INHOUD IVEN
HOME
SPECIAAL
AUTEURS
TEKSTEN
BRABANTS
INTERVIEWS

Print Pagina

 (c) Willem Iven 2001

 

Het kerstkiendje van kaffee De Sporten een kerstvertelling

T dorp ligt aan den A50, en wij wonen er met zo'n duuzend of drie bij mekaren. Er. zijn wel meer zo'n dorpen aan dieje zelfden A50, maar geen enkel ander is zo als het dorp daar wij wonen, en dat kumt omdat die ander dorpen niet ons dorp zijn. Ons dorp is iets geweldigs, iets groots, hoe klein tok is, want er speult zich van alles af wat met ons te maken heeft. Er gebeurt van alles hier en oms de beurt doen we onze rol erin speulen. Int dorp doen we met zijn allen de dingen die met tut leven te maken hebbben: doensels en laatsels en praatsels die het leven schoon en de moeite waard, draaglijk en leeflijk houden, gewoon door te beseffen dat tut hier te doen is, in ditte dorp, van ons.

T doet dan wel aan dien hendige , snelle en rechten A50 liggen, die met zekere wind van gene kant nogal geraas en lawaai maakt ook nog. Dat is wel zo. Maar gelukkig ligt dat dorp van ons eigenlijk vooral aan den vanoudse weg die er altijd was en die eeuwigheden lang van dorp naar volgend dorp liep en zo de eeuwigheid zelf was waarover het leven geduldig voortschreed van lang geleejen naar nou en later en straks en ooit. Over dien vanoudse weg deen ons grootouwers als kiendjes overhenen dalveren. Int houtgewas erneven hebben ze verstopperke en ander spellekes gespeuld en er naar vogelkesnestjes gezocht. En toen ze groterder groeiden deen ze mekaren anders leren kennen als tot dan toe en weer gingen ze toen het hout neven de weg in om mekaren nog beterder te leren kennen en zodoende zjn ze tenleste ons grootouwers geworren.

Ook hebben ze mee perd-en-kaar of mee os-en-zelfde-kaar over dien vertrouwde weg gevaren mee mest en mee oogst, van huis naar werkveld of van veld naar huis, en zodoende bleef het eeuwige proces van brengen en halen gaande en zo bleef trouwens alles want dat proces had het landschap gemaakt waarin bewoners konden bljven.

Met hetzelfde trekbeest maar mee de hogkaar en dat was een kaar daar ge geen smerig werk mee deedt en ge kondt er een huif overheen trekken tegen zon en regen en om deftiger voor den dag te komen, nou a la, mee die hoogkaar waren ze naar de kerk gedaan en naar de kermis en op visite bij ander volk in een ander dorp wijdterop aan dezelfde weg. Mee de hoogkaar gingen ze ook de weg over om producten te merten en om gerei te kopen in de stad. En om de zeug naar den beer te doen. Ja, want een zeug en ook een koei die worren gebracht voor zoiets. Maar den bok die komt zelf langs en ie doet van guit naaar guit int kaarske achter Van Moorsel zijne fiets. Van Moorsele guitenbok wier als nen heer gereejen en bij de klandizie gebracht. De ordinaire schaapsbokken daar is dat anders mee, die lopen gewoon tussen de germen en die doen het hunne onderwegen, bevobbeld als de schaapsklocht over de weg doet, op de hei opaan of terugkerend daarvan.

Er gebeurt nog veul meer op en neven zo'nen eeuwige weg als den deze, maar het voert me voor het doel van dit vertelsel te wijd om dat gelijk en allemaal aan te snijden. Het gaat er maar om dat het duidelijk is dat nen ouwe weg als den onze van veul groter betekenis en waarde is dan zo'nen A50 die niet is ontstaan en niet is gegroeid en gebleven uit voetstap na voetstap maar die is gemaakt op een tekenbord, nog maar kortgeleejen. Den A50 is wat ze zeggen 'de grote weg' en hij is inderdaad groot en ook lang en breed en zeer recht en glad en ie dient spoed en haast en snelheid en tijdsbesparing en hij is niet bedoeld voor ontmoeten en beleven. Daarom staat er nergend een kafffee neven. En ook is er nergens aan den A50 zo'nen geduldigen herberg die erop wacht om handelslui en reizigers te verwelkomen en te verzorgen.

In dat dorp van ons zijn wel vier kaffees en nen herberg en alle vijf staan die neven den ouwe weg die van hetgene dorp door dat van ons naar het naaste dorp ent nabijgelegen stadje R. voert. De herberg ligt wat buiten dat dorp van ons; heel prakties aan een wegkruising waar vroeger nen handwijzer mee gietijzeren vingers hand stond te wijzen waar en hoe wijd weg de omringende dorpen deden liggen. Twee kaffees liggen schuins tegenovereen sweerwskantens de weg aant staarteind vant dorp, maar het een is dicht en zo ongeveer opgeheven want tis niet met den tijd meegegaan lijk de andere drie. Ook aan den hele andere kant vant dorp is een kaffee. Dat is aant kopeind, die het dichtst bij het stadje R. ligt daar wij onder horen, zund zat. T ligt aan de brug over de wetering en tis daarnaar vernoemd: kaffeee De Brug. T vierde kaffee ligt krek tusssn de andere kaffees in, aant plein ent heeft ook al zo'nen toepasselijke naam: kaffee Het Centrum, want dat plein ligt krek in de midden.

Maar dit vertelsel gaat niet over al die kaffees, nee, allenig het kaffee aant staarteind speelt er ne passieve rol in. Binnenkort komt ons dorp onder een andere stad te horen, helemaal den andere kant uit, en dan zal het voor de hand liggen dat het staarteind kopeind zal worren en dan zal het stadje R. ginder vanuit ons dorp mee staart en kont worden aangezien, krek goed.

T kaffee aan het nou-nog-staarteind is kaffee De Sporten, al langer dan honderd jaar, en het heet zo omdat er zoveel sporten worden gedaan: kaarten en daarten ofwel pikgooien, kienen en biljarten, schieten met echte kogelkes en steil dansen. Maar veural omdat tut voetbalveld van Dorpinia er vlak tegenaan doet liggen en vroeger de voetbalders er hun eigen kwamen omtrekken en ze er dan ook ne plas konden doen en er werme sukklaaiemelk of koel bier konden komen vatten al navenant het seizoen. De kaffeebazin dee in die vroeger dagen alle weken de beslijkte voetbalboksen en idem-sjurtjes schoon wassen en de kaffeebaas deed de ballen bewaren en opblazen. Om aan te geven wat ze daar allemaal te bieden hadden, deden ze achter de naam altijd Driekaz Totaal zetten, dat 'Kaffee De sporten Driekaz Totaal' klonk schoon exclusief en het sloeg helemaal niet op de vrouw van de kastelein, verbeeldt 'w, die heette niet eens Drieka. T had ook niks van doen mee drie kerens de letter k als afkorting van bepaalde woorden. Nee, driekaz betekende drinken (dri), eten (e), kaffee (k), zaal en zalen (z), want ze konden de grote zaal me zo'n scheuf-iets in tweeen doen, terwijl die z ook kon slaan op de znakbar want de was er annex ook een aan.

Ge weet nou zo'n bietje van de weg en van de kaffees. Maar ge weet nog niet waar dit verhaal over gaan zal. Het eigenlijk vertelsel begint nou pas.

Het jaar raakte in een zeker kortgeleejen jaar op een eind. Het raakte vol ent was bekant afgewerkt, het jaar. De tijden geleken zwanger van zwaarte. Het gewicht van de duisternis nam alle dagen wat toe en de nachten wieren langer, donkerder en kouwerder. Binnenkort, en dat wist alleman, zou de grote verlossing van het volle jaar gebeuren en int diepste van de wintertijd zou dan het licht komen met een groot feest dat dagen zou duren. De mensen zouden dan weer krek als bij veurgaande winterverlosfeesten zachte gezangen zingen en ze zouden lief voor mekaren worden en in de grootste kou zou het daardoor toch werm zijn in de huizen en ook in de kaffees en in wat nog het mooiste was: ook binnenin de mensen zelf. Omdaarom deden de mensen allen uitzien naar dit feest om in vreugde en vrede en tevreejenheid bij mekaren te zijn en te blijven.

Al tijdig begon men in de weken van verwachting van alles te doen om maar helemaal verrig te zijn met alles eer het kerstfeest er zou zijn. Want zo doet dat blije winterfeest heten: kerstfeest.

In bekant ielk huis kwam ne vers-gruunen boom en in veul huishoudens kwam daar ne kerstgroep bij te staan van herders en kunningen, geschaard omheen een bloot kerstkiendje met Jozef en Maria, de ouwlui van dat klein ding. T kiendje hiette Jezuke ent was altijd 't middelpunt vant gehele feest. Temidden van alle grootheid en grutsigheid van de wirreld moest nou de aandacht opt kleine en kwetsbare worden gericht, het kleine ent mindere dat bescheiden de zinnebeeldige belofte is vant goei. Ook wieren er overal lichtjes opgehangen en neergezet. In de gruun kerstboomkes in de huizen en ook zaagt ge meer en meer licht in de bomen buiten in de tuinen en neven de weg en de straten. Opt plein dee ook de gemeente ne groten boom ingraven en die volhangen mee grote lamplichten. Dien boom dee savends en snachts schoon mee met alle lichtgeflikker daar rontelom het plein.

De nije meziekkiosk die daar wat bezijdens deed staan wier nou voor den tweede keer versierd en zijn best verlicht. De kiosk was daar vleejaar neergezet door die van Dorp in Woord en Daad , een organisatie van inwoonders die veul op deen hebben mee ons dorp daar ze al heel wat objekten van vruger in het nou van vandaag deen herplaatsen, uit een soort van heimwee en uit behoefte aan dorpsverfraaiing. Zo wier de kiosk nou weer veranderd tot den openbare stal daar de grote kerstgroep-van-iedereeen zou worden opgesteld. Jo van Dam en zijne maat hadden ter maar druk mee. Zullie twenen waren door reedsgenoemde stichting Woorden en Daden aangesteld als toezichthouers van de kiosk en als verantwoordelijken voor het welzijn van de dorpskerstgroep. Dat was een hele taak, me dunkt. Er mocht immers niks verkeerd gaan met de fraaie beelden die het dorp gekregen had van de goeie rector Vermeulen die pastor is vant bedaardenhuis ofwel zorgcentrum. Dat had ie vleejaar gedaan uit zijn grote goeiigheid en uit zijn eigenste tes. Omdat ie veul op doet hebben met ons en zo geren woont temidden van de oudsten, en ook bij gelegenheid van zijn gouwen priesterfeest.

Krek als alle kerstgroepen bestond ook de kioskgroep uit hoog volk, de kunnings die groot vervoer hebben en knechten en verzorgers, en uit gewoon werkvolk, dat te voet gaat en slechts kleinvee heeft, schapen en lammekes, en ze stonden krek als overal in de wirreld soort bij soort. Gelijk dat hoort stonden ze ook hier gegroept en getroept rond dat gezinneke met het klein kiendje daar het meeste licht op was gericht en waar alles naar deed kijken. Het geheel was ook nog ge-emancipeerd ook nog, daar was de rector altijd nogal veur geweest, veur emancipatie. Want tussen de herders zaagt ge een herderinneke, een heel schoon een, en dat dee gewoon met tut mansvolk aan. Efkes voor de kerst van vleejaar was de beeldengroep in de meziekkiosk aangekomen en ie was met toespraken en met samenzijn en samenzang geschonken en geaksepteerd. En de pastor Vermeulen had toen eigens 't kiendje aangedragen en int strooi vant centraal kribke gelegd en ie had daarbij glunderend gekeken ent was krek oft kiendje toen naar de pastor had geknipeugd en geglimlacht, he toch.

Er was toen met de vleejaarse kerst ook nog een incident geweest ook nog. Enkelde dagen na het aankomen van de beelden wast kerstavend geworren ent was iets gaan sneeuwen. Niemend was nog naar buiten gekommen en niemend had gezien hoe kaal en eentonig en eenzaam daar den boodschapengel aan den dakrand hing te hangen. Zonder boodschap ook nog. Maar in laatheid en stilte van de kerstavend was den engel nogal allochtonig geworden, en niemend had gezien hoe dat gegaan had. Want pas in de kerstmorgen zaagde ge den tekst die de engel tussen de bei uitereen gehouden ermen toonde: 'Allah iz grood' zo was dien tekst en er kwam verdeeldigheid van want de een groepering vond dat 'dat nie moest maggen, zo iet', en een andere bevolkingsgroep zee 'En wurrum dan wel nie?' en nog weer anderen wouen dit alles uitgezocht hebben. Maar er waren er ook die er stiekemkes veul lol om hadden, want die hadden wel door dat dit een soort van wederpoets was van de Marokkaan die de zomer tevoren tijdens 't vrijdegmertje met handel en al was weggejaagd uit de kiosk daar ie met zijne schamele koopwaar was neergestreken, gewoon omdat ie zijnen troep dreug wilde houden, maar de toezienders hadden dit oneigenlijk gebruik gevonden en ze hadden de mens als nen hond Kss Kss! verjaagd.

Bij kaffee De Sporten stond ne grote plestiekeren kerstman-met-lichtjes aan deur en rontelom die deur waren lampkes die aan-en-uit aanhouwend als in ne wedsrijd maar achter mekaren aan deden het deurgebont rond. De meeste klanten vonden dat niks mooi en ze deden de kaffeebaas vragen waar toch diejen ouwe fiets was gebleven die daar met voorgaande kerstmisen altijd daarbuiten aan de deur had gestaan en die er veul echter eruitzag met die zuivere lichtjes tegen de donkerte van geroest ijzer. Krek of de twinkellichtjes den ouwe fiets opnieuw nieuw maakten. Ja, maar dieje fiets die was er niet meer, meegenomen door iemend, voor de lol en omt stoer doen van 't wegvatten. De kwaajong hadden dieje fiets ook al eens bij de bushaltte gezet en tegen de poort van de zeereerwaarde zusters, ha ha het was inderdaad nen herenfiets, enzovoorts. Of er dan niet een ander ouwd vervoermiddel te vijnen was om daar lichtjes aan te maken en aan de deur te zetten want zo'n plestiekeren pop dat was toch geen gezicht, zegt nou zelf. Dus de kastelein die liet zijn eigen omlullen en ie ging aant rommelen in berghok en schuurke. Hij deed terna de zolder op en was daarvan toen naar beneejen gekommen mee nen ouwe kijnderwagen daar hullie deerke nog in had gelegen en die meer kerens ook was uitgeleend geweest en dat ie voor dien tijd toch zo verjuus modern was, maar toch. Zo'ne kijnderwagen is eigenlijk vant heel dorp, want er hadden zoveul kiendjes in gereejen geworren, van ielke schoolklas wel minstens een, en alleman had vroeger inderdaad dieje kijnderwagen gekend omdat ge'm overal int dorp op de weg en in de straten kont tegenkomen.

Dus de lampkes wieren van de plestiekpop gedimmenteerd en aan de kijnderwagen gedaan en die wier toen ineens dobbeld zo schoon, zee alleman, toen ie immol buiten aan de deur stond Zoiets zaagde ge bekant nergens. En wie weet of het zien van de verlichterde kijnderwagen deze of gene niet op een gedacht zou kannen brengen, houdt erover op... Ja, de kerstkijnderwagen van De Sporten kreeg bekijks genoegt en aan den tap han ze tur nogal veul over.

Op de kerstavend van dat betreffende jaar begon het lelijk weer te worden, met vliegsneeuw en met zijn best storm. D'r was geen mens op weg of straat te zien en binnen int kaffee hoorde men het gieren van de wind en het zwiepen van takken en het voorthuppelen van lege blikskes. Ent was daardoor daarbinnen huiskamerig gezellig. Eigenlijk waren ze al gesloten vanwegens de stille en heilige kerstavend, maar het was toch kwadoen om die paar man die ter nog aan den toog hingen nou door zo'n weer weg te jagen. Op zo'nen avend ook nog. Want alle drie of vier, dat doet er ook niks toe, waren toevallig vrijgezellen die thuis niks hadden en waar niemend op zat te wachten.

Ze zaten daar hangerig oms de beurt Ja en Jaja en Zegtawel te zeggen toen ene van die drie of vier ineens zei Sst, zijt 's efkes stil! En verrek! zellie heurden toen duidelijk dat er op de ruiten wier geklopt met de kneukels van vingers. Of waaide er iets tegenaan? Maar o nee, het was volk geweest dat zijn eigen weer had bedacht, want ge kondt nen auto heuren eweg rijden. En kort terna waar 't krek of er een ketje dee kweken en tekeergaan daar vlak aan de deur. Niks daaraf! Wij doen hier geen ketjes naar binnen laten, bende belazerd! deed den baas roepen, omdat een van die drie of vier vrijgezelligerds de deur meende te moeten opendoen. Maar eigenlijk zat hem dat ook weer niet lekker ook niet, want dat gemaauw bleef maar aanhouwen en misschiens zat dat verrekt ketje wel in de kerstmiskijnderwagen aan de draai van de lichtjes te knaauwen. Hij deed zijn best verschieten toen ie zelf toch naar buiten deed om te gaan kijken wat er was en me daar vergimme-nog-nie-toew in hullieje kijnderwagen een echt levendig kiendje zag te liggen. Ondergestopt met dekentjes, en een tas vol beebiekesdinger, naar later bleek, die hing aan.den douwbeugel. Het kiendje hield achtermekaar op met kweken ent dee met zijn handjes naar den baas heen ent dee lachen en op kiendjesmanier memmelen en eugskesflimpen. De vrouw van De Sporten die wier er bij gehaald en die viet het kiendje en deed het opt tapblad neerleggen tussen die kerels die ter alle drie of vier nog waren. Ze deden samen den brief lezen die ze in den trappelzak aantroffen en ze verbaasden en vergramden hun eigen om hoe de mensen toch zo iet konden doen. Want in den brief daar stond in dat hullie - de namen stonden niet erbij en ook geen adres - dat hullie ineens en plotseling met de 'last minute' - jaja, dat stond er op zijn engels - een vlucht naar Egipte hadden kunnen vatten... En dat ze veurlopig en misschiens wel nooit nog zouden terugkomen en zurgt asteblieft goed voort kiendje...

De vrouw deed het kiendje eens schoon verschonen, pempers waren er in die tas, en toen zagen zellie dat tut een jongske was en dat tut zin had in melk want tut deed bellekes op zijn mondje brobbelen en mee en dan op een knuiske sebbelen. De Sportenvrouw deed van dieje poeier uit de tas in werm water dooreen ruren en aant kiendje geven. De kleine fiepte het aling fleske leeg ent boerde verrekkes toen de vrouw 't ventje op dre schouwer deed houwen. Maar wat nu? Wat moesten ze er toch mee? Omdat tut al zo laat was, deden ze 't kiendje voorlopig terugleggen in de kijnderwagen, nou met de lichtjes uit, en de vrouw reed die naar hun privee achter aan de zaak vast, en ze zouden mergen wel zien...

In de vroegte van de kertmismergen deen die van De Sporten den dokter en de pliesie en hullie familie en vrienden opbellen en inlichten dat ze weer een kiendje hadden gekregen en nog wel in dezelfde kijnderwagen als toen, zoveul jaren geleejen. Ze gaven 't kiendje niet zo maar af aan instanties, bende gek. Want oe toch zo blij als ze ermee waren en ze voelden hun eigen zeer zeer vereerd dat tut lot hun aangewezen had als gastouwers.

Op den tweede kerstdag wier het klein manneke gedoopt en heel ons dorp was daarbij aanwezig, ze hingen met de benen buiten, zoveul als. Den dopeling kreeg de naam Chris vanwege kerstmis en den achternaaam Van De Sporten vanwegens laten we zeggen de vindplaats. Baas en bazin van De Sporten wieren de eerste adoptie-ouwers en de vier en niet drie vrijgezelders van de kerstavond wieren de peetvaders.

Hoe het wijdter ging, dat was allemaal heel eenvoudig en voor de hand liggend. Het kindje wier gewoon afgestaan aant bedaardenhuis ofwel zorgcentrum. Als zellie daar voor bedaarden konden zorgen dan zouwen ze wel verstand en gevuul hebben voor kiendjes ook, niewaar? En de grootste kunstvader bleek de pastor Vermeulen die daar int bedaardenhuis deed wonen en die heel veul mee kiendjes op had. Ge hadt vleejaar maar eens moeten zien hoe de pastor toen mee de meziek veurop vanuit tut bedaardenoord het nieuw kerstkiendje den hele weg over had gedragen. Hoe tie daar oe zo blij en mee grote kennis van kiendjes dragen aan had komen geschreejen tot aan de kioskkerststal en hoe veurzichtig ie het beeldje int strooi had neergelegd. En wat glundergelukkig zijn gezicht was geweest. Nou ook weer. De pastor Vermeulen accepteerde mee heel zijn zijn het ouwerschap over Chrisje van De Sporten namens alle bedaarden van zorgcentrum Huize Maasland....

En ielkendeen hoopte hevig dat ons 'Chrisje Kerstmis' voort alzeleven hier bij ons zou zijn en dat die lui die het ventje zo schandalig in de steek hadden gelaten maar nooit moesten terugkomen en maar in dat Egipte of waar dan ook moesten blijven alst maar wijd genoeg weg was.