CUBRA

INHOUD NAAIJKENS
HOME
AUTEURS
SPECIAAL
BRABANTS

Print Pagina
Anton Eijkens heeft dezelfde gebeurtenis beschreven in sprookjesvorm - KLIK HIER
CUBRA varkensrubriek

Dit verhaal verscheen oorspronkelijk in het tijdschrift Jeugd, in 1957. In 2001 verscheen het als bibliofiele uitgave als nummer 2 in de reeks 'Het geslacht Sus', uitgegeven door TeleXpress, Tilburg. De hier afgebeelde zeefdruk 'Kuus',  van de hand van Walter Kerkhofs, is onderdeel van die bibliofiele uitgave.

Jan Naaijkens

HET VARKEN

Een - ik zweer het - waar gebeurd verhaal, aan zijn kleinkinderen verteld, door opa

TJONGE, TJONGE, al word ik ook honderd jaar oud, ik zal al mijn levensdagen de affaire met het varken niet vergeten. Een varken? Wat vertel je ons nou opa? Wat heeft een varken in 's hemelsnaam met de oorlog te maken? Je gaat ons zeker weer wat op de mouw spelden?

Nee, nee, lieve schurken, deze keer maak ik jullie niets wijs. Het verhaal is echt gebeurd, zo echt als ik hier in levenden lijve voor jullie zit. Ik durf er mijn hand voor in het vuur te steken, op mijn woord van eer.

Jullie kunnen dag in dag uit je buikje lekker rond eten. Je kunt je daarom niet voorstellen wat het is om honger te hebben. Ja, ja wel voor een keertje natuurlijk,als je een forse wandeling gemaakt hebt of een middagje bent wezen zwemmen.

Nee, ik bedoel chte honger, die dagen, weken aan een stuk duurt. Je wordt dus al maar magerder. Je loopt de hele dag met een holle, rammelende maag. Je voelt je loom en slap en nergens meer toe in staat. Die echte honger, die hebben wij gekend.

In het begin van de oorlog liep het zo'n vaart niet. De regering had behoorlijke voorraden aangelegd, waar we voorlopig wel op teren konden. Maar de grootste voorraad raakt gauw op, als er steeds meer af gaat en er niets bij komt. En het ging er in snel tempo af, dat kan ik je verzekeren. Want dag en nacht rolden volle treinen naar zeker land in het oosten en die treinen kwamen leeg terug. Al gauw moesten we de buikriem stevig aansnoeren. Op je distributiebonnen kreeg je steeds minder en in het derde jaar van de oorlog liepen we allemaal met dat vervelende, knagende gevoel in onze maag. We probeerden dan ook van alles om ons magere rantsoentje een beetje aan te vullen. Mijn moeder bakte zelf brood en probeerde op een primitieve manier uit afgeroomde melk nog boter te halen. Mijn vader stuurde de jongens dikwijls de boer op om te proberen wat rogge of een stukje spek te bemachtigen. Ik heb dikwijls genoeg met kloppend hart zonder licht door het donker gefietst (op een fiets met houten banden), met achterop een half zakje rogge dat ik bij een bevriende boer had weten te bemachtigen. Want ik was toen nog een ongetrouwde snotneus, die net zo goed als de anderen zijn deel moest bijdragen in de strijd tegen de honger en de ondervoeding.

Het vlees werd steeds schaarser. Er was niet meer aan te komen en daarom besloot vader na rijp beraad een varken aan te zetten.

Achter in onze tuin stond een houten prieeltje, dat met wat kunst- en vliegwerk tot een varkenshok werd ingericht. Het was bovendien een prachtige camouflage.

Niemand zou vermoeden dat in dat aardige, witte, romantische huisje zon knorrend beest verborgen zat. Je moet namelijk weten, dat het streng verboden was een varken te houden. Je had daar een vergunning voor nodig en die werd alleen aan boeren afgegeven. Als je clandestien een varken hield, en de lieverdjes van de opsporingsdienst kwamen erachter, nou, dan kon je een zware pijp roken. Je varken werd in ieder geval in beslag genomen. Je kon rekenen op een fikse boete en je mocht van geluk spreken als je niet in het gevangenkamp van Vught terecht kwam.

In het diepste geheim, in het holst van de nacht, werd de knorrende viervoeter bij ons afgeleverd en in het prieeltje gestopt. Hij zat daar fijn verborgen en ten overvloede stapelde mijn vader tussen het beestje en de deur nog een aantal takkenbossen op, zodat van buitenaf niet te zien was welk kostbaar dier daarbinnen rondhuppelde.

Het beestje groeide als kool. Van alle kanten sleepten wij eten aan en likkebaardend verheugden wij ons al op de malse hammen en het geurende spek waarop wij in de nabije toekomst getrakteerd zouden worden. Elke dag gingen wij het beestje bewonderen en eindelijk vonden we, dat het tijd werd dat hij geslacht zou worden. Het was een prachtdier geworden. Hij woog zeker tweehonderd vijftig pond, schoon aan de haak, en daarvan zouden we met heel ons grote gezin toch wel enkele maandjes kunnen smullen en smikkelen.

Juist op de dag dat mijn vader een afspraak had gemaakt met de slager, deed het gerucht de ronde, dat die middag nog een grootscheepse controle zou gehouden worden. Aanvankelijk geloofden wij het niet. Er deden zoveel wilde geruchten de ronde waarvan later geen spaan bleek te kloppen en het zou verdikkeme toch wel heel toevallig zijn, dat er net op de allerlaatste dag van dit varkensleven gecontroleerd zou worden.

Maar het was wl waar.

's Middags werden twee bussen vol controleurs aan de grens van de gemeente afgezet. Ze trokken een ring om het dorp, zodat geen kip ontsnappen kon, laat staan een varken. Er ontstond een geweldige paniek in het dorp, want er werden heel wat beestjes clandestien gehouden. Sommigen joegen hun varkens zomaar de velden in, op hoop van zegen.

Mijn vader voelde daar niet veel voor. Stel je voor, dat onze dikkerd niet meer terugkwam of regelrecht in de armen zou snellen van een controleur! Dat zou eeuwig zonde zijn!

Hij zocht naar een beter plan. Wij zochten ijverig mee maar niemand vond iets. De controleurs kwamen almaar nader en hoe dichterbij ze kwamen, hoe zenuwachtiger mijn vader werd. Hij liep wel twintig keer het hele huis door, van voor naar achter en van boven naar onder.

De tijd drong en ten einde raad, toen de controleurs al aan het begin van onze straat gesignaleerd waren, gaf hij bevel het varken in de ouderlijke slaapkamer te drijven. Die was weliswaar gelijkvloers, maar wie ter wereld zou in een slaapkamer naar een varken gaan zoeken?

Het beestje had in het prieeltje natuurlijk onwelriekende sporen nagelaten, maar we smeten er vlug de takkenbossen overheen en het zou een knappe kerel moeten zijn, die in het tuinhuisje een varkenshok herkennen zou.

Toen dat gebeurd was vluchtte iedereen het huis uit, behalve mijn vader en moeder natuurlijk en ikzelf. Niet dat ik zo'n held was, geloof dat maar niet jongelui, maar ik vond het toch wel erg sneu de oude luitjes met hun varkentje alleen te laten in deze stonde des gevaars. Ik ging achter op het plaatsje hout zagen en trachtte zo kalm mogelijk te wachten op de dingen die komen gingen.

Ik was nog maar goed en wel bezig of daar had je ze al: twee onbewogen kerels in lange jassen die geen boe of bah zeiden. Nou, ik zei ook niks en ging koelbloedig door met zagen. Dat leek tenminste zo, maar binnenin ging mijn hartje van rikketik, dat kan ik je wel verzekeren. De controleurs keken hier en keken daar en maakten aanstalten om verder te gaan. Ik haalde verlicht adem. Toen ontdekte een der kerels het tuinhuisje en stevende er recht op af. Mijn hart stond zowat stil. Daar had je het gedonder in de glazen! Hij keek door de ruit naar binnen, zag de takkenbossen en draaide zich van het huisje af.

Mijn hart klopte weer! We waren gered!

De controleur draaide weer terug. Hij opende het deurtje, haalde zijn neus op, snoof nog eens, wenkte de andere controleur die ook de neus ophaalde en toen kwamen ze langzaam, met brede, dreigende stappen naar me toe. Ze hadden het varken geroken!!!

"Waar is het varken?" vroeg de langste met een stem die klonk als het breken van ijs.

"Ik weet van niks", zei ik onverschillig en zaagde door.

"Woont u hier?"

"Mijn vader woont hier."

"Waar is hij?"

"Binnen."

Ik had mijn tong wel af willen bijten. Ik had moeten zeggen: hij is dood. Of: hij is gisteren vertrokken naar Luxemburg. Of: hij ligt ziek te bed. Maar het was nu te laat. De kerels gingen naar binnen en met de dood in het hart slofte ik achter hen aan.

Mijn vader bood de mannen een sigaar aan. Dat was helemaal fout. De schavuiten wisten deksels goed dat ze als handlangers van de vijand door iedereen gehaat werden. Wie hun een sigaar aanbood moest niet zuiver op de graat zijn. Maar ze namen vaders laatste sigaren brutaal aan en terwijl ze de rookwolken de lucht inpaften vroeg de langste: "Waar is het varken?"

"Varken? Ik? Een varken?" zei mijn vader zenuwachtig, "ik weet maar amper hoe een varken eruit ziet."

"We hebben een volmacht om het hele huis te doorzoeken", zei de lange ijzig.

"Zoek waar u wilt", zei mijn vader stotterend, "als u maar niet in die kamer komt. Daar ligt mijn vrouw ziek te bed."

Ik zag moeder verbleken, want ze stond gezond en wel naast mijn vader. Op hetzelfde ogenblik klonk in de aangrenzende kamer 'n daverende slag, gevolgd door een vrolijk geknor. De lange opende de deur en wij allen keken met hem mee.

Wat ik toen zag, beste kinderen, zal ik nooit, nooit meer vergeten. Het varken had de wastafel omgetrokken, de lampetkan lag in scherven op de vloer. De gordijnen waren van het raam getrokken en in stukken gescheurd. Het bed was afgehaald en vanonder een laken dat rond zijn dikke spekrug gedraaid was, knorde het zwijntje ons lustig toe.

Ik wist niet of ik moest lachen of huilen. Mijn moeder huilde wel, want de leren langjas trok onbewogen, onaangedaan, zijn boekje te voorschijn en vroeg met kille stem: "Uw naam...?"