre." (CuBra; 2008)
Piet van Beers - As de daoge korter worre/ n der is wnig licht/ dnke kiepe bij der ge/ Ik haaw mn kuntje dicht (Uit: 'n Verse aai; Cubra, 2008)

Elie van Schilt - Op n van die fabrieken zaag ik "Toosje" ze werkte in de stopperij, ik viel subiet vur Toosje, vergaat de'k al un medje had. Toosje was blond, niks gin verftroep, natuurblond van dur gen, wangen om z in te bten, vuur rooie lipkus, n, ok hier hasse gin lipstift vur ndig, un paor borsjes, die ondeugend hun nuske vurut stken, un schn strak kuntje en un onderstel, daor niks op af viel te keuren. (Cubra; 2009)
Uitdrukkingen

Et zal oew kuntje vaore/et zal oew gatje vaore - Het zal je tegenvallen

Cees Robben Toen ie weg was zin ze ammol/ Det zn kuntje vaoren z...(19670623)

Henk van Rijen - dan zal oew kuntje krmes viere - dan zul je ervan langs krijgen

WBD III.1.4:194 'met uw kontje in de boter vallen' = geluksvogel

verkleinde vorm van 'knt', met umlaut

Uiteinde van een brood - als laatste afgesneden, meer korst dan brood

Dan sneej ze irst de witte mik/ nt kuntje daorvan d kreeg ik/ De smaok daorvan vergeet ik not/ nao alle daoge roggebrod. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Krsmes vruuger...)

Bijnamen

Anron van de Wiel - Maar een kroeghoudster aan de Koemarkt (dat was bij het slachthuis aan de Enschotsestraat) had een, wat A. Jacobs noemde, "partos posteriorus" dat zowat 15 cm te hoog stond. Dus heette zij Kuntje Reijnen... (Transcriptie in website HET GEHEUGEN VAN TILBURG; 2007; Bijnamen vr 100 jaar; tekst uit manuscript van 'Postscriptum' - op basis van een manuscript in Regionaal Archief Tilburg ca. 1920, coll 370, nr. 75).

Bijnamenboek Karel de Beer - kuntje klder = eigenares klein snoepwinkeltje (Blz. 92) 

Bijnamenboek Karel de Beer - et kuntje = A.S.H. Martin, conmoderator van het Odulphuslyceum (blz. 103) [zijn kin had de vorm van een achterwerk(je)]

 

Kupke
eigennaam Jacobus, verkort tot Kobus, verkleind
Cees Robben Ons Kupkes-schutters-eugskes (19560714)
Cees Robben ...n kumke koffie, Kupke? (19860131)

 

kusmokkis
samentrekking
kus me ook eens
Cees Robben - Kusmokkis (19621123 - complete tekst)
 

kusse

I zelfstandig naamwoord

kussen

hoofdkussen, het kussen waarop men slaapt

Lodewijk van den Bredevoort - Ze ha der haore los over et kussen liggen. Ons moeder ha van d lange haor tot op der kont. (Uit: Kosset den brne eigeluk wel trekken? - 2007)

Frans Verbunt -  twee gelove op en kusse, daor slpt de duuvel tusse

Dirk Boutkan (1996) - verkleinde vorm: kussetje

kussen waarop men zit

A.J.A.C. van Delft - Op nen Vastenavend,/ Hier ne stoel en daar ne stoel, /Op iedre stoel een kussen. (Nieuwe Tilburgsche Courant - 9 maart 1929 - Van vroeger dagen 104: Kinderspelen 1)

A.J.A.C. van Delft - Hij weefde al dit/ Hij weefde al dat/ En hij weefde 'n kussen al onder z'n gat... (Nieuwe Tilburgsche Courant - 23 januari 1930 -Van vroeger dagen 150: Kinder-rijmen)
bij paarden

WBD kusses - vlees- en spieraanzetting links en rechts op de borst van een paard, ook genoemd 'schoft'

WBD hmkusses - haamkussens (de vilten binnenbekleding v.h. haam)

WBD kusses - (Hasselt) - zadelkussens (voor een paard)

II werkwoord

kussen, zoenen; zwak werkwoord

Leo Heerkens - ... zal 'k oe wakker kussen, meidje? (Uit: DE NON; 1940)

Frans Verbunt -  kusse meude gerust mar van et meekaniek moete afblve

 

kussesplleke

zelfstandig naamwoord

speldenkussentje

samenstellende elementen zijn omgekeerd vr het diminutiefsuffix.

 

kut

zelfstandig naamwoord

vrouwelijk geslachtsdeel

- zowel de uiterlijke als inwendige delen worden bedoeld

WBD III.1.1. lemma  vrouwelijk geslachtsdeel kut, vooral noordelijk Tilburg

WBD III.1.1. lemma  schede kut, vooral noordelijk Tilburg

 

kuukele

werkwoord, zwak

vallen

WNT: omkukele

Ons moeder waar meej mn op den rm van den onderstre tree van de trap gekukeld en ha der bn gebroken.  (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

 

kuukske

verkleind zelfstandig naamwoord uit koek, met umlaut

koekje

...en op 't list pudding mee kuukskes erin... (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit t klokhuis van Brabant 9; 22-02-30)

Heerkens - Toen ze nog vreejen, oo, hoe fijn!/ Roozengeur en maoneschijn, bioscoop en zuute kuukskes,/ zuute mundjes in stille huukskes (Piet Heerkens; uit De knaorrie, Liefde?, 1949)

Lechim - Ge krgt dan koffie meej en kuukske... (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Verjrdaoge)

Cees Robben In dr huukske meej n kuukske... (19601118)

Henk van Rijen - die kuukskes kande nie knaawe, die koekjes kun je niet bijten

Bosch kuukske - koekje

Elie van Schilt - dan begon de vasten, vur ons kender 40 daogen nie snoepen, al de kuukskes en snuupkes die ge kreegt gingen allemal in ut vasten-trommeltje. (Uit: As ge katteliek geboren wierd; CuBra ca. 2000)

Piet van Beers Traditie: Toen kreege ze 'n haandvol snuupke's/ t de kuukskestrommel op de trap. (Spoeje doemmeniemer; 2009)

Enqute over Je favoriete Tilburgse woord op Facebookpagina Je bent een echte Tilburger als... maart 2013 -

 

Nieuwe Tilburgsche Courant - 16 maart 1931 - Advertentie ter gelegenheid van 'Halfvasten'

 

kuule

werkwoord, zwak

Henk van Rijen -- koelen

 

kuure

werkwoord, zwak

Pierre van Beek --  zichzlf kuure - zich behaaglijk voelen

 

Familie Willems - collectie Wim van de Wouw (CuBra)

kuus, kuuske

zelfstandig naamwoord

naam, ook koosnaam voor een varken of een rund (koe, kalf)

in Tilburg vrijwel altijd voor het varken

I benaming voor varken

A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland, Meer in het bijzonder dOerse taol, 1958 etc. -
- ks znw.m. - 2) varken

WBD vrouwelijk varken, ook genoemd: 'zeug', 'zuig', 'zg', 'zog', 'verken', 'vreke'

WBD 'kuuske'- jong varken, big, ook genoemd 'big' of 'bag' en (Hasselt:) 'kab'

WBD kuus kuus, vrke, verken - roep- en lokwoorden voor het varken

WBD kuus, kuuske - vleiwoorden voor het varken

WBD kuus, kuus kuus - lok- en roepwoorden voor de big

Cees Robben Den schrpen geur van broeder kuus/ die vond ik amiekaol. (19701016)

N. Daamen - handschrift 1916 - "kuus - varken"

A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - kuus - varken (div. dial.)

Jan Naaijkens, D's Biks - 1992 - kuus - zn - varken

Heestermans, Witte nog? Over Bergse en Westbrabantse woorden en uitdrukkingen; 8 dln.; 1988-1994. - kuus (V:62)

Jan Stroop, Sprekend een Westbrabander, 1979, 1981 - kuus (1:27)

II spotnaam - uiterlijk of gedrag van het varken overgedragen op personen

► zie ook Bijnamen, hieronder

Verhoeven - KUUS - varken, varkensachtig persoon? - veel gehoorde bijnaam. 

A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland, Meer in het bijzonder dOerse taol, 1958 etc. -
ks znw.m. - 3) (van mannelijke personen gezegd) lompe, ongemanierde kerel.

III Tilburgse bijnamen

Bijnamenboek Karel de Beer - Mina kuus = weduwe Kolen (blz. 50)

Bijnamenboek Karel de Beer - kuus Hrsemis = A.P. Hersmis (blz. 42)

Bijnamenboek Karel de Beer - Miet de kuus = Miet Hersmis (blz. 42)

Bijnamenboek Karel de Beer - de kuus = A. Venmans (blz.79)

Bijnamenboek Karel de Beer - kuusje Verdunt = Gustave Verbunt (blz. 80)

Bijnamenboek Karel de Beer - de kuus, of kuuske = Van Waalsden (blz. 107)

Bijnamenboek Karel de Beer - de kuus = V.d. Zijden (blz. 108)

IV benaming voor een rund

WBD roepnaam v.e. koe, ook 'koes' of 'koej'

 

kuusrepel

zelfstandig naamwoord, meervoud

voor varkens gekookte aardappelschillen; ook wel kleine, nietvoor menselijke consumptie geschikte aardappelen

A.J.A.C. van Delft - Rond vijftig jaar geleden [ca. 1880] was het een algemeen gebruik dat men alvorens kermis te gaan vieren, eerst de aardappelen gerooid had en tweedens de put geveegd. Dat aardappelen rooien geschiedde door het geheele gezin, vader en moeder staken de patatten uit den grond en al de kinderen moesten rapen; de groote "piepers" werden "opgezakt" en de kleine kwamen in den sopketel van de varkens terecht, dat waren de zg. kuus-errepeltjes. Het put vegen bestond uit het schoonmaken van de regenput of de regenton, waar in den loop van het jaar stof en blaren uit de dakgoot zich verzameld hadden. Eerst als beide werkzaamheden verricht waren, paste het een rechtgeaard Tilburger kermis te vieren. (Nieuwe Tilburgsche Courant - vrijdag 10 januari 1930, Van vroeger dagen 148: Brokkelingen 1)
 

kuuskalf

zelfstandig naamwoord

WBD vrouwelijk kalf, ook genoemd: 'vrskalf', 'vrskalf', 'vijrskalf'

 

kuuske

zelfstandig naamwoord

varkentje

Cees Robben Pietje.. lustte iets van t kuuske.. (19550205)

Cees Robben De kuuskes.. de kuikes.. de kiepe.. (19590822)
Cees Robben Hier zn al veul kuuskes w steeg en w knorrig/ En fel lamenterend de pp uit gegaon... (1970) [Geen Prent van de week, maar een advertentie bij het zeventigjarig bestaan van Slagerij Ooms]

WBD jong varken, big, ook genoemd 'big' of (Hasselt) 'bag'

WBD vleiwoord voor het varken, ook genoemd 'kuus'

WBD vleiwoord voor de big

Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) -  ik maag er ng wl zn, war, want de kuuskes zn der ok (Pierre van Beek --  Tilburgse Taalplastiek 1965) - gezegd door iemand die van zichzelf vindt dat hij er voor zijn leeftijd nog goed uitziet.

C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - KUUSKE o - jong varken, kalfje

A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - Naast 'drift' in T, ook 'kuuske' en 'kap/kabbe' rond T, alsmede 'bag' in een gedeelte v. Midden-Brabant. (blz. 154, krt.86)

 

kuusvoejer

zelfstandig naamwoord

varkensvoer

 

kuute

tussenwerpsel

WBD kuute kuute kuute - (Hasselt) lok- en roepwoorden tot een big

Verh.KUUT m - varken

C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - KUUTJE v - jong varken, kalfje

A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland, Meer in het bijzonder dOerse taol, 1958 etc. -
kt(ə) 1) roepnaam voor jonge varkens, 2) big.

 

kwaam, kwaamp

werkwoord, persoonsvorm

kwam

WTT - Mogelijk is de toegevoegde p overgenomen uit de presensvorm kompt, waarin die p een overgangsconsonant is tussen de labiaal en de dentaal.

Cees Robben - In de schnste stad van t laand/ kwaam... En mee gin lege haand/ Tntje...  Prent over de geboorte van de 127.000ste Tilburger, genaamd Tntje van Zundert. De schonste stad van et laand is de volksnaam voor Tilburg.  (19540213)

Kees en Bart (ca. 1925; in Tilburgsche Post) -- De vorm 'kwaamp' wordt frequent gebruikt.

Cees Robben En ze kwaampen as siegeuners  (19591017)

Cees Robben Daor uit de dsternis/ kwaamp unne vremde stoet (19600715)
Cees Robben Hij kwaamp in t gaasthuis tercht (19650528)
Cees Robben Mar ons Too dren meens kwaamp er op uit.. (19650402)
Cees Robben Dokter Jaanse kwaamp is kke... (19660429)
Cees Robben Z kwaamp ons boerke op t gedaacht (19610929)
A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant, 1952 - toen kwaamde gllie hier lk jaor nr de kermis

GD06 daor kwaampeze dan mistentds ... teege

Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - KWAAM - 2e hoofdvorm van 'komen'; KWAMP idem. J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - KWAMP(EN) voor 'kwam(en)'; ook bij Hooft (z.a.)

 

kwaansel

zelfstandig naamwoord

Pierre van Beek --  vloeibaar voedsel dat zich niet onderscheidt door een goede kwaliteit

N. Daamen - handschrift 1916 - "kwaansel - ik drink nie mee, ik wil al d gekwaansel nie in 'men buik hebben (grote hoeveelheid van minder goede kwaliteit)"

WNT KWANSEL = kwanselbier: In verschillende streken ten Z. van den Moerdijk de naam voor een bierfeest zooals er voorheen bij verschillende gelegenheden werden gegeven.

Jan Naaijkens, D's Biks - 1992 - kwansel zn - kwansel (biertraktatie)

K. Heeroma - Brabants uit de 18e eeuw (woordenlijsten Verster,1968) - KWANTSEL, KWANTSELBIER - een maaltijd of onthaal, dat bij bruiloften of begraaffenissen ... gegeven of gedaan wordt. Z.a.

Cees Robben ...klinkklaor waoter... kwaanselbier (19660401)

A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland, Meer in het bijzonder dOerse taol, 1958 etc. -
kwansəl znw, m. kwansel, traktatie op bier (bierfuif) tussen de tweede en derde roep aan het jonge mansvolk uit de buurt, door een meisje dat in ondertrouw is.

Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - KWANTSEL (uitspr. met Nederl. a) kwaansel znw.m. - flauwe, dunne, waterachtige koffie, pap, soep. Ook: bier dat de bruidegom geeft aan de jonggezellen zijner buurt.

 

kwaansele, kwaanselbier

werkwoord, zwak

kwaansele, kwanselde, gekwaanseld

- In het Tilburgs vrijwel altijd: morsen met vloeistof, in het bijzonder bier.

- Het werkwoord overleeft vooral in de samenstelling 'kwaanselbier', waarmee niet zozeer 'gemorst bier' wordt bedoeld maar bier van inferieure kwaliteit, zo niet schraal bier.

Etymologie

Ed Schilders - In het Tilburgs van de afgelopen halve eeuw kan iemand met vrijwel alle voedsel of drank dabbe, maar niet met bier. Met bier kwaansel je. Tegenwoordig is dit bier in de volksmond vooral bekend als kwaanselbier, een wat minder geslaagd pilsje, een klacht die vooral ten tijde van carnaval en andere volkse festiviteiten gehoord wordt. De slechte kwaliteit van kwaanselbier heeft een lange geschiedenis. De samenstelling is afgeleid van het werkwoord quantelen ofwel kwantselen, waarmee al in het Middelnederlands bedoeld werd: knoeien, oneerlijk zijn, smokkelen. (MNW & WNT) In het Tilburgs was het vooral het geknoei van de kasteleins, niet de morsigheid van de drinker. A.J.A.C. van Delft schrijft daarover:

Het "kwanselbier" was de bijeengekwanselde kliekjes, die in de glazen waren achtergebleven. Had de herbergier ook daarvan een vat vol, dan ging het naar den brouwer terug. Deze goot dat niet weg, doch verzamelde het na voorzichtig overgieten in een grooter vat of okshoofd. Dan begon het opnieuw te gisten (melkzuurgisting) en na een tijdje was het geheel verzuurd en werd dan gebruikt als "snijbier", waarmede het versch gebrouwen bier werd versneden. Dit versneden bier werd verkocht onder den naam "oud bier". (Nieuwe Tilburgsche Courant 22-1-1935; Uit vroeger dagen: Het bier en de folklore 1)

(Van Aajkes tot Zaandkeul, 2012, hoofdstuk Dabbe)

Werkwoord

1 - knoeien met bier

Naa waar de maot vol bij den rgenist, hij sloeg mee z'n vuist op de taofel en de bitterkes begosse te daanse en te kwaanselen op taofel... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; De nuuwe kapelaon van Baozel, afl. 2; NTC 8-10-1938)

Cees Robben Mn kumke wiegelt z detter de koffie uit-kwaanselt... (19660826)
Cees Robben Kwaanselt toch nie z... (19770422)
Cees Robben Ik heb liever degge den Haaikese toren omstt as degge menne borrel leeg kwaanselt.. taotolf... (19820402)

Frans Verbunt -  kwaansele zo sund zn (carnavalsmotto)

2- het heen en weer bewegen

vloeistof in een kan o.i.d. heen en weer bewegen; zwalpen, walsen, ook klotsen

Van Rijen - Kwaansel nie z mee de rme - Wees eens wat voorzichtiger met die melkkan!

Lechim - Ok al vuuldet gekwaansel van bier in oewen bk... (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: 'Kk zeej aauwe Giel')

A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland, Meer in het bijzonder dOerse taol, 1958 etc. -
kwansələ(n) zw.ww.intr. kwanselen, een vloeistof in een kan en dgl. heen en weer schudden, zwalpen.

3. moeizaam lopen, zwalken

Frans Verbunt -  w kwaanselde gij tch - wat loop je toch langzaam

Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - KWANSELEN bedr. ww - zwalpen, sterk heen en weer bewegen (vloeistoffen) idem, onoverg.: hetzelfde als kwakkelen, wankelend gaan. (uitspr.met aa) 

WBD III.1.2:120 'kwanselen' = slenteren (langzaam wandelen)

WBD III.1.2:146 'kwanselen' = waggelen

4. vergooien, verspillen

Quinten - Hil zun hebbe en hauwe heetie aon heur verkwaanseld. (Hein Quinten, Tilburgse spreuken; ca. 1990)

Noord en Zuid, jrg. 11, 1888, p. 153 over het taalgebruik in het werk van Wolff en Deken - verfonkfooien: ou kleeren verfonkfooien = verkwanselen. [het betreft blijkbaar een vorm van verfomfaaien]
Noord en Zuid, jrg. 25, 1902, p. 242 verhoetelen, verkwanselen, verschacheren. [versjacheren]

5. verspillen met ruilhandel

WNT KWANSELEN - 1) zijn geld verspillen met allerlei aan te koopen; 2) op een knoeierige manier ruilhandel drijven.

Pierre van Beek - "Tuitelen" is ruilen, vooral wanneer dit bedreven wordt door kinderen. Het is het gewestelijke woord voor "tuisen", dat de betekenis heeft van bedrieglijk ruilen of kwanselen. Houdt verband met het Duitse "tauschen" (ruilen). De verandering van de "au"
in "ui" komt bij de vergelijking van het Nederlands en het Duits vaak voor. (TTP 17-2-1971)

J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - KWANSELEN wordt iemand gezegd te doen, die bestendig zijn goed ruilt, hetzelve omzet of verkoopt. Z.a.

K. Heeroma - Brabants uit de 18e eeuw (woordenlijsten Verster,1968) - KWANTSELEN - ruilen. Men zegt ook: zijn geld verkwantselen, dat is: voor nietswaardige dingen uitgeven.

WBD III.3.1:55 'kwanselen', 'tuitelen, ruilen, verhandelen'

kwanselen: voortdurend zijn goederen ruilen of verkopen.

Enqute over Je favoriete Tilburgse woord op Facebookpagina Je bent een echte Tilburger als... maart 2013 -

Noord en Zuid, jrg. 2, 1879, p. 268 - kwanselen uit kwantselen, van het oorspronkelijke kwantelen (van quant, oudt. = ruilhandelaar")
Noord en Zuid, jrg. 3, 1880, p. 376 in het dialect van Groningse veenkolonin - Kuutjebuten. Ruilen, kwanselen.

 

kwaant

bijvoeglijk naamwoord, bijwoord

Henk van Rijen -- keurig, correct, prompt, braaf; = 'pront'

 

kwaast, kwasje

zelfstandig naamwoord

M kwast

A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland, Meer in het bijzonder dOerse taol, 1958 etc. - kwa.st znw.m. - kwast, zot, gek, kwibus

 

kwak, kwkske

zelfstandig naamwoord

grote hoeveelheid

enen kwak kaaje; ene kwak waoter;

Zen wuw blef zitte meej ne kwak kln jng Zijn weduwe bleef zitten met een stel kleine kinderen

Cees Robben -- Ene scheut f en schutje? J, mar d schilt ene kwak.

N. Daamen - handschrift 1916 - "kwak - groote hoeveelheid"

Bijnamenboek Karel de Beer - Peer kwak = Toon Verhagen (blz. 81)

WBD III.4.4:260 'kwak' = grote hoeveelheid

26l 'kwakske' = onbepaalde hoeveelheid

263 'kwakje' = beetje

Haor KWAK - grote hoeveelheid

K. Heeroma - Brabants uit de 18e eeuw (woordenlijsten Verster,1968) - KWAK, KWAKSKEN - een zoo, zotie. Bij voorb. een Kwak aardappelen, Een Kwaksken bonen. Kiliaen 'quack', superfluum et frivolum.

A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland, Meer in het bijzonder dOerse taol, 1958 etc. -
kwak znw.m. - zekere hoeveelheid: 'ene kwak aepel'

Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - KWAK znw.m. - jenever. 'En borrel kwak. Gij drinkt te veul kwak.

Bosch kwak - grote hoeveelheid

WNT KWAK (IV) ook als nabootsing v.h. geluid dat gehoord wordt als een voorwerp, inz. een weeke massa, neer of tegen iets aan ploft.

 

kwakke

werkwoord, zwak

WBD III.1.2:7 'kwakken' = hotsen; ook: stolpen,hossen,hutselen,hobbelen

 

kwakkel


Ill.: Rolf Janssen

zelfstandig naamwoord

kwartel

Hij is zoo doof as 'n kwakkel! (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Oome Teun op collecte; feuilleton in 3 afl. in de NTC 12-8-1939 26-8-1939)
...hij waar zoo doof as 'n kwakkel en ha niks geheurd. (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; De nuuwe kapelaon van Baozel, afl. 11; NTC 10-12-1938)

Henk van Rijen -- kwartel (Coturnix coturnix); ook 'kiekemeda, kiekemedie'

 

Kwakkel, de

toponiem

LDM - - In de buurt van de "Kwakkel" - het gedeelte van de Elzenstraat tegenover de Eikstraat - stond en staat nog Kruissensmolen. Waar die naam vandaan komt, is ons niet bekend. (Lowie van Dorrus Misters; rubriek Uit onze Tilburgse folklore, afl. 20 Over mulders en molens; NTC 4-10-1952)

1879 - Janssens, J., schoenmaker, in de kwakkel P 5. (Adresboek 1879 gemeente Tilburg)

1879 - Melis, G., winkelier, in de kwakkel D 3. (Adresboek 1879 gemeente Tilburg)
 

kwaklocht

zelfstandig naamwoord

WBD III.4.4:38 'kwaklucht' = wispelturig weer, ook 'kwakkellucht, weer'

WBD III.4.4:47 'kwakkelweer' = druilerig weer

 

kwakpot

zelfstandig naamwoord

N. Daamen - handschrift 1916 - "kwakpoot - vrouw met wat zwaren gang"

 

kwalm

zelfstandig naamwoord

walm

WBD III.1.4:384 'kwalm' = drukte

WBD III.2.1:218 'walm' = idem

 

kwanss

bijwoord

De Wijs -- Ge kekt kwaansuis den aanderen kaant in mar ge wit er wel mir van (10-01-1970)

Cees Robben Z mar gewoon.. kwansuis... (19590530)
Cees Robben Mar witte wet is... zeej Lewieke kwansuis.. (19590801)

Henk van Rijen -- kwansuis, schijnbaar, quasi

Piet van Beers Den Haon: Hij schudt zenne kop/ z'n vre glimme/ n z nou n dan/ ziedem kwansuis 'n kiep beklimme. (Spoeje doemmeniemer; 2009)

Stadsnieuws -  Hij keek zo kwanss es oover zene schouwer f zij ok nr hum keek (130110) Hij keek als per ongeluk over zijn schouder ...

Heestermans, Witte nog? Over Bergse en Westbrabantse woorden en uitdrukkingen; 8 dln.; 1988-1994. - kwaksuis (III:13)

WNT KWANSUIS - bijwoord  ook wel kwanswijs, z.a.

 

kwaoke

werkwoord, zwak

kwaken

Dialectenqute 1887 Willems - kwaoke - kwkte - gekwkt

- ook in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij kwkt

 

kwaol, kwltje

zelfstandig naamwoord

kwaal

Cees Robben -- dan kan ik zien f oew kwaol oovergao;

A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland, Meer in het bijzonder dOerse taol, 1958 etc. -
kwo'l znw.vr. (vero.) kwaal (thans: kwaol)

 

kwart

zelfstandig naamwoord

WBD III.4.4:288 'kwart' = kwart el (= 17 cm), ook 'vierel', 'vierendeel'

 

kwartier

zelfstandig naamwoord

WBD III.4.4:298 'kwartier' = vijf liter; ook 'kop'

 

kwartje

zelfstandig naamwoord

muntstuk van 25 cent

Van Beek - Loop naar de kwartjes. Hoepel op. Loop naar de pomp. (Nwe. Tilb. Courant; Dialect en spreekwijzen; 10 januari 1959)

 

kwast, kwasje

zelfstandig naamwoord

kwast

WBD kwaste (Hasselt) - trossen (gekleurde kwasten boven op het haam)

WBD III.1.262 'kwastjes' = gouden kwastjes aan de halsketting

WBD III.4.3: 68 'kwast' = knoest in het hout

 

kwatse

werkwoord, zwak

Henk van Rijen -- onzin vertellen (Duits: Quatsch)

Frans Verbunt -  kwatspraot is ok praot

Ontleend aan het Duits: QUATSCHEN = kletsen, een kletsend geluid maken

 

kwatsert

zelfstandig naamwoord

Henk van Rijen -- kletskous, praatjesmaker

Enqute over Je favoriete Tilburgse woord op Facebookpagina Je bent een echte Tilburger als... maart 2013 -

Vergelijk Duits: QUATSCHKOPF = kletskous, bazelaar

 

kwatske

zelfstandig naamwoord

GG klein beetje, in het bijzonder: klodder spuug, rochel

WBD III.4.4:262 'kwats' = scheut

 

kwatspraot

zelfstandig naamwoord

Frans Verbunt -  kletspraat

Frans Verbunt -  kwatspraot is ok praot

 

kwatta

zelfstandig naamwoord

reep chocolade

ene kwatta van Tjklat

ze hbben amml ene kwatta gehad van siendereklaos

naar de merknaam 'Kwatta'

 

kwattastrojsel

zelfstandig naamwoord

chocoladehagel

ook aangetroffen: kwattestroojsel

Cees Robben As t vant vreke is dan lus ik t gelk... Mar sjem en kwatta-strooisel d kan ik nie pruimen...  (19660204) [Robben gebruikt alles van het varken lusten om uit te drukken dat een jongen daarmee een man is]

Hij gaaf ze spk meej moffelbone/ boerebrod meej en schf zult/ mar ze han liever kwattastrooisel/ goei eete was er n verspuld. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Gift ze mar zuut)

Ge hoefde dus nie bang te zn, degge ths nog ens op oew
donder zt krge, as hij ging vertellen wrom de kwattastrooisel en
de goei boter aaltij z gaaw op waren. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

Daor kwaam ok veul minder toelaog op toffel. Toen ons moeder nog lfde, kosse we wel t drie dinge we zuutighd betreft, kieze. Mistal kwattestrooisel, zjem of gekleurde hagel. Vural ene bottram meej goei booter en daor kwattestrooisel op daor waar ik gek op. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)
Stadsnieuws -  en snee mik meej goej booter n kwattastrojsel waar zondagseete (010407)

Enqute over Je favoriete Tilburgse woord op Facebookpagina Je bent een echte Tilburger als... maart 2013 -

Jan Naaijkens, D's Biks - 1992 - 'kwattastroojsel' zn - hagelslag

 

kwbbel

zelfstandig naamwoord

WBD III.3.1:280 'kwebbel' = kletswijf

WBD III.1.1:100 'kwebbel' = mond

 

kwbbele

werkwoord, zwak

Van Beek - "Kwebbel nou nie!" - maak geen praatjes. (Nwe. Tilb. Courant; Typisch Tilburgs afl. XI; 10 jan. 1958)

 

kwbke

zelfstandig naamwoord , verkleinde vorm

kleine kwab(be)

Henk van Rijen - Et lste kwbke t de maand - de laatste dochter uit een gezin.

WNT KWAB - kwabbe - 1) Weeke massa vleesch of vet, natuurlijke dikte of ziekelijk gezwel.

 

kwee, kweej

zelfstandig naamwoord

1. planten

WBD III.4.3:198 'kwee' - zuurbes (Berberis vulgaris)

Berberis vulgaris

WBD III.2.3:166 'kwee' = kweepeer

WNT KWEE - benaming voor de vruchten van bomen als Cydonia vulgaris (familie der Pomaceae)

Cydonia vulgaris - Khlers Medizinal-Pflanzen in naturgetreuen Abbildungen und kurz erluterndem Texte; Franz Eugen Khler (1883-1914)

2. vogel

Henk van Rijen -- keep (vogel) (Fringilla montifringilla)

WBD III.4.1:130 'kwee' - keep; ook: 'kweek'

Fringilla montifringilla

3. koe

WBD kween (koe die door een afwijking v.d. geslachtsorganen onvruchtbaar is) ook 'brul' genoemd

WNT KWEEN 2) eene koe die door onvolkomen ontwikkeling van de voortplantingswerktuigen onvruchtbaar is.

 

kwk

zelfstandig naamwoord  (v. en m.)

1. schreeuwerig, plat vrouwspersoon; schreeuwlelijk

R Tis zn chte Tilburgse kwk

Cees Robben [de ene vogeltjesprutter tegen de andere:] Ik heb hier niks hangen as unne tuureluut... Mar doar binn hek nog n kwk zitte mee drie jong... (19710723)

2. grote mond

N. Daamen - handschrift 1916 - n'groote kwaik opzetten (n'groten mond)"R Houdt oewe kwk!

"Jongens, haawt oe kwijk," riep Graard, "'t spul begient!" (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; De nuuwe dokter; feuilleton in 4 afl. in NTC 27-1-1940 17-2-1940)

Pierre van Beek --  en grote kwkerd pztte - een grote mond opzetten (kwk?)

A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant, 1952 - hij ztte zen kwk oope - hij zette zijn strot open, schreeuwde hard

Stadsnieuws -  As die kwk der knder roept, kundet in Gol heure. (219307

Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - KWK znw.v. - in de lage taal: mond. Houd oe' kwk!

A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland, Meer in het bijzonder dOerse taol, 1958 etc. -
kw:.k resp. kwe.k znw.vr. (kweik resp. kweek) grote mond, bakkes: 'Haudt ew kwaek toew!'

C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - KWK v. - grote mond, vooral in geopende toestand.

Bosch kwk - grote mond

WBD III.4.2:32 'kweek' - bek, mond, muil, bakkes v.e. dier

Bijnamenboek Karel de Beer - Karel kwk (pastoor K. Janssens) (blz. 48)

Bijnamenboek Karel de Beer - Peer kwk (P. Mutsaerts; (blz. 58)

Bijnamenboek Karel de Beer - Dien kwk = mevr. Remmers (blz. 66)

Bijnamenboek Karel de Beer - kwk Hamers - zong boven iedereen uit (blz. 41)

Enqute over Je favoriete Tilburgse woord op Facebookpagina Je bent een echte Tilburger als... maart 2013 -

WBD III.1.1:96 'kwk' = mond;

WBD III.1.1:98 'kwk' = mond (spotnaam)

3. vogel

N. Daamen - handschrift 1916 - "kwaik - geep (vogel)"

Cees Robben En ziede daor die kwk.. (19600708)

WBD III.4.1:66 'braamkweek' - braamsluiper (vogel)

Volgens Van Roessel wordt de vogel KEEP (Fringilla montifringilla), de berg- of bosvink, ook 'kwk' genoemd. Hij heet 'keep' naar zijn gerekte lokroep 'keep'.

Jan Naaijkens, D's Biks - 1992 - kwk zn - grote mond, keep

WBD III.4.1:129 'kweek' - keep (Fringilla montifringilla); ook 'kwee'

WBD III.4.1:66 'braamkweek' = braamsluiper'(vogel)

Afb.: Naumann: braamsluiper sylvia curruca

 

kwek

persoonsvorm

huilde, schreeuwde

Henk van Rijen - kwot es kwek - ik wou dat het eens huilde (het kind)

Frans Verbunt -  hij kwek snot n kwl - hij maakte zich erg druk

 

kweeke

werkwoord, zwak

kweken

Dialectenqute 1887 Willems - kweeke - kwikte - gekwikt - ook vocaalkrimping in tegenwoordige tijd: gij/hij kwikt

 

kwke

werkwoord, sterk

schreeuwen, schreien, huilen, roepen, zingen

kwke - kwek - gekweeke

vocaalkrimping in tegenwoordige tijd: gij/hij kwkt

1. schreeuwen, hard praten, roepen

A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - kwken - hard schreeuwen

N. Daamen - handschrift 1916 - "kwaiken - schreeuwen"

R Kwkt tch nie z! - schreeuw toch niet zo!

Van Delft - - Een straatventer "kwkt"; een kind "seevert"; een meisje "semmelt"... (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 110; 20-04-1929)

"'t Is oorlog!" kweek oome Teun. (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; De nuuwe dokter; feuilleton in 4 afl. in NTC 27-1-1940 17-2-1940)
De Wijs -- As ge diejen meziek w harder zet wor ik nog schorrer en kan ik gin meens mir bekweeke krge (20-03-1968)

Cees Robben Nie z kwke... (19871016)

n wk list op de mrt heurde: Kom s kke, kom s kke / K stao hier nie vur niks te kwke! (Ed Schilders; W zeetie?; wensite Brabants Dagblad Tilnurg Plus 2009)

Naa, daor hoefde-n-ik nie lang oover te prakkednke. t Schonst vn ik: Ze kosse nie b mekaor gekweeke krge. (Ed Schilders; W zeetie?; website Brabants Dagblad Tilburg Plus 2009)2. huilen

Cees Robben -- De klne di mar niks as kwke; de klne kwkt;

Pierre van Beek --  snot n blauwsel kwke - variant op 'snot n kwl schreuwe' (Tilburgse Taaklplastiek 175)

WBD III.3.1:286 'hard kwaken (kwken)' = roepen, schreeuwen

2. huilen

De Tienus zaat op zen gemak/ in zene kraant te kke/ toen zeej: As ik de ammol lees,/ dan zk goed kunne kwke" (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: De begroting)

Cees Robben Jan, dr uit... den klne kwekt; (19751107)

Cees Robben t kiendje d kwekt.. (19590516)

...kln Kriesje viel zene knie kepot/ w heej d jong gekweeke. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Ene schraole trost)

Oranje heeget niet gehld/ we han wl kunne kwke,/ Mar kom allee, de Toer begient/ wir w om nr te kke. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Twiddes)

Ik heb nog not van mn lve ons Fraanske z heuren kwke. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

Stadsnieuws -  D bske viel op de kaaje, n kwke dttie toen di (110508)

Jan Naaijkens, D's Biks - 1992 - kwke ww - huilen, schreeuwen

Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - KWKEN - kwaken gelijk eenden, ganzen; luid huilen en krijschen

C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - KWKEN onov.ww - huilen (de afkeuring voor deze uiting van verdriet ligt al in het woord opgesloten), werd ook van dieren gezegd.

WvM 'De q van het quken, da doen de kln jong'

WBD III.1.4:252 'kweken' = huilen; 254 'kweken' = luid schreien 

3. zingen

Cees Robben [dirigent tegen zangeres in koor:] En asser forto boven stao.../ D wil nie zegge.. kwke... (19600414)
Cees Robben [dirigent tegen koorzanger:] Fortissimo, d wil naa krek nog nie zegge degge ddgemoedereerd gewoon moet gaon staon te kwke. (datum onbekend)

n gekweeke dtter dan wier: et dak vant hs! (G. Steijns; Grot Dikteej van de Tilburgse Taol 2006)

f meejkwke op et blrkonkoer. (Ed Schilders; W zeetie?; Website Brabants Dagblad Tilburg Plus; 2009)
4. overige betekenissen

WBD loeien, ook 'kweeke', 'brulle', 'blijte ' of 'blre" genoemd

gez. te kwke staon - in het krijt staan, schuld hebben

Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) -  stn te kwke (TT) - in het krijt staan, schuld hebben

WBD 'kwkke' - hinneken (v.e. paard), ook 'hunkere', 'hinneke' of 'briense' genoemd

WBD 'kwke' - schreeuwen (gezegd van een dier dat geslacht wordt)

A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland, Meer in het bijzonder dOerse taol, 1958 etc. -
kw.kə(n), kwe.kə(n) zw+st.ww (praet. kweek) gekweike - 1) dierlijk geluid; 2) hard roepen, schreeuwen, 3) huilen (van kinderen).

Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) -  snt n blauwsel kwke (Pierre van Beek --  Tilburgse Taalplastiek 1973) - luidkeels huilen (zie: snt)

Heestermans, Witte nog? Over Bergse en Westbrabantse woorden en uitdrukkingen; 8 dln.; 1988-1994. - kwke (III:77)

 

kwker(d)

zelfstandig naamwoord

schreeuwer(d), schreeuwlelijk

Pierre van Beek --  iemand die hard roept of schreeuwt

Cees Robben wes toch unne kwker.. (19870717)

Henk van Rijen - ene grote kwkerd opztte - een grote mond hebben

Bijnamenboek Karel de Beer - de kwkerd = pastoor v.d. Velden (blz. 79)

WBD III.3.1:227 'kweker', 'uitslover' = bullebak

WBD III.4.1: 26 'kweker' = jong, kaal vogeltje, ook 'nestjong'

A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland, Meer in het bijzonder dOerse taol, 1958 etc. -
kw.kər
znw.m. 'kweiker' hij die kweekt (in bett. 2+ 3 van 'kw.kə(n))

Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - KWKER znw.m. - soort van vink die niet zingt of slaat als de andere.

Jan Naaijkens, D's Biks - 1992 - kwker zn - huilebalk

Bosch kwkerd - luidruchtig persoon; mond

 

kwkmdje

zelfstandig naamwoord

Frans Verbunt -  lid van meisjeskoor

 

kwle

werkwoord, zwak

kwijlen

WBD III. 1.1:187 'kwijlen' - kwijlen

kwle - kwlde - gekwld, met vocaalkrimping; ook in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij kwlt

 

kwlebalk

zelfstandig naamwoord

Henk van Rijen -- slijmerd, huichelaar

 

kwne

werkwoord, zwak

kwijnen

Dialectenqute 1887 Willems - kwne - kwnde - gekwnd

ook in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij kwnt

wgkwne - niet goed groeien (van planten); 'nie tiere'

Dialectenqute 1876 - kwne ( van fr. tte)

WBD III. 1.4:282 'kwijnen' = kommervol zijn

 

kwt

bijvoeglijk naamwoord .

kwijt

Cees Robben k Wil oe hier wel kwt... (19600701)

A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant, 1952 - ze is de hlft van der rome kwt

 

kwtspeule

werkwoord, zwak

Henk van Rijen -- verliezen, verspelen

Stadsnieuws -  Ik hb zoveul kwtgespuld dk wir op men zaod zit (150309) - Ik heb zoveel verloren dat ik weer terug ben bij mijn oorspr. ingelegde geld.

 

kweezel

zelfstandig naamwoord

1. overdreven vrome vrouw

De deugd weegt zwaor in de weegschaol", zee kwezelke Van Hest... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; feuilleton Bad Baozel, 8 afl. in NTC 31-12-1938 18-2-1939)

Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) -  bij de kweezels moete gin rozekraanse kope, want die bidde zlf te gre (JM'50) - zaken die iemand zelf gebruikt, moet je niet proberen in bezit te krijgen.

Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) -  tis en spurriekweezel ('71) - een kwezelachtig meisje dat toch wel trouwen wil als 'de ware Jozef' komt

N. Daamen - handschrift 1916 - "kwezel - halve religieuse - Norbertus-kwezels enz."

Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - KWEZEL znw.v. smaadnaam voor eene vrouw of jongedochter die overdreven godvruchtig is. - Opeengenaaide lappen dienende om er de potten mee van 't vuur te nemen.

Jan Naaijkens, D's Biks - 1992 - 'kweejzel' zn - vrome vrouw, pannelap

Bijnamenboek Karel de Beer - kweezelke Doorakkers = M.V. Doorakkers (blz. 34)

Bijnamenboek Karel de Beer - de leerkweezel = Francisca v.d. Hout (blz. 44)

2. lapje om (warme) voorwerpen mee aan te pakken

N. Daamen - handschrift 1916 - "kwezel - doekje, dat aan de kachel hangt om voorwerpen aan te pakken, die te heet zijn voor de bloote handen"

Cees Robben Waor leej mn schaors, troeleke..? .. Op dn naoricht.... menneke... aachter t scheurmikske... Op de kwezeltjes... (19580118)

WNT lemma KWEZEL: Een lap waarmede men heete voorwerpen van 't vuur neemt (SCHUERM. [1865-1870], CORN.-VERVL.; ook hier en daar in N.-Nederl.?).

3. tuinboon

N. Daamen - handschrift 1916 - "kwezel - zeggen de kinderen tegen een zwarte tuinboon, als ze met groote boonen spelen"

 

kwkkerd

zelfstandig naamwoord

WBD overgevoelig paard (dat gilt bij de minste aanraking), ook genoemd 'jaanker', of (Hasselt) 'jankerd'

WBD III.4.2:28 'klocht' - hoeveelheid jongen die door een dier in een worp ter wereld is gebracht; ook 'worp' genoemd

WBD III.3.1:36 'klocht' = gezelschap; ook genoemd: gezelschap, compagnie, complot, club, clubje, groep, groepje, samenkomst

WBD III.3.1.378 'klocht' = troep (manschappen)

WBD III.4.4:256 'klocht' - menigte, troep

WBD III.4.4:260 'klocht' = grote hoeveelheid

 

kwkske

zelfstandig naamwoord , verkleinde vorm

kleine hoeveelheid; kwakje

N. Daamen - handschrift 1916 - "kwekske - kleine hoeveelheid"

Cees Robben Ge mot d kwekske is kwikke... t Is unne hille kwak... (19620323)

Henk van Rijen - wn kln kwkske - wat een klein beetje!

Frans Verbunt -  'kwkske', 'kwatske'

CiT (126) 'Zen d hil oe kokse? Wen kln kwekske.''

WBD III.2.3:265 'kwakje' = restje bier

WBD III.4.4:265 kwakske' = klein overschot

C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - KWEKSKE (kwkske) o. - kleine kwak, beperkte hoeveelheid van meestal kleine, gelijksoortige voorwerpen, klein genoeg om te kwikken en neer te kwakken; 'n kwkske rpel. 'Een hille kwak' is 'een hel del', een grote hoeveelheid.

 

kwl

zelfstandig naamwoord

kwijl

GG hij kwek snt n kwl toen ie zaag d zen knntje dod waar

 

kwlleke

zelfstandig naamwoord, verkleinde vorm

Henk van Rijen -- klein beetje

Frans Verbunt -  slokje

WBD III.2.3:124 'kwellekes' = etensresten

WBD III.4.4:263 'kwelleke' = beetje

Stadsnieuws -  Drinkt oew tas es leeg vurdk wir inschnk, der zit nog en kwelleke in. - ... er zit nog een koud restje in.

 

kwlt, kwlde

werkwoord, persoonsvorm.

kwijlt, kwijlde

tegenwoordige tijd 2e/3e pers. sing., verleden tijd van 'kwle', met vocaalkrimping

 

kwnt, kwnde

werkwoord, persoonsvorm.

kwijnt, kwijnde

tegenwoordige tijd 2e+ 3e pers.sing., verleden tijd van 'kwne', met vocaalkrimping

 

kwps

zelfstandig naamwoord

V flauw

V ik wr z kwps van al dieje limmenaade

Stadsnieuws -  Ik wr zo kwps van al dieje limmenaade; gif naa mar es iets strekers. (200110)

WNT VIII:815 KWIPS Zie KWAPSCH 702 KWAPSCH - kwabsch, bijvoeglijk naamwoord  Wellicht eene afleiding van KWAB 1) Van den mensch en zijn lichaam: flauw, onwel, misselijk. Z.a.

Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - KWEPS(CH) bijvoeglijk naamwoord, bijwoord - flauw, smakeloos, van spijzen

Bosch kwps - flauw, onwel; melig; dronken

 

kwtje

Luister naar het geluid van de grasmus

 

zelfstandig naamwoord

WBD III.4.1:61 kwtje - grasmus; ook: 'braamkwatje'

WBD III.4.1:64 kwtje - tuinfluiter; ook: 'braamkwet', 'braamschijter'

 

Kwtterie, de

toponiem, buurtschap

Kwetterij, de

Deel van de wijk Oerle

Weekblad van Tilburg 18 juli 1867

 

Tilburgsche Courant 9 augustus 1874

 

Tilburgsche Courant 18 februari 1871

 

kwttersteel

zelfstandig naamwoord

veelpraatster

N. Daamen - handschrift 1916 - "kwettersteel - veelpraatster"

WNT KWETTERGAT, KWETTERKONT - vrouw die veel babbelt

 

kwiezjr

zelfstandig naamwoord

fornuis, cuisinire

vierkante kookkachel met een of meer ovens, waarop men verschillende dingen tegelijk kan koken, braden of stoven

Foto: internet 2012

Kees en Bart (ca. 1925; in Tilburgsche Post) -- 'kwizienjaire'

Henk van Rijen -- 'kwiezejr'

WBD (III.2.1:232) 'cuisinire' = fornuis, ook 'kookkachel' genoemd

Verbastering van 'cuisinire' (fr.)

Jan Naaijkens, D's Biks - 1992 - 'kwiezejr zn - fornuis

Heestermans, Witte nog? Over Bergse en Westbrabantse woorden en uitdrukkingen; 8 dln.; 1988-1994. - kwiesjre (II:66)

WTT 2012 in het Tilburgs ook aangetroffen als een kachel met aan de bovenzijde kookplaatsen waarvan de omvang kon worden bepaald door ringen. Namelijk:

Elie van Schilt - We hadden gin CV. wel unne kwiesjeer of platte bs. (Uit: Td; CuBra ca. 2000)

Elie van Schilt - Zelf ben ik van aacht en twintig, ut irste wet ik me nog kan herinneren is dek 's mrugus wakker schrok dur ut geweld van de kwiesjeer die aongemokt wier dur men moeder. Dun deksel en de ringen wieren er allemal afgeschoven, de russel wier omgekiepert, dan ut gepiep van de aslaoi die wier dan op dun hofpad in de kolenzeef leeg gemokt. (Uit: Alles is aanders; CuBra ca. 2000)

 

kwikke

werkwoord, zwak

optillend het gewicht schatten

Lt es kwikke hoe zwaor d't is. - Laat eens voelen hoeveel het weegt.

Cees Robben -- as ie is maag kwikke:

WBD III.3.1:92 'kwikken', 'schatten, prijzen, koersen' = schatten (gewicht)

WBD III.4.4:293 'kwikken' = op de hand wegen, ook 'wikken' kwikke - kwikte - gekwikt

Bosch kwikke - het gewicht van iets schatten door het op te tillen

Heestermans, Witte nog? Over Bergse en Westbrabantse woorden en uitdrukkingen; 8 dln.; 1988-1994. - kwikke (I:27)

Jan Naaijkens, D's Biks - 1992 - kwikke ww kwikken

Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - KWIKKEN iets met de hand wegen om er de zwaarte van te schatten.

A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland, Meer in het bijzonder dOerse taol, 1958 etc. - kwɪkə(n) zw.ww. intr. en tr. kwikken - 1) intr. omhoog gaan, opslaan (van een kar), 2) tr. (lett. omhoog doen gaan) pondus manibus examinare.

Verh. - KWIKKEN ov.ww - het gewicht van iets schatten door het op te tillen en met de hand op en neer te bewegen.

J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - KWIKKEN is een hier zeer gebruikelijk woord voor 'met de handen optillen om de zwaarte te onderzoeken. Z.a.

WNT KWIKKEN (l) 2) Bij Kiliaan wordt quicken behalve in den zin vibrare ook vermeld in dien van: librare, trutinare, pondus manibus examinare, en ook Hoeufft, Schuerm. en Corn-Vervl. geven nog de betek. "met de hand wegen", "onderzoeken hoe zwaar iemand weegt onder het opzicht van verstand, wetenschap of kennissen" op.

Haor KWIKKE - wegen (in het vrachtvervoer)

 

kwikmedrilleke

zelfstandig naamwoord, verkleinde vorm

Henk van Rijen -- klein mager vrouwtje met veel verbeelding

 

kwikriem

zelfstandig naamwoord

WBD (Hasselt) buikzeel (riem die onder de buik v.h.paard aan de burries wordt vastgemaakt om te voorkomen dat de kar opslaat), ook genoemd 'kwikzeel'

A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland, Meer in het bijzonder dOerse taol, 1958 etc. -
znw.m - riem die dezelfde dienst doet als het kwikzeel.

 

kwikstrt

zelfstandig naamwoord

kwikstaart

Motacilla alba

Henk van Rijen -- witte kwikstaart (Motacilla alba)

Kiliaen quicksteert, Motacilla cauda tremula

 

kwikzeel

zelfstandig naamwoord

WBD (Hasselt) buikzeel (riem die onder de buik v.h.paard aan de burries wordt vastgemaakt om te voorkomen dat de kar opslaat), ook genoemd 'kwikriem'

C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - KWIKZEEL (kwikzee:l) o - touw, zeel, dat onder de buik v.h. paard door de ene berrie v.d. kar met de ander verbindt om het achteroverslaan te voorkomen.

A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland, Meer in het bijzonder dOerse taol, 1958 etc. -
kwɪkse.l znw.o. - zeel onder de buik v.h.paard en aan de burries v.d. kar vastgemaakt; dit belet het opslaan (= kwikken).

 

kwitskwedilleke

zelfstandig naamwoord, verkleinde vorm

N. Daamen - handschrift 1916 - "kwitskwedilleke - aardig, pienter meisje"

(Spaans: quiz = 'mogelijk, misschien' + Madrilena 'uit Madrid') ?

 

kwitsmadril
zelfstandig naamwoord de etymologie is onzeker en daarmee ook de betekenis
Cees Robben Daor gao de kwitsmadril (19600219)

 

kwjong

zelfstandig naamwoord; het meervoud is identiek

kwajongen, kwajongens

De mister wier ziek van die kwjng.

Henk van Rijen -- 'kwjonge, kaojjonge; (mv. kwjong, kaojjong)'

WBD III.1.4:332 'kwajongen' = ongehoorzame jongen

 

kwok
samentrekking
ik zou willen dat (ik)
Cees Robben En k docht, lieve lezer,.../ kwok wieswaorikwaar.... (19540403)
Cees Robben Kwk-ham-ha... (19730427)
Cees Robben Kwok vreej... (19861010)
 

kwokkum
samentrekking
ik wou dat ik hem
Cees Robben - ..Kwokkum-h-zeej... [Ik wou dat ik hem had, zei hij..] (19690214)
 

kwlek

bijvoeglijk naamwoord, bijwoord

kwalijk

WBD III.1.4:360 'kwalijk' = bezwaarlijk

A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland, Meer in het bijzonder dOerse taol, 1958 etc. -
bijwoord  'koolijk', 'kalijk' - kwalijk, nauwelijks, moeilijk, bezwaarlijk

Leo Goemans - Leuvens taaleigen, 1936 - KWALIJK - ku:lək

Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - KWA(D)ELIJK (uitspr. kwaoiələk, Kemp.: kaolək) bw brasch, gramstorig, kwaad. (Kwadelijk verschilt van kwalijk)

 

kwltje

zelfstandig naamwoord, verkleinde vorm

kwaaltje

Cees Robben -- vur derge n der kwltjes

WBD III.1.2:199 'kwaaltje = kwaal

verkleinde vorm van 'kwaol', met vocaalkrimping

 

kwossebons
samentrekking
ik wou dat ze bij ons
Cees Robben Kwossebons lekasbllie drtzagge... (19540605)

 

Naar het begin van de pagina

Inhoud Woordenboek Tilburgse Taal
CuBra Home

kriek

Schilderij van Osias Beert (detail) - Stilleven met krieken (kersen) - 17e eeuw

 

kraant

Cees Robben