INHOUD CEES ROBBEN
HOME

BRABANTS

AUTEURS

CuBra

De Stichting die het werk van Cees Robben beheert heeft een eigen website. KLIK HIER

Deze tekst verscheen oorspronkelijk in het tijdschrift Brabants, kwartaaluitgave over Brabantse Taal - KLIK HIER OM NAAR DE WEBSITE VAN BRABANTS TE GAAN

Copyright Ed Schilders & Cees Robben Stichting

 

CEES ROBBEN

artikelen uit tijdschrift Brabants door Ed Schilders

Lelijk

Een motief dat met grote regelmaat terugkeert in de prenten van Cees Robben is de wijze waarop de personen elkaars voorkomen beoordelen. Anders gezegd: een bondige en altijd humoristische karakterisering op basis van uiterlijke kenmerken. Al doende heeft Robben ook veel vastgelegd van de rijkdom van het dialect waar het gaat om het typeren van de mensen en hun gebreken. Twee zeer pronte dames zien een opgedirkt dametje in vrij korte rok passeren, waarbij de ene vrouw oordeelt: ‘…mar ze heeter gin ččrig in desse slaoi-beene heej’ (magere, slungelige benen; ‘slaoi-voete’ zijn echter weer lomp en groot). Een al wat oudere maar ook zeer magere vrouw wordt in een andere prent getypeerd met: ‘Des mar ’n schreepel (schraal, mager) frammes (vrouwmens)… ’t lččkent wel ’n toemet-ketje…’ (het laatste en vaak kleinste katje uit een nest). Een heel dikke man wordt door zijn maat gewaarschuwd: ‘Oppaase jonge of ge groeit nog dicht… ge het vort unne buik as ’n spurrie-koei… vetmôok…’

Het meest voorkomende uiterlijke kenmerk waarmee de spot wordt gedreven is de lelijkheid. Bekend, ook als mop, is de prent waarop een dronken man tegen een vrouw zegt hoe lelijk ze is. Als de vrouw antwoordt dat de man dronken is, zegt hij: ‘Mar dč van men is mččrege wir over… en dč van jou nie…’ In een andere prent trekt de vrouw aan het langste eind als ze tegen de man die haar lelijk vindt, zegt: ‘Mar as gij van knap worre ziek wordt, betaol ik den dokter.’ Bij het vaststellen van zulke uiterlijke lelijkheid is een vergelijking met het varken favoriet. Van jongs af aan, blijkbaar, want als een jongetje in een schoolklas tegen de meneer zegt dat hij wordt uitgescholden, wijst hij op de jongen naast hem en zegt: ‘Hij lee m’ammol uit-te-schččne vur vččrekes-knöst en zult-bommerel…’ Soms benadrukt Robben de lompheid, zoals in de hierbij afgebeelde prent, en in een caféprent waarop de ene man tegen de andere zegt (blijkbaar als weerwoord): ‘…En as jouwe kop op un vččreke stond… zôdde denken det bisje ziek was…’