INHOUD WTT
HOME

Het Woordenboek van de Tilburgse Taal wordt mede mogelijk gemaakt door

A

B

BL

D

E

F

G

H

I

J

K
KIK
KRA
L
M
N
O

OOD

P

PLA

R

S

SIEB

SPR

T

U

V

VIE

W

Z

Wil Sterenborg

Van oodeglaar tot ouwer

Van bberis tot nzt

Straatzangers met draaiorgel - uit: Het straatlied, D. Wouters & J. Moormann, 1933

rgel


oodeglaarwaoter

zelfstandig naamwoord

Van Rijen: goulardwater ; loodacetaat tegen huidaandoening

Van Dale: GOULARDWATER - genoemd naar de Franse arts Goulard, die het in 1760 introduceerde; verkoelend en opdrogend heelmiddel, een oplossing van loodacetaat in alcohol, verdund met water (eau de Goulard)

De publicatie waarin Thomas Goulard zijn vinding bekendmaakt (1751) - bron: www.gallica

 

og, oge, ugske, eugske

zelfstandig naamwoord , verkleinwoord

1. het oog, de ogen, oogje

MP gez. Haawt Gd vur oge n de haand vur oew gat, dan zal oe niks ontvalle.

"Meens, kijk toch 'n bietjen uit oe soep-ooge!" (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; De nuuwe dokter; feuilleton in 4 afl. in NTC 27-1-1940 17-2-1940)

n ok zen oge waare niemir al te bist. (Henritte Vunderink, Vergeefse mankemnte, uit: Tis de moejte wrd; 2011)

DANB zen oge

LENA die aander og - dat andere oog

Mandos - Brabantse spreekwoorden: D zn de lf oge nie (D16) - Daar is weinig kans op.

Mandos - Brabantse spreekwoorden: Hij stikt Gd de ogen t (vB Tilburgse Taalplastiek 1969) - gezegd van iemand die ondanks dat hij het goed heeft, altijd klaagt en meent te kort te komen.

Mandos - Brabantse spreekwoorden: kalk in de ogen hbbe (vB Tilburgse Taalplastiek 1972) - moeten trouwen (Vrouwen menen aan de ogen te kunnen zien of iemand in verwachting is.)

Mandos - Brabantse spreekwoorden: et og moet k w hbbe, al is et mar en blauw (vB Tilburgse Taalplastiek 1972) - ironische aanvulling op een bekend gegeven.

Mandos - Brabantse spreekwoorden: et wiegestroj zit ng in zen oge ('7l)-hij is nog niet droog achter zijn oren

Mandos - Brabantse spreekwoorden: z zver as en og vl matrrie (N. Daamen, woordenlijst 1916:) - zo schoon (?) als een oog vol etter: dus niet schoon

WBD 'ge' (II:974) - ogen; ook: 'heejvelchskes' (heveloogjes) [?]

Henk van Rijen: ek gao fkes men oge verschiete - ik ga even een dutje doen.

Frans Verbunt: schl oge geeve - jaloezie opwekken

Interview Hermans - 1978 - dronkenschap - d was en dwltocht, war, toed we ts kwaame n dan laagen ons ogen al en bietje boovenop n dan kwaame we ts n dan viele we in de bdsteej oover ons moeder heen omd ge zat waart!. (transcriptie Hans Hessels, 2013)► KLIK HIER om het interview te beluisteren

WBD III.1.1:71 'oogklep', 'oogschelp', 'deksel v. h. oog' = ooglid

Jan Naaijkens, D's Jan Naaijkens, D's Biks: 'Og' zn - oog z. a.

2. boomknop waaruit scheuten of loten tevoorschijn komen

Mandos - Brabantse spreekwoorden: z veul oge, z veul vge (N. Daamen, woordenlijst 1916:)

3. vetringen in de soep

Omd de kender daor niks van snappen lee-t-ie verder uit: "hoe vetter ik wor, hoe kleiner m'n oogen worren. Mee soep is 't krek aandersom; hoe vetter, hoe grotter oogen erop! Hi, hi, hi!... Ds 't verschil tusschen mijn en soep." (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit t klokhuis van Brabant 2; 16-10-1929)

 

oge

werkwoord, zwak

ogen, uitzien, een indruk wekken

De Wijs -- Ge mot oew oge bter opmaoke, d ogt mir! (10-01-1970)

 

ogenblik

zelfstandig naamwoord

ogenblik

Op den ogenblik

Antw. OOGENBLIK znw. m., nooit o.

 

oj

zelfstandig naamwoord

WBD vrouwelijk schaap, ook 'grm' genoemd of 'schaop'

 

ojeklonje

zelfstandig naamwoord

eau de cologne

► onjeklonje

 

ojevaor, ollievaor

zelfstandig naamwoord

ooievaar

R. J. kmt den oojevaer ngevlooge

De Wijs -- veur dn marathon motte oewe kute insmre mee ooievaorskuke-vet (23-10-1963)

Cees Robben: Ist waor d den 'ooievaor' de kiendjes brengt?

Cees Robben: Witte gij wl d den 'ooievaor' de kiendjes brengt?

WBD III. 4. 1: 225 'ooievaar' (Ciconia ciconia), ook 'olievaar' genoemd

 

ok, ok

bijwoord

ook

Dialectenqute 1876 - ik ben tevreeje; zde g 't oak?

Antw. OOK, Kemp. ok bijwoord, Fr. aussi

 

-om

zelfstandig naamwoord

achter een voornaam gevoegd: onzen Jaonom

Cees Robben Piet-oom ((19810508)

Anneke van nze Tiestom... (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Annekes kleeke....)

D was et ordel, tenaostenbij/ van onzeTirrus-om... (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Dan wrret iets aanders)

Onze Tirrus-om ploetert aaltij/ vur et daogleks krsje brod. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: As vadder belond)
K. de Beer - Tilburgs Bijnamenboek (2000) - Kees-om, Peer-om, Sjf-om = gebr. Van Boxtel (blz. 27)

Piet van Beers Laandhonger: M'n schnvadder ha w bos en w laand van Kees-omke's ge-orve. (With Love; 1982-1987)

Piet van Beers Unne mooien open dag: Mar Jaonusoom die kent gin maot ..(With Love; 1982-1987)

Jan Naaijkens, D's Biks: Janme, Pietme

Dirk Boutkan: (blz. 59) onze / jullie/ hullie om

Cornelis Verhoeven: -OOM, achter de naam gevoegd

Tuinstra Enige opmerkingen over composita van het type Jan-oom (Nieuwe Taalgids 34:279)

Antw. JAN-OOM znw. m. - schertsende benaming voor Lombaard, berg van Bermhertigheid, Fr. mont-de-piti

 

oomaa

zelfstandig naamwoord

oma, grootmoeder

Henk van Rijen: ons moeder, onz oomaa n ons Miet

(blz. 55) et gao de ltste td wir w beeter meej oomaas

WBD III. 5. 2:63 'oma' = grootmoeder; ook 'omoe', 'grutje'

 

oomaasfiets

zelfstandig naamwoord

omafiets - oma's fiets

► pestorsfiets

 

ome

zelfstandig naamwoord
oom; in de omgang met kinderen echter niet noodzakelijk een familielid, maar bijvoorbeeld ook een buurman of kennis van het gezin; voor taante geldt hetzelfde.
Cees Robben [vader tegen een kind] Alleej... Gift dn me is n hendje... Hij is wel vrimd... Mar nie vremd vur oe... (19580510)

WBD III. 3. 1:135 'ome Jan', 'bank, pandjeshuis' = bank van lening

WBD III. 2. 2:75 'oom' = idem

Antw. OOMEN znw. m. - oom, Fr. oncle

Jan Naaijkens, D's Biks: 'Ome' zn - oom

 

oopaa

zelfstandig naamwoord

opa

Cees Robben: 'oopaa'

Cees Robben: naa maag den oopaa zeeker et penneken tlekke;

Cees Robben: den oopaa heeget bij mekaar geschrpt;

Dirk Boutkan: zulde goed nr oopaas lstere? - luister je goed naar opa?

Dirk Boutkan: (blz. 59) onzen/onze, julliejen/jullie, hulliejen/hullie oopaa

WBD III. 2. 2:64 'opa' = grootvader

 

oope

bijvoeglijk naamwoord/bijwoord

open

vB in weeke gin vnster oope gehad - wekenlang werkloos geweest

Cees Robben: mar as oew schuurdeur oope gao;

DANB hij ztte zen kwk oope

WBD III. 4. 4:55 'open weer' = vriezend weer; c. q. zacht winterweer

 

oope-toe-broek

zelfstandig naamwoord

kruisloze broek, vroeger gedragen door oude vrouwen; ze konden dan gemakkelijk hun behoefte doen

Bron: Geheugen van Nederland

 

Van Rijen: oope-toe-broek, oope-sjoo-broek, snlzker

Jan Naaijkens, D's Biks: oopetoebroek zn bep. soort vrouwenbroek

 

oopoe

zelfstandig naamwoord

grootmoeder

oopoe zien

uitdrukking

Sinds der ok nog zon stuk of vier van onze en heur zusjes, regelmaotig opoe zaage, hasse aon de waas der haande mer dan vol. Wij han die tdrukking van opoe zien ok mar ot ergens geheurd en wiese verder ok niks. De emmers stonden aaltij afgedekt in et schp. Wij wiese b God nie w d waare, waor ze vendaon kwaamen of waor ze vur diende, die lappe meej al d bloed der aon. Vraoge? Hoe vraoge? En aon wie? (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

 

or, urke

zelfstandig naamwoord , verkleinwoord

oor

vB krtoore = kinderen (in gez. 'Ze zal dere kak wl phaawe as . . . ')

DANB hij heej lopoore

Mandos - Brabantse spreekwoorden: de oore te dicht b de kp hbbe staon (vB Tilburgse Taalplastiek 1969) gierig zijn

Van Rijen: 'We zun hum us un or nnaaje' - . . . te pakken nemen

Frans Verbunt: hij kan meej zen ore den ngel ds heere klppe

WBD III. 1. 3:263 'oorring', 'oorbelletje, 'belletje' = oorring

WBD III. 1. 3:264 'oorknopje', 'knop(je)' = oorknop;ook: oorbel(letje)

 

oorvg

zelfstandig naamwoord

oorvijg

Antw. OORVG znw. v. en niet m.

 

ot

bijwoord

ooit, eens, weleens

Komde ot op t Gurke? - Kom je weleens op het Goirke?

Cees Robben En heddet t ter haand gehad (19600624)

Hoeveul meense hbbe der ot/ vur d lokt gestaon? (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Daklos)

DANB hij is es ot in zen lve gebeete

B t

Antw. OOIT (uitspr. oet) bijwoord - op een tijdstip in het verleden

 

ootoo
zelfstandig naamwoord
auto
Cees Robben Unne ooto vur-de-deur.. (19640925)
 

oove, oowve

WBD oven, bakoven (in het bakhuis v. e. boerenhuis), ook 'bakoove' genoemd

WBD broodoven (van de bakker)

WBD houtoove - oven waarbij men in dezelfde ruimte stookt en bakt (oven in een bakhuis)

WBD onderoove - onderoven (benedenste gedeelte van een oven, vooral de ruimte beneden in de oven, waar het brood gezet wordt om te rijzen)

DANB de scheuter die stao bij den oove - de ovenpaal staat bij de oven

 

oovenbkkerke

zelfstandig naamwoord , verkleinwoord

Van Rijen: winterkoninkje (Troglodytes troglodytes)

WBD III. 4. 1:76 'ovenbakkerke' - winterkoninkje

 

oover

voorzetsel, bijwoord

over

oover drie weeke, oover de schaansmuur; gaotie nie oover?

B oover aanderse dag - om den anderen dag

Cees Robben: oover twee daog; d van men is mrege oover;

Cees Robben: Waor heetie et amml oover?; Ge rst em ene keer oover zen bikkeltje;

Cees Robben: tis oover td; oover men lk; oover et kpke;

Van Rijen: 'oover den hfpat achterom, via de achterdeur

Jan Naaijkens, D's Biks: oover vz, bw over

 

ooveral

bijwoord

overal

 

ooverblve

werkwoord, sterk

WBD III. 4. 4:28 'overblijven' = droog blijven (het weer)

 

oovernd

bijwoord

overeind

Cees Robben: hij heej zene riek hard nodeg om ooverend te blve;

Cees Robben: hij ks nie ooverend;

Antw. OVEREIND, OVEREND bw - in opschudding, overhoop, in wanorde. Heel de straat stond overeind.

 

oovernsie

zelfstandig naamwoord

in oovernsie - overcompleet, te veel

uitdrukking: In oovernsie - overcompleet, overschietend, overblijvend

Kees & Bart (ca. 1935): nog en in oovernsie

N. Daamen, woordenlijst 1916: "iets in overentie hebben (te veel)"

Henk van Rijen: buurvraaw, hdde meschient en paor aajer in oovernsie?

D ledikantje han ze nog in overentie. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

WNT zie OVERENTSIG, overensig (klemt. op de 3e lettergr.) - overschietend, overblijvend, overig.

Verh OVERENTIE (overnsie) v. - alleen in de verbinding 'in overnsie hebben' - over hebben, meer hebben dan voor het moment noodzakelijk is.

Jan Naaijkens, D's Biks: oovernsie bw - over; iets in oovernsie hbbe

Bosch overnsie overvloed, voldoende

 

oovergaon

werkwoord, sterk

overgaan, voorbijgaan

oovergaon - ging/gong oover - oovergegaon

 

ooverheene

bijwoord

overheen

Kees & Bart (ca. 1935): 'Oover tnne stappe ze ooverheene' (de gemeenteraadsleden)

 

ooverhs

zelfstandig naamwoord

verhuizing

De Guust was aon den ooverhs/ alles stond oovernd/ Ik snap nie zeetie tot zen vrouw '/ wgge begonnen bnt. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Verhs-plezier?)

 

ooverkaant

zelfstandig naamwoord

overkant

 

ooverlist

bijwoord

laatst, onlangs

N ooverlist heurdenik ng zgge: ch val dod meens, lfde gij ng! (G. Steijns; Grot Dikteej van de Tilburgse Taol 2008)

Van Dale - D14 overlaatst, bw v. tijd (Belg. N. , spreektaal) onlangs, laatst

WNT OVERLAATST - daarnaast (in Brabant) OVERLEST - (klemt. op 3e lettergr. ) - laatst, onlangs. In Z.-Nederl., en gewestelijk ook elders, b. v. in Gelderland. Z. o. De Bo en Corn. Vervl.

 

ooverloper

zelfstandig naamwoord

Henk van Rijen: geit die geen jong heeft gehad

Het WBD kent deze naam voor een 'onvruchtbare ooi' (schaap): K242, L281

A.P. de Bont: znw. m. overloper, geit die, al of niet voor de eerste maal gedekt zijnde, niet lamt, maar een jaar overslaat.

 

oovermrege

bijwoord

De Wijs -- (gehoord van een maandaghouder) K z blij dk overmerrege kan zegge de wut overmerrege alwir gehad hebbe (10-01-1970)

 

oovermisterd

bijvoeglijk naamwoord

overmeesterd, overspannen

 

oovernuut, oovernuuwt

bijwoord

opnieuw

Cees Robben Of ze dint overnuut (19571221)

Henk van Rijen: gift is oovernuut - geef eens opnieuw

WBD III. 4. 4:315 'overnieuw doen' = veranderen

Jan Naaijkens, D's Biks: oovernuuwt bw - opnieuw

Haor OPNET - opnieuw

 

ooverschiete
werkwoord, sterk
in de uitdrukking:
Cees Robben Zn ge overschieten... [even de ogen dichtdoen, een dutje doen] (19800314)
 

oovertrkke

werkwoord, sterk

verhuizen

N. Daamen, woordenlijst 1916: "we zen an den overtrek (aan het verhuizen)"

WBD (III. 3. 2:307) oovertrk = burenovertrek

WBD (III. 4. 4:9) 'overtrekken' = betrekken (v.d. lucht)

 

ooverweg

zelfstandig naamwoord

overweg

Den ooverweg waar wir dicht.

 

op

voorzetsel, bijwoord

op

Dialectenqute 1876 - p (met klinker van fr. oeu)

Henk van Rijen: op slt van zaoke - per slot van rekening

Van Rijen: p de middag - in de namiddag

Van Rijen: p en aander slaope - logeren

WBD (III. 2. 1:395) op, hl = wakker

Jan Naaijkens, D's Biks: op vz., bijwoord - op

 

Albert Servaes - Oogstende boeren; 1905

opbne

werkwoord, sterk

opbinden

Antw. OPBIJNEN - opbinden. Hout opbijnen, koren opbijnen

Bosch opbeinde - binden, vastbinden, vastmaken

 

opblaoze

werkwoord, zwak

opblazen

Blaost em op - loop naar de maan!

Ge kunt em opblaoze - Je kunt me wat!

CR10 (blz. 61) 'ge kunt 'm opblaoze'

-- opblaoze blaosde(n) op - opgeblaoze

Bosch opblaoze - opblazen: Blaost 'm toch op! Verrk toch!

 

opblk

zelfstandig naamwoord

oprisping, maagzuur opboeren

gez. den vlen opblk krge - misselijk worden van (te veel) eten:

Cees Robben [vrouw tegen drogist:] Nog gre vur n dubbeltje vur den vuilen opbllik... (19750620)

- ook figuurlijk en dan meestal in combinatie met vle en dan bedoeld om een tekortkoming aan te duiden:
Cees Robben Wek van den onzen krg.. Nou daor zak ginne vuilen opblk van krge... [vrouw over haar gierige man] (19650416)

 

opblleke

werkwoord, zwak

Frans Verbunt: boeren

WBD III. 1. 2: [?] 'opbreken' = zuur oprispen

Stadsnieuws: Ik mot smreges gin pap eete; d blf ik hil den dag ng opblleke (020507)-

 

opbrnge

werkwoord, sterk

opvoeden, grootbrengen

mar doe der iets aon, d koste toch nie en ge drfde nie, ge waart te bang opgebrcht. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

 

opdkke

werkwoord, zwak

WBD III.2.3:43 de tafel opdekken = de tafel dekken

 

opdoen

werkwoord, sterk

1. opdienen

Frans Verbunt: het eten op tafel zetten; opdienen

2. leren kennen

Enen blauwe maondag hb ik toen,/ meej en mdje omgegaon./ Die hak opt huukske van de straot/ meej et daanse opgedaon (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Ng vrij)

3. Frans Verbunt: ook: iemand de broek opdoen

de verbeelding is niet duidelijk; de betekenis is: iemand zijn vet geven, de waarheid zeggen

Piet van Beers Kaorte: Toch hk ze alle drie de broek opgedaon. Al is den "hoofdprs" toch men neus vurbij gegaon. (Het zeventiende boekje, 2010)

4. jenever tappen

WTT 2012 -Vruger deejen z'm mee 't half of heel motje op, om w in huis te hebben as ge volk kreegt of as ge 'ns 'nen aanderen smaok in oe mond w't hebben, mar naa zen ze van 'n heel kruikske niemer vies. (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit t klokhuis van Brabant 4; 2-11-1929)

 

opdraaje

werkwoord, zwak

opdraaien; het hoofd op hol jagen

Ik heb ze [haar] heelemaal nie opgedraaid en opgevreje! (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Den Sik van Baozel; feuilleton in 8 afl. in de NTC 25-2-1939 18-4-1939)

 

opgaon

werkwoord, sterk

opgaan

as de zon opgao

zn al die brojkes opgegaon?

Van Delft - Aanduidende, dat een poging niet gelukken zal, zegt men: "Dien vlieger zal nie opgaon." (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 117; 5 juni 1929)

Antw. OPGAAN (met 'zijn') bij kegelaars, biljartspelers: het spel beginnen; soldaat worden, naar het leger gaan; verbruikt worden; opvliegen

 

opgeleej

bijvoeglijk naemwoord

opgelegd

De Wijs -- Ds nie toevalligerws, ds opgelee pandoer (09-04-1973)

 

opgemsd
voltooid deelwoord van opmze
opsmikkelen
Cees Robben Vur degget fn het opgemuisd... (19600624)

 

opgeslferde
zelfstandig naamwoord
mogelijk van 'opserveren', opgeserveerde; alleen gevonden in verband met het zoeken naar een (tweede) echtgenoot, waarbij een koppelaar(ster) een rol speelt
Cees Robben Zal ik vur jou is naor unne goeie kloris uitkke...? N.. vur men ginne opgesolferde! (19660819)

 

opgestokt
voltooid deelwoord van opstooke
gecremeerd
Cees Robben Gij wilt nao oew verschaaie zeker opgestokt worre... (19800829)

 

opgetaase
voltooid deelwoord van optaase
opgestapeld
Cees Robben Ik heb t mar nie opgetaase.. (19651203)
 

opgriesele

werkwoord, zwak

G aanharken

 

ophaawe

werkwoord, sterk

ophouden

-- ophaawe - hiel(d) op - opgehaawe

ophouden in betekenis omhoogsteken, trots zijn op, pronken met
Cees Robben Ut is n heel schn knd.. (...) en werd om op-te-haauwe (19580705)
andere betekenissen

- WBD inhouden van de melk door een koe, ook 'optrkke' genoemd

WvM - 'da'k nie mir kos ophouwe'

WBD III. 1. 4:312 'ophouden' = idem

A.P. de Bont: sterk werkwoord overgankelijk. 'ophaauwen' - ophouden: 1) opkweken, opfokken (van dieren en schertsenderwijze van kinderen gezegd); 2) 'et kunnen ophaawe' (van zieken gezegd) kunnen opblijven, niet gedwongen worden door zwakte om naar bed te gaan; 3) de verkoop v. e. boerderij niet laten doorgaan

 

ophange

werkwoord, sterk

ophangen

WBD phange - ophangen, van leer ter droging (II 640)

WBD phanger - ophanger, van leer ter droging (II 641)

 

ophaole

werkwoord, zwak

WBD ophalen: de laatste poetsbewerking v. e. schoen met behulp v. borstels, zachte doeken etc. om de schoen zijn diepste glans te geven (II:794)

WBD phaole (II:1041) - ophalen: opdeunen; ook: ntrkke

WBD (III. 3. 3:135) ophaole = collecteren

-- ophaole - hlde(n) p opgehld; (ook in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij hlt p)

 

ophbbe

werkwoord, sterk

Frans Verbunt: opgedronken hebben

 

ophpe, ophope

werkwoord, zwak

M ophopen

- ophpe - hpte op - opgehpt

 

ophippere

werkwoord, zwak

opknappen

Henk van Rijen: hij is wir aoreg opgehipperd - hij is weer aardig opgeknapt

 

ophope

werkwoord, zwak

Van Rijen: ophopen

 

opjne

werkwoord, zwak

opjutten, gek maken

-- pjune - jnde p - pgejnd, met vocaalkrimping; ook vocaalkrimping in tegenwoordige tijd: gij/hij jnt op

Die kunde gemak opjne. - Die kun je gemakkelijk opjutten.

De Wijs -- t gao z gf goed, mar ge mt me nie opjuine (1965)

Cees Robben Ge moet m nie z opjuine Toke (19660218)

Stadsnieuws: Jantje wier dur zen kammeraoj opgejnd om blleke te trkke (040309)

WBD III. 1. 4:430 'opjuinen' = de hemel in prijzen

Cornelis Verhoeven: OPJUINEN (opj:ne) ov. ww - gek maken, op slinkse manier iemands geestdrift bevorderen om er dan profijt van te trekken of ermee te lachen.

Bosch opjuine - op stang jagen, opjutten

 

opkalifaatere

werkwoord, zwak

opkalefateren, opknappen

As ie 'n vrouw krijgt die 'm 'n bietje opkalifatert, dan wor et nog iets fatsoendelijks in de maatschappij... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Kareltje Vinken; feuilleton in 10 afl. in NTC 13-4-1940 24-8-1940)

 

opkaomer

zelfstandig naamwoord

via enkele treden bereikbare, halfhoge, boven een kelder gelegen kamer

Mandos - Brabantse spreekwoorden: hier groejt de rg p de pkaomer (vB Tilburgse Taalplastiek 1973) - gezegd bij het zien van rogge op een hooggelegen akker

LDM - Verder vonden we gewoonlijk in de woonruimte nog een deur naar op- of zijkamer en de bedstee van het ouderpaar. Onder de opkamer was de kelder, waarin de aardappelen en in de slachttijd ook de kuip met de pekel, waarin de hammen en zijden spek en de kleinigheidjes als de pootjes, rugstrang, enz. een plaats vonden. () Op de opkamer trof men een ledikant of bedstee, kleerkast en verder gerief aan, indien er de plaats voor was. (Lowie van Dorrus Misters; rubriek Uit onze Tilburgse folklore, afl. 16 Rond de boerenhaard 1; NTC 27-6-1952)

 

pke

zelfstandig naamwoord verkleinwoord van 'aop', met vocaalkrimping

aapje

Cees Robben t lkend precies op n pke... (19600408)

Witte w d is, enen Bimbo-box? Ds zonne sort djoeboks. Mar dan nie meej 45-toere-pltjes der in, mar meej pkes. Die pkes hbbe kleeren aon n huudjes op n ze speulen ammel en instruumnt. En pkes-rkst, d isset. (Tillie B.: pseudoniem van Nicole van Wagenberg; uit een column van haar website Tilburgs Taolbuuroo, 2012)

WBD III. 3. 2:351 pke = aapje

 

pke-dpke...
aftelrijm
Cees Robben pke-dpke-boter-stpke pke-dpke-dons.. (19870731)

 

opkle
werkwoord, zwak
opkuilen; het bewaren van gewassen (bijvoorbeeld om de dieren te voeren) door ze te overdekken met zand.
Cees Robben gebruikt het werkwoord in de betekenis ter aarde bestellen.
Cees Robben t Wordt td desse dr opkuile... (19791116)
 

opkieze, opkieste

werkwoord, zwak

aanhitsen

Zumme den hond is opkieze? - Zullen we de hond eens aanhitsen?

Cees Robben Zummummis opkieze...? (19681018)

WBD (III. 2. 1:489) 'opkissen', 'opkitsen', 'ophitsen' = aanhitsen (v. e. hond)

WBD III. 1. 4:420 'opkisten' = ophitsen

Haor OPKIESE - ophitsen

-- opkieze - kiesde(n) op - opgekiesd

J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - OPKITSEN voor 'ophitsen'. KISSEN voor 'ophitsen'.

Cornelis Verhoeven: HISSEN ov. wvv. ophitsen, vooral v. e. hond gezegd; de hissende kreet is: 'hieskies'.

Antw. OPHUSSEN - ophitsen: 'nen hond ophussen

WNT OPKISSEN - hetzelfde als ophitsen, vooral van honden gezegd

 

opkoome

werkwoord, sterk

opkomen

Frans Verbunt: opkoomen as kak - heel plotseling zich voordoen

WBD III. 3. 1:385 'opkomen' = dienstplicht doen

WBD III. 4. 4:3 'opkomende maan' = eerste kwartier

WBD III. 4. 4:192 'opkomen' = vloed

 

oplaoje

werkwoord, zwak

Van Rijen: opladen

WBD III. 1. 4:232 'zijn eigen opladen' = zich kwaad maken

 

oplaote

werkwoord, sterk

Van Delft - - Wij gaon vliegers maar ook duiven "oplaoten" en laten dan los "twee duiven en drie horens", waarmede wij "prijs verdienen en ook den scherreweg", terwijl een ander "geen veerke thuis had" en er zoodoende weinig om gaf, wie met "de poel" ging strijken.(Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 110; 20-04-1929)

Van Rijen: oplaten

Van Rijen: 'W-s daor te doen? Der wrt unnen boer opgelaote tusse tweej zakke stront

 

oplappe

werkwoord, zwak

oplappen, verstellen

WBD oplappe (II:1252) - oplappen, verstellen

 

oplgge

werkwoord, sterk

opleggen

Cees Robben: d was opgeleej pandoer;

-- oplgge - li(n) op - opgeleej

A.P. de Bont: zwak werkwoord overgankelijk. - opleggen

 

oplope

werkwoord, sterk

oplopen

WBD opzwellen, in het kader v. d. zgn. trommelzucht, een koeieziekte

WBD ploping - trommelzucht, een koeieziekte

Cees Robben: waor heetie d wir opgelope?

-- oploope - liep op opgelope

Cornelis Verhoeven: OPLOPING (oploo:ping) v - trommelzucht of windpens bij een koe. (WBD pag. 468) Ook gezegd v. h. gevolg van overdadig eten door mensen: z'n gen 'n oploo:ping vrte - oververzadiging, zwelling.

A.P. de Bont: znw. vr. oploping, trommelzucht

Antw. OPLOOPEN - opzwellen, dik worden;

Kiliaan: tumescere

 

opmaok

zelfstandig naamwoord

WBD III. 1. 3:259 opmaak = versiersel; ook: '(op)tooi', 'opdof', 'tierelantijn'

 

opmaoke

werkwoord, zwak

opmaken (in div. bett. )

WBD deegbollen hun broodvorm geven

DANB ze heet em irst zen gld hlpen opmaoke

WBD III. 3. 1:208 'opmaken' = besteden

WBD III. 3. 1:209 'opmaken' = verkwisten

-- opmaoke - mkte op - opgemkt

ook in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij mkt op

A.P. de Bont: zwak werkwoord overgankelijk. - opmaken: 'mutserd opmaoke' - hout tot takkenbossen binden.

 

opmis

zelfstandig naamwoord

WBD ploegschaar, ook genoemd (Hasselt) 'ploegmis'

 

opnaaje

werkwoord, zwak

opjutten, aansporen

-- opnaaje - naajde op - opgenaajd

Ik ha ze allen un bietje staon op te naaie.(Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

Bosch opnaaie - opjuinen, gek maken

Cornelis Verhoeven: OPNAAIEN (opnje) ov. ww - enthousiast maken met de bedoeling te bedriegen of te profiteren (erop nje - erop lostimmeren): lot oew ge nie opnje; z'n gen opnje - zich opwinden, steeds enthousiaster of bozer worden. Zie ook: opjuinen, opkloten.

 

opneeme

werkwoord, sterk

opnemen, namelijk van sterke drank

Om den goeien afloop te vieren z'k regelrecht nor de Looiersbeurs gestapt en daor h'k m'n eige getracteerd op drie aawe klaores, die 'k zoo mar stondeweg on 't buffet heb opgenomen. (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit t klokhuis van Brabant 1; 9-10-1929)

 

opneuker

zelfstandig naamwoord

schelm, kwajongen, lastig iemand

V klap, vuistslag

klnen opneuker - lastig ventje

V hij kreg me tch en opneuker

GG tis mar en kln opneukerke

WBD III. 1. 2:42 'opneuker' = oorveeg; ook: 'fleer, draai, klap, klets' enz.

WBD III. 4. 4:223 'opneukerke' = iets kleins in zijn soort, ook 'geneuk', 'neuk'

Stadsnieuws: Tis mar en kln opneukerke, mar hij heej wl lef (280307)

Antw. OPNEUKER znw. m. - klap, oorveeg. Iemand 'nen opneuker geven.

A.P. de Bont: znw. m. opneuker - opdonder, opstopper

WNT OPDONDER, n. a. v. synonieme znw. in platte taal. De volkstaal kent een aantal synonieme uitdrr. Eenige daarvan zijn afgeleid v. ww die slaan of stompen beteekenen, verg. opdril, opslag krijgen (= afgeranseld worden), en verder: opdoffer, opdokker en opstopper; in navolging hiervan maakte men in scherts andere, die wel schijnbaar van ww waren afgeleid, doch welke ww niet of zeer zelden in de zin van slaan worden gebruikt, b. v. opmepper, opnaaier, opneuker, oppeuter, opwaaier, opzaniker. Z. a.

 

opnooteere
werkwoord, zwak
contaminatie van opschrijven en noteren
Cees Robben [onderwijzer tegen een moeder die haar zoon aan een baan wil helpen:] Ik kan nie over m stuite, mar omd gt-zd zal ik opnoteere dek van de week moet optillefeneere en m aon rikkemendeere.. En dan moet ie mar solliciteere.. (19720128)
 

opnuut

bijwoord

opnieuw

n lke keer opnuut... (Henritte Vunderink; Zoas ik et as knd beleefde; k Zal van oe blve haawe, 2007)

 

oppaase

werkwoord, zwak

oppassen, opletten

Cees Robben: Vur fn meensen en motrge moette oppaasse

Cees Robben: meej de krsemes ist oppaase geblaoze; Ze heej aaltij goed opgepaase (ze is nog maagd ?)

GD94 ik moet oppaasse dttie nie wir leekende nat wrt

WBD III. 1. 4:355 oppassen= in acht nemen

-- oppaase - paaste(n) op - opgepaase

A.P. de Bont: sterk werkwoord overgankelijk. - oppassen

 

oppenuut
bijwoord
opnieuw
Cees Robben Jllie moeder is wir oppenuut getrouwd, war... (19800222)

 

pperleuterr

zelfstandig naamwoord

Frans Verbunt: winnaar van het leuterconcours

 

oppernuut, oppernuuw

bijwoord

opnieuw

oppernuut begiene - opnieuw beginnen

B ppernuuw - herdoens

Kees & Bart (ca. 1935): 'op nuut'

...ieder jaor oppernuut... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; feuilleton Bad Baozel, 8 afl. in NTC 31-12-1938 18-2-1939)
...omd ge daornao wir oppernuut kost begiene! (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; feuilleton Bad Baozel, 8 afl. in NTC 31-12-1938 18-2-1939)
...en de stoffen ha'n soms zoo lang gelegen, d ze weer oppernuut in de mode ware gekome. (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Kareltje Vinken; feuilleton in 10 afl. in NTC 13-4-1940 24-8-1940)
De meester stopte z'n pijp oppernuut... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Oome Teun als opvoeder; feuilleton in 6 afl. in NTC 2-3-1940 6-4-1940)
...en boer Verheie stopte z'n pijpke oppernuut... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Boere-Profeet; feuilleton in 5 afl. in de NTC 1-7-1939 29-7-1939)
Mee zoo'n schoon mutsken kunde nog 'ns oppernuut aon t vrijen; (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Den Sik van Baozel; feuilleton in 8 afl. in de NTC 25-2-1939 18-4-1939)
En aaltij, aaltij oppernuut/ trok me mijn hart naor d'aawe stad... (Piet Heerkens; Zeuventig jaor, gepubliceerd in De Zaaier, bijlage van de Nieuwe Tilburgsche Courant, 1941)

Cees Robben: as ze wir opnuut begos

Cees Robben: jllie moeder is wir 'oppenuut' getrouwd war;

Van Rijen: 'oppernuut, oppernuuw, opnuu'

Hees oppernuuwt (I:37)

WNT OPNIEUW- In de vormen 'op een nieuw' en 'op het nieuw verouderd.

 

oppers

zelfstandig naamwoord

getalzijde van een geldstuk

WBD (III. 3. 2:206) oppers (getalzijde van een geldstuk)

 

opploege

werkwoord, zwak

WBD (Hasselt) bijeenploegen (de aarde wordt bij het ploegen in de richting van het midden van de akker gekeerd)

A.P. de Bont: zwak werkwoord overgankelijk. - opploegen

 

opraope

werkwoord, zwak

oprapen

 

oprme

werkwoord, zwak

opruimen

GD94 die han ze opgermd

WBD (III. 2. 1:283( oprme = opruimen)

-- oprme - rmde op opgermd; ook in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij rmt op

 

opsallemander
zelfstandig naamwoord
oplawaai
Handschrift Daamen, 1916 Ik gaaf em n opsalamander (slag)
WTT 2013 Het zelfstandig naamwoord lijkt nergens anders in Noord-Brabant voor te komen. Het WBD geeft wel (III.1.2:126, lemma Op de loop gaan) het werkwoord opsalamanderen, uitsluitend opgetekend in Reusel.
 

opschp

zelfstandig naamwoord

opschepperigheid, opsmuk

...mar 'k geef himmel nie om den opschep, daor bedoel ik mee, w de vrouwkes schon en sjiek vnen. (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

 

opschppe

werkwoord, zwak

opscheppen, namelijk: zoals iets zich voordoet

...mar gre of nie, ge hed 't te nemen zooas Onze Lieve Heer 't opschept en 't biste is er nie over te lammenteeren. (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit t klokhuis van Brabant 3; 23-10-1929)

 

opschpper

zelfstandig naamwoord

WBD (III. 2. 1:163) opschepper = pollepel

 

opschiete

werkwoord, sterk

opschieten

Mandos - Brabantse spreekwoorden: hoe meer volk veur, hoe minder dt opschiet (vB Tilburgse Taalplastiek 197l) - gezegd m. b. t. een mis met drie heren

WBD III. 1. 2:5 'opschieten' = zich haasten, ook: 'affeceren', 'spoeien'

WBD III. 1. 4:347 'opschieten' = idem

WBD III. 4. 4:323 'opschieten' = vorderen

GD07 'asse en bietje opgeschoote hbbe . . . '

 

opschoore

werkwoord, zwak

R omhoogbrengen van de boven het vuur hangende 'spkeetel', via in de haak aangebrachte inkepingen

Van Rijen: aan de zoldering ophangen, opbergen op zolder

A.P. de Bont: zwak werkwoord overgankelijk. - opschoren, door schoren omhoog grengen, b. v. een stromijt die scheef hangt met behulp van houten stutten.

 

opschrve

werkwoord, sterk

opschrijven, namelijk: op de bon geslingerd worden door de politie

Hij [een Tilburgse politieagent belast met de sluitingstijd van kroegen] zal oe nog veul liever tien keer worschouwen dan oe eene keer opschrijve. (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit t klokhuis van Brabant 4; 2-11-1929)

WBD III. 3. 1:349 opschrijven = beboeten (door politie)

 

opslaon

werkwoord, sterk

opslaan (in div. bett.)

Kees & Bart (ca. 1935): ''t teveul d opgeslaon moet worren'

WBD III. 3. 1:61 'opslaan', 'opzetten' = verhogen

-- opslaon - sloeg op - opgeslaon

 

opsmre

werkwoord, zwak

besmeren met boter o. i. d. -- nen botteram opsmre

-- opsmre - smrden op - opgesmrd

Antw. OPSMEREN - besmeren, met boter, vet enz. , bestrijken.

 

opsnije

werkwoord, sterk

WBD de buik opensnijden van geslacht vee

Antw. OPSNIJ(D)EN - versnijden, snijden totdat iets op is

 

opslfeere

werkwoord, zwak

mogelijk van 'opserveren'; alleen gevonden in verband met het zoeken naar een (tweede) echtgenoot, waarbij een koppelaarster een rol speelt; zie:

De Wijs -- Zal ik veur jou is naor unne goeije kloris uitkke [?] - N, veur men ginnen opgesolferde (13-07-1966)

De informatie van De Wijs werd door Cees Robben gebruikt in zijn Prent van de week van 19 augustus 1966.

 

opspeule

werkwoord, zwak

PM uitvaren, uitvallen, opspelen

-- opspeule - spulden op - opgespuld ook in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij spult op

Cornelis Verhoeven: OPSPELEN (opspeule) onov. ww - op zijn poot spelen, iemand een standje geven, uitvallen

A.P. de Bont: zw. ww. intr. 'opspeulen' - opspelen, razen, uitvaren, te

keer gaan.

Antw. OPSPELEN - opspannen, in gramschap uitvaren; in 't N.: OPSPEULEN

 

opstalle

werkwoord, zwak

WBD (van koeien) naar de stal brengen na de zomer; ook genoemd: 'indoen', 'binnedoen', 'inhaole' of 'binnegaon'

-- opstalle - stalde op - opgestald

 

opstaoj

bijwoord/bijvoeglijk naamwoord

►op staoj, waar het woord gesplitst is

As d mn nog is vergund moog zn, dan zok d liefst zoo opstaoi meugelijk wille doen. (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

vB kalm aan

vB enen pstaoje meens - een kalme mens , die alles langzaam doet (Tilburgse Taaklplastiek 175)

Van Rijen: 'Ut gong amml mar opstaoj aon' - Het ging allemaal maar rustig aan

Van Rijen: rustig, kalm, langzaam

J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - STADE, voor gemak. Reeds bij Kiliaan. Z. a.

WNT STADE - 'op stade', 'op zijn stade' - op zijn gemak, zonder zich te haasten (in Zuid-Nederland)

 

opstaon

werkwoord, sterk

opstaan

Cees Robben: vruug opstaon d is gin proft;

-- opstaon - stond op - opgestaon; ik stao, gij staot, hij stao op

WTT-2012: de oudere verleden tijd: Toenk vumrge opstind was t rgen. (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

A.P. de Bont: onr. st. ww. intr. opstaan, opkomen (van plannen, gedachten, neigingen enz. gezegd. )

 

opsteuke

werkwoord, zwak

opstoken, aanzetten tot kwaad

vB zengen opsteuke - zich kwaadmaken

WBD III. 1. 4:420 'opstoken' = ophitsen

B opsteuke - stukte op opgestukt; ook in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij stukt op

Cees Robben En hier kan ik mn ge toch z over opsteuke war... (19870403)

Jan Naaijkens, D's Biks: 'opsteujke' ww opstoken; Indien afleiding van 'stooke', dan wijziging stamklinker

A.P. de Bont: zwak werkwoord overgankelijk. en wederkerend 'opstuiken, opsteuken' - opstoken (in het geheim) ophitsen; zich opwinden, zich driftig of bezorgd maken.

 

opstve

werkwoord, zwak

opstuiven

Mandos - Brabantse spreekwoorden: opstven as ene zak vol vlooje ('72) - naar alle kanten wegvliegen

 

opstiere

werkwoord, zwak

WBD de koe laten paren, ook 'stiere' genoemd

-- lange ie

A.P. de Bont: zwak werkwoord overgankelijk. - opstieren, hetz. als 'sti. jere(n)', maar minder gebruikelijk.

 

opstoet

zelfstandig naamwoord

-- contaminatie van optocht en stoet

Van Rijen: optocht

Mar et schonste van Karneval vn ik den opstoet. Meej al die hogkre, n die strpe. (Ed Schilders; W zeetie?; Website Brabants Dagblad Tilburg Plus; 2009)

Stadsnieuws: Alle jaore zitten er meej karneval in den opstoet grote gaote - (140210) Ieder jaar vallen er met carnaval in de optocht grote gaten

WBD (III. 3. 2:279) stoet, optocht (geen opstoet vermeld)

 

opstooke

werkwoord, zwak

opstoken

-- opstooke - stokte(n) op - opgestokt ook in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: hij/gij stokt op

A.P. de Bont: zwak werkwoord overgankelijk. opstoken, opbranden, verstoken.

 

optaase

werkwoord, zwak

De Wijs -- (Gehoord van Sint Nicolaas) Ge kunt alles wel optsse mar als gut tspraait lk t veul en veul meer (11-02-1965)

Hil den hsraod opgetaase... (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Vurjors-trubbel)

Van Rijen: opstapelen

 

optal

zelfstandig naamwoord

aantal

Henk van Rijen: wittet optal al, waor et schaajt? - weet je het aantal al dat er mankeert

 

optg

optuigen

WBD III. 1. 4:166 'optuigen' = uitdossen

 

optillefeneere
werkwoord, zwak
contaminatie: opbellen en telefoneren
Cees Robben hedde gij (...) opgetillefeneerd..? (19680816)
Cees Robben [onderwijzer tegen een moeder die haar zoon aan een baan wil helpen:] Ik kan nie over m stuite, mar omd gt-zd zal ik opnoteere dek van de week moet optillefeneere en m aon rikkemendeere.. En dan moet ie mar solliteere.. (19720128)
 

optffefe

werkwoord, zwak

een thuisweefstuk opvouwen/oprollen

WBD ptffele (II:1052) - optafelen: tefelen, het stuk stof dat v. e. weefgetouw genomen is, in brede plooien omslaan, zodat het een stapel vormt die aan een tafel kan doen denken; ook: inmaantele

-- optffele tffelde(n) op - opgetffeld

 

optrkke

werkwoord, sterk

optrekken; opdonderen, wegwezen

WBD inhouden van de melk door een koe, ook 'phaawe' genoemd

Mandos - Brabantse spreekwoorden: trk mar p meejoew zije kouse (D'l6) - wees maar niet zo veeleisend (zijden kousen werden door deftige mensen gedragen)

WBD III. 1. 2:245 'zijn neus optrekken' = snotteren

-- optrkke - trok op - opgetrokke

Cornelis Verhoeven: OPTREKKEN ov. ww - omhoogtrekken; inhouden (zie bij 'rome')

A.P. de Bont: sterk werkwoord overgankelijk. + intr. optrekken 1) van koeien: de melk niet

gewillig geven; 2) (voermantaal) een weinig verder trekken; 3) opharken.

Antw. OPTREKKEN - heengaan, vertrekken; naar het leger vertrekken

 

optuutere

werkwoord, zwak

in verbinding met 'em' = 'em opblaoze'

Ge kunt em optuutere! - . . . naar de donder lopen

-- Alleen de infinitief wordt gebruikt, met hulpww. 'kunne'

 

opval

bijwoord

de betekenis is obscuur; mogelijk is de betekenis op stel en sprong, binnenkort
Cees Robben opval (19801031)
Cees Robben Ons Wies w gaon witte opval... (19620209)
N. Daamen, woordenlijst 1916: "opval wel - waarschijnlijk wel"

 

opvatte

werkwoord, sterk

opvatten, oppakken, opbeuren, oplichten

DANB vat d bd is meej op - help eens dat bed oplichten

-- opvatte - viet op opgevat

 

opwaas

zelfstandig naamwoord

afwas, vaat

Daor wier aaltij alles van n bord gegeten, al waren et vier gangen, w not vurkwaam. Den opwaas z aanders te grot worre en w dochte gij van de zp, die d ging kosten en de afdreughanddoeken nie te vergeten. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

Wij hebben pas toen we onder de meense kwamen, geleerd det omwaas waar en gin opwaas, wij zin ok aaltij zjam w zjm moes zn, we liepen w d betrof wel un bietje aachter. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

WBD (III. 2. 1:286) opwaas, afwaas, omwaas = vaat

 

opzaante

werkwoord, zwak

Van Rijen: de vloer met zand bestrooien na het vegen

Jan Naaijkens, D's Biks: 'opsante' ww - opzanden: met zand bestrooien

 

opztte

werkwoord, zwak

opzetten; aanschaffen; in het bijzonder het opzetten van een gezin / huishouden

-- opztte - ztte(n) op - opgezet

Cees Robben Ge het n schn vrouw opgezet/ Kees.. (19640221)
Cees Robben Gij moet n vrouw opzette, Sjef.. Gao op de Zaandpad noemer zeuve mar is aon de bel hange... Daor zitte nog twee aauw soepkiepe.. (19720211)

WBD pztte (II:999) - bomen, (een kepertje, een platte, 'n andere ketting opzetten; ook: beume of (de ketting) klaorztte genoemd

WBD III. 3. 1:61 'opzetten', 'opslaan' = verhogen

A.P. de Bont: zwak werkwoord overgankelijk. - opzetten 1) het gemaaide veldgewas; 2) trouwen (resp. v. man of vrouw); 3) een dier op stal zetten, bepaaldelijk om het te mesten.

Antw. OPZETTEN - opschikken, opsmukken; een dier aankoopen om het te vetten; op het vuur zetten.

 

opzpe

werkwoord, sterk

opzuipen

DANB ze hbbe meej der vve drie lieter wn opgezoope

-- opzpe - zoop op - opgezoope

 

opzije

voorzetsel

Van Rijen: bezijden

 

opzuuke

werkwoord, sterk

opzoeken, bezoeken

WBD III. 3. 1:38 'opzoeken' resp. 'bezoeken' = bezoeken

 

ordil, ordel

zelfstandig naamwoord

oordeel

Cees Robben: ''t liste oordeel'

 

rcht, den - aonrcht

zelfstandig naamwoord

aanrecht, het -

Zet et mar op den rcht.

Ze stond n den recht. - Ze stond bij het aanrecht.

Mandos - Brabantse spreekwoorden: zie mar is dgge de schootels onder den recht krgt (vB (Tilburgse Taalplastiek 1970) - aansporing om met het werk voort te maken

Henk van Rijen: ze stin n den recht

Henk van Rijen: der stn kaojkes in den recht

Van Rijen: 'nrcht, recht'

-- aonrecht nrcht rcht recht rcht

Jan Naaijkens, D's Biks: 'orricht zn - aanrecht

 

orf, orve

verleden tijd van 'rve'

erfde

 

rfeejus

eigennaam

Tilburgse uitspraak van de naam van harmonieorkest Orpheus, daarnaast ook de sociteit waar het orkest resideerde.

Orpheus aan het Wilhelminapark.

LDM - "Orpheus" is tegenwoordig gevestigd op het Smidspad, in de vroegere zaak van de heer Zebregs. Het eigen gebouw aan het Wilhelminapark heeft niet lang dienst gedaan. (Lowie van Dorrus Misters; rubriek Uit onze Tilburgse folklore, afl. 14 Oude koffiehuizen in Tilburg 2; NTC 8-3-1952)

 

Tekening van Frans Mandos Tzn - 1945

rgel

orgel, kerkorgel, straatorgel, handorgel

zelfstandig naamwoord, onzijdig

...toen 't nuuw rgel ingeweje wier. (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Oome Teun als opvoeder; feuilleton in 6 afl. in NTC 2-3-1940 6-4-1940)

Ik heur zoo gre zingen in de kerk en 't rgel is veur mijn gewoonweg 'n feest! (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Boere-Profeet; feuilleton in 5 afl. in de NTC 1-7-1939 29-7-1939)

Ze zonge alle liekes mee/ die drgels mar won speule... (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Vruuger...veul muuger)

melodieus as rgelspel (Piet Heerkens; uit: Brabant, Ons eige plat, 1941)

WBD III. 3. 3:l65 'orgel spelen, 'het orgel spelen

WBD III. 3. 3:167 'orgel trappen', 'orgel treen'

A.P. de Bont: znw. m. 'urgel' - orgel

Antw. RGEL (uitspr. 'rregel) znw. , Fr. orgue, is meest overal v., doch op sommige plaatsen o. of m.

Bosch rgel orgel

zelfstandig naamwoord, vrouwelijk

zeer gebruikelijk in Tilburg

Wrom spult den rgel nie? - Waarom speelt het orgel niet?

R. J. 'de kster liet den rgel giechelen'

Van Delft - - Wij plukken "brem bezemen" en "knoesels" en spreken van "eenen houteren haomer", die in eenen "euregel" klopt, daarmede bedoelend braambessen, kruisdorens, een houten hamer en een orgel.(Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 110; 20-04-1929)

Kees & Bart (ca. 1935): 'nen aawen rgel'

Cees Robben Unne rgel in de liste mis... (19701113)

WvM 'De u van den urreghel da speulde zoo schoon'; 'mesiek op den urreghel'

als lleger

De verwisseling van de R en de L (methatesis) komt vaker voor in het Tilburgs; zie: Van Delft - Een dorpel noemt hij een "dulleper"; een orgel een "ulleger"; zelfs hoort men de wijk Korvel ooit "Kullever" noemen. (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 118; 8 juni 1929)

Kees & Bart (ca. 1935): 'den lleger in 't Caf'

- L -- Wordt met R verwisseld, en omgekeerd. Zulker (zurkel), flamboes (framboos), kellever (kervel), hallever (armvol), enz. (Schuermans, Algemeen Vlaamsch Idioticon, 1865-1870)

Piet Heerkens - D'n rgel - 1938

 

 

rksier

zelfstandig naamwoord

yorkshire (bep. varkensras: met staande oren)

Van Rijen: 'rreg sierke, rrek - kort gedrongen varken (vlees)

WBD L 100: 'orksier' (Berchem bij Oss)

 

Orscht

zelfstandig naamwoord eigenn.

Oirschot

 

rtestiesje

zelfstandig naamwoord

Van Rijen: sufferd, dromer

 

rweege

bijwoord

Van Rijen: onderweg, op komst

 

orzaok

zelfstandig naamwoord

oorzaak

R. J. 'de oorzaok van de pent'

 

s

zelfstandig naamwoord

Mandos - Brabantse spreekwoorden: daor is ginnen s oover gemolke (vB Tilburgse Taalplastiek 1971) - gezegd als men iets onmogelijk acht

Henk van Rijen: as d lukt, dan kalft den s - . . . dan is het een wonder

 

ske

zelfstandig naamwoord verkleinwoord

Van Rijen: aasje

 

ssekniejes

zelfstandig naamwoord

WBD III. 1. 2:391 'mee osseknien lopen

 

Ill.: Naumann

ssekpke

zelfstandig naamwoord , verkleinwoord

bep. meesje, pimpelmees (Parus caeruleus)

N. Daamen, woordenlijst 1916: "ossenkpke - zwartkopmees"

WBD III. 4. 1:l02 'ossekopke' pimpelmees

 

ssem, aojem

zelfstandig naamwoord

asem, adem

Hij h ginnen ssem mir.

Ze gaaf ginnen ssem = Ze reageerde niet.
N. Daamen, woordenlijst 1916: "z'nen ossem waas te kort (hij had geen centen genoeg om te doen wat hij voorhad

N. Daamen - handschrift 1916 - "(adem) Ik z er wel over gesproken hebben as ie er mar iet of w ossem van gegeven ha (als hij er maar iets over losgelaten had)"

Cees Robben En as ge drie keer het gesnakt/ Zdoewen ossum kwt... (19600219)
Cees Robben kort van ossum (19700925)

PVb aachter zenen ssem zn - buiten adem zijn

Mar vurtie halverweege kwaam/ wassie al bte ssem (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Aanders...)

Frans Verbunt: ik hb mar enen ssem n twee haande - ik kan niet alles tegelijk

Frans Verbunt: ak ernr kk, zk al tnen ssem

Mijn ogen jeuken allemol, ik hoest ak ossum haol... (Tony Ansems,Zak moete niese akkum aai?; van de cd Tilburgse Liekes American Style 2; 2009)

Stadsnieuws: Ik heb mar enen ssem n twee haande - Ik kan niet alles tegelijk. (081210)

WBD III. 1. 2:235: 'kort van asem' = kortademig

WBD III. 1. 2:236: 'nie achter zijn asem komen' = stikken

Jan Naaijkens, D's Biks: 'ossem' zn - adem

A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - Blijkens krt.44 ligt T. op de grens van de gebieden met s resp. j.

Goem. ADEM, ASEM - znw. m. : Den - inhouden; kort van - ; enz.

Antw. ASEM - adem: Krt van asem - kortborstig

WBD III. 2. 2:54 'naar aden happen', 'asem tekort komen' = reutelen

 

sseme

werkwoord, zwak

ademen

R. J. 'daor ossemt m'n ziel dan deurheen'

WBD III. 1. 2:233 'zwaar ademhalen', 'moeilijk esetnen' = hijgen

WBD III. 1. 1:182 'asemen' = ademen

sseme - ssemde - gessemd

A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - Blijkens krt. 44 ligt T op de grens v. d. gebieden met s resp. j .

Goem. ADEMEN, ASEMEN wkw. Daar hebben ze niet meer over geasemd = over gezwegen.

Antw. ASEMEN - ademen

 

ssestaawer

zelfstandig naamwoord

vB iemand die niet goed ter been is; = mikhrst '

Van Rijen: 'H lopt as unnen ossestaawer' - Hij loopt wel erg moeilijk

Antw. OSSESTOUWER znw. m. - ossendrijver

 

ost

zelfstandig naamwoord

oogst, oost

A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - st (= oogst) (krt. 47) met korte vocaal (blz. 115)

Goem. OOGST - ust, znw. m.

Antw. OO(G)ST znw. m. , Fr. moisson. Spr. Zijnen oo(g)st opdoen - eene goede gelegenheid waarnemen om een goeden voorraad op te doen.

Jan Naaijkens, D's Biks: okst zn - oogst

 

oste

werkwoord, zwak

oogsten

B oste - ostte - geost

Goem. OOGSTEN - uste wkw (rg. )

Antw. OO(G)STEN - de achtergebleven korenaren oprapen van den akker

 

ster

zelfstandig naamwoord

unster, weegschaal; figuurlijk: achterwerk

Daamen 1916 - "ster - klein weegwerktuigje dat de boeren wel mede naar de markt nemen; het werkt met een veer"

Cees Robben Ge zd nie goed aon oewen ster... (19670908)

WNT UISTER zie 'unster'. - UNSTER - ons(t)er, ens(t)er, eunster, anster, uister, huiser, oister, uuser, ulster. Van 'ons' (mnl. unce) met -er, al dan niet met epenthetische t. Z. a.

Cornelis Verhoeven: UNSTER (ster) m - ponder, balans met ongelijke armen.

A.P. de Bont: ster, znw. m. , 'uister' - unster

 

ster

zelfstandig naamwoord

achterste, derriere

op oewen ster valle - op je gat vallen

Cees Robben Ge zd nie goed aon oewen ster... (19670908)

N. Daamen, woordenlijst 1916: "ik viel op m'nen ster (achterste); hij kreeg vur z'nen ster (billen)"

 


Pierre van Beek typoscript Archief Pierre van Beek


1974 (ca.) - ster (dialect) - "Hij is op z'nen ster gevallen " "Hij heej z'nen ster flink gestte" - "ster" = achterste - is afkomstig van 'uiterste. (Pierre van Beek typoscript Archief Pierre van Beek)
 

Osterwk

toponiem

Van Rijen: Oisterwijk

 

t, t

voorzetsel / bijwoord

uit

W mkt et t, dttie et tmkt.

W maok et t

Cees Robben: van vruuger, t verleeje td; de krintjes t de mik plleke;

Cees Robben: Gao t de licht staon! hij frt t de rf;

DANB der is ene sprt t de leer; de rome spt t den jer van de koej

Van Rijen: 't dijen bl komt nie veul t' - er komt niet veel uit die zak.

Van Rijen: 'T-is t licht' - Het is volop dag.

A.P. de Bont: t, voorzetsel en bijw. uit: ''t Is t - de verkering is uit.

 

tbakke

werkwoord, zwak

uitbakken

WBD gewicht verliezen tijdens het bakproces

tbakke - bakte(n) t - tgebakke

Antw. UITBAKKEN (met 'zijn') onder 't bakken zijne tocht, zijn sap verliezen en hard en droog worden.

 

tbeduije

werkwoord, zwak

vB uitleggen, verklaren, duidelijk maken

-- vervoeging: zie 'beduije'

A.P. de Bont: sterk werkwoord overgankelijk. , 'uitbeduiden'- uitduiden

WS Contaminatie uit 'tlgge' en 'beduije'

 

tboezeroene

werkwoord, zwak

uitvlakken, onderschatten - Gewoonlijk in negatief gebruik.

Kees & Bart (ca. 1935): D moete nie tboezeroene!

-- tboezeroene - boezeroende t - tgeboezeroend

 

tbrstele

werkwoord, zwak

WBD bostel lossen (het weghalen van de bostel uit de beslagkuip, in de brouwerij)

Antw. UITB(R)STELEN - uitborstelen - aframmelen

 

tbotte

werkwoord, zwak

uitbotten; uit de kiem opgroeien van planten; uitlopers krijgen, loten vormen van planten en bomen; tschiete.

-- tbotte - botte t tgebot

 

tbraaje

werkwoord, zwak

uitbreiden

DANB tbraaje

-- tbraaje - braajde(n) t - tgebraajd

 

tbroeje

werkwoord, zwak

uitbroeden

Cees Robben: Dnkte naa dk van zonne stommen haon nog en aaj wil tbroeje?

WBD III. 1. 4:19 'uitbroeden' = broeden

-- tbroeje - broejde(n) t - tgebroejd

A.P. de Bont: zwak werkwoord overgankelijk. - uitbroeden

 

tdele

werkwoord, sterk

uitdelen

Kees & Bart (ca. 1935): uitgedild

tdeele - dilde t - tgedild

ook in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij dilt t

 

tdeur, tteur

zelfstandig naamwoord

deur naar buiten, vluchtweg, uitvlucht, smoesje

gez. Henk van Rijen: de tdeur zuuke - een uitvlucht zoeken (vB Tilburgse Taalplastiek 1965)

 

tdoen

werkwoord, sterk

uitdoen, doven, uitweiden, rooien van gewas

tdoen - di t - tgedaon (zie: doen)

Op den oogenblik zen we druk bezig mee gruunplukken en mangelpeejen utdoen. (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit t klokhuis van Brabant 3; 23-10-1929)

WBD (van koeien) naar de wei brengen

WBD (III. 2. 1:214) 'uitdoen', blussen = doven

A.P. de Bont: onr. ww. tr. - uitdoen, in versch. opvattingen, zoals 1) een schuld doorhalen, 2) aardappels rooien, 3) koeien uit de stal brengen, 4) mest uit de potstal verwijderen.

Antw. UITDOEN - ten einde doen, voltrekken; de(n) stal uitdoen - het mest uit den stal trekken. Eindigen: De meester het de school vandaag 'en half uur eer uitgedaan.

 

tdrge

werkwoord, zwak

uitdrogen

WBD III. 2. 3:158 'uitdrogen' = rotten van appels

WBD III. 4. 3:215 uitgedroogd = verdord

 

tdrpe

werkwoord, sterk

uitdruipen

WBD 'trupe' - uitdruipen, gezegd v. d. huid of het leer na verschillende bewerkingen (II:597)

-- tdrpe drop t - tgedroope

 

tduije

werkwoord, zwak

vB verklaren, uitleggen

Van Delft - "'k Heb 'm uitgeduid, wa'k w." 'k Heb hem uiteengezet en verklaard, wat ik wenschte. (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 111; 27 april 1929)

-- contaminatie van 'beduiden' en 'uitleggen' (Tilburgse Taaklplastiek 126)

WBD III. 3. 1:271 'uitduiden' = verklaren

 

tdunne

werkwoord, zwak

uitdunnen

WBD I:1460 op n zetten (tweede fase v. h. uitdunnen van bietenplanten), waarbij van elk hoopje slechts een plantje blijft staan, dat moet uitgroeien tot een biet): 'uitdunne', ''tdunne', 'afdunne'

 

tenvalle

werkwoord, sterk

uit elkaar vallen

Mandos - Brabantse spreekwoorden: tenvallen as enen braojappel (D16) uit elkaar vallen als een gebraden appel : over iets onbenulligs kwaad worden

 

tnde

zelfstandig naamwoord

Van Rijen: uiteinde

 

tgaon

werkwoord, sterk

uitgaan

de krk gao t

die meense gaon veul t

Cees Robben: vurdttie de deur 'tgao'; ze doe niks as roken n tgaon;

Frans Verbunt: as ge tgaot, moete oewen rmoej tslaote

WBD III. 3. 1:42 'uitgaan', 'aan de zwier gaan, de hort opgaan, op stap gaan, op sjanturnel gaan, pierewaaien, zwalken, dweilen' = uitgaan

tgaon - ging/gong t - tgegaon

 

tgeblkt
voltooid deelwoord van tbleeke
uitgebleekt; verbleekt; wit geworden
WNT zie lemma Uitbleeken
Cees Robben W uitgeblekt.. verblikt en schraol (19590912)
 

tgeblkte
bijvoeglijk naamwoord
stier met uitgeblokte billen; ook dikbil-os
Cees Robben uitgeblokte (19600226)
 

tgeboezeroend

voltooid deelwoord

Van Rijen: buitengezet, het vertrouwen verspeeld

 

tgebroejd
voltooid deelwoord van zwak werkwoord tbroeje
uitbroeien; hier in de betekenis geboren, van bepaalde afkomst zijn
Cees Robben Ze wit zeker nie waor ze uit is gebroeid.. (19580201)
 

tgediend

bijvoeglijk naamwoord

tot het eind gediend hebbend

GD08 veul van die zogenmde tgediende zn himml nie van die sukkelrs

 

tgelaote

bijvoeglijk naamwoord

uitgelaten

WBD III. 1. 4:95 'uitgelaten' = baldadig

WBD III. 1. 4:192 uitgelaten = zeer blij

 

tgeleuterd

voltooid deelwoord /bijvoeglijk naamwoord

GG uitgesleten, uitgelopen (van schoenen) uitgepraat

 

tgepakt

zelfstandig naamwoord

het uitgepakte, het uitgestalde

Nr et tgepakt gn kke = Gaan kijken naar de sinterklaasuitstalling

Kees & Bart (ca. 1935): 'naor 't uitgepakt weest te kijken'

Kees & Bart (ca. 1935): 'mee de klein mannen naor 't uitgepakt kijken

De Wijs -- Gao de gij kke naor t uitgepakt / of wochtte op de klottermert? (11-02-1965)

Cees Robben -  k Gao mee de knder naor t uitgepakt kke... (19651119)

Lechim - De knderkes staon alleml/ rme zo goed as rke / meej der nuske teege de rt/ nr et tgepakt te kke. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Sintreklaos ok)

Jan Naaijkens, D's Biks - tgepakt deelw., zelfstandig naamwoord - uitgepakt z. a.

 

tgetoerlezjoerd
bijwoord
aan het eind gekomen, uitgerangeerd; uit Franse tous les jours, alle dagen
Cees Robben Gaode dd (...) bende uitgetoerlezjoerd.. (19761001)
 

tgevlooge

bijvoeglijk naamwoord

uitgevlogen

WBD III. 4. 1:32 'uitgevlogen' - in staat om uit te vliegen (van vogels); ook 'vlug'

 

tgnsdag

zelfstandig naamwoord

uitgaansdag

vB de doj hebben ok enen gsdag (wordt gezegd als een mop of grappige opmerking niet begrepen wordt)

 

tgoje

werkwoord, zwak

WBD III. 1. 2:243 'uitgooien' = fluimen

 

thaawe

werkwoord, sterk

uithouden, volhouden, harden

Ik kos et nie thaawe - ik kon het niet volhouden

 

thaole

werkwoord, zwak

uithalen

Cees Robben: Die et veugeltje vnt die heeget nie, mar die et thlt.

Van Delft - Een boer wijkt niet gaarne ver uit en dan zeggen wij, dat hij "niet genog uithaolt".(Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 110; 20-04-1929)

WBD thaole (II:1049) - uithalen (v. e. paddevoet), ook trffele Henk van Rijen: de klomp thaole - eruit halen wat Sinterklaas erin gelegd heeft

thaole - hlde(n) t tgehld; ook in tegenwoordige tijd vocaalkrimping; gij/hij hlt t

A.P. de Bont: zwak werkwoord overgankelijk. - uithalen (in versch. bett. )

 

thbbe

werkwoord, sterk

Frans Verbunt: opgedronken hebben

 

thoek

zelfstandig naamwoord

WBD III. 3. 1:318 'uithoek' = gehucht

 

tkke

werkwoord, sterk

uitkijken

Cees Robben: ge kwaamt nie tgekeeke; kkt is w beeter t;

Cees Robben: gij meugt wl iets zeggen oover tkke;

Van Rijen: tkken n daoge tlle - op je tellen passen

-- tkeeke - keek t - tgekeeke

-- met vooaalkrimping in praes. : gij/hij kkt t

 

tkleeje

werkwoord, zwak

uitkleden, ook fig.

GD07 kleet oewge mar hilleml t

-- tkleeje kleedel(n) t - tgekleed

Antw. UITKLEE(D)EN fig. uitplunderen, uitschudden. Spr. Zijn eigen uitklee(d)en eerdat men gaat slapen - zijne goederen weggeven aan zijne kinderen, eer men dood is.

 

tklote

werkwoord, zwak

Van Rijen: sarren, tergen, voor de gek houden

 

tkoome

werkwoord, sterk

uitkomen; te voorschijn komen kiemen (van zaden)

Cees Robben: d stuk wg d op dieje wg tkomt;

Mandos - Brabantse spreekwoorden: p etzlfde strtje tkoome (vB TT '70) - steeds hetzelfde vertellen; een gesprek altijd naar hetzelfde punt leiden

-- tkoome - kwaam t - tgekoome

WBD III. 4. 3: 30 'uitkomen' = bloeien

Antw. UITKOMEN, UITKOMMEN - te voorschijn komen, gevonden worden, van iemand of iets dat verloren was.

 

tkruije

werkwoord, sterk

uitkruien

Henk van Rijen: hij lt aander meense de aase tkruije - . . . het vuile werk doen

 

tlbbere

werkwoord, zwak

uit zijn model raken van b. v. gebreid goed (intransitief)

vB en tgelbberde trui - die aan een kant lager is komen hangen dan aan de andere. (Tilburgse Taaklplastiek 127)

WNT kent wel een transitief 'uitlebberen' (uittrekken, uitrekken, langer of wijder maken), evenals 'uitlepperen', lebberen, lepperen enz.

Cornelis Verhoeven: LEBBEREN onov. ww - 1) slurpen, 2) uitrekken.

Antw. UITLEBBEREN - uitrekken, uittrekken; ik zal oe' ooren is uitlebberen, deugniet'.

 

tlege

werkwoord, zwak

Van Rijen: afgraven

Jan Naaijkens, D's Biks: tlge ww - afgraven

 

tlene

werkwoord, zwak

uitlenen

-- tlene - linde t tgelind; vocaalkrimping, behalve in infinitief , praes. plur., praes. ik-vorm

 

tlgge

werkwoord, sterk

uitleggen

WBD tlgge (II:1250) - uitleggen (een kledingstuk langer maken) WBD III. 3. 1:45 'uitleggen', 'bij elkaar leggen' = lappen

 

tlkke

werkwoord, zwak

uitlikken; uitlekken

Cees Robben: naa maag onzen oopaa zeeker et pnneken tlkke;

gez. vB As de pestoor gao praote, lkt alles t.

tlkke - lkte(n) t - tgelkt

 

tlope

uitlopen; loten vormen van planten en bomen, uitlopers krijgen; 'sprte', 'tschiete', tbotte

Henk van Rijen: al mot ek er de bene vur onder mene zulder tlope

-- tlope - liep t tgelope; in tegenwoordige tijd vooaalkrimping: lopt t

 

tlootere

werkwoord, zwak

Van Rijen: uitloten

 

tmaok

zelfstandig naamwoord

Frans Verbunt: smoesje

WBD III. 1. 4:334 'uitmaak' = uitvlucht, smoesje

Jan Naaijkens, D's Biks: tmaok zn - smoesje, excuus

 

tmaoke

werkwoord, zwak

uitmaken

Henk van Rijen: w maoket t, dttiet tmkt - wat maakt het uit dat hij het uitmaakt; . . . , d hij et tmokt - . . . hij beslist

WBD III. 1. 4:317 'uitmaken' = ten einde brengen

 

tmlleke

werkwoord, sterk

WBD leegmelken (van koeien), ook genoemd 'uitmlke', 'tmlleke'

 

tmeutele

werkwoord, zwak

uit: t + meutel (= wrikken)

WBD tgemeutelde lst, tmeutelende lst (II:1051) - uitrnetelende/uitgemeutelde lijst: (te) slappe zelfkant van geweven stof; ook 'slchte kaant' genoemd

 

tmiste

werkwoord, zwak

uitmesten

Dan wier dieje stal goed tgemist... (G. Steijns; Grot Dikteej van de Tilburgse Taol 2003)

 

tneuje, tnoje

werkwoord, zwak

uitnodigen

WBD III. 3. 1:39 'uitnodigen', resp. 'noden, vragen, verzoeken' = uitnodigen

A.P. de Bont: zwak werkwoord overgankelijk, 'uitneuien' - uitnod(ig)en

 

tperbeere

werkwoord, zwak

uitproberen

WBD III. 1. 4:351 'uitproberen' = proberen

 

tploege

werkwoord, zwak

WBD 'voor tploege' - middenvoor afwerken (het uitdiepen van de laatste ploegvoor, in het midden)

 

tpoetse

werkwoord, zwak

uitpoetsen

WBD uitpoetsen: het met diverse uitpoetspreparaten bewerken van schoenen (II:783)

-- tpoetse - poetste(n) t - tgepoetst

 

tpraote

werkwoord, zwak

uitpraten

Cees Robben: ik koom er nie oover :otgeprt; lt me naaw is tpraote

-- tpraote - prtte(n) t - :tgeprt; ook in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij prt t

 

tpurgeere

WNT m. b. t. gist, deesem: zuiverend verwijderen; alleen in fig. verband in religieus taalgebruik aangetroffen en na de 16e eeuw verouderd. 2) (Maastricht; uitpraten

Mandos - Brabantse spreekwoorden: tgepurgeerd zn (D16) - er (gauw) van afzijn, ermee klaar zijn

N. Daamen, woordenlijst 1916: "hij waas gaauw uitgepurgeerd - hij had er gauw mede gedaan, het was er gauw mede afgeloopen"

 

treekene

werkwoord, zwak

uitrekenen

WBD tgereekend - (gezegd van een koe) het einde van de draagtijd bereikt hebbend, ook 'tgetld' of n de telling, 'n de baot'

-- treekene - reekende(n) t - tgereekend

 

trffele

werkwoord, zwak

vB uitrafelen (onoverg. + overg. ?)

WBD trffele (II:1049) - uitrafelen (v. e. paddevoet), ook 'thaole'

WBD III. 1. 3:16 'uitreffelen' = uitrafelen

-- trffele - rffelde(n) t - tgerffeld

A.P. de Bont: zwak werkwoord overgankelijk. + intr. uitreifelen, uitrafelen.

Antw. UITRIJFELEN - uitrafelen

 

truste

werkwoord, zwak

uitrusten

Cees Robben: Ist koffiedrinken of truste?

-- truste - rustte(n) t - tgerust

 

tschaaje

werkwoord, sterk

uitscheiden, ophouden

Schaaj t, f ik begien ok

tschaaje - scheej t - tgeschaaje/tgescheeje

Henk van Rijen: schaaj t meej d pnnekes-geschr - hou op met dat panne-schrapen

Dirk Boutkan: tschje - scheej t - tgescheeje

Audio-opname 1978 Dhr. Bertens Toen ging den buk zon bietje meer aachtert n toen isser de man tgescheeje, witte wl (Collectie Heemkundekring Tilborch; transcriptie: Hans Hessels ► Klik hier voor audiofragment)

 

tschne

werkwoord, zwak

uitschelden

WBD III. 3. 1: 'uitschenden' = uitschelden

Stadsnieuws: Mister, hij leej mn alleml t te schne (050308)

-- tschne - scheen t tgescheene; in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: hij/gij schnt t

Cornelis Verhoeven: TSCHNE: deze samenstelling betekent ook wel: noemen, maar met ontleende woorden.

 

tschre

werkwoord, zwak

leegschrapen

G meut de pan tschre

-- tschre - schrde t - tgeschrd

Antw. 'UITSCHREN - met. een scheermes uit- of afnemen: het haar van den hals uitschren

 

tschter

zelfstandig naamwoord

WBD III. 1. 4:427 'uitschijter' = uitbrander

 

tschve

werkwoord, sterk

vB een blauwtje lopen, bot vangen, ernaast zitten, van de koude kermis thuiskomen

WBD III. 1. 2:14 uitschuiven = uitglijden

WBD III. 2. 2:82 'uitschuiven' = een blauwtje lopen

-- ve - schof t - tgeschoove

Van Dale: = uitglijden (?)

Van Dale: een flater begaan, zich vergalopperen

Antw. UITSCHUIVEN - eene weigering oploopen.

 

tschiete

werkwoord, sterk

WBD uitschieten; 'tloope', 'tbtte', 'sprte'; uitlopers krijgen, loten vormen; gezegd van planten en bomen;

-- uittrekken (van kleren) : Schiet oewe jas mar t.

WBD brood uit de oven halen

WBD III. 2. 3:112 'uitschieter' = aardappeluitwas

-- tschiete - schot t - tgeschoote

J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - UITSCHIETEN: zijn rok aanschieten, uitschieten. Ook fig. gebruikt. Z. a.

A.P. de Bont: sterk werkwoord overgankelijk. uitschieten: iets ergens uit verwijderen; 2) snel uittrekken (kleding)

 

tslag

zelfstandig naamwoord

uitslag (i. a. b. )

WBD III. 1. 2:324 'uitslag' = huiduitslag

WBD III. 1. 2:331 'uitslag' = exzeem

R. J. n den tslag wrdt beknd

WBD III. 1. 2:340 'uitslag' = uitslag onder de neus

-- den tslag wrt beknd

 

tsleutel, tsltsel

zelfstandig naamwoord

Van Rijen: uitslag, antwoord
Cees Robben de naoste week krg ik den uitsleutel... (19641009) [van een medisch onderzoek]

WBD III. 3. 1:273 'uitsluitsel' = idem

Stadsnieuws: Ik hb vendaog mn waoter nr den dkter gebrcht n merege krg ik den tsleutel (230507)

 

tsliepe

werkwoord, zwak

bespottelijk maken door de wijsvingers over elkaar te strijken

vB sliep t, sliep t: roept men tijdens de handeling

WBD (III. 3, 2:66) tsliepe = uitsliepen

Jan Naaijkens, D's Biks: tsliepe ww - uitlachen

WNT UITSLIEPEN, uitslijpen, bespotten door met den eenen wijsvinger gedurig over den anderen te strijken alsof men een mes slijpt; inz. in den vorm 'sliep uit!' als uitroep waarmee men deze handeling meestal vergezeld doet gaan. (XVII III 1433)

A.P. de Bont: zwak werkwoord overgankelijk. (kindertaal), uitsliepen, iemand voor de gek

houden door met de wijsvinger v. d. rechterhand enige malen over die v. d. linkerhand te strijken onder het roepen van 'Sliep uit! sliep uit!

Antw. UITSLIPPEN - beschimpen, uitlachen met den eenen wijsvinger herhaaldelijk over den anderen strijkend.

 

tspanne

werkwoord, zwak

WBD uitspannen (v. e. paard), ook 'afspanne' genoemd (in de Hasselt)

-- tspanne - spande t - tgespanne

 

tspeule

werkwoord, zwak

uitspelen; het spel beginnen

in een speelbeurt het spel beindigen, resp. winnen

-- tspeule - spulden t tgespuld; ook vocaalkrimping in tegenwoordige tijd: gij/hij spult t

Antw. UITSPELEN beginnen te spelen, opgaan: Gij moet uitspelen; zoo spelen dat het spel uit is, dat men wint.

 

tspldere

werkwoord zwak

zich onhandig bewegen, spartelen

Mar toen ik docht dk klaor waar en z gaaw meugluk d donker hok tspolderde, kwaam de kapelaon k t zen hok en ging naor de frater. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

►spldere

 

tspraaje

werkwoord, zwak

uitspreiden

-- tspraaje - spraajde(n) t - tgespraajd

De Wijs -- (Gehoord van Sint Nicolaas) Ge kunt alles wel optsse mar als gut tspraait lk t veul en veul meer (11-02-1965)

De Wijs -- ut dn kerk motte irst oewen maantel itspraaie in de goei kaomer (23-10-1963)

Ths wieren die zakken bij dreug weer nog ens tgeschud en de rpel op de plots tgespraaid. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

DANB tspraaje

n ons moeder hagget [de sinterklaascadeaus] dan ng wt tgespraaid. Dan leeket meer. (Ed Schilders; W zeetie?; Website Brabants Dagblad Tilburg Plus; 2009)

 

tsprs
bijwoord
expres, met opzet
Cees Robben Nie uitspres gedaon?! (19631011)
 

tstaon

werkwoord, sterk

uitstaan; vooral in de zin van 'er iets mee van doen hebben', ontkenning van enig verband, zoals:

D'r ziekte waar wel iets aparts, mee de maog ha't niks uit te staon... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; feuilleton Bad Baozel, 8 afl. in NTC 31-12-1938 18-2-1939)

WBD III. 1. 4:261 'uitstaan' = lijden

 

tstapke

zelfstandig naamwoord , verkleinwoord

uitstapje

Kees & Bart (ca. 1935): 'tstapke'

 

ttlle

werkwoord, zwak

uittellen

WBD tgetld - (gezegd van een koe) het einde v. d. draagtijd bereikt hebbend; ook 'tgereekend' genoemd, ofwel 'n de telling', 'n de baot'

-- ttlle - tlde t - tgetld

 

tteur

zelfstandig naamwoord

Henk van Rijen: g zuukt aatij den tteur - jij zoekt altijd een uitvlucht

 

ttoomoobiel

automobiel, auto

Kees & Bart (ca. 1935): 'ottomobiel'

 

ttrkke

werkwoord, sterk

uittrekken

Van Delft - Als bijv. ouders tegen een verloving zijn, "trekt er een zoon of dochter wel eens uit"; ook "zetten ze ooit de kont tegen de krib" en geven enkel kostgeld af om dan toch tegen beters wil en wensch in te trouwen. Een beschaafder spreker drukt dit uit door te zeggen: "Men slaat de verzenen tegen de prikkels." (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 117; 5 juni 1929)

Cees Robben: Ik w dk ze indertd gebraajd ha dan ks ik ze naa ttrkke.

ttrekke - trok t - tgetrokke

 

ttuijere

werkwoord, zwak

zijn gang gaan - speciaal in onderstaande uitdrukking:

vB lt ema aar ttuijere - laat hem zijn gang maar gaan; geef hem de ruimte

-- alleen de infinitief is gangbaar

 

tval

zelfstandig naamwoord

lot, toeval

den tval moet et goedmaoke

 

tvaort, tvrt

zelfstandig naamwoord

uitvaart, begrafenis

WBD III. 3. 3:321 tvaort = begrafenis

A.P. de Bont: znw. vr. uitvaart 1) begrafenis; 2) de gezamenlijke familieleden van een overledene bij zijn/haar begrafenis

 

tvne

werkwoord, sterk

uitvinden

WBD III. 1. 4:19 'uitvinden' = broeden

WBD III. 1. 4:18 'uitvinden' = uitdenken

-- tvne - von(d) t - tgevonde

Antw. UITVIJNEN - uitvinden

 

otvner

zelfstandig naamwoord

uitvinder

Kees & Bart (ca. 1935): 'uitveiner'

De vorm 'tvender' zou ook kunnen bestaan.

 

tviegieleere

werkwoord, zwak

WBD III. 1. 4:18 uitvigileren = uitdenken

 

tvrt

uitvaart

GD. 06 en korke vur te zinge meej tvorten n zo meer

 

tvraoge

werkwoord, sterk

doorvragen

Van Delft - "Vraag me nou asteblief nie tot op m'n hemd uit." Dit is: Blijf niet zoo nauwkeurig vragen, zoodat ik vast raak. (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 108; 6 april 1929)

 

tvundere

werkwoord, zwak

uitpluizen, uitvissen

Stadsnieuws: D moete tch ng es goed tvundere; ik gelf d zo mar nie (240107)

-- tvundere vunderde(n) t - tgevunderd

Antw. UITVUNDEREN - uithooren, polsen; VUNDEREN - uithooren, polsen. Iemand vunderen.

 

tzakke

werkwoord, zwak

Frans Verbunt: een uitzet meegeven, toerusten, met name: van voedsel voorzien om mee te nemen naar werk of voor onderweg

Cees Robben Ik moet munne man nog uitzakke.. (19860425)

...zis man moes worre tgezakt/ drie sneekes mik, vier dikke rogge/ meej en flitterke gehakt (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Moederdag)

En ding weet ik zeker, zittie de woorden die ik notmir vergeete ben: Ik zal mn knder beter tzakke dan dttiezen knder heej gedaon, d sloeg op w ons moeder indertd ha meejgekreegen. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

Jan Naaijkens, D's Biks: 'tsakke' ww - uitzakken

 

tztte

werkwoord, zwak

uitzetten; uitspoken

WBD tztte - uitzetten, nabewerking van gelooide huid, om overtollig water weg te halen en het leer glad te maken (II 648)

WBD tztter - uitzetter (werktuig), botte, smalle ijzeren strook in een houten handvat (II 649)

 

tzien

werkwoord, sterk

uitzien

-- tzien - zaag t tgezien; tegenwoordige tijd 3e pers.: zie t

Antw. UITZIEN - er uitzien - schijnen, den schijn hebben van: Hij ziet er uit gelijk 'ne schooier.

 

tzundering

zelfstandig naamwoord

Van Rijen: uitzondering

 

tzuuke

werkwoord, sterk

uitzoeken

WBD III. 1. 4:45 'uitzoeken' = uitkiezen

-- tzuuke - zcht t - tgezcht

Antw. UITZUKEN - uitzoeken

 

tzuute

werkwoord, zwak

uitzoeten

WBD 'tsuutte' - uitzoeten, door stromen of weken ontzouten van geconserveerde huiden (II 601)

 

ou, oe

pers. vn.

u, jou, je

Laot leven mij, 'k laot leven ou . . . (H.A. Sterneberg s.j., Een Busselke Braobaansch, uit: Vurreej , 1932)

zilverblinkend blleke waoter, / geere zing ik over ou. (Piet Heerkens; uit: De Kinkenduut, Drpke dauw, 1941)

Antw. OU vrnw. - U. Dat is van ou. Ik heb 't tegen ou gezeed.

 

oud

bijvoeglijk naamwoord

oud

GD08 ge wrt not zo oud as dgge der tziet

-- oud - aawer - oudst

 

outer

zelfstandig naamwoord

altaar

... as ik naauw nog is in de Noordhoekse kerk koom en ik zie daor zn praachtige schilderingen, zne prikstoel, zn ramen, den outer en dien schonen uileger, dan vergao k van plezier... (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

 

ouw, oew

bezittelijk voornaamwoord

uw, jouw, je

J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - OUW, voor 'uw', veel gebezigd, niet zonder voorbeeld bij de ouden. Niet uitgesproken als in 'oud'; ook niet 'auw', maar als 'oew'. Ik acht het veel minder onbeschaafd dan het Hollandsche jouw . Z. a.

Antw. OUW - uw. Ouwe vrind. Ouw kind

 

ouwer

zelfstandig naamwoord

altaar

WBD III. 3. 3:64 ouwer = altaar


  Van bberis tot nzt

Naar het begin van de pagina

Inhoud Woordenboek Tilburgse Taal
CuBra Home

rgel

 

rgelman - volksliedjes over de orgelman op CuBra, verzameld door Ben Hartman