INHOUD MISJE SPELEN
INHOUD LEED
HOME
AUTEURS
TEKSTEN
BRABANTS
INTERVIEWS
SPECIAAL

 

MISJE SPELEN - REACTIES

PIET MELIS (Nieuw-Zeeland)
Inzendingen: leed@brabantsdagblad.nl

Gedurende de Tweede Wereldoorlog was het misdienen erg in trek. Niet alleen mocht je de mis dienen maar er werden ook allerlei activiteiten georganiseerd wat normaal door jeugdverenigingen werd gedaan. Alle jeugdverenigingen waren door de Duitsers verboden. Het kwam zover dat er zelfs te veel misdienaars waren.

Ik had er al jaren mín zinnen op gezet om misdienaar te worden. Het leek me prachtig om zo vooraan in de kerk dicht bij Onze-Lieve-Heer te zijn en zo ten overstaande van honderden mensen deel uit te maken van de "show".

Ik was toen elf jaar. Ik was al eens wezen biechten bij de kapelaan die over de misdienaars ging en ik vroeg hem telkens wanneer ik misdienaar mocht worden.

Hij zou het me wel laten weten zei hij dan. Ik hoorde maar niks. De enige manier om hem te spreken te krijgen was in de biechtstoel. Dat had tot gevolg dat ik zowat elke zaterdag in de biechtstoel zat met hetzelfde verzoek. Dat begon hem blijkbaar te vervelen en jawel, na nog een aantal bezoeken aan de biechtstoel kon ik me bij de club aansluiten.

Zo heb ik talloze keren de mis gediend bij alle mogelijke gelegenheden. Door de week ímorgens vroeg, op het hoogaltaar of zijaltaar, op zondagen, bij huwelijksmissen, begrafenissen, kruiswegstaties en niet te vergeten tijdens de plechtigheden in de Goede week, met Pasen en Kerstmis.

Je moest alle gebeden in het Latijn kunnen beantwoorden en vooral het Confiteor foutloos kunnen opzeggen.

Ik had dat allemaal zo onder de knie en begon thuis op een oud dressoir op zolder de mis te lezen. Dat was tijdens regenachtige dagen samen met mijn broertjes een geliefkoosde bezigheid.

Ik had me al zo lang staan te behelpen met een laken om en met een oud bierglas als kelk dat de familie besloot daar wat aan te doen.

Met behulp van een aantal ooms en tantes werd een altaartje in elkaar gezet, kleren genaaid en bij de grafzerkenmaker, die bij ons in de straat woonde, werd een altaarsteen gemaakt.

Op Sinterklaasmorgen in 1943 vonden we 's morgens vroeg al dat moois uitgestald bij ons in de huiskamer tegen de schuifdeuren aan. Voor negen uur die morgen had ik voor de familie tot hun groot genoegen al drie missen gelezen. Mijn ooms en tantes losten elkaar af zodat we steeds met een nieuwe mis moest beginnen. Tijdens een van de missen liet een van mijn ooms een flinke, geluidloze, wind en maakte toen de opmerking dat er ook een aantal boeren in de kerk zaten die een flinke stallucht hadden meegebracht.

Ik kwam er toen helemaal in en heb thuis later vele missen gelezen, wijwater gemaakt, buurmeisjes en -jongens getrouwd, poppen gedoopt en dooie mussen begraven. We legden een nachtkastje op de grond met een sprei er over en daarop een bosje bloemen en dat fungeerde dan als lijkkist. Hosties knipten we uit snoeppapier van alle mogelijke kleuren

We lazen ook wel eens een mis met "drie heren" waarvoor dan mijn tweede broer en een vriendje als tweede en derde "heer" fungeerden. We hadden dan twee extra kazuifels nodig en die maakten we dan van aanplakbiljetten van de bioscoop die we aan elkaar plakten, een gat erin knipten, voor en achter twee grote kruizen er op getekend, een beetje afgerond van onderen en klaar was kees. Twee oude onderjurken van moeder dienden als togaís.

Mijn broertje Kees hield gewoonlijk de preek. Om het trapgat naar de zolder zat een soort omheining met een poortje. Het trapgat kon ook worden afgesloten met een groot luik. Dat was een ideale preekstoel. Als mijn broertje in de "preekstoel" ging staan kwam hij net met zijn hoofd boven de balustrade uit. Hij ging dan met twee voeten op een van de latten van de balustrade staan en iedereen kon hem zien.

Hij was een geweldige predikant. Vooral als er in de kerk een missieweek was gehouden door de pater franciscanen dan sloeg Kees met zijn vuisten op de preekstoel en lagen we soms plat op onze buik van het lachen.

We hadden van moeder een klein beetje wijn in een flesje gekregen waar we heel zuinig mee waren. Mijn tweede broertje was als koster aangesteld. Hij kreeg nooit van de wijn te drinken en zo vonden we op een keer het flesje leeg. Bij nader onderzoek bleek dat de koster alle wijn had opgedronken.

Zo konden we ons uren vermaken. Het was allemaal toneelspel met een Rooms tintje.

Mijn moeder was er heilig van overtuigd dat ik later priester zou worden en toen ik haar vertelde dat ik naar de beroepstoneelschool wilde om toneelspeler te worden was dat voor haar een hele teleurstelling.

Dit is een periode uit mijn leven waarvan ik de herinneringen voor geen goud zou willen missen.