Foto Frans Goddijn

 

 

  

De website over Jan Elemans en zijn werk wordt geredigeerd door Ed Schilders met toestemming van de erven Elemans.

Alle bijdragen van andere auteurs verschijnen met hun toestemming.

 

Verspreide publicaties

Zestig bloemen

Dialect Huisseling

Gepubliceerd in Taal en tongval, jaargang 21, 1969

 
 

Zestig bloemen

Ik ben al lang uit het vak, zo ik er al ooit in ben geweest, en ik zal dan ook slechts snuffelen aan het taalkundig probleem dat ik in dit artikel aan de orde stel. Ik verzamelde zestig bloemen die als bos iets van het adjektief gedrag in het Huisselings dialekt laten zien. In mijn proefschrift Woord en Wereld van de Boer (1958) heb ik me om dat gedrag niet bekommerd. De bloem koos ik vanwege het feestelijk karakter dat deze gelegenheid aankleeft, alsook vanwege haar taalkundige vrouwelijkheid. Aan vrouwelijke woorden immers laat zich in het Huisselings het adjektief gedrag het duidelijkst demonstreren.

In het meervoud zijn alle adjektiefvormen volgens dezelfde regel kort of lang. In het enkelvoud vindt men slechts de korte vorm bij 't onzijdig, slechts de lange bij 't mannelijk. Alleen de vrouwelijke woorden kleden zich in beide -vouden afwisselend in het kort of lang. De ruiker waarin dit alles getoond wordt, bied ik bij dezen aan in een vorm die zo dicht mogelijk ligt bij het Algemeen Beschaafd: niet de klank is in het geding maar het al dan niet aanwezig zijn van wat ik dan maar huiselijk noem de stomme -e.

De eerste zestien bloemen plukte ik op kleur:

2) 'n groen bloem

_____

'n zwarte bloem

4) 'n bruin bloem

_____

'n paarse bloem

6) 'n vaal bloem

_____

'n groensige bloem

8) 'n donker bloem

_____

'n lichte bloem

10) 'n grijs bloem

_____

'n gespikkelde bloem

12) 'n rooi bloem

_____

'n witte bloem

14) 'n geel bloem

_____

'n bonte bloem

16) 'n blauw bloem

_____

'n pompeldoere bloem

 

Tot en met bloem veertig heb ik geprobeerd allerlei soorten in de bos op te nemen:

18) 'n mooi bloem

_____

'n lelijke bloem

20) 'n klein bloem

_____

'n grote bloem

22) 'n gewoon bloem

_____

'n aarige bloem (eigenaardig)

24) 'n lang bloem

_____

'n korte bloem

26) 'n ouw bloem

_____

'n verse bloem

 

 

28) 'n droog bloem

_____

'n natte bloem

30) 'n krom bloem

_____

'n rechte bloem

32) 'n stijf bloem

_____

'n slappe bloem

34) 'n zwaar bloem

_____

'n lichte bloem

36) 'n duur bloem

_____

'n goejekope bloem

38) 'n dun bloem

_____

'n dikke bloem

40) 'n sober bloem

_____

'n rijke bloem

 

Het stoffelijk bijvoeglijk naamwoord laat de vrouwelijke bloem uiteraard weinig ruimte voor variatie, al geeft het in dit bijzondere geval de ruiker wel een aparte charme:

41)

'n zilvere bloem

42)

'n papiere bloem

43)

'n ijzere bloem

44)

'n houtere bloem

45)

'n glaazere bloem

46)

'n blikke bloem

47)

'n vilte bloem

48)

'n bene bloem, en heel burgerlijk ook

49)

'n plestieke bloem, maar de vijftigste is dan ook

50)

'n gouw bloem

 

Nu nog zes kleintjes erbij die laten zien hoe machtig de korte vormen het onzijdig enkelvoud regeren:

52) 'n blauw bloemke ------- 'n wit bloemke, maar dat overwicht missen in het onzijdig meervoud:

56) twee bruin bloemkes ------- twee paarse bloemkes

Omdat het geel-wit althans ooit de Nijmeegse universiteit heeft gesymboliseerd, voeg ik tenslotte nog vier stuks in het geel en wit toe, die tevens het adjektief gedrag aantonen bij het vrouwelijk meervoud:

60) twee geel bloemen ------- twee witte bloemen

De feestruiker is hiermee kompleet. Aan de meer hartstochtelijke taalonderzoekers laat ik het over om deze, voor deze gelegenheid geklede bloemen tot onder hun rokje te bestuderen. Zelf voel ik niet voor een dieptetaalkundig onderzoek naar het adjektief gedrag in het boeket. Ik heb eraan geroken. Laat anderen in deze geretardeerde tegenstellingen de oude stammen maar bloot leggen, die het een en ander zouden kunnen verklaren. Wat kan mij die stomme -e eigenlijk schelen? Veel. Toch. Het Huisselings is voor mij geen dode taal, geen abstrakt systeem maar een levenswijze. Verandert dit dialekt, dan verander ik zelf. Verliest het zijn gotische trekken, dan word ik gekonfronteerd met de eenzaamheid van de renaissancist die met pen en papier, in woord en geschrift, in gedachte en daad de opbouwstoffen levert voor een nationale taal. Wie, volwassen wordend, moet breken met zijn moedertaal, krijgt een knik in zijn ontwikkeling welke de stedeling bv. mist die nooit afstand hoeft te doen van het Algemeen Beschaafd waarin hij is opgevoed. Door deze breuk immers met de moedertaal wordt de ex-dialektspreker psychologisch vele jaren lang extra belast. Dit trauma op de bodem van een taalkrisis heeft me er ooit toe gedreven Woord en Wereld van de Boer te schrijven. Misschien heb ik er wel een psychiater mee uitgespaard. Na die anamnese kon ik verder in de richting van een stedelijk bestaan in de warmte van het Algemeen Beschaafd. Amper kind af, werd ik gedwongen anders te voelen, te denken en te doen dan mij in mijn jeugd was voorgehouden. Met mijn dialekt werd mijn ouderlijk huis, mijn dorp, mijn kerk onbruikbaar. In mijn proefschrift heb ik nog net die enorme verschuiving zien aankomen. Dat de krisis in de Noordbrabantse gemeenschap zo snel zou komen, zo algemeen en zo indringend zou zijn in haar uitwerking, kon ik toen onmogelijk voorzien. Het boerenethos wordt aangetast, bijna is het een schande nog boer te zijn. Wie boer is, staat de uitgroei van de EEG in de weg, hindert, traineert. Hetzelfde geldt van de Roomse katholiek. God en de mulder liggen op sterven. Priesters, theologen, nonnen en kloosterbroeders gaan nog trouwen op hun oude dag. Wr verlaat een bekende Augustijner monnik het klooster. Ik schrik er niet van. Ik heb het van verre zien aankomen. Maar toch. In Brabantia heb ik Van Duinkerken herdacht. Die man - en dan moet men niet gaan ziften - sprak nog dialekt, leefde nog vanuit een dialekt, middeleeuws vroom, zijn heldhaftige dood bewijst het. De lijn waarin hij dacht heb ik moeten afbreken. Die lijn was me van huis uit vertrouwd. Daarom was het een dubbel smartelijk afscheid. Ik beleef nu de tweede, de Brabantse of katholieke renaissance. Ik leef mijn leven in het Algemeen Beschaafd zo goed en zo kwaad als dat gaat. De verrijkingen uit het huidig Amsterdams leer ik er vlijtig bij. Maar als ik zeg een mooie bloem, hr ik het me zeggen, vind ik in het diepst van mijn hart dat ik me vergrijp aan een wet die er dan wel niet meer is maar toch iets heeft nagelaten, zoals een kruisbeeld dat je wegneemt van de muur nog jaren lang een witte vlek achterlaat op het behang. Of me die stomme -e dus nog wat kan schelen! Ik ben wat ik zeg. Maar ik vergis me soms. Dan zeg ik: een mooi bloem. Wat ben ik dan?